Parallelsessies
Bekijk hieronder alle bijdragen die tijdens de ORD 2026 worden aangeboden. Struin er lekker door en selecteer alvast je favorieten.
Tijdens de parallelsessies is er keuze uit ruim 350 bijdragen, verdeeld over acht rondes.
De sessierondes duren 60 of 90 minuten en bestaan uit één, twee of drie presentaties. Wanneer er meerdere presentaties binnen één sessie zijn geprogrammeerd, is er geen wisselmoment en volg je alle presentaties in de sessie.
Toelichting op het onderstaande programmaschema
Zoek
Gebruik onderstaand zoekveld om sessies te zoeken op trefwoord, de naam van een spreker of het abstractnummer.
Blader
Je kunt door alle sessies bladeren door op een van de dagen te klikken. Klik op een sessie om de bondige abstracttekst te bekijken. Klik nogmaals om deze weer in te klappen.
Kies
Je kunt interessante sessies selecteren door op de ster in de linkerbovenhoek te klikken. De ster wordt dan geel.
De geselecteerde favorieten kun je bekijken door naar op de knop ‘Toon mijn keuzes’ rechtsboven te klikken. Als je alle sessies opnieuw wil bekijken, klik dan op ‘Toon/verberg alles’.
De selectie garandeert geen plek; alle sessies zijn op basis van wie het eerst komt, het eerst maalt. Het schema gebruikt cookies om je geselecteerde sessies te onthouden voor wanneer je op een later moment terugkeert naar de pagina.
VOR-spotlight
VOR-SPOTLIGHT:
923 (Robuuste) kennisontwikkeling en benaderingen in onderwijsonderzoek
Parallelsessie 3 – donderdag 2 juli, 09:00 – 10: 30 uur
Divisie-spotlights
DIVISIE-SPOTLIGHT O&S:
134 Burgerschapsonderwijs als transitiepraktijk: spanningen en dilemma’s
Parallelsessie 1 – woensdag 1 juli, 14:15 – 15: 45 uur
DIVISIE-SPOTLIGHT L&L:
307 Zij-instromers als professionals met impact
Parallelsessie 3 – donderdag 2 juli, 09:00 – 10: 30 uur
DIVISIE-SPOTLIGHT CU en ICT:
593 AI in Education: Curriculum Innovation in Teaching and Learning
Parallelsessie 5 – donderdag 2 juli, 14:30 – 16: 00 uur
DIVISIE-SPOTLIGHT HO en LivB:
870 Beroepen onder druk: wat AI vraagt van curricula, didactiek en onderwijsresearch
Parallelsessie 7 – vrijdag 3 juli, 09:00 – 10: 30 uur
Thema-spotlights
In het programma zijn 22 bijdragen geselecteerd als thema-spotlight, waarin het congresthema Onderwijs voor Transitie centraal staat. Deze sessies belichten onder meer de doorwerking en impact van onderwijsonderzoek, de methodologische benaderingen die dit vraagt en de theoretische onderbouwing en ontwikkeling binnen dit thema.
De thema-spotlightsessies zijn eenvoudig te vinden door in de zoekbalk ‘thema-spotlight’ te typen.
Papersymposium (90 minuten)512Elske van den Boom-Muilenburg, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Maaike Koopman, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Julia Penning de Vries, Universiteit Utrecht, Utrecht, Maaike Koopman (voorzitter), Lisa Gaikhorst (discussiant) 0.043wo 14:15 – 15:45 Doelstelling van de sessie Complexe onderwijsuitdagingen vragen om vormen van professionalisering en ontwikkeling die verder gaan dan individuele scholing en projectmatige verbetering (Daly & Stoll, 2018). Kennisnetwerken bieden ruimte voor gezamenlijk leren, onderzoekend werken en verbinden van praktijk en wetenschap (e.g., Doğan & Adams, 2018; Poortman et al., 2022). Ook in de regio Utrecht bestaan deze netwerken, zoals “Onderzoek dat werkt!” in het primair onderwijs, “Kracht uit Dialoog” in het voortgezet onderwijs en “De Proeftuin Passend Onderwijzen” in het mbo. Zij werken bijvoorbeeld in de vorm van research-practice partnerships (RPPs), actieonderzoekteams of professionele leergemeenschappen (PLG’s) (Coburn et al., 2013; Stoll et al., 2006). Dit symposium gaat in op de verschijningsvormen van Utrechtse netwerken: welke doelstellingen streven zij na, welke kenmerken hebben ze, op welke mechanismen zetten ze in en hoe zijn ze ingebed? Overzicht presentaties en structuur van het symposium De eerste bijdrage betreft eerste inzichten uit Onderzoek dat werkt!. In dit project werken basisscholen, lerarenopleidingen, besturen en onderzoekers aan duurzame samenwerking in RPPs. De tweede bijdrage betreft een deelstudie uit Kracht uit Dialoog, waarin de rol van HRM wordt onderzocht bij het versterken van netwerken rond samen opleiden en professionaliseren in VO-scholen. De derde bijdrage betreft de Proeftuin Passend Onderwijzen. In deze werkplaats onderwijsonderzoek onderzochten dertien PLG’s van mbo-docenten hoe zij nog beter kunnen aansluiten op de leer- en onderwijsbehoeften van studenten. Wetenschappelijke betekenis De aan deze kennisnetwerken gekoppelde onderzoeken bieden zicht op hoe het samen leren en onderzoeken is ingebed in de betrokken schoolorganisaties. Waar het individuele leren van deelnemers in de netwerken vaak goed bevorderd kan worden, leven tegelijkertijd zorgen over het verduurzamen van de vorm (verbinden van docentprofessionalisering, onderzoek en werken aan onderwijskwaliteit) en borgen van inhoudelijke inzichten buiten de RPP’s, actionderzoeksteams en PLG’s. De onderzoeken geven zicht op welke mechanismen bijdragen aan een goede inbedding. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit symposium sluit aan op het thema Onderwijs voor Transitie vanwege de vorm van samen leren en onderzoeken die centraal staat. Kennisnetwerken maken gebruik van bekende kenmerken en condities voor effectieve docentprofessionalisering. Ze bieden tegelijkertijd de gelegenheid deze kenmerken en condities in te zetten om docenten als team vorm te laten geven aan hun onderwijsvisie. Indien ingebed in de organisatie, hebben kennisnetwerken de potentie een toekomstbestendige vorm van docentprofessionalisering én onderwijsontwikkeling te zijn, dit vanwege zowel de systemische opzet ervan als de gelegenheid die ze bieden om te werken aan actuele praktijkvragen die in scholen spelen. Individuele bijdrage 1 Bewegen richting duurzame samenwerking in werkplaatsen. Lessen uit Research-Practice-Partnerships Van den Boom-Muilenburg, Van Gils, Sipman, Slot en Wezendonk-Brouwer Aanleiding Scholen staan voor complexe vraagstukken die vragen om duurzame vormen van gezamenlijke kennisontwikkeling. Werkplaatsen zijn daarvoor opgezet als langdurige samenwerkingen tussen scholen, onderzoekers en besturen. Verduurzaming draait om het borgen van gezamenlijk leren, onderzoeken en verbeteren in het dagelijks handelen van onderwijsprofessionals en in school- en bestuursstructuren (Van den Boom-Muilenburg et al., 2023). We benaderen werkplaatsen als research-practice-partnerships (RPPs), gekenmerkt door vijf kerncomponenten: langdurige samenwerking, een gedeeld praktijkvraagstuk, wederzijds voordeel, relatie-opbouw en onderzoeksmatig werken (Coburn & Penuel, 2016; Sjölund et al., 2022). Tegelijkertijd zien we scholen als complexe, adaptieve systemen (Fidan & Balci, 2017), waarin verduurzaming afhankelijk is van samenhang tussen micro-, meso- en macroniveau. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke aspecten op welke niveaus beïnvloeden duurzame inbedding van werkplaatsen in de schoolorganisatie? Methode Het onderzoek betreft een kwalitatieve casestudy binnen zeven basisscholen. De werkplaatsen bestonden uit een bruggenbouwer (leerkracht) en een docent-onderzoeker (aangevuld met schoolleiders/collega’s). Data zijn verzameld via semigestructureerde interviews en gezamenlijke reflectiemomenten, en geanalyseerd o.b.v. de vijf kerncomponenten op de verschillende niveaus. Resultaten Alle kerncomponenten waren zichtbaar, maar manifesteerden zich verschillend per niveau. Op micro-niveau lijkt expliciete afstemming over rollen en verwachtingen belangrijk. Op meso-niveau lijken draagvlak en aansluiting bij schoolprioriteiten belangrijk. Op macroniveau vormt personele instabiliteit een structurele factor waarmee werkplaatsen moeten leren omgaan. Wederzijds voordeel, relationele kwaliteit en tijd voor onderzoeksmatig werken leken op alle niveaus randvoorwaardelijk voor doorwerking en duurzame samenwerking. Discussie Duurzame werkplaatsen ontstaan niet uit afzonderlijke succesfactoren, maar uit een dynamisch samenspel tussen componenten en niveaus. Er bestaat geen blauwdruk. Dit sluit aan bij literatuur over complexe, adaptieve systemen, waarin duurzame verandering ontstaat via iteratieve interacties en sterk afhankelijk is van lokale context, en onderstreept het belang van contextgevoelige ontwerp- en begeleidingspraktijken. Individuele bijdrage 2 De rolopvatting van HR-professionals in het samen opleiden en professionaliseren van leraren in het VO Julia Penning de Vries, Monique Verhoeven, Ditte Lockhorst, Lotte Henrichs, Martine van Rijswijk Aanleiding Voorgaande jaren is sterk ingezet op samenwerking binnen netwerken van vo-scholen, kennisinstituten en opleidingen voor het opleiden en professionaliseren van (aanstaande) leraren (SO&P). Vanuit de wens om de kwaliteit van SO&P verder te verbeteren onderzochten verschillende kennisnetwerkpartners in de regio Utrecht hoe SO&P verrijkt en verduurzaamd kon worden. In deze bijdrage wordt verkend hoe strategisch personeelsbeleid (SHRM) kan bijdragen aan SO&P, en welke rol HR-professionals hierin hebben. Opleiding en professionalisering behoren tot de kerntaken van HRM (Guest, 2022), waardoor inbedding van HR-professionals binnen SO&P voor de hand ligt. Dit kent verschillende uitdagingen. Allereerst hebben HR-professionals overwegend een interne organisatiefocus (Syrigou & Williams, 2023), terwijl samenwerking binnen partnerschappen vraagt om een verder rijkende oriëntatie. Ten tweede moeten HR-professionals zich verhouden tot de opleiding van onderwijsprofessionals, een domein met eigen standaarden, normen en professionele logica (Noordegraaf, 2015). Ten derde speelt in de publieke sector een ontwikkeling waarbij HRM verschuift van een administratieve rol naar een strategische rol (Truss, 2008). De vraag is in hoeverre deze verschuiving zich daadwerkelijk manifesteert binnen het vo (Penning de Vries & Knies, 2025). De onderzoeksvraag luidt: Wat is de rol en rolopvatting van HR-professionals binnen het samen opleiden en professionaliseren van (aanstaande) leraren? Methode Het onderzoek is een kwalitatieve casestudie binnen het samenwerkingsverband Het opleidingshuis. De data betreft een focusgroep met HR-professionals (N=6) en individuele diepte-interviews met schoolleiders (N=2). In voorjaar 2026 een wordt documentanalyse uitgevoerd en worden interviews met HR-professionals afgenomen. Resultaten Definitieve resultaten zijn afgerond tijdens de ORD. Voorlopige resultaten tonen dat er sprake is van rolonduidelijkheid van HR-professionals binnen SO&P, en wijzen op een potentieel spanningsveld tussen HR-professionals en netwerksamenwerkingen als gevolg van deze rolonduidelijkheid. Individuele bijdrage 3 De Proeftuin Passend Onderwijzen: Een werkplaats onderwijsonderzoek over leren differentiëren in het mbo Maaike Koopman en Lydia Schaap Aanleiding In de onderzoekswerkplaats Proeftuin Passend Onderwijzen onderzochten gedurende vier jaar dertien professionele leergemeenschappen (PLG’s) van mbo-docenten samen hoe ze kunnen inspelen op de leer- en onderwijsbehoeften van studenten (De Bruijn, 2013; Tomlinson, 2000). De onderzoeksvraag luidde: Hoe kunnen PLG’s ondersteunen bij het opdoen van inzichten over en duurzaam verbeteren van passend onderwijzen? Methode Data werden verzameld middels twee groepsinterviews per PLG en logboeken van PLG-begeleiders. Eén groepsinterview bracht leerproces en leeropbrengsten van PLG-leden in kaart middels het model van Clarke & Hollingsworth (2002; Figuur 1). Het andere groepsinterview gaf via CIMO-logica zicht op het probleem-in-Context dat de PLG oppakte, ontwikkelde Interventies, in gang gezette Mechanismen en beoogde en bereikte Opbrengsten. Interviewdata en logboeken vormden input voor een portret per PLG. Portretten werden geanalyseerd ten behoeve van een crosscase analyse. Resultaten In bijna alle PLG’s was sprake van leeropbrengsten in het persoonlijk domein van Clarke en Hollingsworth (2002). Deze bestonden uit nieuwe kennis en inzichten over zowel onderzoek doen als het specifieke probleem-in-context van de PLG. In het externe domein droeg de PLG-begeleider, vaak een onderzoeker, daaraan bij. Bij de PLG’s die erin slaagden om interventies uit te proberen, waren vaak opbrengsten in het praktijkdomein zichtbaar, hoewel slechts bij een beperkte groep docenten. Dan zorgden de onderzoeksactiviteiten van de PLG-leden soms ook voor opbrengsten in het domein van consequenties: ze kregen zicht op hoe de studenten de interventies hebben ervaren. Discussie en conclusie In PLG’s ontstonden nieuwe inzichten over onderzoek doen én passend onderwijzen. Vaak werd nieuw pedagogisch-didactisch handelen uitgeprobeerd en soms geëvalueerd, zij het kleinschalig. Duurzame effecten hiervan in het onderwijs worden bevorderd wanneer collega’s betrokken worden bij het onderzoek en wanneer PLG’s langdurig(er) ingebed en gefaciliteerd worden. Papersymposium (90 minuten)60Tisja Korthals Altes, Hogeschool Windesheim, Zwolle, Siema Ramdas, Vrije Universiteit, Amsterdam, Rinotha Senathirajah, Avans Hogeschool, ’s Hertogenbosch, Anouk Wouters (voorzitter), Elke Emmers (discussiant) 1.022wo 14:15 – 15:45 Doelstellingen Dit symposium toont drie inhoudelijk samenhangende onderwijsonderzoeken, met verschillende methodologische benaderingen, over hoe inclusief hoger onderwijs (IHO) in de praktijk wordt begrepen en vormgegeven. Inclusie krijgt veel aandacht in beleid en onderzoek (Bonjour et al.,2020; DIHOO, 2020), maar blijkt lastig te realiseren (Emmers et al.,2020). IHO is geen eenduidig concept, maar contextgebonden en relationeel, ingebed in identiteiten, institutionele structuren en maatschappelijke transities (Ramdas et al.,2025; Korthals Altes et al.,2025). Het doel van dit symposium is: verschillende perspectieven bij elkaar brengen en uitwisselen over wat inclusie vraagt van docenten, studenten en instellingen en welke condities nodig zijn om inclusieve praktijken duurzaam te realiseren. Overzicht De eerste presentatie verkent waarom docenten inclusief onderwijs wel of niet implementeren, en wat ze daarin kan tegenhouden. Dit gebeurt via een auto-etnografische exploratie van docentidentiteit en diversiteitswerk binnen het HO. De tweede presentatie brengt perspectieven van docenten en studenten samen. Op basis van survey-en interviewdata wordt inzicht gegeven in hun opvattingen over IHO en inclusieve praktijken op opleidings-en instellingsniveau binnen het Nederlandse HO. De derde presentatie zoomt in op hoe digitalisering, specifiek blended learning, kan bijdragen aan IHO. Aan de hand van een systematische literatuurstudie worden specifieke interventies voor de inclusie van studenten met ondersteuningsbehoeften geïdentificeerd. Wetenschappelijke betekenis Het symposium verbindt individuele ervaringen/overtuigingen, concrete onderwijspraktijken en institutionele structuren. Het combineren van verschillende methoden toont hoe verschillende kennisvormen elkaar aanvullen in het verkrijgen van een realistischer beeld van IHO en de complexiteit van IHO in de praktijk. Daarmee biedt het symposium conceptuele en methodologische lenzen, evenals handelingsgerichte handvatten voor actuele transities, zoals digitalisering en polarisatie. Structuur De sessie bestaat uit drie korte presentaties, gevolgd door een interactieve discussie. In de discussie reflecteren we op de implicaties voor onderwijspraktijk, professionalisering en beleid, en op hoe gedeelde opvattingen kunnen bijdragen aan duurzaam en toekomstbestendig inclusief hoger onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het symposium richt zich op doorwerking van inclusief hoger onderwijs (IHO) en de verschillende methodologische benadering die dit vraagt. IHO draagt bij aan onderwijs in transitie (als aanjager van onderwijsvernieuwing) en aan onderwijs voor transitie: IHO als middel naar een inclusieve samenleving waarin we kritisch denken en samen werken aan complexe maatschappelijke vraagstukken. Juist in onze actualiteit van polarisatie, studentenwelzijn en buitenlands anti-DEI druk tonen we een rijker inzicht in de complexe aard van IHO en implementatie daarvan, benuttend van digitalisering. Samen met deelnemers van de sessie gaan we in op hoe IHO gestimuleerd kan worden in tijden van transitie. Individuele bijdrage 1 “Je hebt het over mij”: Een auto-etnografische exploratie van docentidentiteit en diversiteitswerk in het HO Ondanks de groeiende aandacht voor Equitiy, Diversity en Inclusion (EDI) blijven instellingen in het HO worstelen met het creëren van gelijke kansen en het realiseren van inclusief onderwijs (Slootman & Wolff, 2017). Uit onderzoek blijkt dat docenten hierin een cruciale rol kunnen spelen (Lawrie et al., 2017). Toch is er nog weinig bekend over waarom sommige docenten/docentopleiders EDI implementeren, en anderen niet. Inzicht in de docentidentiteit kan helpen dit beter te begrijpen (Beijaard et al., 2004). Veel onderzoek naar docentidentiteit is echter uitgevoerd in het primair en voortgezet onderwijs. Studies naar docenten/docentopleiders met een minderheidsafkomst zijn schaars. In deze studie is een auto-etnografische benadering toegepast om het volgende te exploreren: Wat motiveert de auteur als docent /docentopleider om zich bezig te houden met EDI? En hoe verhoudt deze betrokkenheid zich tot de docentidentiteit? Volgens de auto-etnografische benadering heeft de auteur systematisch gereflecteerd op eigen ervaringen om bredere culturele, sociale en institutionele processen te analyseren (Chang, 2008). Na thematische analyse van de data werden vier thema’s geïdentificeerd: “Identiteit: dimensies, spanning en ‘othering’”, “Emotionele arbeid”, “Ambivalentie richting het systeem” en “Motivators: Wortels en Vleugels”. Deze thema’s beschrijven spanningen tussen verschillende identiteitsposities die plaatsvinden bij EDI-werk aan de hand van “dialogical self theory” (Hermans, 2022), de emotionele arbeid die gepaard gaat met deze werkzaamheden als persoon van kleur (Hochschild, 2012), en het fluctueren van insider en outsider posities binnen het willen veranderen van het HO systeem(“tempered radicalism” (Meyerson & Scully, 1995), en de stimulerende werking die het ervaren van teacher agency, lotgenoten en leiderschap kunnen hebben. Vervolgonderzoek is nodig naar waarom docenten zich inzetten voor EDI en de relatie met hun docentidentiteit, evenals naar systeemveranderingen die verantwoordelijkheden beter verdelen en ondersteunen. Individuele bijdrage 2 Docenten en studenten over inclusief hoger onderwijs, praktijken en belemmerende/faciliterende factoren Inclusief hoger onderwijs (IHO) staat hoog op de agenda van overheidsbeleid en universiteiten in Nederland (DIHOO, 2020). Tegelijkertijd neemt diversiteit in de studentenpopulatie af in latere studiejaren (OECD, 2024). Deze kloof tussen idealen en praktijk is deels vanwege het ontbreken van een gedeeld begrip (‘conceptie’) van IHO (Ainscow, 2020). Er bestaat geen one-size-fits-all definitie van IHO, maar gedeelde concepties binnen opleidingen zijn essentieel voor implementatie (en ondersteuning) van inclusieve praktijken (Stentiford & Koutsouris, 2020). De conceptie van docenten en studenten blijft onderbelicht in eerder onderzoek (Korthals Altes et al., 2024; Hernandez et al., 2025). De onderzoeksvraag was: Wat zijn de concepties van docenten en studenten van (1) IHO, (2) inclusieve praktijken, en (3) welke belemmerende en faciliterende factoren identificeren zij? De studie combineert een vragenlijst onder docenten (n=98) en studenten (n= 253) met verdiepende interviews (3-5 per opleiding) binnen zeven bacheloropleidingen (educatie-en computersciencesector), verspreid over drie Nederlandse HBO- en WO-instellingen. De data werd geanalyseerd via thematische analyse (Braun & Clarke, 2006), cluster analyse en tests voor vergelijkingen tussen groepen (Spearman’s Rho, Mann-Whitney U, Kruskal-Wallis). Docenten en studenten onderscheiden meerdere thema’s binnen IHO: toegankelijkheid, affectieve aspecten, adaptief onderwijs, perspectiefwisseling en gelijkwaardigheid naast verschillende diversiteitsdimensies. Beperking, neurodiversiteit, sociaaleconomische status en etniciteit worden het vaakst meegenomen, religieuze/politieke/seksuele oriëntatie minder. Inclusieve praktijken omvatten didactiek op groepsniveau (zoals perspectiefwisseling, activerende werkvormen), individuele aanpassingen, lesinhoud, interactie docent/student en organisatorische context. Belemmeringen en faciliterende factoren liggen op individueel (bv. vaardigheden, ervaring), collega (urgentiegevoel, kennis), institutioneel (facilitering, informatievoorziening) en onderwijssysteemniveau. Deze uitkomsten dragen bij aan een contextgevoelig begrip van IHO door inzicht te geven in hoe concepties, praktijken en context samenhangen. Hiermee biedt het uitgangspunten voor transities naar toekomstbestendig HO waarin inclusie duurzaam is verankerd. Vervolgonderzoek is nodig over de interactie tussen universiteitsbeleid en -aanpak en docenten/studenten. Individuele bijdrage 3 Inclusief Onderwijs door Blended Learning voor Studenten met Ondersteuningsbehoeften in het Hoger Onderwijs Door de toenemende digitalisering in het hoger onderwijs (HO) wordt Blended Learning (BL) steeds vaker toegepast en beschouwd als het nieuwe normaal (Moore, 2022). Hoewel BL veelbelovend lijkt voor het bevorderen van inclusiviteit (Pearson et al., 2019), is onderzoek naar de impact voor studenten met ondersteuningsbehoeften nog beperkt (Rao et al., 2021). Dit onderzoek beoogt het kennisgat te dichten door te analyseren hoe BL-modellen en -principes worden ingezet om inclusie in het HO te versterken. In een systematische literatuurstudie is onderzocht welke BL-modellen en onderliggende principes bijdragen aan inclusie van studenten met ondersteuningsbehoeften, met als mogelijke oorzaken neurodiversiteit, fysieke en zintuiglijke beperkingen en mantelzorgverantwoordelijkheden (Moriña, 2017). De centrale onderzoeksvraag is beantwoord door te verdiepen in: (1) welke BL-modellen en -principes inclusie bevorderen in het HO, en (2) welke typen interventies binnen deze modellen aansluiten bij specifieke ondersteuningsbehoeften. De systematische literatuurstudie (vooraf geregistreerd in OSF; https://osf.io/cvw28) is uitgevoerd volgens de PRISMA-richtlijnen (Page et al., 2021). Peer-reviewed empirische (n = 5) en conceptuele (n = 2) artikelen uit vijf databases (2015–2025) zijn geselecteerd op basis van hun focus op BL en inclusie. Na selectie is een quality appraisal uitgevoerd met een aangepaste QA-tool (Sirriyeh et al., 2012). Vervolgens is via reflectieve thematische analyse (Byrne, 2022) in ATLAS.ti onderzocht welke inclusieve elementen in de beschreven BL-praktijken voorkomen. Uit de analyse zijn drie thema’s voortgekomen, namelijk: (1) specifieke behoeften van studenten, zoals structuur, flexibiliteit en variatie in toetsvormen, (2) ondersteuningsmiddelen die fysieke en digitale toegankelijkheid vergroten, waaronder assistive technologies, en (3) ontwerpprincipes voor inclusief blended onderwijs. De resultaten tonen aan dat BL aanzienlijke potentie heeft om inclusie in het HO te versterken. Waar eerdere studies vooral aanbevelingen formuleren, biedt dit onderzoek concreet inzicht in welke BL-aspecten aansluiten bij welke ondersteuningsbehoeften. Vrije vorm (90 minuten)857Lia Spreeuwenberg, Fontys, Eindhoven, Marielle Stevens, Fontys, Eindhoven, Petra Swennenhuis, Fontys Hogeschool, Eindhoven 1.050wo 14:15 – 15:45 Aanleiding Onderwijsorganisaties creëren in toenemende mate innovatieve leerwerkomgevingen waarin studenten, professionals, inwoners en onderzoekers samen werken en leren aan maatschappelijke vraagstukken. Deze omgevingen dragen bij aan de ontwikkeling van kennis en vaardigheden van betrokkenen voor het werk van de toekomst en aan adaptieve expertise (Schipper et al., 2023; Swennenhuis et al., 2021; Pelgrim et al, 2022). De samenwerkingsverbanden zijn complexe configuraties (Snoeren, 2021). En hoewel we enige kennis hebben over het ontwerp en de initiële implementatie (bv Bouw, 2021; Schipper et al., 2023) hebben we nog weinig inzicht in de verduurzaming ervan. Betrokkenen hebben behoefte aan ondersteuning om de (door)ontwikkeling van innovatieve leeromgevingen in de praktijk te stimuleren en verankeren. Om deze ontwikkeling te ontrafelen deden we onderzoek naar dynamieken en processen binnen de samenwerkingsverbanden (Stevens et al., manuscript submitted). Het onderzoek liet zien dat er binnen de samenwerking drie bewegingen met specifieke kenmerken en mechanismen onderscheiden kunnen worden: pionieren, rijpen en versterken. Tijdens de workshop maken deelnemers kennis een interventie die op basis van de resultaten is ontwikkeld en gaan we samen in dialoog over uitdagingen en mogelijkheden voor verdere groei. Vraagstelling Hoe ontvouwt de samenwerking binnen innovatieve leerwerkomgevingen zich in de tijd, welke spanningen en momenten van stagnatie treden daarbij op, en wat helpt om de verdere ontwikkeling van de samenwerking te ondersteunen? Doelstelling In deze interactieve sessie maken deelnemers op speelse wijze kennis met een wetenschappelijk onderbouwd kennis over de bewegingen van innovatieve leer-werkomgevingen. Middels een specifiek ontworpen game-element gaan deelnemers actief aan de slag met de dynamiek van verschillende bewegingen (‘pionieren’, ‘rijpen’ en ‘versterken’). Deelnemers reflecteren op hun eigen context, delen praktijkervaringen en ontwerpen concrete vervolgstappen om hun eigen leeromgevingen te versterken. De sessie sluit af met een gezamenlijke reflectie op de bruikbaarheid van de verkregen inzichten voor de eigen praktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de valorisatie en doorwerking van onderwijsonderzoek binnen de transitie naar duurzame publiek-private samenwerkingen. In een tijd waarin professionals adaptieve expertise moeten ontwikkelen voor complexe maatschappelijke opgaven, biedt ons onderzoek naar de drie hoofdbewegingen -pionieren, rijpen en versterken- inzichten in en handelingsperspectieven. Door theoretische inzichten over dynamieken en spanningsvelden te vertalen naar een interactief dialooginstrument (game), ondersteunt deze sessie actoren direct bij het versterken van hun eigen leerwerkomgeving. Hiermee bevorderen we de impact van onderzoek op de onderwijspraktijk en de transitie naar wendbare leergemeenschappen. Vrije vorm (90 minuten)226Anke Ceelen-Meevissen, Curio, Breda, Jill Engelen, SintLucas, Boxtel, Max Kusters, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Belinda Ommering, Hogeschool Utrecht, Utrecht 1.054wo 14:15 – 15:45 Onderwijsinstellingen spelen een belangrijke rol in een samenleving die wordt gekenmerkt door toenemende complexiteit, technologische versnelling en onvoorspelbaarheid (Ommering & Munneke, 2025). Voor het vervolgonderwijs betekent dit dat docenten meerdere rollen vervullen en voortdurend worden uitgedaagd onderwijs af te stemmen op een veranderend beroepenveld (Ommering & Koeslag-Kreunen, 2025). In deze context zijn teacher agency – doelgericht kunnen handelen binnen pedagogische en institutionele kaders (Priestley et al., 2015) – en epistemic agency – vermogen om handelingskennis te creëren (Heikkilä et al., 2023) – cruciaal. Beide vormen van agency stellen docenten in staat om handelingsperspectieven te herkennen, onderbouwde keuzes te maken en onderwijs responsief vorm te geven. Tegelijkertijd is inzicht in hoe deze vormen van handelingsvermogen in de praktijk tot uiting komen en hoe ze versterkt kunnen worden beperkt.In deze interactieve sessie staat de vraag centraal hoe authentieke onderwijsscenario’s bijdragen aan het inzichtelijk maken van teacher en epistemic agency. We verkennen dit aan de hand van scenario’s uit mbo-, hbo- en wo-onderwijspraktijk. De scenario’s bieden een kader waarin verschillen in interpretatie, ervaringen, overtuigingen en kennis zichtbaar worden. Deelnemers krijgen inzicht in hoe scenario’s helpen om het abstracte concept agency zichtbaar en bespreekbaar te maken, en hoe deze methode uitnodigt tot reflectie op de individuele afwegingen en het eigen handelen. Daarnaast ervaren deelnemers hoe scenario’s kunnen functioneren als gespreksstarter binnen docententeams, door gezamenlijk handelingsmogelijkheden en professionele keuzes te verkennen. Zo vormen scenario’s een toegankelijk middel om te komen tot een gezamenlijke ‘way of working’ en om professionele wendbaarheid verder te ontwikkelen. De sessie bestaat uit twee delen: 1) deelnemers gaan in gesprek aan de hand van een scenario en reflectievragen, met een vertaling naar de eigen praktijk; 2) deelnemers positioneren zich fysiek in de ruimte op basis van de agency-typologieën van Kusters et al. (2025) om verschillende handelingsoriëntaties en perspectieven te verkennen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (90 minuten)134Jimte Ferwerda, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 1.056wo 14:15 – 15:45 Er is in toenemende mate aandacht voor burgerschapsvorming in het onderwijs. De Onderwijsinspectie kijkt strenger toe, kerndoelen worden concreter geformuleerd en op scholen worden landelijk burgerschapsonderwijs werkgroepen ingericht. Tegelijkertijd bestaan er veel spanningen rondom het burgerschapsonderwijs. Deze spanningen kunnen zich manifesteren op verschillende niveaus. Ten eerste verschillen de opvattingen over de mate waarin onderwijs jongeren moet vormen. Enerzijds kan worden betoogd dat onderwijs terughoudend en zakelijk moet zijn (zie Van Der Ploeg, 2015). Anderzijds, heeft burgerschapsonderwijs een sterk normatief karakter en willen we leerlingen tot een bepaald type burger ontwikkelen (bijv. Veugelers, 2007; Westheimer & Kahne, 2004). Ten tweede leven we in een geglobaliseerde en pluriforme samenleving met uiteenlopende ideeën over hoe we ons tot elkaar en tot de wereld en de maatschappij (moeten) verhouden. Dit roept de vraag op hoe onderwijs recht kan doen aan deze diversiteit, terwijl tegelijkertijd een gevoel van verbondenheid en gedeelde waarden wordt bevorderd (Banks et al., 2005). Ten derde streven we naar leerlingen die kritisch zijn, actief deelnemen aan de maatschappij, en niet alleen worden gesocialiseerd (zie Zuurmond et al., 2024). Dit roept spanningen op: kritisch en actief burgerschap kan ook leiden tot frictie, conflict en ervaren instabiliteit binnen scholen en de samenleving (zie Pettersson, 2019). Op bovenstaande spanningen bestaan geen eenduidige oplossingen. Bovenstaande vraagt om voortdurende dialoog, reflectie en uitwisseling van perspectieven. Niet alleen met onderzoekers en beleidsmakers, maar ook met docenten die binnen deze spanningsvelden burgerschapsonderwijs moeten vormgeven. Het is namelijk, gezien de spanningen en de omstredenheid rondom het begrip burgerschapsvorming, een complexe taak voor docenten (zie Anderson, 2019; Milligan et al., 2011; Willemse et al., 2015). In deze spotlight-sessie staat het gesprek rondom deze spanningsvelden en betrokkenen centraal. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)74Annefleur Vogelaar, Universiteit Utrecht, Utrecht 1.074wo 14:15 – 15:45 Doelstelling Ability grouping als schoolbeleid in het primair onderwijs staat decennialang ter discussie en wordt bemoeilijkt door terminologische inconsistenties (Francis et al., 2020; Slavin, 1987; Steenbergen-Hu et al., 2016). Tegelijkertijd bevindt het basisonderwijs zich in een transitie waarin het accommoderen van uiteenlopende leerbehoeften als kernuitdaging wordt geformuleerd. Hoewel ability grouping in beleids- en onderzoeksliteratuur wordt gepresenteerd als antwoord op dit dilemma, wordt het in de onderwijspraktijk breder ingezet en gerechtvaardigd vanuit organisatorische, ontwikkelings- en motivatiegerichte overwegingen, wat bijdraagt aan conceptuele ambiguïteit (Francis et al., 2020; Hallam et al., 2004; Oakes, 1985). De doelstelling van deze sessie is het expliciteren en structureren van betekenissen en beleidsrationales van ability grouping, zodat onderwijsprofessionals en onderzoekers dit schoolbeleid beter kunnen duiden. Overzicht Internationaal is een toename van ability grouping merkbaar, waarbij basisschoolleerlingen groepsdoorbrekend worden ingedeeld op basis van vaardigheden of academische prestaties in plaats van leeftijd (Hallam et al., 2004; McGillicuddy & Devine, 2018). De term ‘ability grouping’ fungeert als overkoepelend begrip voor uiteenlopende concepten en praktijkvormen. Deze variatie in interpretatie vormt een belemmering voor beleidsdiscussies en implementaties (Terrin & Triventi, 2023). De presentatie is gebaseerd op een scoping review en adresseert twee onderzoeksvragen: (1) hoe ability grouping wordt geconceptualiseerd en welke terminologie wordt gehanteerd, en (2) welke rationales worden aangevoerd voor dit schoolbeleid. Wetenschappelijke betekenis De brede toepassing van ability grouping en het gefragmenteerde onderzoekslandschap maken een systematische synthese van concepten en praktijkvormen noodzakelijk. Deze sessie ordent het onderzoeksveld en ontwikkelt een conceptueel kader, dat inzicht biedt in ability grouping als veelgebruikt, maar weinig uniform schoolbeleid. Zo ondersteunt de bijdrage toekomstig onderzoek en evidence-informed besluitvorming in onderwijsbeleid- en praktijk. Structuur De sessie omvat een presentatie van 15-20 minuten over de bevindingen van de scoping review, gevolgd door een interactieve dialoog van 10 minuten over de betekenis en implicaties van ability grouping als schoolbeleid. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich primair op de theoretische onderbouwing en conceptuele ontwikkeling van onderwijsonderzoek, met expliciete aandacht voor de doorwerking naar beleid en praktijk. Ability grouping fungeert hierbij vaak als beleidsmatig antwoord op toenemende diversiteit en systeemdruk tijdens onderwijstransities in het basisonderwijs. De scoping review ordent conceptuele kaders, terminologie en beleidsrationales en laat zien hoe historische aannames en hedendaagse transitievraagstukken samenkomen in schoolbeleid. Daarmee draagt de studie bij aan transitiegericht onderwijsdenken door conceptuele kaders te ontwikkelen die evidence-informed besluitvorming ondersteunen en scholen helpen navigeren tussen beleidsdruk, pedagogische waarden en empirische kennis. Paperpresentatie (30 minuten)551Mélanie Monfrance, Universiteit Maastricht (UM), Maastricht, Trudie Schils, Universiteit Maastricht (UM), Maastricht, Lynn van Vugt, Universiteit Maastricht (UM), Maastricht 1.074wo 14:15 – 15:45 Traditioneel gezien worden onderwijsuitkomsten zoals de onderwijspositie in leerjaar 3 ten opzichte van het schooladvies beschouwd als een gevolg van academische prestaties. Naast cognitieve vaardigheden zijn echter ook andere vaardigheden van belang voor onderwijsuitkomsten (e.g. Kautz etal., 2014;Spengler, etal.,2018). Het afgelopen decennium is er binnen de onderwijspraktijk, het onderwijsbeleid en het wetenschappelijk onderzoek toenemende aandacht voor het belang van (de ontwikkeling van) niet-cognitieve of sociaal-emotionele vaardigheden (e.g. Borghans etal., 2014;Ledoux etal., 2013;OECD, 2015). De literatuur laat zien dat niet cognitieve vaardigheden een belangrijke rol spelen in onderwijsprestaties, evenals in latere sociaaleconomische uitkomsten (e.g. Almlund et al., 2011;OECD, 2015;Heckman & Kautz, 2012). In dit paper wordt de relatie tussen niet-cognitieve vaardigheden en onderwijsuitkomsten in termen van onderwijspositie in leerjaar 3 ten opzichte van schooladvies onderzocht. Hiervoor worden twee grootschalige datasets gecombineerd, namelijk het Nationaal Corhortonderzoek Onderwijs (NCO) en de OnderwijsMonitor Limburg (OML). In beide databestanden worden leerlingen gevolgd gedurende zowel hun basisschooltijd als hun middelbareschooltijd, wat een unieke mogelijkheid biedt om de rol van zowel cognitieve als niet cognitieve factoren in onderwijsuitkomsten te analyseren. Daarbij worden niet cognitieve vaardigheden gemeten in de OML gekoppeld aan onderwijsuitkomsten uit het NCO. De focus van dit paper ligt op niet cognitieve vaardigheden waarvan eerder onderzoek heeft aangetoond dat zij van belang zijn voor onderwijsuitkomsten en latere levensuitkomsten, en waarvan bekend is dat zij zich ook op latere leeftijd en binnen de onderwijscontext verder kunnen ontwikkelen (Garcia,2014;Morrison etal.,2013). We kijken, onder andere, naar sociale relaties met leraren en klasgenoten, en naar de manier waarop deze relaties in het primair en voortgezet onderwijs samenhangen met de onderwijspositie van leerlingen in leerjaar 3 van het voortgezet onderwijs ten opzichte van het schooladvies. Daarnaast gaan we na of deze samenhang anders is voor leerlingen met verschillende sociaaleconomische achtergrond en of er verschillen zijn tussen jongens en meisjes. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In een samenleving die vraagt om veerkracht, samenwerking en levenslang leren zijn niet-cognitieve vaardigheden essentieel. Door de samenhang te onderzoeken tussen niet-cognitieve vaardigheden en onderwijsuitkomsten laat dit onderzoek zien wat het belang is van, de ontwikkeling van, deze vaardigheden binnen het onderwijs en hoe deze vaardigheden een rol kunnen spelen bij verschillen tussen groepen en hiermee bijdragen aan kansengelijkheid. Paperpresentatie (30 minuten)695Kathleen Bodvin, Karel de Grote Hogeschool, Antwerpen 1.074wo 14:15 – 15:45 In Vlaanderen worden scholen geconfronteerd met leerlingen met steeds complexer wordende ondersteuningsnoden. Zeker bij leerlingen in kwetsbare situaties is er nood aan een extra ondersteunend netwerk, omdat uitdagingen vaak ook buiten de schoolcontext liggen (Bodden & Deković, 2016; De Graaf, 2010). Dit maakt afstemming tussen actoren uit onderwijs en jeugdhulpverlening cruciaal (Mertens et al., 2020), maar in de praktijk botst samenwerking op drempels, zoals verschillen in referentiekaders en spanningen rond informatie-uitwisseling (Geveke et al., 2023). Dit onderzoek vertrekt vanuit twee onderzoeksvragen: (1) welke meerwaarde, drempels en noden ervaren actoren om een ondersteunend netwerk te vormen rond een leerling met complexe ondersteuningsnoden? en (2) wat is nodig om die samenwerking te faciliteren? Theoretisch sluiten we aan bij Bronstein’s (2003) bouwstenen voor interdisciplinair samenwerken, met aandacht voor onderlinge afhankelijkheid, flexibiliteit, eigenaarschap, nieuw gecreëerde activiteiten en reflectie op het proces. In de bijdrage schetsen we eerst een integraal kader van terugkerende thema’s in interprofessionele samenwerking op basis van een internationale literatuurstudie. Vervolgens vertalen we dit naar de Vlaamse context via inzichten uit interviews met actoren uit onderwijs en jeugdhulp. Aanvullend verkennen we preventieve initiatieven uit de jeugdhulp die perspectief bieden om samenwerking in onderwijscontexten te versterken. Doel van de paperpresentatie is tweeledig: (1) scherpstellen welke samenwerkingsvoorwaarden in complexe casuïstiek als cruciaal worden ervaren (bv. communicatie, gedeelde doelen, rolhelderheid) en (2) stilstaan bij preventieve initiatieven die die samenwerking ten goede komen. Met het publiek gaan we in dialoog door preventieve initiatieven te toetsen aan de geïdentificeerde voorwaarden: welke voorwaarden worden effectief gerealiseerd, waar zitten kwetsbaarheden, en wat betekent dit voor de (beoogde) impact? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Papersymposium (90 minuten)828Suzanne Gerritsen, Oberon onderzoek en advies, Utrecht, Martine Gijsel, Expertisecentrum s, Nijmegen, Alexander Krepel, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Marijn Vleeskens, Oberon onderzoek en advies, Utrecht, Madelon van den Boer (voorzitter), Peter de Jong (discussiant) 1.078wo 14:15 – 15:45 Het programma “Kansrijke interventies in het po en vo”, onderdeel van het Nationaal Programma Onderwijs, heeft als voornaamste doel om door wetenschappelijke onderzoek meer zicht te krijgen op de daadwerkelijke effectiviteit van interventies die als ‘kansrijk’ zijn ingeschat. Vanuit dit programma is de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar veertien interventies die worden toegepast in de onderwijscontext, gefinancierd door NKO. Aanbieders van interventies kregen in het kader van dit programma de gelegenheid om voorstellen in te dienen voor kansrijke interventies. Onafhankelijke onderzoeksteams voerden een RCT onderzoek uit om de effectiviteit vast te stellen. De effecten van de onderzochte interventies zijn wisselend en bleken sterk samen te hangen met implementatietrouw. Met name voor de interventies waarbij scholen verantwoordelijk waren voor de implementatie bleken de leerlingen veel minder te zijn blootgesteld aan de interventies dan beoogd. In dit symposium nemen wij de toehoorders graag mee in de kansen en uitdagingen van RCT onderzoek in de onderwijscontext. Dit doen we middels een algemene inleiding over RCT onderzoek in het onderwijs en elementen van implementatietrouw, drie illustraties van de effectonderzoeken en de rol van implementatie daarbinnen en een algemene discussie. Op deze manier hopen wij huidige en toekomstige onderwijsonderzoekers zowel te informeren over de effectiviteit van geletterdheidsinterventies voor het basisonderwijs, als over belangrijke overwegingen bij het opzetten en uitvoeren van een dergelijke RCT. De drie illustraties variëren in manier van implementatie en uiteindelijke implementatietrouw, waardoor we geleerde lessen in de vorm van zowel uitdagingen als mogelijke oplossingen kunnen presenteren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich primair op de uitdagingen binnen onderwijsonderzoek, met specifieke aandacht voor implementatietrouw. De gepresenteerde RCT-studies laten het belang zien van implementatietrouw, die in de schoolpraktijk vaak moeilijk te realiseren is. Door drie effectonderzoeken met variërende implementatie te vergelijken, biedt het symposium zowel inhoudelijke kennis over effectiviteit van geletterdheidsinterventies als methodologische lessen voor het opzetten en uitvoeren van RCT-onderzoek in het onderwijs. Individuele bijdrage 1 Aanleiding en achtergrond Letterster is een digitaal oefenprogramma voor leerlingen in groep 4 t/m 8 die moeite hebben met lezen en/of spelling. Het programma is onderzocht op kleine schaal (Tilanus, 2019) in een klinische setting, maar grootschalig effectonderzoek in het onderwijs ontbreekt. Theoretisch kader Er is wetenschappelijke evidentie voor de effectiviteit van gestapelde zorg en voor algemene onderwijskundige en didactische kenmerken van interventieprogramma’s (o.a. Scheltinga & Elderenbosch, 2021). Er is echter weinig onderzoek beschikbaar over de effectiviteit van specifieke interventieprogramma’s voor lezen en/of spellen in Nederland. Bovendien kunnen interventies die niet worden uitgevoerd zoals ontworpen minder effectief zijn (Wilder, Attwel, & Wine, 2006), maar wordt dit aspect niet altijd meegenomen in effectiviteitsonderzoek. Vraagstelling We onderzochten het effect van Letterster op de lees- en spellingontwikkeling en het lees- en spellingvertrouwen bij leerlingen in groep 5 en 6. Ook de implementatiekwaliteit en de effecten van dosering en professionele achtergrond van de ondersteuners werden onderzocht. Tot slot richtte het onderzoek zich op de inhoudelijke en organisatorische overeenkomsten en verschillen tussen Letterster en de interventies in de controlegroep. Methode Het RCT-onderzoek vond plaats op 38 basisscholen (n=500). Geselecteerde leerlingen kregen in twee periodes van 12 weken een lees- en/of spellinginterventie. De lees- en spellingvaardigheid werd gemeten m.b.v. de Drie-Minuten Toets (lezen) en Citotoets spelling. Het lees- en spellingvertrouwen werd onderzocht d.m.v. een leerlingvragenlijst. De implementatiekwaliteit en interventiekenmerken werden onderzocht door middel van logboeken en vragenlijsten. Resultaten en discussie De resultaten voor implementatiekwaliteit waren verschillend voor de experimentele groep en controlegroep en niet altijd goed te verklaren. Het bleek dat zowel dosering als het opleidingsniveau en de functie van de ondersteuner van invloed waren op de ontwikkeling in lees- en spellingvaardigheid bij de leerlingen. In de discussie bespreken we de consequenties van deze uitkomsten voor zowel de wetenschap als de praktijk. Individuele bijdrage 2 Aanleiding en achtergrond KlankKr8 is letter-klank-interventie gericht op het bevorderen van vroege geletterdheid in groep 2. Eerder is de effectiviteit van het concept van KlankKr8 al op kleine schaal aangetoond (Aravéna et al., 2018; Verwimp et al., 2023). Theoretisch kader Letterkennis is een belangrijke voorspeller van latere leesvaardigheid (Van Viersen et al., 2018). Onvoldoende geautomatiseerde letterkennis vormt een belangrijke oorzaak van leesachterstanden, terwijl het versterken van de gevoeligheid voor letter-klankcombinaties juist de leesontwikkeling bevordert (Bonte & Brem, 2024). Daarbij is het van belang om een hoger tempo aan te houden dan regelmatig wordt gehanteerd in de kleuterklassen (Sunde et al., 2019). Vraagstelling Het onderzoek was gericht op het onderzoeken van de effectiviteit van KlankKr8 in daadwerkelijk gebruik in de schoolcontext. Verder onderzochten we of opbrengsten gelijk zijn voor leerlingen met een risico op (aanvankelijke) leesproblemen en we gingen na of bepaalde leerling-, school-, of implementatievariabelen invloed hadden op de leeropbrengsten van KlankKr8. Methode Aan het RCT onderzoek namen 64 scholen deel, die aan elkaar werden gematcht op leerlingaantal en schoolweging. Op de helft van de scholen werd KlankKr8 aangeboden door de leerkracht, op de andere helft werd het reguliere lesprogramma gevolgd. Letterkennis in groep 2 werd in een voor- en nameting gemeten met een letterkennistaak. Technische leesvaardigheid en spelling in groep 3 werd onderzocht met LVS-gegevens. Ook werden vragenlijsten over school-, klas- en leerlingkenmerken, de implementatie en de gebruiksdata geanalyseerd. Resultaten en discussie De resultaten laten zien dat er een effect is van KlankKr8 op de toename van letterkennis in groep 2. Daarbij bleek dat leerlingen die meer sessies met KlankKr8 speelden, meer vooruitgingen op hun letterkennis in groep 2. Daarnaast bleek dat het gemiddelde aantal sessies (16) dat kinderen werkten met KlankKr8 beduidend lager was dan beoogd (48) door de makers van KlankKr8. Individuele bijdrage 3 Aanleiding en achtergrond Lezen met de BliksemBende is een digitaal tutorprogramma voor zwakke lezers in groep 3 en 4, gebaseerd op het internationaal programma Tutoring with the Lightning Squad. Theoretisch kader De BliksemBende richt zich op meerdere deelaspecten van leesontwikkeling: technisch lezen, spelling, woordenschat en begrijpend lezen. Eerder onderzoek laat zien dat tutorprogramma’s effectief kunnen zijn voor het verbeteren van leesvaardigheid (Nickow et al., 2024), waarbij de grootste effecten worden gevonden als tutoring frequent plaatsvindt, met goede begeleiding, en in een kleinschalige setting. Goede implementatietrouw is dus cruciaal voor de effectiviteit van interventies (Carroll et al., 2007). Vraagstelling van het onderzoek In RCT-onderzoek binnen het programma kansrijke interventies is de effectiviteit van de BliksemBende op lees- en spellingsvaardigheden onderzocht. Cruciaal was ook de vraag hoe implementatietrouw kon worden geborgd. Methode Aan het onderzoek deden 23 basisscholen met 340 leerlingen mee verdeeld over een experimentele en controlegroep. In het programma was het de bedoeling dat leerlingen 4-5 sessies per week in sessies van 25 minuten met het programma oefenden onder begeleiding van tutoren. Resultaten en discussie Deelname aan de interventie was intensief, o.a. omdat leerlingen meerdere keren met een tutor in een ander lokaal moesten oefenen. Toch haalden alle scholen het minimale aantal sessies en is gemiddeld 4 keer per week geoefend. Desondanks werden bij deze hoge dosering beperkte effecten gevonden vergeleken met de controlegroep. Een succesfactor voor de goede implementatie was de intensieve begeleiding vanuit het interventieteam, met een vast aanspreekpunt die vragen beantwoordde, de training verzorgde, sessies observeerde, en voortgang monitorde. Binnen scholen bleek een betrokken tutorcoördinator, goede planning en prioriteitstelling, en nauwe betrokkenheid van leerkrachten essentieel voor soepel verloop. Papersymposium (90 minuten)657Mohamed Eledeisy, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Steven Haveman, Lectoraat Organisaties in Digitale Transitie – Hogeschool Utrecht, Utrecht, Irene Jonkers, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Xander Lub, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Pascal Ravesteijn, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Mohamed Eledeisy (voorzitter) 1.080wo 14:15 – 15:45 Society is undergoing profound transitions in sustainability, digitalization, labor market, and social inclusion. These developments reshape professional roles and require new approaches to education and training across stages of education, career and lifelong learning. Universities of applied sciences play a pivotal role by integrating education, practice-oriented research, and collaboration with the professional field. This model keeps learning closely connected to evolving societal and industry needs and enables learners to contribute to transitions in existing and emerging domains. HU University of Applied Sciences Utrecht has made this integration a cornerstone of its institutional strategy. Its mission emphasizes high‑quality education and practice‑based research that innovates professional practice and fosters talent development. The institutional vision, Together for the Future, asserts that stronger cooperation between education, research and the professional field enhances capacities to address contemporary challenges. This vision is expressed through three core values: future‑oriented, collaborative, and inclusive; and through priority domains such as digital transformation, sustainable development and educational innovation. This vision aligns with Erasmus+ cooperation partnerships priority domains in education, such as digital transformation, inclusion and diversity, and environmental issues. The program provides strategic support and resources that enable organizations to strengthen their capacities, enhance experience in international cooperation, and produce high-quality innovative results. This symposium explores how European partnerships contribute to educational innovation and institutional development. Drawing on three on-going large-scale projects, each at a different stage (conclusion, intermediate and early), the authors provide a critical analysis of the processes to co-create, pilot, and embed new educational practices. They highlight contributions to priority domains through curriculum innovation, digital transformation in forward-looking fields, international competence development, and professional partnerships. Together, the contributions illustrate how European partnerships can accelerate transitions and strengthen the capacity of universities of applied sciences. They also address challenges and adaptive mitigation strategies for long-term impact. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Title:Strategic shifts in AI competencies, learning programs, and future professional roles This contribution examines the ARISA (Artificial Intelligence Skills Alliance) project as a driver for embedding responsible-AI competencies within higher-education programs at HU and partner institutions. Framed by a practice-based approach, the presentation outlines the update of AI Skills Strategy for Europe (2025), led by HU, integrating empirical evidence and implementation insights generated during 2024-2025. It emphasizes the shift from initial adoption toward scaling, integration, and value realization, within an increasingly regulated and mature AI landscape. The contribution synthesizes evidence from project results, internal pilot reports and stakeholder feedback to show how two learning programs, targeted at policy makers and decision makers, were developed, trialled and adapted to enhance quality. It highlights mechanisms that supported validation and adoption. The presentation also addresses evaluation approaches used within ARISA (mixed formative and summative assessment; participant feedback loops) and how this informs iterative redesign. The work presents efforts in developing a standardized scheme for AI roles and educational profiles. It concludes with transferable recommendations for universities of applied sciences and higher education institutions. The lessons are linked to the symposium’s broader argument about how European cooperation accelerates institutional capacity-building for education in transition. Individuele bijdrage 2 Title:Reskilling and upskilling by connecting digital transformation and sustainability Digital4Sustainability (D4S) is an ongoing 4-year Alliance that initiated in February 2024. It is dedicated to accelerating the digital and green transitions (ie, twin transition) within the ICT sector and across European industries. The contribution analyzes how transnational collaboration enabled in-depth research and needs analysis for building innovative new Digital Sustainability Skills Strategies that guide the development of short education programs. These programs and courses support HU’s mission towards the reskilling and upskilling of the existing workforce, overlapping two of the four areas of expertise defined by HU’s strategic plan for research and education. The contribution summarizes pilot outcomes and participant feedback that demonstrate initial gains in practitioner awareness and applied capability, and it describes how pilot evidence may be used to refine long-term curriculum design, including learning objectives, assessment tasks and delivery modes for future courses. It discusses collaboration across disciplinary teams produced interdisciplinary modules delivered in multiple formats (online, blended, in-person) for diverse audiences, such as student/job seekers, digital professionals and business owners or managers. The presentation situates these considerations within the symposium’s theme of European collaboration for research-education in transition. Individuele bijdrage 3 Title:Smart communities skills gap analysis and future foresight Smart Communities Skills Development in Europe (SMARCO) is a project within the Erasmus+ Partnerships for Innovation Alliances. It has the purpose of empowering smart city planners, procurers and engineering professionals by defining new occupational profiles and identifying precise skills they will need. This process guides the development of new education and training programs that evolve to produce professionals ready to fill these roles. This contribution discusses the development of a methodology which ensured an applied science-based approach to smart communities’ skills supply and demand analysis, defining the skills gap as well as forecasting future skills needs with a foresight scenario development. The work package led by HU involved the assessment of 162 training offers. It included feedback from 159 survey responses, 20 expert interviews, and a workshop with 42 participants. Final reflections address ideas to capitalize on the project outputs from the demand‑supply gap analysis, forecasting of future skills needs, and actionable recommendations in the upcoming two years to ensure alignment with institutional fields on both sides – industry and public administrations, taking into account trends analysis, training programs design, certification, and other resources for its stakeholders within the project context. The presentation reflects on the leadership of long-term work packages, sustainable implementation and future development of curricula and training, strengthening the education–research–practice nexus. Vrije vorm (90 minuten)631Aike Dias-Broens, Erasmus Universiteit, Rottterdam, Nika Hendriksen, ICLON, Universiteit Leiden, Leiden, Nina Hosseini, Hogeschool IPABO, Amsterdam, Femke Koekkoek, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Pieter van Lamoen, Erasmus Universiteit, Rottterdam, Sofie Smeets, Universiteit Utrecht, Utrecht, Benthe van Wanrooij, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1.086wo 14:15 – 15:45 In het Nederlandse onderwijssysteem is ongelijkheid hardnekkig en structureel zichtbaar. De afgelopen jaren zijn er diverse onderzoeken uitgevoerd die deze ongelijkheden vanuit uiteenlopende theoretische en methodologische perspectieven analyseren. Deze onderzoeken belichten verschillende thema’s, variërend van de ervaringen van leerlingen en studenten in een ongelijk onderwijssysteem (Dias-Broens et al., 2024; van Lamoen et al., 2025; van Wanrooij et al., 2026) tot het handelen door docenten (Hosseini et al., 2025; Hendriksen et al., 2024, Smeets, 2024) en andere actoren (Koekkoek, 2025) om een inclusievere onderwijsomgeving te creëren of ongelijkheid tegen te gaan. De diversiteit aan benaderingen en invalshoeken is kenmerkend voor het onderzoeksveld en levert belangrijke kennis op over de complexiteit van het probleem. Tegelijkertijd vinden we het opmerkelijk dat collectieve actie en praktijkverandering vaak beperkt en gefragmenteerd blijft, wellicht deels ook doordat de veelheid aan perspectieven niet alleen het veld verrijkt, maar in de praktijk ook leidt tot parallelle en gescheiden kennisontwikkeling. Daarmee dringt zich de vraag op hoe diverse benaderingen niet alleen naast elkaar kunnen bestaan, maar juist elkaar kunnen versterken. Daarom hebben wij, startende onderzoekers naar onderwijsongelijkheid, de afgelopen jaren de verbinding gezocht, omdat we geloven dat verbindingen en collectieve actie rijke inzichten opleveren. We hebben besloten dit samen te brengen in een collectief genaamd “Wisselspoor”. Centraal staat het idee dat ongelijkheid niet één probleem is, maar een knooppunt van ‘sporen’: onderzoek, praktijk, beleid en persoonlijke positionering. In deze vrije-vorm-bijdrage op de ORD willen we met jullie delen op welk spoor wij zitten, en verkennen waar we kunnen uitwisselen. Wissel je met ons van gedachte(spoor)? De sessie heeft het karakter van een interactieve werksessie. Na een korte toelichting van de posities van de presenterende onderzoekers, worden deelnemers zelf uitgenodigd om zich te positioneren op verschillende ‘sporen’. We maken hierbij gebruik van creatieve en activerende werkvormen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In het Wisselspoor willen we door: van bevindingen rondom onderwijsongelijkheid – in zeer brede zin – naar verbinding tussen onderzoeken en collectieve actie. Dit collectief, en deze sessie, zijn een aanzet om vorm te geven aan actie en verandering rondom onderwijsongelijkheid. Daarmee sluiten we nauw aan bij het congresthema ‘Onderwijs voor transitie’, gericht op verandering, doorwerking en impact. We nodigen anderen van harte uit om hier verder mee over te denken in deze interactieve werksessie. Vrije vorm (90 minuten)546Timon de Boer, Dialogic, Utrecht, Maarten van Doorn, Oberon onderzoek en advies, Utrecht, Ingrid Wakkee, Oberon onderzoek en advies, Utrecht 1.092wo 14:15 – 15:45 Hoger onderwijsinstellingen opereren in een steeds internationaler en geopolitiek complex speelveld. Internationale studenten, docenten, stages en onderwijssamenwerkingen blijven in de praktijk een wezenlijk onderdeel van het hoger onderwijs en dragen bij aan maatschappelijke transities zoals digitalisering, technologische innovatie en economische ontwikkeling. Tegelijkertijd brengen deze vormen van openheid concrete dilemma’s met zich mee voor het onderwijs. Instellingen worden bijvoorbeeld geconfronteerd met vragen over hoe om te gaan met internationale studenten die afstuderen of stage lopen in sectoren met strategische gevoeligheid, hoe docenten en begeleiders hun zorgplicht kunnen invullen zonder te vervallen in uitsluiting of stigmatisering, en wie binnen de instelling verantwoordelijk is voor het wegen van risico’s wanneer onderwijsactiviteiten raken aan bredere maatschappelijke of geopolitieke belangen. Voor dit type situaties bieden bestaande onderwijs- en internationaliseringskaders vaak onvoldoende houvast. Deze sessie is opgezet als een interactieve ronde-tafelbijeenkomst waarin deelnemers gezamenlijk dergelijke onderwijsdilemma’s verkennen. Centraal staat de vraag hoe deze dilemma’s ontstaan in de dagelijkse onderwijspraktijk en hoe zij samenhangen met institutionele besluitvorming. Deelnemers werken met fictieve, maar realistisch geïnspireerde onderwijsscenario’s die zijn gebaseerd op terugkerende patronen in internationale onderwijspraktijken. Vanuit hun eigen institutionele context reflecteren zij op vragen als: waar ligt de grens tussen open onderwijs en institutionele verantwoordelijkheid? Welke rol spelen contextfactoren, zoals regionale economische ecosystemen of arbeidsmarktrelaties? En hoe verhouden nationale beleidskaders zich tot de professionele ruimte van onderwijsinstellingen en -teams? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De bijdrage sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor Transitie door te laten zien hoe onderwijsinstellingen zelf onderdeel zijn van maatschappelijke transities. Internationale openheid is zowel een voorwaarde voor als een bron van spanning binnen deze transities. De sessie verkent hoe onderwijspraktijken zich ontwikkelen onder invloed van veranderende maatschappelijke, geopolitieke en institutionele omstandigheden, en welke nieuwe vormen van professionele oordeelsvorming dit vraagt van onderwijsinstellingen en -teams. Papersymposium (90 minuten)483Myrthe Lubbers, Universiteit Twente, Enschede, Kim Schildkamp, Universiteit Twente, Enschede, Christel Wolterinck, Stichting Carmelcollege, Hengelo, Cindy Poortman (voorzitter), Frank Cornelissen (discussiant) 1.096wo 14:15 – 15:45 Inleidende toelichting op het symposium Doelstellingen Langetermijnsamenwerking tussen kennisinstellingen en schoolbesturen in ‘research-practice partnerships’ (RPP) kunnen scholen helpen met duurzame onderwijsverbetering (Farrell et al., 2022; Wolterinck et al., 2025). Teacher agency met aandacht voor partnerschappen, samenwerking en beleid (Cochran-Smith et al., 2022) is belangrijk om verbetering voor leerlingen te realiseren. Tegelijkertijd dienen scholen agency van leerlingen te erkennen door actieve leerlingenbetrokkenheid bij onderwijsverbetering te bevorderen. Dit stimuleert betrokkenheid, leerprestaties en het voorbereiden van leerlingen op hun rol in de maatschappij (Jimerson et al., 2016; Schoots-Snijder et al., 2025). Dit symposium toont hoe een RPP door wetenschappelijke kennis en praktijkervaring teacher en student agency kan bevorderen. Overzicht presentaties De eerste presentatie gaat in op de langetermijnsamenwerking en agency in een RPP tussen een schoolbestuur en een universiteit. De tweede presentatie gaat over een professionaliserings- en onderzoekstraject binnen dit RPP, waarin deelnemers ‘change agents’, zijn, verantwoordelijk voor het leiden van toetsinnovatie in hun school. De derde presentatie gaat in op een project over agency rondom datagebruik. Wetenschappelijke betekenis Hoewel de aandacht voor teacher en student agency toeneemt, ontbreekt het nog aan de ontwikkeling van richtlijnen en onderzoek over de impact hiervan (Schoots-Snijder et al., 2025). Bovendien is de vraag hoe teacher agency verder kan worden ontwikkeld (Cong-Lem, 2021). Dit symposium biedt hiervoor een perspectief vanuit een langetermijnsamenwerkingsverband tussen een schoolbestuur en een universiteit, om student én teacher agency duurzaam te bevorderen. Structuur sessie Na een inleiding op het symposium door de voorzitter (2-3 minuten) is na elke presentatie (15-17 min.) tijd voor vragen voor verheldering (3-5 min.). De discussiant zal na een kritische bespreking van de bijdragen (10-12 minuten) ruimte bieden voor discussie met het publiek (10 minuten), o.a. over de relatie tussen teacher en student agency. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie en vraagstelling Research-Practice-Partnerships (RPPs) zijn langdurige en gelijkwaardige samenwerkingen waarin onderzoekers en onderwijsprofessionals gezamenlijk werken aan onderwijsverbetering (Farrell et al., 2022; Wolterinck et al., 2025). Deze combinatie van wetenschappelijke kennis en praktijkervaring draagt bij aan duurzame onderwijsinnovaties (Vanlommel & Boom-Muilenburg, 2024). RPPs kenmerken zich door gelijkwaardigheid tussen partners, een focus op langdurige samenwerking en een gerichtheid op praktische relevantie (Cooper et al., 2021). Daarnaast vervullen kennismakelaars een cruciale rol door onderzoek en praktijk met elkaar te verbinden (Malin & Brown, 2019). In dit paper beschrijven we een voorbeeld van een succesvolle RPP. De onderzoeksvraag luidt: Wat zijn de randvoorwaarden voor een succesvolle RPP? Methode De RPP betreft een samenwerking sinds 2009 tussen Stichting Carmelcollege (schoolbestuur voortgezet onderwijs met 44 locaties) en de Universiteit Twente (UT). Diverse gezamenlijke onderzoeksprojecten zijn uitgevoerd gericht op duurzame onderwijsverbetering en kennisontwikkeling (o.a. Meutstege et al., 2023; Schildkamp et al., 2016; Wolterinck et al., 2024). Deze bijdrage is gebaseerd op gezamenlijke reflecties van twee UT-onderzoekers en twee Carmel-medewerkers. De reflecties zijn opgezet als een collectief en iteratief proces en thematisch geanalyseerd in dialoog met RPP-literatuur (Finlay, 2008). Resultaten Uit de reflecties komen een aantal randvoorwaarden naar voren:Begin klein: Start met een gezamenlijke vraagarticulatie.Ontwikkel een gezamenlijke visie: Neem samenwerking op in de visie van beide organisaties.Regelmatig overleg: Heldere communicatie op alle niveaus.Kennismakelaars: Personen die beide werelden begrijpen en verbinden.Netwerken:Ontmoet elkaar regelmatig formeel en informeel. Discussie en conclusie RPP’s kunnen bijdragen aan duurzame onderwijsverbetering en teacher agency. Voor scholen zijn praktische aandachtspunten: investeer in kennismakelaars, formuleer gezamenlijke vragen, deel kennis structureel en besteed vroegtijdig aandacht aan leiderschap en duurzaamheid (Prenger et al., 2022), zoals in de volgende symposiumbijdragen ook aan de orde komt. Door deze aanpak kunnen scholen en onderzoekers samen complexe onderwijsproblemen oplossen en evidence-informed onderwijs realiseren. Individuele bijdrage 2 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie en vraagstelling Teacher agency is het vermogen van leraren om keuzes te maken en acties te implementeren voor onderwijsverandering (Cong-Lem, 2021). Professionele leergemeenschappen (PLGs) bieden leraren de mogelijkheid tot agency in hun school, (Wenner & Campbell, 2017), maar niet vanzelf (Tanghe et al., 2024). In een professionaliseringstraject rond toetskwaliteit bleek dat leraren die op hun school PLG-voorzitter waren, moeite hadden met hun rol als change leader, ondanks aandacht voor gedeeld leiderschap, kennisdeling en het PLG-proces. Daarom hebben we op basis van literatuur (o.a. Van den Boom-Muilenburg et al., 2022; Van der Heijden et al., 2015) een profiel van PLG-voorzitters als change leader opgesteld en stapsgewijs behandeld. Dit profiel omvat een kritisch-reflectieve PLG-voorzitter met proces- en inhoudelijke expertise én een ‘knowledge broker’ die kennis deelt, invloed uitoefent op beleid en besluitvorming en bijdraagt aan de professionele groei van collega’s. Vervolgens hebben we onderzocht hoe PLG-voorzitters hun rol als change leader in hun scholen vervullen en welke factoren van invloed zijn. Methode Er namen 27 leraren van 13 scholen deel aan het professionaliseringstraject met workshops over toetsing, het PLG-proces en bijbehorend change-leadership. We verzamelden en analyseerden kwalitatieve data via groepsinterviews en cursusopdrachten. Resultaten Respondenten toonden kritisch-reflectief leiderschap in hun PLG op school, o.a. door PLG-fases te structureren en waarom-vragen te stellen. Zij vervulden hun knowledge-broker rol via nieuwsbrieven, informeel in de koffiekamer, en tijdens studiedagen. Zij rapporteerden ook vaker gesprekken met schoolleiding t.b.v. beleid en besluitvorming dan voorgaande deelnemers. Ze adviseerden collega’s en/of verzorgden workshops, maar hun rol voor capaciteitsontwikkeling van collega’s was nog beperkt. Factoren bleken o.a. betrokkenheid en facilitering vanuit de schoolleiding. Discussie en conclusie PLG-voorzitters hebben een concreet beeld van hun rol als change leader nodig met aandacht in professionalisering voor hoe die rol wordt ingevuld. Gerichte ondersteuning vanuit formele schoolleiding is daarbij essentieel. Individuele bijdrage 3 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie en vraagstelling Ondanks positieve effecten van student agency (e.g. Fielding, 2001; Rollet et al., 2021) tonen verscheidene reviews dat leerlingen weinig betrokken worden bij onderwijsverbeteringsprocessen (e.g., Geurts et al., 2024; Sandoval & Messiou, 2020). Indien leerlingen betrokken worden gaat het veelal om een passieve rol als databron, buiten het klaslokaal, en betreft het een selecte groep die pas na afloop bevraagd wordt (Lubbers et al., 2026). Daarnaast is onderzoek naar de ontwikkeling van student agency schaars (Schoots-Snijder et al., 2024), vooral wat betreft het verband tussen de kwaliteit en aard van student voice processen en student agency uitkomsten (e.g. Geurts et al., 2024; Santos et al., 2024). We onderzochten daarom hoe student voice zich ontwikkelde, evenals daaraan gerelateerde uitkomsten in termen van agency, datageletterdheid en schoolverbetering. Methode Twee klassen van ruim 50 VO-leerlingen in totaal en drie docenten namen deel. Binnen 6-10 lessen werkten leerlingengroepjes samen aan onderwijsverbetering middels het doorlopen van de datacyclus: doel bepalen, data verzamelen, analyse en interpretatie, actieplan opstellen en implementeren, evalueren. De eerste, middelste en laatste lessen zijn geobserveerd. Naderhand werd van elk groepje een leerling geïnterviewd. Data werden kwalitatief geanalyseerd. Verder vond documentanalyse plaats van materialen, zoals ingevulde huiswerkbladen en eindpresentaties. Resultaten O.a. de volgende factoren hadden een bepalende rol voor het vermogen, de bereidheid en het geloof van leerlingen in zichzelf om actie te ondernemen op onderwijsproblemen (student agency): expliciete instructie rondom datageletterdheid, aansluiten bij affiniteit en keuzevrijheid bevorderen, docentreactie op verbetervoorstellen en klassenmanagement. Discussie en conclusie We concluderen dat meer samenhang tussen student en teacher agency wenselijk is: afstemming en co-creatie zijn cruciaal, met heldere communicatie evenals steun vanuit schoolleiding. We onderstrepen daarbij het belang van expliciete instructie rondom datageletterdheid door de docent i.c.m. keuzevrijheid bij leerlingen. Verbetervoorstellen dienen idealiter binnen het handelingsbereik van leerlingen te liggen. Papersymposium (90 minuten)724Christa Krijgsman, Technische Universiteit Eindhoven, Eindhoven, Anoeska van den Noort, Wageningen Universiteit, Wageningen, Piety Runhaar, Wageningen Universiteit, Wageningen, Lydia Schaap (voorzitter), Piety Runhaar (discussiant) 3.016wo 14:15 – 15:45 Doelstellingen van de sessie Grote maatschappelijke vraagstukken, zoals vraagstukken rond inclusie en de impact van digitalisering, doet een groot beroep op de wendbaarheid van scholen. Om als school flexibel en creatief mee te kunnen bewegen met continue veranderingen, is teamwerk nodig: samenwerken aan gezamenlijk doelstellingen en daarbij van en met elkaar leren. Schoolleiders spelen een belangrijke rol in het stimuleren van teamwerk. De vraag is alleen: hoe? Overzicht van de presentatie In dit symposium komen in drie bijdragen nieuwe perspectieven op teamwork naar voren die laten zien hoe transitiegericht leren gestimuleerd kan worden vanuit een institutioneel perspectief en via benutting van sociale netwerken waarin schoolleiders, leraren en onderzoekers samenwerken. Een van de bijdragen laat zien welke vaardigheden en overtuigingen de schoolleider nodig heeft om teamleren te kunnen stimuleren. Zowel dit onderzoek als het onderzoek naar de sociale netwerken rond onderzoeksmatig werken, legt nadruk op het belang van positieve overtuigingen van de schoolleiders om het teamleren te kunnen versterken. Een derde bijdrage laat zien dat het creëren van publieke waarde, die nodig is om vorm te geven aan complexe opgaven en transities in het onderwijs, ontstaat in de samenwerking tussen actoren in de schoolorganisatie en vanuit uiteenlopende posities in een netwerk. Wetenschappelijke betekenis Het brede perspectief op teamwerk (samenwerken en samen leren) wordt vanuit verschillende theoretische perspectieven en binnen verschillende contexten bestudeerd. Door teamwerk en leiderschap te verbinden ontstaat een nieuw perspectief binnen het onderzoek naar onderwijs in transitie. Structuur van de sessie Na een korte introductie op de drie bijdragen, volgen de drie presentaties. Na elke presentatie is kort ruimte voor informatieve vragen. Aan het einde zal de discussiant een gesprek met de presentatoren en het publiek opstarten aan de hand van enkele reflecties en vragen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De bijdragen zijn allemaal gelinkt aan het congresthema, waarbij de vraag centraal staat hoe onderwijs bijdraagt aan een maatschappij in transitie, waarin complexe vraagstukken spelen. Schoolleiders dienen hieraan leiding te geven maar de vraag is hoe, en vooral op welke wijze zij het team hierin mee kunnen nemen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 1. Welke rol speelt de schoolleider in teamleren? Teamleren krijgt in het onderwijs toenemende betekenis, omdat scholen dagelijks voor complexe vragen worden gesteld door kansenongelijkheid, de transitie naar inclusief onderwijs en aanhoudende personeelstekorten. Teamleren omvat het gezamenlijk ontwikkelen van kennis om teamprestaties te verbeteren (Van den Bossche et al., 2022). De schoolleider vervult hierin een cruciale rol door een veilige werkomgeving te creëren, te faciliteren, verantwoordelijkheid te delen, en door een lerende houding te modellen (Kools et al., 2020). We weten echter nog onvoldoende over welke vaardigheden en overtuigingen schoolleiders nodig hebben om teamleren te kunnen stimuleren (Daniëls et al., 2019)(Mentink, 2023). De onderzoeksvraag voor deze eerste deelstudie luidt: “Hoe spelen kenmerken van de schoolleider – zoals gedrag, vaardigheden en overtuigingen – een rol bij het stimuleren van teamleren?”. In het onderzoek is een mix van kwalitatieve en kwantitatieve methoden gebruikt. Schoolleiders (n=20) en teams (n=20) zijn via surveys bevraagd om inzicht te krijgen in de kenmerken van de schoolleider die een rol spelen bij teamleren. In interviews met schoolleiders (n=15) en teams (n=6) is dieper ingegaan op deze kenmerken en de overtuigingen van schoolleiders t.a.v. teamleren. De data uit de 5 en 7-punts Likertschalen zijn numeriek gecodeerd, waarna per schaal het gemiddelde is berekend. De analyse van de interviews bestond uit vier stappen: 1) Codeboom ontwikkelen 2) Interviews coderen 3) Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid optimaliseren 4) Gegevens structureren en thema’s beschrijven (Riessman, 2008). De voorlopige resultaten van de studie tonen aan dat schoolleiders het belang van teamleren erkennen en teamleren stimuleren via opbouwen van vertrouwen, faciliteren, gezamenlijke besluitvorming en delen van verantwoordelijkheid. Schoolleiders ervaren een dilemma tussen richting geven en ruimte bieden. Keuzes die schoolleiders hierbij maken hangen af van hun overtuigingen. Vooralsnog lijkt inzicht in de overtuigingen van schoolleiders als in hun gedrag, nodig om te begrijpen hoe schoolleiders teamleren stimuleren. Individuele bijdrage 2 Een longitudinaal sociaal netwerkperspectief op leiderschap rondom onderzoeksmatig werken Onderzoeksmatig werken betekent dat schoolleiders en teacher leaders professionele ervaringen, school-eigen data en onderzoek gebruiken om beslissingen over onderwijsverbetering te onderbouwen. Benaderd vanuit de sociaal kapitaaltheorie kunnen scholen hierin ontwikkelen doordat uitwisseling – praten over en samenwerken aan onderzoeksmatig werken – expertise opbouwt binnen het netwerk van schoolleiders en teacher leaders. Deze studie beantwoordt de onderzoeksvraag: Hoe ontwikkelen netwerken van voortgezet onderwijs schoolleiders en teacher leaders zich rondom praten over en samenwerken aan onderzoeksmatig werken gedurende één schooljaar? Leidinggevenden en teacher leaders van drie scholen beantwoordden twee vragenlijsten. Dit deden zij per half schooljaar en op vier momenten (T1-T4). Op T1 (n=93) en T3 (n=84) deelden zij percepties over onderzoeksmatig werken en de school als een lerende organisatie. Op T2 (n=142) en T4 (n=143) beantwoordden zij twee nominatievragen: “Met welke collega’s had je het specifiek over onderzoeksmatig werken aan onderwijsverbetering?”; “Met welke collega’s werkte je samen aan het onderzoeksmatig werken aan onderwijsverbetering?”. Data zijn met SPSS en Gephi geanalyseerd. Op School 1 nam de netwerkomvang van praten over (p=.016) en samenwerken aan (p=.028) onderzoeksmatig werken toe gedurende het schooljaar (zie Figuur 1), terwijl deze op School 2 en 3 gelijk bleef (zie Figuur 1). Hoe meer schoolleiders en teacher leaders op School 1 ervaarden dat zij onderzoeksmatig werkten en de school een lerende organisatie was op T1 en T3, hoe meer zij praatten met collega’s over onderzoeksmatig werken op T2 en T4 (range r=.42 en r=.68, p<.01). Dergelijke samenhang werd soms bij Scholen 2 en 3 gevonden. Als respondenten zelf onderzoeksmatig werken en de school als een lerende organisatie zien, wordt er meer gepraat in het netwerk over onderzoeksmatig werken. De resultaten waren vooral zichtbaar op één school, wat mogelijk te verklaren is door rolopvatting van schoolleiders en teacher leaders rond onderzoeksmatig werken.
Individuele bijdrage 3
Assimileren of samen leren? Een institutioneel perspectief op publieke waardecreatie in kindcentra
Aanleiding & achtergrond
Kindcentra worden vaak voorgesteld als professionele ecosystemen waarin onderwijs, kinderopvang en jeugdhulp in cocreatie publieke waarde realiseren (Taskforce samenwerking onderwijs en kinderopvang, 2017). Professionele diversiteit zou daarin een bron van interprofessioneel leren en samenwerken moeten zijn. Empirische studies laten echter zien dat deze ambitie paradoxaal gepaard gaat met afname van professionele diversiteit. Een verklaring ligt in institutionele asymmetrie tussen onderwijs en kinderopvang, die structureert welke waardepropositie dominant wordt (Verheijen-Tiemstra et al., 2024a; 2024b). Theoretisch kader & relevantie
Deze bijdrage verbindt public value-governance (Moore, 1995; 2013; Bryson, Crosby & Bloomberg, 2014; Osborne, 2018), dat pluraliteit en cocreatie veronderstelt, met institutionele isomorfie (DiMaggio & Powell, 1983; Scott, 2014) om deze paradox te verklaren. Coercieve, mimetische en normatieve mechanismen creëren een context waarin onderwijslogica leidend is. Eerder onderzoek toont tevens dat leiders vooral gedrag vertonen dat verbondenheid faciliteert (Verheijen-Tiemstra et al., 2024a), aansluitend bij Leader Emphasizing Assimilation (Shore & Chung, 2021), wat kan leiden tot pseudo-inclusie waarbij acceptatie afhankelijk is van conformiteit. Vraagstelling
Hoe kan de combinatie van public value-governance en institutionele isomorfie verklaren dat publieke waardecreatie in kindcentra gepaard gaat met conformiteit aan de onderwijslogica, en onder welke voorwaarden kan professionele diversiteit behouden blijven? Methode
Conceptueel paper gebaseerd op theoretische integratie en herinterpretatie van eerder verzamelde empirische data (interviews, focusgroepen, vragenlijst). Resultaten
De analyse laat zien dat legitimiteitsasymmetrie assimilatie of pseudo-inclusie stimuleert, waardoor inclusief bedoeld leiderschap wederzijds interprofessioneel leren belemmert en professionele diversiteit plaatsmaakt voor conformiteit aan onderwijslogica. Discussie & conclusie
Pseudo-inclusie kan ontstaan doordat inclusief bedoelde leiderschapspraktijken worden ingehaald door institutionele condities die conformiteit belonen (Meynhardt & Jasinenko, 2020). De bijdrage formuleert vier proposities over publieke waarde, legitimiteit en institutionele druk en identificeert voorwaarden waaronder professionele diversiteit in interprofessionele ecosystemen wél waarde kan genereren.
Vrije vorm (90 minuten)843Martine van Rijswijk, Universiteit Utrecht, Utrecht, Nienke Smit, Universiteit Utrecht, Utrecht 3.018wo 14:15 – 15:45 Zij-instromers vormen een groeiende groep in het onderwijs. Zij brengen nieuwe perspectieven mee het onderwijs in en kunnen nieuwe professionele praktijken toevoegen. Meer dan ‘reguliere’ leraren-in-opleiding kunnen zij-instromers lesstof koppelen aan nut en noodzaak van die lesstof in het echte leven. Zij-instromers nemen vaak ook een netwerk mee de school in, waarmee zij collega’s ook op nieuwe ideeën over onderwijs kunnen brengen (van Heijst et al. 2025). Zij-instromers brengen dus variatie in een onderwijsteam. Helaas worden zij-instromers in scholen echter vaak nog benaderd vanuit een deficit perspectief, waarbij kijken naar wat er nog ontbreekt meer voorop staat dan de erkenning van variatie in professionele kwaliteiten en eerdere ervaring (den Hertog et al., 2023). In het ontwikkelproces ligt dan de nadruk op het conformeren van de zij-instromer aan wat er al is in het onderwijs. Het wordt echter steeds duidelijker dat dat variatie en diversiteit omarmen in een team, zoals bijvoorbeeld een docententeam, kansrijk kan zijn, bijvoorbeeld voor het vinden van creatieve oplossingen voor complexe problemen (Snoek, 2021). In deze vrije sessie zetten we de volgende vraag centraal: hoe kan onderzoek bijdragen aan het werven en opleiden van zij-instromers, juist voor onderwijs in transitie. De sessie betreft een gesprek tussen deelnemers van het congres, zij-instromers en begeleiders van zij-instromers op basis van resultaten uit onderzoeksprojecten rond zij-instroom waarbij wij zelf betrokken zijn. Het doel is om te komen tot een verdiepende onderzoeksagenda, waarbij variatie gewaardeerd wordt, zowel theoretisch als methodologisch. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Zij-instromers in het onderwijs weten als geen ander hoe uitdagend transitie kan zijn. Zij nemen actief de stap om te wisselen van werkveld en bewegen zich tussen verschillende werelden (de oude beroepspraktijk, de nieuwe beroepspraktijk in het onderwijs en de leerwerkomgeving van de lerarenopleiding. Vrije vorm (90 minuten)669Tim Huijgen, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Pieter Mannak, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.038wo 14:15 – 15:45 Virtual Reality (VR) is een immersieve technologie die unieke onderwijskansen biedt die in reguliere klaslokalen moeilijk te realiseren zijn. Het gebruik van VR in het onderwijs neemt wereldwijd toe (Fortune Business Insights, 2025; Young et al., 2020), mede vanwege het potentieel om de motivatie en leerresultaten van leerlingen en studenten te verbeteren (Di Natale et al., 2020). Binnen het leergebied Mens & Maatschappij biedt VR specifieke mogelijkheden, zoals het virtueel bezoeken van historisch relevante locaties die fysiek niet toegankelijk zijn en het ervaren van verschillende perspectieven om historische inleving te verdiepen (Bailenson et al., 2025; Mannak et al., 2024). Hoewel leraren over het algemeen positief staan tegenover VR, ontbreekt het hen vaak aan de didactische en technologische expertise om deze technologie effectief in te zetten in de lespraktijk (Weirich, 2024). Om leraren te ondersteunen bij het onderwijzen van historische vaardigheden met behulp van VR is het VR-CONTEXT instructiemodel ontwikkeld (Mannak & Renou, 2023). Dit model bestaat uit drie opeenvolgende fasen: (1) het ervaren van de VR-omgeving, (2) het plaatsen van deze ervaring in een historische context, en (3) reflectie op het gepresenteerde perspectief. In deze workshop maken deelnemers niet alleen kennis met dit model, maar ervaren zij ook zelf hoe VR didactisch verantwoord kan worden ingezet. De workshop heeft een interactief en praktijkgericht karakter. We starten met een korte introductie (10 minuten) waarin deelnemers hun eigen ervaring met VR verkennen via een karakteristieke keuze (Khukalenko et al., 2022) Vervolgens presenteren we het VR-CONTEXT framework en bespreken we de resultaten van een exploratieve studie waarin dit model is toegepast bij leraren in opleiding (Huijgen & Mannak, 2026) (20 minuten). Daarna ervaren deelnemers zelf een VR-applicatie volgens de principes van het model (30 minuten). Tot slot vindt een gestructureerde groepsdiscussie plaats over de ervaringen en mogelijke richtingen voor toekomstig onderzoek (30 minuten). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In de huidige tijd van digitalisering vinden digitale toepassingen ook hun weg naar scholen. Toch ontbreekt daar vaak de benodigde technische en vakdidactische kennis om deze middelen betekenisvol in te zetten. VR biedt kansen om meerdere perspectieven op heden en verleden zichtbaar te maken, leerlingen te ondersteunen bij historisch redeneren en hen te leren omgaan met nieuwe digitale technologieën. Voorwaarde is wel een doordachte (vak)didactische inbedding. Onze workshop biedt een praktisch voorbeeld van een dergelijke aanpak en richt zich op de valorisatie van exploratieve resultaten wanneer wordt gewerkt met het VR-CONTEXT-model. De bijdrage focust op doorwerking en impact van onderwijsonderzoek. Rondetafelgesprek (30 minuten)793Liesbeth Verkuyl, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 3.056wo 14:15 – 15:45 Werkplekleren in het hoger beroepsonderwijs vindt steeds vaker plaats in hybride leeromgevingen op het snijvlak van onderwijs en professionele praktijk, zoals Workplace Learning Labs (WPLLs) (Zitter & Hoeve, 2012; Bouw et al., 2021). Deze leeromgevingen zijn ontworpen om een groep studenten te ondersteunen bij het verbinden van beroepsgerichte theorie en professionele praktijk wanneer zij deelnemen aan authentieke taken (Guile & Griffiths, 2001; Goodyear & Carvalho, 2014). Eerder onderzoek laat echter zien dat het begeleiden van studenten in dergelijke omgevingen complex is en gepaard gaat met samenhangende pedagogische, organisatorische en interorganisationele uitdagingen (Verkuijl et al., in voorbereiding). Deze uitdagingen kunnen niet los worden gezien van organisatorische voorwaarden binnen onderwijsprogramma’s en van interorganisationele afstemming tussen onderwijsinstellingen en werkveldorganisaties (Bouw et al., 2021). Vanuit theoretische perspectieven op hybride leeromgevingen en werkplekleren wordt leren opgevat als een situationeel en praktijkgebonden proces dat voortdurende afstemming vereist tussen taken, begeleiding en context (Goodyear & Carvalho, 2014). Pedagogische begeleiding fungeert daarmee als een cruciale schakel in het realiseren van onderwijs voor transitie (Onderwijsraad, 2024). De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe kan de begeleiding van studenten in leerwerkplaatsen worden versterkt, en welke rol speelt een professionele leergemeenschap voor docenten en praktijkbegeleiders daarbij? Dit onderzoek volgt een Educational Design Research-benadering (McKenney & Reeves, 2019), In een professionele leergemeenschap reflecteren docenten en praktijkbegeleiders gezamenlijk op hun begeleidingspraktijken, ontwerpen zij pedagogische interventies en passen deze toe in de leerwerkplaatsen. Dataverzameling zal bestaan uit observaties, interviews en gezamenlijke reflectiesessies. Omdat de studie nog loopt, richt de bijdrage zich op het onderzoeksontwerp en de verwachte opbrengsten. Het onderzoek biedt inzicht in pedagogische en organisatorische uitdagingen in leerwerkplaatsen en draagt bij aan theorievorming over pedagogische begeleiding in hybride leeromgevingen en methodologische reflectie op ontwerpgericht onderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onderwijs voor transitie vraagt om vernieuwende leeromgevingen voor studenten en gezamenlijke professionalisering van docenten en praktijkbegeleiders (Onderwijsraad, 2024). Dit onderzoek richt zich op het verbeteren van de begeleiding van studenten in leerwerkplaatsen doordat docenten en praktijkbegeleiders samen reflecteren op hun pedagogisch begeleiding. Pedagogische begeleiding wordt benaderd als een gezamenlijke praktijk op de grens van onderwijs en werk, waarin organisatorische en interorganisationele afstemming cruciaal is. Het onderzoek maakt gebruik van een professionele leergemeenschap, ingebed in een ontwerpgerichte onderwijskundige benadering, waarin gezamenlijk wordt geanalyseerd, geëxperimenteerd en bijgesteld met het oog op het versterken van onderwijs voor studenten in de leerwerkplaats. Rondetafelgesprek (30 minuten)537Liesbeth Knol-Urbach, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.056wo 14:15 – 15:45 Gespecialiseerde verpleegkundigen hebben in toenemende mate een rol in de deskundigheidsbevordering van collega’s binnen verschillende verpleegkundige praktijken. Hoewel er veel bekend is over werkplekleren in verpleegkundige praktijken, is minder duidelijk hoe gespecialiseerd verpleegkundigen de rol deskundigheidsbevordering zelf vormgeven en ervaren. Hoewel we hen in onderwijs voorbereiden op deze rol, blijken gespecialiseerd verpleegkundigen in de praktijk vaak terughoudend om deze actief op te pakken. De vormgeving van deze rol ontstaat vanuit het beschikbare repertoire van de professional, dat niet alleen bestaat uit kennis en vaardigheden, maar ook uit de persoon van de professional: het Professioneel Zelf. Deze spanning tussen wat onderwijs beoogt en wat professionals in de praktijk ervaren, raakt direct aan het jaarthema Onderwijs voor Transitie. Het vraagt om inzicht in hoe professionals zich ontwikkelen in veranderende contexten en welke ondersteuning zij daarbij nodig hebben. Mijn promotiestudie betreft een ontwerpgerichte studie naar de ontwikkeling van het Professioneel Zelf. In de verdiepende fase van dit onderzoek zijn 110 werksituaties van 55 gespecialiseerd verpleegkundigen geanalyseerd, waaruit patronen en belemmeringen van het Professioneel Zelf zijn beschreven die de toepassing van de rol deskundigheidsbevordering stimuleren dan wel belemmeren. De bijdrage is gebaseerd op de volgende onderzoeksvraag: Welke patronen en belemmeringen in het Professioneel Zelf van gespecialiseerd verpleegkundigen dienen geprioriteerd te worden ten behoeve van het ontwerp, zodat de rol deskundigheidsbevordering van anderen beter toegepast kan worden? Doel van de bijdrage is het verkennen van de betekenis én het gezamenlijk prioriteren van deze patronen en belemmeringen voor de praktijk van deskundigheidsbevordering. Hiermee worden inzichten opgehaald die richting geven aan een ontwerp dat ook relevant is voor andere professionele disciplines. Dialoog met publiek: In co-creatie met deelnemers worden de belangrijkste patronen en belemmeringen geprioriteerd, waarna gezamenlijk implicaties worden verkend voor het versterken van de rol deskundigheidsbevordering. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor Transitie door te focussen op de doorwerking en valorisatie van onderwijsonderzoek in de praktijk van deskundigheidsbevordering. Vanuit een ontwerpgerichte en participatieve onderzoeksbenadering worden patronen en belemmeringen in het Professioneel Zelf van gespecialiseerd verpleegkundigen zichtbaar gemaakt en gezamenlijk geprioriteerd. De bijdrage laat zien hoe inzicht in professionele ontwikkeling in veranderende contexten kan worden benut om onderwijs- en praktijkinterventies te ontwerpen die professionals ondersteunen bij het opnemen van nieuwe rollen. Daarmee verbindt de bijdrage onderzoek, ontwerp en praktijkontwikkeling. Papersymposium (90 minuten)356Jolise ’t Mannetje, Hogeschool Saxion, Deventer, Ghislaine van Bommel, Tilburg University, Tilburg, Sybren Slimmen, HZ University of Applied Sciences, Vlissingen, Elisabeth Klinkenberg; Hogeschool Inholland (voorzitter), Petrie van der Zanden, Radboud Universiteit (discussiant) 3.058wo 14:15 – 15:45 Het doel van dit papersymposium is het delen en verdiepen van recente inzichten in Sense of Belonging (SoB) binnen het hoger onderwijs. SoB wordt steeds vaker gezien als een sleutelmechanisme voor studiesucces, welzijn en betrokkenheid van studenten (Klinkenberg & Hessing, 2024; Kahu & Nelson, 2018). Tegelijkertijd vragen de onderliggende processen, de vertaling naar de praktijk om verdere theoretische en empirische verdieping. In dit symposium verkennen we hoe SoB ontstaat, welke contextuele en relationele factoren deze versterken of ondermijnen, en hoe onderwijsinstellingen deze inzichten kunnen benutten om SOB doelgericht te versterken. Overzicht Het symposium bestaat uit drie bijdragen die SoB vanuit complementaire perspectieven belichten. De eerste presentatie richt zich op SoB als onderdeel van een complex systeem van academische, sociale en online interacties, waarbij een participatieve systeembenadering inzicht biedt in onderliggende dynamieken en aangrijpingspunten. De tweede presentatie zoomt in op een concrete onderwijsinterventie: de introductieweek, en laat zien hoe deelname hieraan verschillende dimensies van SoB beïnvloedt. De derde presentatie richt zich op studenthuiskamers als fysieke en sociale leeromgevingen en onderzoekt hoe deze ruimtes bijdragen aan ontmoeting, betekenisgeving en verbondenheid binnen opleidingen. Wetenschappelijke betekenis Door systeemdenken te combineren met empirisch onderzoek naar specifieke onderwijsinterventies draagt dit symposium bij aan een geïntegreerd en gelaagd begrip van SoB. De bijdragen laten zien dat SoB geen eendimensionaal construct is, maar ontstaat in de wisselwerking tussen institutionele structuren, sociale relaties en fysieke leeromgevingen (Bronfenbrenner, 1979; Strayhorn, 2019). Dit onderstreept de noodzaak van onderzoeks- en interventiestrategieën die recht doen aan deze complexiteit. Structuur De sessie start met een korte, interactieve introductie op het thema. Vervolgens presenteren de drie sprekers hun onderzoek, met ruimte voor verhelderende vragen. De sessie wordt afgesloten met een reflectie en interactieve discussie, waarin verbindingen worden gelegd tussen de papers en met het publiek. Paper 1: Complexe systeemdynamieken van de academische, sociale en online omgeving die het mentale welzijn van studenten vormgeven: een participatieve systeembenadering met causal loop modelling Paper 2: Hoe deelname aan een introductieweek het Sense of Belonging van studenten beïnvloedt Paper 3:Huiskamers; een plek voor ontmoeting Individuele bijdrage 1 Aanleiding/vraagstelling: Het mentale welzijn van studenten wordt beïnvloed door academische, sociale en online factoren, terwijl de dynamische interacties tussen deze systemen nog beperkt worden begrepen (Uleman et al., 2024). Inzicht in onderliggende systeemdynamieken en mogelijkheden om deze te beïnvloeden vraagt om een systemisch perspectief, waarin mentaal welzijn wordt benaderd als een uitkomst van een dynamisch systeem dat ontstaat uit voortdurende interactie tussen individuele capaciteiten en omgevingsfactoren (Baugh Littlejohns et al., 2018; Lehman et al., 2017). Deze studie gebruikt een door studenten mede-ontwikkeld Causal Loop Diagram (CLD) om de wisselwerking tussen academische, sociale en online subsystemen en kansrijke aangrijpingspunten voor het mentale welzijn van studenten inzichtelijk te maken. Methode: Een kwalitatief, participatief onderzoeksontwerp werd gebruikt om het CLD te ontwikkelen. Een concept CLD werd opgesteld gebaseerd op literatuurstudie, individuele interviews (N=12) en vier focusgroepgesprekken (N=32). Dit vormde de basis voor drie groepssessies met studenten (N=43) waarin het definitieve CLD gezamenlijk werd ontwikkeld. Aangrijpingspunten werden vervolgens geïdentificeerd met behulp van het Action Scales Model (Nobles et al., 2022), in een werksessie met experts (N=9). Resultaten: Het CLD onthulde twintig versterkende en drie balancerende feedback loops die laten zien hoe de subsystemen gezamenlijk het mentale welzijn van studenten vormgeven. Sense of belonging kwam daarbij naar voren als een centraal knooppunt in het systeem, dat volgens studenten voortdurend wordt versterkt of ondermijnd door interacties tussen relationele processen, onderwijsstructuren, studieruimtes, en digitale interacties. Aangrijpingspunten werden geïdentificeerd op verschillende niveaus: concrete gebeurtenissen (zoals docentbegeleiding), onderliggende structuren (zoals voorspelbare routines en sociale ruimtes), systeemdoelen (zoals prestatiegerichtheid) en dieperliggende overtuigingen (zoals het idee dat welzijn een individuele verantwoordelijkheid is). Conclusie/discussie: De bevindingen laten zien dat het mentale welzijn van studenten ontstaat uit een onderling verbonden systeem, waarbij de geïdentificeerde aangrijpingspunten inzicht bieden in mogelijke systeeminterventies; toekomstig onderzoek zou deze bevindingen moeten valideren en vertalen naar interventieontwikkeling. Individuele bijdrage 2 Het Sense of Belonging (SoB) van studenten in het hoger onderwijs hangt positief samen met leeruitkomsten (Binning et al., 2020; Marksteiner et al., 2019), en SoB bij aanvang van het eerste studiejaar voorspelt bovendien de verdere ontwikkeling ervan (Marksteiner et al., 2019; Van Lamoen et al., 2025). Deze studie biedt als een van de eerste inzicht in hoe introductieweekdeelname het SoB van studenten beïnvloedt. In dit onderzoek is gekeken naar het effect van deelname aan de algemene introductieweek van Tilburg University, de TOP-week, op het SoB van eerstejaars Psychologiestudenten, en de ontwikkeling van SoB gedurende hun eerste jaar op de universiteit. In lijn met Strayhorn’s (2019) definitie van SoB in het hoger onderwijs maken we met een nieuw ontwikkeld meetinstrument (Van Bommel et al., manuscript in voorbereiding) onderscheid tussen drie dimensies van SoB, namelijk SoB ten opzichte van de universiteit, medestudenten en docenten. Deze drie dimensies zijn bij dezelfde studenten op drie momenten in het eerste studiejaar gemeten: in de eerste collegeweek, na drie weken en na acht maanden. De resultaten laten zien dat deelname aan de introductieweek bijdraagt aan SoB met medestudenten, maar niet gerelateerd is aan de andere twee dimensies. Daarnaast wijzen de bevindingen erop dat we niet zouden moeten veronderstellen dat alle dimensies van SoB toenemen gedurende het collegejaar. Bovendien hangt SoB samen met verschillende (achtergrond)kenmerken van studenten. Zo ervaren internationale studenten gemiddeld een sterkere SoB dan Nederlandse studenten, terwijl het zijn van een eerste-generatiestudent in deze Nederlandse onderwijscontext een minder grote rol speelt dan in onderzoek uit de VS. De bevindingen onderstrepen het belang van introductieweken voor het SoB van studenten in het hoger onderwijs en bieden aanknopingspunten voor beleidsmakers om te bepalen welke aspecten van SoB – en welke groepen studenten – extra ondersteuning zouden kunnen gebruiken bij de overgang naar het hoger onderwijs. Individuele bijdrage 3 Aanleiding Binding met instelling, opleiding, en medestudenten is belangrijk voor succesvol studeren (Ingram et al., 2012; Kreijns et al., 2012). Inrichting van schoolgebouwen kan bijdragen aan gevoel van binding, bijvoorbeeld door huiskamers; fysieke plekken die uitnodigen tot ontmoeting en ontspanning. Huiskamers kunnen onderdeel uitmaken van een sticky campus, waarbij studenten op de onderwijsinstelling aanwezig blijven buiten het onderwijs (Berman et al., 2022; Thomas, 2019). Huiskamers zijn een relatief nieuw initiatief, waardoor nog nauwelijks onderzoek beschikbaar is naar effectieve vormgeving en de toegevoegde waarde van huiskamers. Vraagstelling In hoeverre voorzien huiskamers in een behoefte aan binding en op welke manier kunnen huiskamers (door)ontwikkeld worden om bij te dragen aan studentenwelzijn? Methode Het onderzoek heeft plaatsgevonden binnen één Nederlandse hogeschool. Behoeften van studenten zijn gemeten met online vragenlijsten (n=336) waarin o.a. is gevraagd naar behoeften, gewenste activiteiten, inrichting en (potentiële) toegevoegde waarde van huiskamers. Daarnaast zijn vijf huiskamercoaches individueel geïnterviewd, waarin gevraagd werd naar doelen, opbrengsten, bevorderende en belemmerende factoren. Resultaten Studenten willen een huiskamer vooral gebruiken voor ‘ontspannen en terugtrekken’ (n=236) en ‘medestudenten ontmoeten’ (n=236). Respondenten verwachten dat een huiskamer bijdraagt aan onder meer ‘binding met mede-studenten’, ‘thuisvoelen bij de opleiding’ en ‘gevoel onderdeel uit te maken van *instelling*’. Studenten hebben daarnaast behoefte aan aan verschillende activiteiten, zoals ‘spelletjes-/game-/filmavond’ (n=156) en ‘ondersteuning bij studievaardigheden’(n=132). Huiskamercoaches benoemen vooral dat bekendheid van een huiskamer (en daarmee het gebruik) tijd nodig heeft. Zij zien potentiële positieve bijdrage aan studentenwelzijn, maar verwachten meetbare effecten pas op langere termijn. Organisatiefactoren (zoals bezuinigingen) zetten dit mogelijk onder druk. Conclusie/discussie Huiskamers lijken te voorzien in een behoefte, voornamelijk middels binding en thuisvoelen. Hiervoor kunnen activiteiten worden georganiseerd, zowel informeel als inhoudelijk. Eventuele meetbare effecten op studentenwelzijn zullen pas op de langere termijn zichtbaar worden, aangezien het neerzetten van het concept en bekendheid genereren tijd nodig heeft. Vrije vorm (90 minuten)251Ceciel Korsmit, Landstede Groep, Zwolle, Harry Rorije, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.060wo 14:15 – 15:45 Mbo-docenten staan voor de uitdaging om studenten voor te bereiden op een complexe en dynamische arbeidsmarkt. Maatschappelijke ontwikkelingen, zoals tekorten op de arbeidsmarkt, de groeiende diversiteit onder studenten en adoptie van AI dagen mbo-scholen uit om hun onderwijs actueel te houden en continu te verbeteren en te vernieuwen (Van De Braak & Bruining, 2020). Hoewel het belang van onderwijsinnovaties breed wordt erkend, stranden innovatieprocessen regelmatig of leveren deze vaak niet de gewenste resultaten op (Vanlommel, Coppoolse & Schaap, 2023; Van der Meer & Schobben, 2023). Mbo-docenten hebben een cruciale rol bij het werken aan innovatieprocessen (Zainal & Matore, 2019). Maar het omgaan met en acteren in innovatieprocessen wordt ervaren als complex. Om innovatieprocessen binnen het mbo succesvol te laten verlopen is innoverend vermogen nodig, een vermogen die voor mbo-docenten niet altijd vanzelfsprekend is (Klaeijsen, 2015; Lambriex e.a., 2020). De noodzaak zicht te krijgen op dit innoverend vermogen – een combinatie van kennis, vaardigheden en houdingen om nieuwe ideeën te creëren en toe te passen – is daarom van belang, zodat het innoverend vermogen in de mbo-praktijk beter benut kan worden. In dit onderzoek stond de vraag centraal: Wat zijn kenmerken van innoverend vermogen van Mbo-docenten en hoe kunnen docenten en teams in het Mbo zicht krijgen op hun innoverend vermogen? Het resultaat van het onderzoek is de themapagina ‘Jouw innoverend vermogen als mbo-docent: Maak het verschil!’ voor Onderwijskennis.nl ontwikkeld met inzichten en praktische handvatten voor mbo-docenten (Korsmit et al., 2025). Het doel van de bijdrage is om deelnemers kennis te laten maken met de kenmerken van innoverend vermogen van Mbo-docenten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Allerlei transities zoals polarisatie, arbeidsmarkttekorten en de opkomst van Artificial Intelligence doen een beroep op het innoverend vermogen van onderwijsorganisaties en van docenten. Hoe meer we weten in het onderwijs over hoe we het innoverend vermogen van docenten optimaal kunnen benutten bij cruciale innovaties, des te beter kunnen we als onderwijs omgaan met de genoemde transities en kan het haar cruciale maatschappelijke rol innemen. De kennis over innoverend vermogen van Mbo-docenten en hoe dit effectief in te zetten in het onderwijs is nog beperkt. Deze workshop draagt bij aan verdere doorwerking van de kennis over innoverend vermogen van Mbo-docenten. Vrije vorm (90 minuten)880Elvira Folmer, HAN University of Applied Sciences, Nijmegen, Fred Jansssen, ICLON Leiden University, Nijmegen, Nienke Nieveen, Technische Universiteit Eindhoven, Eindhoven, Helma Oolbekkink-Marchand, HAN University of Applied Sciences, Nijmegen 3.070wo 14:15 – 15:45 Zowel in onderzoek als in onderwijs‑ en beleidspraktijk is de afgelopen jaren veel aandacht voor de professionaliteit van leraren, met name voor de toenemende eisen aan hun curriculumbekwaamheid (OECD, 2025). De herziening van kerndoelen en eindtermen (SLO, 2025) vraagt van leraren dat zij curriculumbewust handelen bij het gezamenlijk (her)ontwerpen en inrichten van het curriculum. Leraren die curriculumbewust handelen ontwikkelen curriculumonderdelen doelgericht, bedden deze in en stemmen deze af in het licht van het curriculum als geheel (Van den Bosch et al., 2024). Dit handelen omvat het op basis van kritische analyse maken van weloverwogen curriculumkeuzes en het kunnen uitoefenen van invloed op het curriculum (Folmer‑Annevelink et al., 2025). Curriculumbewust handelen vraagt daarmee zowel om teacher agency—het vermogen van leraren om bewust invloed uit te oefenen op hun onderwijspraktijk—als om diepgaande curriculumbekwaamheid. Binnen het onderzoek naar teacher agency is aandacht besteed aan zowel de theoretische fundering van het concept als aan empirische studies, bijvoorbeeld in de context van onderwijsvernieuwingen of praktijkgericht onderzoek door leraren zelf (Priestley et al., 2012; Oolbekkink‑Marchand et al., 2017; Cong‑Lem, 2021). Parallel hieraan krijgt het conceptualiseren van curriculumbekwaamheid toenemende aandacht in beleid, praktijk en wetenschap (Huizinga, 2009; Huizinga et al., 2014; Nieveen, 2024), evenals de positionering ervan in lerarenopleidingen (Nieveen et al., 2017; Folmer & Grol, 2024; Wetenschappelijke Curriculumcommissie, 2025). In deze bijdrage staat de vraag centraal hoe deze twee onderzoekstradities gezamenlijk meer inzicht kunnen bieden in de rol van leraren bij curriculumontwikkeling. De bijdrage heeft de vorm van een paneldiscussie waarin experts uit beide domeinen met elkaar in gesprek gaan. Na een korte pitch over relevante concepten en recent onderzoek, bespreken de panelleden (1) onderzoeksvragen voor de nabije toekomst en (2) implicaties van bestaand onderzoek voor onderwijs‑ en beleidspraktijk, onder leiding van een gespreksleider die ook interactie met het publiek stimuleert. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Papersymposium (90 minuten)815Mirthe van den Hee, Wageningen University, Leerstoelgroep Educatie- en Leerwetenschappen, Wageningen, Erica Wijnands-Pot, MboRijnland, Practoraat Samen Onderzoekend Werken, Leiden, Kathinka van Doesum, MboRijnland, Practoraat Samen Onderzoekend Werken, Leiden, Gian-Louis Hernandez, Hogeschool van Amsterdam, lectoraat HERI, Amsterdam, Linda van Ooijen-van der Linden, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Rose Leighton (voorzitter), Barend van der Meulen (discussiant) 3.072wo 14:15 – 15:45 Het vervolgonderwijs positioneert transdisciplinaire samenwerkingen (TSs) steeds vaker als situaties waarin academici, professionals en studenten samen innoveren en leren. Deze omgevingen worden aangeduid als Living Labs, CoPs, Hubs of Studio’s. De heterogene mix van participanten, kennis en belangen creëert ruimte voor maatschappelijke innovatie (Ministry of Education, 2019; Paskaleva & Cooper, 2021). Tegelijk vormt het balanceren van belangen een grote uitdaging. Het samenbrengen van uiteenlopende belangen creëert transdisciplinaire spanning (Huber et al., 2020), die belangrijk is voor innovatie (Griffioen & Van Heijningen, 2023) en essentieel wordt geacht voor het werk in TSs (Wannenmacher & Antoine, 2016), omdat het “[provides] occasions for the production of new meaning” (Wenger, 2019, p. 84). Co-creatie met verschillende typen participanten impliceert het integreren van diverse waarden, normen en discoursen. Deelnemers brengen hun eigen standaarden en opvattingen van ‘normaal’ mee, toegepast op alle facetten van het TSs-proces en product (Hoffmann et al., 2019; Felt et al., 2016; Schikowitz, 2020). Onbeheerde verschillen vormen drempels voor samenwerking en innovatie; actief balanceren biedt perspectief, maar concrete handvatten ontbreken (Lahsen & Turnhout, 2021; Raymond et al., 2010; Hossain et al., 2019). Dit symposium richt zich op de rol van studenten-als-partners in TSs. Deze transdisciplinaire samenwerkingen kenmerken zich door als collectief te leren, academische en non-academische kennis te integreren en te co-creëren over institutionele en maatschappelijke grenzen heen (Horn, 2023; O’Sullivan, 2025). Binnen deze samenwerkingen nemen studenten rollen aan als autonome co-creators, projectleiders of analisten (Van Den Berg et al., 2019; Van Den Heuvel et al., 2021). Leren vindt plaats op basis van gelijkwaardig partnerschap en gedeeld eigenaarschap (Griffioen & Van Heijningen, 2023; Van Den Heuvel et al., 2021), maar onzekerheid over rollen belemmert dit soms (Bohm, 2024; Griffioen & Van Heijningen, 2023; Stompff et al., 2022). Dit symposium presenteert drie studies waarin studenten integraal partner waren in transdisciplinaire samenwerking. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Student- en docent percepties op het leren en de begeleiding in een transdisciplinair living lab: overeenkomsten, verschillen en spanningen In transdisciplinaire living labs werken studenten autonoom en in co-creatie met partners aan complexe, maatschappelijke vraagstukken (Choe & Kim, 2024; Jernsand, 2019; Van Der Wee et al., 2024) op basis van gelijkwaardig partnerschap en gedeeld eigenaarschap (Bohm, 2024; Griffioen & van Heijningen, 2023; Van Den Heuvel et al., 2021). Ondanks de toenemende populariteit van deze leeromgeving, is leren in transdisciplinaire living labs weinig onderzocht, vooral vanuit het studentperspectief (Bhatta et al., 2025; Heijmans & Eweg, 2023; Simon et al., 2025). Deze exploratieve studie onderzocht de percepties van studenten en docenten omtrent leren en begeleiding binnen een living lab op een hogeschool. Het onderzoek hanteerde vragenlijsten (n=14) en interviews (studenten n=7; docenten n=3), afgenomen aan het begin, in het midden en aan het einde van het semester, aangevuld met doorlopende observaties en documentanalyse (n=3). Een iteratieve thematische analyse leidde tot uiteenlopende verwachtingen en daaruit voortvloeiende spanningen tussen de percepties van studenten en docenten (autonomie versus structuur; relatie versus inhoud). Hoewel docenten het ervaren van falen en vrijheid stimuleerden, vonden de meeste studenten dit uitdagend, vooral door de open structuur van het living lab en de beperkte begeleiding bij het omgaan met falen en vrijheid, evenals door onduidelijkheid over de invloed hiervan op de eindbeoordeling. Daarnaast werd aan het begin van het semester gelijkwaardig partnerschap en gedeeld eigenaarschap beloofd, maar studenten vonden dat docenten deze belofte niet altijd nakwamen. Hoewel de percepties van studenten en docenten gedurende het semester uiteenliepen, benadrukten beiden aan het einde het belang van meer open dialoog om duurzaam vertrouwen en wederzijds respect op te bouwen. De resultaten bieden nieuwe inzichten in het leren en begeleiden van studenten in transdisciplinaire living labs binnen het hoger onderwijs. Individuele bijdrage 2 Docenten en studenten voeren gezamenlijk onderzoek uit in het mbo: wat leren zij? Aanleiding en achtergrond Docenten werken in professionele leergemeenschappen, zoals Communities of Practice (CoP’s), om met praktijkgericht onderzoek onderwijs te verbeteren (Hargreaves & Fullan, 2012; McKenney et al., 2015). Bij mboRijnland worden jaarlijks vijf CoP’s begeleid door Practoraat Samen Onderzoekend Werken, waarin docenten en studenten samenwerken aan een praktijkvraagstuk. Verwacht wordt dat deze CoP’s bijdragen aan onderzoeksvaardigheden van deelnemers (Healey & Jenkins, 2009, 2017), hun kritisch denk- en probleemoplossend vermogen (Blackmore & Cousin, 2003; Hunter etal., 2007; Seymour etal., 2004), aanpak van praktijkproblemen door studentbetrokkenheid (Bland & Atweh, 2007; Dickerson et al., 2016), en professionele ontwikkeling van onderwijsteams (Ros & Brouwer, 2023). Binnen de mbo‑context is nog weinig onderzoek gedaan naar deze opbrengsten. Vraagstelling Wat ervaren deelnemende docenten en studenten als hun belangrijkste leeropbrengsten en als invloed op het betrokken onderwijsteam? Hoe ervaren zij hun invloed op het praktijkvraagstuk op korte en lange termijn? Welke belemmerende en bevorderende factoren ervaren zij voor hun CoP? Methode Acht docenten (CoP-trekkers) zijn geïnterviewd, studenten vulden zelfrapportages in en focusgroepen zijn afgenomen. Data zijn thematisch geanalyseerd (template analysis; Brooks et al., 2015) met het waarde‑creatiemodel van Wenger-Trayner en De Laat (2011) als a priori kader. Langetermijn-invloeden en randvoorwaarden zijn onderzocht met kwalitatieve vragenlijsten en evaluatierapportages. Discussie en conclusie Veel thema’s uit het waardecreatiemodel zijn herkend, aangevuld met nieuwe (sub)thema’s zoals ‘trots van studenten’, ‘rolontwikkeling van docenten’, ‘studentgroei’ en ‘docentprofessionalisering’. Studenten rapporteerden groei in zelfvertrouwen, motivatie, verantwoordelijkheidsgevoel, onderzoeksvaardigheden en hbo-voorbereiding. Docenten benoemden gelijkwaardig samenwerken met studenten en toepassing van onderzoekend werken. De invloed op praktijkvraagstukken was vooral duurzaam bij breed draagvlak binnen het onderwijsteam. CoP’s dragen daarmee bij aan studentgroei en docentprofessionalisering binnen het mbo. Tijdens de presentatie verkennen we toepasbaarheid van de bevindingen voor andere contexten en verankering van CoP’s in mbo-organisaties. Individuele bijdrage 3 To Create Tomorrow Together: De transformatie student-identiteit in curriculum co-design In een hogeschoolbreed longitudinaal project (2019–2024) werkten in negen ontwerpteams uit zeven faculteiten van een Nederlandse hogeschool (docenten, studenten en onderzoekers) samen in het (her)ontwerp van bacheloropleidingen. Elk team bestond uit minimaal twee studenten, twee docenten en twee onderzoekers en werkte, ondersteund door een student-coach en een medewerker-coach, aan een herontwerp waarin onderzoeksintegratie een expliciete opdracht vormde. Dit paper richt zich op hoe de identiteiten van studenten zich ontwikkelden als gevolg van deze deelname. De dataverzameling van deze subset bestond uit semigestructureerde pre-, mid- en postinterviews met 15 studenten (in totaal 33 interviews), afgenomen in verschillende fasen van de ontwerp-, ontwikkel- en implementatiecyclus. Deze longitudinale opzet maakte het mogelijk om veranderingen in studentidentiteiten in de tijd te volgen. De interviews zijn geanalyseerd met behulp van een reflexieve thematische analyse, die recht doet aan de complexe en niet-lineaire aard van identiteitsontwikkeling (Braun & Clarke, 2021). De resultaten laten zien dat curriculum co-creatie bestaande hiërarchieën kan doorbreken (Freire, 1996). Studenten worden niet langer uitsluitend gezien als ontvangers van onderwijs, maar als gelijkwaardige epistemische partners in het ontwerpproces. In deze context ontwikkelen zij hybride identiteiten, waarin rollen van lerende en docent deels samenvallen (Bovill et al., 2016). Deze identiteitsverschuivingen ontstaan in wisselwerking met docenten, medestudenten en het curriculum, en hebben invloed op de mate van participatie, ervaren verbondenheid en pedagogisch handelingsvermogen. Aansluitend bij recent onderzoek pleit deze studie voor een genuanceerd, onderzoeksgedreven begrip van co-creatie als een proces waarin identiteiten opnieuw worden onderhandeld en waarin sprake is van multidirectioneel leren (Godbold et al., 2024; Zeng & Fickel, 2024). De bevindingen dragen bij aan het debat over hoe verschillende vormen van kennis kunnen bijdragen aan maatschappelijke transities en aan de veranderende manier waarop onderwijs gezamenlijk wordt ontworpen (Barnett & Coate, 2005; Manuel-Navarrete, 2025). Papersymposium (90 minuten)911Anne Bert Dijkstra, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Germ Janmaat, University College, London, Luuk Kampman, SLO, Utrecht, Hessel Nieuwelink, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Rutger Pol, Inspectie van het Onderwijs, Utrecht, Anne Bert Dijkstra (voorzitter), Germ Janmaat (discussiant) 3.088wo 14:15 – 15:45 Burgerschapsonderwijs is hot. Scholen zijn er druk mee, en samenleving en politiek vinden er van alles van. Het thema is al oud, de wettelijke opdracht aan scholen om ‘iets’ aan burgerschap te doen dateert uit 2006 en werd aangescherpt in 2021. Hoe staan we ervoor? De onderwijsinspectie geeft herstelopdrachten aan de helft van alle scholen, en bevindingen uit evaluaties van de randvoorwaarden voor goed burgerschapsonderwijs wijzen op tekorten. Ook wijst internationaal vergelijkend onderzoek op aandachtspunten, en geven scholen aan het bevorderen van burgerschap niet altijd gemakkelijk te vinden. Dat de urgentie van het thema burgerschap nog steeds toeneemt, hoeft ondertussen weinig betoog. Dat maakt de ontwikkelkracht van scholen van belang. Ook is nodig dat de randvoorwaarden op orde zijn, en het beleid toereikend is? Worden scholen wellicht overvraagd? Of is het een kwestie van tijd, en komt het met wat geduld wel goed? In dit symposium benaderen we deze vragen vanuit de op dit moment beschikbare kennis. Nadat het wetenschappelijk onderzoek rond de eeuwwisseling verder op gang kwam, is recent sprake van een flinke groei in de wetenschappelijke bestudering van wat ‘goed’ burgerschapsonderwijs is en hoe dat te bevorderden. Het symposium richt zich op de vraag welke wetenschappelijke inzichten beschikbaar zijn, en waarover we nog weinig weten. Meer specifiek bespreken experts vanuit verschillende invalshoeken (praktijk, beleid en wetenschap) welke kennis er is, en wat nodig is voor i) onderwijsontwikkeling op school, ii) ondersteuning en randvoorwaarden in beleid, en iii) groei van wetenschappelijke kennis. Naast een korte typering van de actuele kennisbasis en kritische reflectie vanuit deze perspectieven, speelt de gedachtewisseling met de zaal een grote rol: hoe wegen we de situatie, en wat is verder nodig? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Realisering van de burgerschapsopdracht stelt veel scholen voor een uitdaging, en leidt vaak tot herstelopdrachten van de onderwijsinspectie. Ondertussen is het onderzoek naar de kenmerken van effectief burgerschapsonderwijs goed op gang gekomen. In hoeverre kunnen de resultaten van dat onderzoek scholen helpen bij de ontwikkeling van burgerschapsonderwijs? Wat hebben scholen nodig, en zijn de randvoorwaarden vanuit het onderwijsbeleid op orde? In het symposium staat de match tussen de behoefte aan kennis en de inzichten zoals die momenteel beschikbaar zijn, centraal. Individuele bijdrage 1 Doelstelling Bespreking van de opbrengsten van onderzoek naar burgerschapsonderwijs, vanuit de benutting vanuit drie perspectieven: wetenschappelijke kennisgroei, kennis voor schoolontwikkeling en voor onderwijsbeleid. Overzicht presentaties 1. Inleiding met toelichting op overkoepelende vraagstelling 2. Drie presenties, elk tevens als discussiant, vanuit drie invalshoeken: – Kennis voor onderwijspraktijk? – Kennis voor onderwijsbeleid? – Groei van wetenschappelijke kennis? Wetenschappelijke betekenis De sessies dragen bij aan groei van kennis, gebaseerd op i) het geven van een overzicht van de wetenschappelijke kennis omtrent effectief onderwijs gericht op burgerschap, met een analyse van betekenis en lacunes in theoretisch, conceptueel en beschrijvend opzicht, vanuit de vraag naar ii) groei van wetenschappelijke kennis, iii) de behoefte van en bruikbaar voor de praktijk, en iv) de randvoorwaarden die vanuit beleid nodig zijn. Structuur sessie Elk van de bijdragen kent dezelfde opbouw: Achtergrond & Relevantie: zie voorgaand (voor achtereenvolgens: wetenschappelijke kennisbasis, praktijk, beleid, onderzoek) Vraagstelling: – Wetenschappelijke kennisbasis: wat zijn de opbrengsten van het (inter)nationale onderzoek naar de kenmerken van effectief burgerschapsonderwijs. – Onderwijspraktijk? Aan welke kennis is behoefte, en in hoeverre voorziet de beschikbaar kennis daarin? – Onderwijsbeleid? Aan welke kennis is behoefte, en in hoeverre voorziet de beschikbaar kennis daarin – Wetenschappelijk onderzoek? Wat zijn de sterke en zwakke punten in de thans beschikbare kennis, en welke conceptuele, theoretische en beschrijvende vragen vergen aandacht? Methode: analytische evaluatie, gebaseerd op genoemde studies, met name laatste jaren (voor achtereenvolgens: praktijk, beleid, onderzoek) Resultaten & Discussie: in voorbereiding, worden gepresenteerd tijdens symposium. Individuele bijdrage 2 zie tekst onder bijdrage 1 Individuele bijdrage 3 zie tekst onder bijdrage 1 Vrije vorm (90 minuten)710Izaak Dekker, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Rick Ikkersheim, Hogeschool Inholland, Alkmaar, Rutger Kappe, Hogeschool Inholland, Alkmaar, Hanneke Theelen, Zuyd Hogeschool, Heerlen, Bonne Zijlstra, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Izaak Dekker (voorzitter), Discussant Louise Elffers (discussiant) 3.090wo 14:15 – 15:45 Doelstellingen van de sessie De afgelopen jaren komen studenten gemiddeld steeds minder vaak de les. Aanwezigheid hangt sterk samen met leerresultaten van studenten, maar heeft ook zijn weerslag op de motivatie van docenten. Het doel van dit postersymposium is om afgeronde en lopende onderzoeken op dit actuele thema binnen het Nederlandse taalgebied bijeen te brengen. Overzicht van de presentaties De eerste presentatie zal trends in aanwezigheid in het hbo over de afgelopen 11 jaar presenteren. Dit geeft een beeld van de ontwikkelingen in relatie tot de periodes voor, tijdens, en na de lockdowns. De tweede presentatie biedt een overzicht van de literatuur over voorspellers van en interventies ter verbetering van aanwezigheid. Als derde, zal een evaluatieonderzoek worden gepresenteerd waarin werd onderzocht of het bellen van afwezige studenten in het mbo leidde tot meer aanwezigheid. De vierde presentatie is een case-study naar de impact van het invoeren van een aanwezigheidsplicht op aanwezigheid en studiesucces bij een hbo opleiding. De vijfde presentatie deelt wat afwezigheid van studenten doet met docenten op basis van een kwalitatieve studie met 32 docenten van 4 verschillende hogescholen. Tot slot zal prof. Dr. Louise Elffers als discussant en specialist op het vlak van studentbetrokkenheid de bijdragen becommentariëren. Wetenschappelijke betekenis Aanwezigheid wordt wetenschappelijk geconceptualiseerd als een vorm van participative engagement (Wong & Liem, 2022). Aanwezigheid in het funderend onderwijs wordt systematisch bijgehouden en onderzocht (e.g., Dee et al., 2024; Swiderski et al., 2025). Voor het vervolgonderwijs geldt dat de data zelden systematisch worden bijgehouden en gedeeld en is relatief minder bekend over voorspellers en interventies. Het is echter bijzonder relevant als component van student engagement en als een van de sterkste voorspellers van studiesucces (Credé et al., 2010; Won & Liem, 2022). Structuur van de sessie 10 min Interactieve inleiding; 60 min Presentaties en vragen; 20 min Discussie Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Trends in aanwezigheid in het hbo 2014-2025 Aanwezigheid in de lessen is een van de sterkste voorspellers van studiesucces in het hoger onderwijs (Credé et al., 2010). Het is theoretisch geconceptualiseerd als participative engagement en heeft een wederzijdse relatie met affectieve en cognitieve engagement (Wong & Liem, 2022). In tegenstelling tot in het funderend onderwijs wordt het in het hbo echter niet systematisch gemonitord. Het is hierdoor onduidelijk of de impact van COVID-19 op aanwezigheid in het funderend onderwijs (Swiderski et al., 2025) ook terug te zien is het hbo. (Hoe) is de gemiddelde aanwezigheid bij colleges bij hbo opleidingen veranderd voor, tijdens en na de lockdowns? Voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag benutten we data van zeven opleidingen uit drie verschillende domeinen (economie, techniek, zorg) die doorlopend systematisch aanwezigheid bijhielden voor, tijdens en na COVID-19. In totaal bevatte de dataset 8.9 miljoen aanwezigheidsregistraties van 27,568 unieke studenten die deelnamen aan 4,896 modules. We visualiseerden trends per maand en kwartaal, berekenden gemiddeldes per periodes. Vervolgens aggregeerden we de data naar wekelijkse aanwezigheidsobservaties om met binomiale general linear mixed-models te berekenen of de periodes significant van elkaar verschilden wanneer we ook rekening hielden met trends op week, kwartaal, en jaar niveau en verschillen per domein. De gemiddelde aanwezigheid daalde van 43.0% voor COVID-19, naar 37.5% tijdens COVID-19 en 30.6% na COVID-19. De binomiale linear mixed-models gaven aan dat de dalende trend al intrede deed voor COVID-19 en ook doorzette na COVID-19 los van domeinen en trends op week, kwartaal en jaarniveau (Figuur 1). Deze studie benutte een unieke dataset om inzichtelijk te maken hoe de gemiddelde aanwezigheid in drie domeinen van een hogeschool veranderde gedurende de afgelopen 11 jaar. De bevindingen laten zien dat de gemiddelde aanwezigheid laag en dalende is. Individuele bijdrage 2 Een overzichtsstudie naar voorspellers van en interventies ter verhoging van aanwezigheid ○ Aanleiding Binnen het hoger onderwijs bestaat groeiende zorg over afnemende studentaanwezigheid, met name in het eerste studiejaar. Tegelijkertijd is fysieke aanwezigheid minder vanzelfsprekend geworden door digitalisering, blended onderwijs en een sterke nadruk op studentautonomie. Opleidingen zoeken naar houvast bij het vormgeven van aanwezigheidsbeleid dat effectief is, maar ook pedagogisch en juridisch verdedigbaar. Hoewel eerder onderzoek wijst op een samenhang tussen aanwezigheid en studiesucces, laten studies uiteenlopende en soms tegenstrijdige bevindingen zien (Büchele, 2020; Credé et al., 2010). Dit draagt bij aan ambivalentie en variatie in beleid binnen instellingen. ○ Vraagstelling Wat leert de wetenschappelijke literatuur over de relatie tussen aanwezigheid en studiesucces in het hoger onderwijs, en welke implicaties heeft dit voor het vormgeven van effectief aanwezigheidsbeleid? ○ Methode Deze studie betreft een narratieve literatuurstudie van 20 empirische publicaties (2006–2025), geselecteerd via Scopus en Google Scholar. Gekozen is voor een narratieve benadering vanwege de heterogeniteit in contexten, definities van aanwezigheid en uitkomstmaten. De focus ligt op fysiek en blended onderwijs in het hoger onderwijs. ○ Resultaten De meeste studies rapporteren een positieve relatie tussen aanwezigheid en studiesucces, maar de sterkte en betekenis daarvan blijken sterk contextafhankelijk. Factoren zoals studiefase, didactische kwaliteit, mate van activerend onderwijs en studentbetrokkenheid zijn bepalend. Interventies gericht op het afdwingen of stimuleren van aanwezigheid laten wisselende en soms paradoxale effecten zien, variërend van hogere aanwezigheid zonder leerwinst tot verbeterde prestaties bij specifieke doelgroepen. ○ Discussie en conclusie De literatuur wijst erop dat niet aanwezigheid op zichzelf, maar betrokken aanwezigheid het cruciale mechanisme is. Effectief aanwezigheidsbeleid vraagt daarom om een geïntegreerde benadering waarin onderwijskwaliteit, organisatie en gedragsregulatie samenkomen. In de posterpresentatie worden deze inzichten samengebracht in een werkmodel rond het concept van een aanwezigheidsethos, als startpunt voor dialoog over beleidskeuzes en toepassing in de onderwijspraktijk. Individuele bijdrage 3 Effecten van bellen op aanwezigheid van studenten in het MBO ○ Aanleiding Absentie of afwezigheid van school is onder leerplichtigen in Nederland tussen 2021 en 2023 bijna verdrievoudigd (NJI, 2025). In het mbo is het gangbaar om studenten na te bellen bij afwezigheid, in de VS leidde dit volgens een onderzoek tot meer aanwezigheid, maar in Nederland en het mbo is dit nog niet onderzocht (NKO, 2023). De veronderstelling is dat dit de betrokkenheid en de verbondenheid met de opleiding versterkt en daardoor aanwezigheid verhoogt (Wong & Liem, 2022). In deze studie onderzochten we of het dagelijks bellen van studenten die afwezig waren leidde tot minder afwezigheid. In de telefoongesprekken werd uitgesproken dat de student gemist werd en werd hulp geboden waar nodig. ○ Methode Twee mbo klassen zijn gedurende twee periodes van 10 weken gevolgd. In de eerste periode is geen interventie gepleegd, en in de tweede periode zijn studenten dagelijks gebeld bij afwezigheid. In het design zijn studenten in de tweede periode vergeleken met zichzelf in de eerste perioden. De gegevens zijn geanalyseerd volgens een ‘regression discontinuity design’. ○ Resultaten De resultaten laten geen duidelijke verschillen zien tussen de beide fasen; dus geen effect van het nabellen. ○ Discussie en conclusie Deze studie is de eerste die het effect van het bellen op aanwezigheid onderzocht in het Nederlandse mbo. Het bellen van studenten is tijdintensief, dus is het belangrijk om te weten of dit ook daadwerkelijk bijdraagt aan het beoogde doel. In deze studie vonden we geen bewijs dat het bellen gedrag van studenten wist te beïnvloeden. Doordat in deze studie niet twee willekeurig ingedeelde groepen over dezelfde tijdsperiodes werden vergeleken is het mogelijk dat de verschillen in tijdsperiodes de afwezigheid beïnvloedden. Een vervolgstudie zou deze bevindingen met een volledig experimenteel design kunnen testen. Individuele bijdrage 4 Verplichte aanwezigheid in het eerste jaar Bouwkunde Veel opleidingen in het hoger onderwijs kampen met afnemende studentaanwezigheid, betrokkenheid en toenemende studie-uitval in het eerste studiejaar. Als reactie hierop kiezen sommige opleidingen voor (gedeeltelijke) verplichte aanwezigheid, ondanks blijvende discussies over studentautonomie en motivatie. In de literatuur wordt aanwezigheid beschouwd als een belangrijke randvoorwaarde voor academische en sociale integratie, met name in de transitie naar het hoger onderwijs (Tinto, 1993; Kahu & Nelson, 2018). Tegelijkertijd laat eerder onderzoek zien dat de relatie tussen aanwezigheid en studiesucces contextafhankelijk is en dat institutionele sturing spanningen kan oproepen (Credé et al., 2010). Empirische, praktijkgerichte inzichten in de motieven, uitvoering en effecten van aanwezigheidsplicht blijven echter schaars. Deze studie draagt bij aan dat lacune door een concrete casus te analyseren. Onderzoeksvraag: hoe en waarom heeft een opleiding gekozen voor verplichte aanwezigheid in het eerste studiejaar, hoe is deze maatregel vormgegeven, en welke effecten zijn waargenomen op studiesucces en studie-uitval? Het onderzoek betreft een praktijkgerichte casusbeschrijving van een voltijd bacheloropleiding Bouwkunde (jaar 1), waarin in studiejaar 2023–2024 een verplichte aanwezigheidsplicht van 80% werd ingevoerd. De analyse is achteraf uitgevoerd en descriptief van aard. Gebruikte databronnen zijn kwantitatieve opleidingsdata (studie-uitval en propedeuserendement vóór en na invoering) en kwalitatieve input van docenten over ervaren effecten, uitvoerbaarheid en dilemma’s. Na invoering van de aanwezigheidsplicht werd een duidelijke reductie in studie-uitval en een verbetering van het propedeuserendement waargenomen. Docenten rapporteerden daarnaast meer structuur, betrokkenheid en een sterkere groepsdynamiek. Tegelijkertijd kwamen spanningen naar voren rond handhaving, maatwerk en de balans tussen structuur en autonomie. De casus laat zien dat verplichte aanwezigheid kan bijdragen aan studiesucces in het eerste jaar, mits zorgvuldig ingebed in gedeelde normen en continu geëvalueerd. De effecten blijken sterk context- en uitvoeringsafhankelijk. Verdere vergelijkende en longitudinale studies zijn nodig om de voorwaarden waaronder aanwezigheidsplicht effectief is beter te begrijpen. Individuele bijdrage 5 Lesgeven aan lege stoelen: Wat doet afwezigheid van studenten met docenten in het hbo? Onderzoek naar de invloed van afwezigheid van leerlingen op docenten geeft aan dat afwezigheid van leerlingen invloed heeft op de lesuitvoer, de beoordeling, en de motivatie van docenten (Gottfried & Ansari, 2024; Gottfried et al., 2024a; 2024b). Het onderzoek hiernaar is tot nu toe in het basisonderwijs uitgevoerd, terwijl afwezigheid in het vervolgonderwijs vaker voorkomt. In deze studie verkenden we wat afwezigheid van studenten doet met de lesuitvoer, beoordeling en motivatie van docenten aan de hand van het FIT-Choice model voor motivatie voor het leraarschap (Watt & Richardson, 2007). Hoe beïnvloedt afwezigheid van studenten de uitvoer van lessen, het beoordelen (van studenten) en de motivatie van hbo-docenten? We interviewden 32 docenten van 8 verschillende opleidingen (onderwijs, economisch, technisch) aan 4 verschillende hogescholen. Onderzoeker 1 stelde na transcriptie, en segmentatie een codeboek op samen met onderzoeker 2 en paste dit toe op 40 fragmenten. Vervolgens codeerden onderzoeker 3 en 4 dezelfde 40 fragmenten onafhankelijk (Krippendorff’s alpha = 0.94). De meeste docenten pasten hun les aan als er veel studenten afwezig waren en gaven dan meer individuele feedback in plaats van bijvoorbeeld groepsopdrachten. Afwezigheid werkte ook door in de beoordeling van studenten doordat het verwachtingen beïnvloedt en studenten die vaker komen beter te beoordelen zijn. Docenten ervoeren de afwezigheid van studenten als zeer demotiverend om verschillende redenen: het maakt dat je minder sociale impact bereikt, het maakt dat je werk als zinloos ervaart, dat je minder de gelegenheid hebt om de intrinsieke waarde van het lesgeven te ervaren en dat je je eigen capaciteiten als docent lager inschat. De voorlopige resultaten geven aan dat afwezigheid van studenten doorwerkt op de motivatie en het gedrag van docenten. We gaan hier tijdens de posterpresentatie dieper op in. Postersymposium (90 minuten)172Peter Duifhuis, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Tim Favier, Utrecht University, Utrecht, Eva Kuijpers, Marnix Academie, Utrecht, Tessa de Leur, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Thomas Remerie, Arteveldehogeschool, Gent, Eef Thoen, Arteveldehogeschool, Gent, Ingeborg Tiemessen, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Monique Volman (voorzitter), Jelle Boevede Pauw (discussiant) 3.094wo 14:15 – 15:45 Doelstellingen van de sessie De huidige generatie jongeren groeit op in een wereld vol complexe problemen zoals oorlog, klimaatverandering, ongelijkheid en racisme (Duraiappah et al., 2022). Dat kan leiden tot stress en gevoelens van machteloosheid, zeker wanneer een handelingsperspectief lijkt te ontbreken. Het onderwijs staat daarmee voor een nieuwe uitdaging: jongeren laten ervaren hoe ze kunnen bijdragen aan een betere toekomst en de veranderingen die daarvoor nodig zijn. Dit postersymposium brengt projecten bij elkaar waarin onderzoekers en leraren(opleiders) curricula en pedagogisch-didactische aanpakken ontwikkelen, die een antwoord zijn op deze uitdaging. Doel van de sessie is uitwisseling over de centrale concepten, aanpak, onderzoeksmethoden en resultaten van deze projecten. Overzicht van de presentaties Tussen probleembesef en toekomstperspectief: verbeelding als instrument voor toekomstgericht onderwijs (Hogeschool van Amsterdam) Het onbekende onderwijzen: zelfvertrouwen van leraren in opleiding t.a.v. duurzaamheidsonderwijs versterken (Hogeschool Utrecht) Actief burgerschapsonderwijs in het basisonderwijs: een toolkit voor leraren (Marnix Academie) Leren van, met en voor de omgeving: design thinking als didactische hefboom voor transformatief leren (Arteveldehogeschool) Didactiek van de hoop (Universiteit Utrecht) Wetenschappelijke betekenis In de onderwijswetenschappelijke en pedagogische literatuur wordt steeds vaker gesteld dat onderwijs over maatschappelijke vraagstukken zich niet alleen moet richten op kennisontwikkeling, maar ook op het ontwikkelen van handelingsperspectieven (de Winter, 2024). Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat hier op scholen vaak weinig aandacht voor is (Erstad et al., 2025). Onderzoek kan bijdragen aan onderbouwde curricula en pedagogisch-didactische aanpakken hiervoor en evalueren wat werkt voor verschillende groepen leerlingen en leraren. Structuur van de sessie De sessie start met een inleiding op het thema. Daarna volgen korte pitches over de posters. Vervolgens is er gelegenheid om bij de posters in gesprek te gaan met de onderzoekers. We komen daarna weer bij elkaar voor een reflectie door de posterpresentatoren en de discussiant en een gezamenlijke discussie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het onderwerp van dit symposium sluit direct aan bij het thema ‘Onderwijs voor transitie’. Het presenteert en bediscussieert projecten waarin onderzoekers en leraren(opleiders) onderwijs ontwikkelen en evalueren gericht op vaardigheden en houdingen die nodig zijn om bij te dragen aan een transitie naar een betere (rechtvaardiger, duurzamer) samenleving. Daarmee zoeken we ook naar een antwoord op de vraag van de divisie Onderwijs & Samenleving, ‘Welke rol speelt onderwijs in de vorming van betrokken, kritische burgers?’ Individuele bijdrage 1 Tussen probleembesef en toekomstperspectief: verbeelding als instrument voor toekomstgericht onderwijs Achtergrond Leerlingen vinden het vaak lastig om met de toekomst om te gaan. Ze sluiten zich af voor bijvoorbeeld klimaatverandering of kansenongelijkheid (Bosschaart, 2019) en spreken daarover weinig met hun vrienden, ouders of docenten (Bosschaart & Niederer, 2023). Creatieve opdrachten kunnen leerlingen helpen om te praten over wat ze denken (De Leur, 2019; De Leur, 2021; Pauw, 2021). Dit project richt zich op leerlingen in (de onderbouw van) het vmbo, die zich vaak minder gezien voelen (D’Hondt & Van Houtte, 2015). Onderzoeksvraag Hoe kan een verbeeldingsopdracht docenten helpen om “verborgen” beelden op te halen van leerlingen uit 2 vmbo ten aanzien van hun kijk op zichzelf in een veranderende wereld? Methode Pilot: ontwerponderzoek in een ontwerpteam bestaande uit een onderzoeker, twee docenten en een leerling. Vervolg: in een PLG met zeven docent-leden en twee onderzoekers worden verbeeldingsopdrachten over toekomstdenken ontworpen voor vijf verschillende vakken. De docent-leden bespreken hun ontwerp met leerlingen en testen vervolgens de ontworpen les. Dataverzameling bestaat uit opnames van de bijeenkomsten, interviews met de betrokken docenten, observaties van de testlessen en uitspraken van leerlingen. Materiaal wordt op groepsniveau geanalyseerd met behulp van pattern watching (Yin, 2009). (voorlopige) resultaten Pilot: de leerlingen uit de testklassen tekenden veel verschillende toekomstbeelden, van klimaatverandering tot woningnood, van luchtvervuiling tot oorlog. Zij spraken over de achtergrond van deze beelden, en hier en daar ook over de emoties – vooral van zorg of angst – die hun toekomsttekeningen opriepen. De docenten waren verrast over de betrokkenheid van de leerlingen. (Voorlopige) conclusie In lijn met bevindingen uit eerder onderzoek, blijken verbeeldingsopdrachten zeer bruikbaar voor het uitlokken van betekenisvolle gesprekken tussen leerlingen. Vervolgonderzoek focust op de impact van deze korte interventies, zowel op de ontwerpende docenten als op de leerlingen. Individuele bijdrage 2 Het onbekende onderwijzen – zelfvertrouwen van leraren in opleiding t.a.v. duurzaamheidsonderwijs versterken Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie Onderwijs voor Duurzame Ontwikkeling (ESD) wordt urgenter door vraagstukken zoals klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en overconsumptie. Hoewel bètadocenten een sleutelrol spelen in het begrijpen van deze vraagstukken, ervaren veel leraren in opleiding een gebrek aan inhoudelijke kennis en vakdidactische handvatten. Dit lage zelfvertrouwen belemmert het vormgeven van ESD. In dit educatief ontwerponderzoek wordt gebruik gemaakt van conjecture mapping (Sandoval, 2014) om te onderzoeken hoe specifieke ontwerpkeuzes in een ESD-cursus bijdragen aan het versterken van zelfvertrouwen. Vraagstelling Het onderzoek richt zich op twee vragen: In hoeverre worden de beoogde mediërende leerprocessen gerealiseerd, en hoe dragen ontwerpelementen hieraan bij? In hoeverre worden de beoogde uitkomsten — hoger zelfvertrouwen in duurzaamheid-gerelateerde vakinhoud, vakdidactische kennis en visie op ESD — bereikt, en hoe dragen de mediërende processen hieraan bij? Methode Een ESD-cursus voor aanstaande docenten biologie, natuurkunde, scheikunde, aardrijkskunde en technologie is ontwikkeld en kwalitatief onderzocht. In 2022-2023 gaven 65 studenten toestemming voor datagebruik. Data bestond uit twee rondes semigestructureerde interviews (13 deelnemers), logboeken, reflecties en artefacten zoals leerstofanalyses en lesontwerpen. Resultaten Het mediërende proces van onderzoek doen, ondersteund met visuele overzichten, richtvragen en bronnen, droeg sterk bij aan het vertrouwen in het hebben van voldoende kennis. De mediërende processen van oefening, co-design en het testen van lesontwerp met leerlingen droegen sterk bij aan vertrouwen in het hebben van voldoende vakdidactische kennis. Interdisciplinaire samenwerking met een opdrachtgever en de gelegenheid om met leerlingen het lesmateriaal te testen zorgden ervoor dat deze processen succesvol kunnen plaatsvinden. Reflectie, uitgelokt door ontwerpkeuzes, droeg bij aan vertrouwen in het kunnen verwoorden en verdedigen van een visie op ESD. Discussie en conclusie De resultaten suggereren dat onderzoek naar duurzaamheidsvraagstukken, ontwerpen voor een opdrachtgever en praktijkervaring zelfvertrouwen in ESD bij aanstaande bètadocenten versterkt. Individuele bijdrage 3 Actief burgerschapsonderwijs in het basisonderwijs: een toolkit voor leraren Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie In tijden van mondiale crises zoals klimaatverandering, sociale ongelijkheid en migratie, speelt onderwijs een cruciale rol in het voorbereiden van toekomstige generaties. De oproep van Unesco directeur-generaal Audrey Azoulay, onderstreept de urgentie van actiegericht onderwijs dat jongeren in staat stelt maatschappelijke verandering te realiseren (UNESCO, 2024). Dit vereist leraren die beschikken over competenties en lesmateriaal om dergelijk onderwijs te begeleiden. Leraren zijn hier nog onvoldoende op voorbereid (Boeve-de Pauw et al., 2022; Rieckmann, 2019). Sociaal ondernemerschapsonderwijs (Social Entrepreneurship Education; SEE) biedt een benadering voor actiegericht burgerschapsonderwijs (Lindner, 2018; Van der Wal-Maris, 2022). SEE combineert de ontwikkeling van compassie, empathie en zorgzaamheid met het leren ondernemen ten behoeve van duurzame ontwikkeling (Van der Wal-Maris, 2019). Basisschoolleraren ervaren bij de implementatie SEE handelingsverlegenheid (Sinakou et al., 2022; Van Poeck et al., 2025). In dit praktijkgerichte onderzoek (Erasmus+) ontwikkelen Marnix Academie, Hogeschool PXL en Stichting Move de digitale toolkit ‘Sociaal ondernemen in de klas’ om deze handelingsverlegenheid te verkleinen. Vraagstelling van het onderzoek Op welke manier kan met een digitale toolkit ervaren handelingsverlegenheid in SEE verkleind worden? Methode Het project volgt de structuur van een PDCA-cyclus die tweemaal wordt doorlopen: een analyse van de handelingsverlegenheid bij leraren, een pilotfase in verschillende onderwijsmodules met focusgesprekken en klankbordgroepen, en een optimalisatiefase. Resultaten De voorlopige resultaten laten zien dat de ontworpen toolkit (aankomende) leraren ondersteunt bij het implementeren van SEE. Discussie en conclusie De toolkit ondersteunt (aankomende) leraren bij het vormgeven van SEE door hun handelingsbekwaamheid te vergroten. Daarnaast wordt een positieve impact gerapporteerd op de leerlingen, schoolomgeving en bredere sociale context. Tegelijkertijd benadrukken bevindingen uit de eerste pilotfase de noodzaak tot verdere doorontwikkeling van de toolkit om aan te sluiten bij jongere leerlingen en leerlingen in het speciaal (basis)onderwijs. Individuele bijdrage 4 Leren van, met en voor de omgeving: design thinking als didactische hefboom voor transformatief leren Achtergrond Vrijplaats is een ‘living lab’ waarin onderwijs, onderzoek en maatschappelijke partners samen leren omgaan met complexe duurzaamheidsvraagstukken. Zulke vraagstukken kunnen begrepen worden als wicked problems: complex, contextafhankelijk, waardegeladen, zonder eenduidige oplossingen (Rittel&Webber, 1973; Geels, 2002,2011). Ze veroorzaken bij kinderen en jongeren vaak gevoelens van machteloosheid, ondanks hun bereidheid om bij te dragen aan verandering (Walshe&Sund, 2022). Vanuit het theoretisch kader van transformatief leren (Mezirow, 1978) hanteert Vrijplaats een didactische benadering die via design thinking inzet op systeemdenken, pluralisme en actiegerichtheid, met als doel het ontwikkelen van actiecompetentie (Sass et al., 2020). Dit onderzoek is relevant in een onderwijscontext waarin de focus op kennisrijke curricula het risico inhoudt dat leren voor duurzaamheid verschuift naar leren over duurzaamheid. Vraagstelling Hoe kan design thinking worden ingezet voor het ontwerp van actiegerichte didactiek die lerenden ondersteunt om binnen hun eigen leefwereld bij te dragen aan duurzame transitie? Methode Het onderzoek combineert literatuuronderzoek met praktijkgericht ontwerponderzoek. In verschillende projecten (o.a. Klimax, Dokano; Toekomstbrouwers) wordt gewerkt volgens principes van Design Research (McKenney&Reeves, 2018), engaged scholarship (Van de Ven, 2007) en transformatief onderzoek (Wittmayer et al., 2021; Mertens, 2021). Iteratieve cycli van analyse, ontwerp, experiment en reflectie worden doorlopen i.s.m. scholen en maatschappelijke partners. Resultaten De projecten tonen dat design thinking bijdraagt aan een onderzoekende en ontwerpende houding bij lerenden en aan competenties zoals creatief en kritisch denken, samenwerking en burgerschapsvorming. Vrijplaats fungeert daarbij als een transformatieve ruimte waarin leren, onderzoek en co-creatie samenkomen. Discussie en conclusie Design thinking blijkt een krachtige didactische hefboom voor transformatief leren, waarin systeemdenken, pluralisme en actiegerichtheid geïntegreerd worden. De didactische meerwaarde komt het sterkst tot uiting wanneer deze aanpak is ingebed in bewust vormgegeven ‘transformative spaces’, waarin ruimte is voor experiment, dialoog, onzekerheid en falen. Individuele bijdrage 5 Didactiek van de hoop Aanleiding Jongeren groeien op in een context van ingrijpende mondiale vraagstukken zoals klimaatverandering en biodiversiteitsverlies. Onderzoek laat zien dat onderwijs hierover regelmatig leidt tot gevoelens van angst, fatalisme en machteloosheid, in plaats van betrokkenheid. Tegelijkertijd benadrukken studies uit de geografie-educatie, futures education, psychologie en kritische pedagogiek het belang van constructieve hoop: een houding waarin erkenning van problemen wordt gecombineerd met het besef dat verandering mogelijk is via individuele en collectieve handelingsruimte. Het ontbreekt echter aan empirisch onderbouwde voorbeelden van een didactiek van de hoop in het voortgezet onderwijs. Dit onderzoek speelt hierop in door hoop te operationaliseren in lesontwerp. Vraagstelling Wat zijn kenmerken van een passend ontwerp voor het stimuleren van constructieve hoop in toekomstgericht aardrijkskundeonderwijs in het voortgezet onderwijs? Methode Het onderzoek volgde een Educational Design Research (EDR)-benadering. Op basis van een literatuurstudie werden zeven ontwerpprincipes voor een didactiek van de hoop geformuleerd. In samenwerking met > twintig docenten werden zes lesontwerpen ontwikkeld, geïmplementeerd en iteratief bijgesteld in authentieke klascontexten. Data werden verzameld via lesobservaties, leerlingproducten, korte leerlinggesprekken, vragenlijsten en docentinterviews. De ontwerpen werden formatief geëvalueerd op relevantie, consistentie, bruikbaarheid en (potentiële) effectiviteit. Resultaten De EDR-cycli resulteerden in zes uitgewerkte lesontwerpen en zeven samenhangende ontwerpprincipes: (1) laat zien dat verandering mogelijk is; (2) laat zien dat meerdere toekomsten mogelijk zijn; (3) stimuleer verbeeldingskracht; (4) stel de stem van de leerling centraal; (5) stimuleer kritische emotionele bewustwording; (6) versterk collectieve verbondenheid; en (7) pas scaffolding toe. Docenten en leerlingen ervoeren de lessen als betekenisvol, uitdagend en veilig voor het bespreken van hoop, zorgen en handelingsperspectief. Discussie en conclusie De studie laat zien dat een didactiek van de hoop in het voortgezet onderwijs haalbaar en waardevol is. De geformuleerde ontwerpprincipes bieden een empirisch onderbouwd kader voor toekomstgericht onderwijs dat fatalisme doorbreekt zonder te vervallen in naïef optimisme. Postersymposium (90 minuten)252Sara de Bruin, Universiteit Twente, Enschede, Fenny van Daalen-Visscher, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Marieke van Geel, Universiteit Twente, Enschede, Susanne Spiele, Universiteit Twente, Enschede, Marieke van Geel (voorzitter), Helma Oolbekkink-Marchand (discussiant) 3.096wo 14:15 – 15:45 Doelstellingen Een van de oorzaken van het lerarenkort is het vroegtijdig vertrek van startende leraren. De vormgeving van ondersteuning tijdens de inductiefase kan bijdragen aan ontwikkeling en behoud. In dit postersymposium wordt in drie bijdrages aandacht besteed aan relevante inzichten en ontwerpen voor het ondersteunen en behouden van startende leraren. Overzicht In studie 1 is een groep startende leraren (po) gevraagd naar werkkarakteristieken die energie kosten en geven, welbevinden en de intentie het beroep te verlaten. Met een latente profielanalyse zijn vier profielen onderscheiden. Verdiepende interviews zullen verdere betekenis geven aan deze profielen. Beter zicht op deze verschillende profielen kan bijdragen aan gerichter ontwerpen van interventies voor specifieke groepen startende leraren. De tweede bijdrage brengt middels een integratieve literatuurstudie in kaart hoe inductie kan worden aangepast op de behoeften van en verschillen tussen startende leraren (po/vo). Hiertoe zijn bestaande adaptiviteitsmodellen samengevoegd. Dit voorlopige raamwerk wordt met een literatuurstudie aangevuld en toegespitst op adaptiviteit in inductie. In de derde bijdrage worden ontwerp en evaluatie van een ondersteuningsaanpak voor het versterken van het welzijn van startende leraren (vo) met een professioneel leernetwerk beschreven. In dit onderwijskundig ontwerponderzoek wordt een interventie ontwikkeld die aansluit bij lokale context van een onderwijsregio. Betekenis Het adaptiviteitsraamwerk (studie 2) vormt een belangrijke basis voor toekomstig onderzoek en beleid op het gebied van passende inductie. De geïdentificeerde profielen (studie 1) kunnen worden benut als bron voor het aanpassen van inductie, waarbij de interviewresultaten een verdieping van de profielen vormen. Studie 3 biedt ontwerpeisen en -voorstellen om een gedegen, haalbare en passende ondersteuningsaanpak te ontwikkelen. Structuur Na een algemene inleiding zullen de poster-presentatoren ieder hun onderzoek presenteren. Daarna is ruimte voor deelnemers om met een of meerdere presentatoren verder in gesprek te gaan. De discussiant zal plenair de presentaties bespreken waarna ruim tijd is voor discussie met alle deelnemers. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Profielen van werkkarakteristieken van startende basisschoolleerkrachten Introductie Behoud van startende leerkrachten is cruciaal in de aanpak van het lerarentekort in het primair onderwijs. Werkkarakteristieken spelen een belangrijke rol in het veroorzaken of verminderen van vroegtijdig vertrek van leraren (Geiger & Pivovarova, 2018). Het job demands-resources model (Bakker & Demerouti, 2017) is een bekend werk-gerelateerd stressmodel, dat werkkarakteristieken, die energie kosten (job demands) en geven (job resources), hun interacties en persoonlijke aspecten, relateert aan welbevinden en uitval. Groeperen van leerkrachten, op basis van ervaren job demands en resources, gerelateerd aan welbevinden en intentie om te vertrekken, maakt het mogelijk om deze groepen apart te bestuderen (bv. een groep met een hoog risico op uitval) en te vergelijken op een aantal aspecten (bv. beschikbare resources). Vraagstelling Welke profielen van startende basisschoolleerkrachten kunnen we onderscheiden op basis van ervaren job demands, job resources, welbevinden en intentie om het beroep te verlaten? Op welke leerkrachtkenmerken verschillen de profielen van elkaar? Methode Voor een latente profielanalyse (LatentGOLD6.1.) gebruikte we gemiddelde scores uit een vragenlijst voor startende basisschoolleerkrachten (N=248) over werkkarakteristieken die energie kosten (11) en geven (11) (van Daalen-Visscher et al., 2025), welbevinden (Dagenais-Desmarais & Savoie, 2012) en intentie om het beroep te verlaten (Goddard & Goddard, 2006). De best passende profieloplossing op basis van de BIC bestond uit 4 profielen (Figuur 1). Vervolgens beschreven participanten (N=31)) in een interview situaties waarin hun takenpakket onder druk stond. Deze werden deductief en inductief geanalyseerd om te ontrafelen welke werkkarakteristieken en persoonlijke aspecten in deze situaties interacteren en leiden tot mate van welbevinden en intentie om het beroep te verlaten. De resultaten zijn gebruikt om de verschillende profielen te beschrijven. Resultaten Profielen uit de latente profielanalyse zijn weergegeven in Figuur 1. Tijdens de ORD zullen verdiepende inzichten uit de interviews worden gepresenteerd. Individuele bijdrage 2 Adaptiviteit in Ondersteuning voor Startende Leraren: een Integratieve Literatuurstudie Introductie Het ondersteunen van startende leraren is cruciaal voor het bevorderen van hun welbevinden en de ontwikkeling van hun leskwaliteit (Helms-Lorenz et al., 2013; Kelley, 2004; Wood & Stanulis, 2009). Een gebrek aan ondersteuning is volgens starters een doorslaggevende vertrekreden (van Casteren et al., 2023). Het is daarom essentieel om inductie aan te bieden, waarbij wordt aangegeven dat het van belang is dat inductie aansluit bij de specifieke behoeftes van de starters (Wood & Stanulis, 2009; Ruitenburg & Tigchelaar, 2021). Meer passende inductie hangt namelijk samen met een lagere intentie het werkveld of de werkplek te verlaten (de Bruin et al., 2025). Hoewel het belang van passende inductie wordt onderstreept, is niet helder wat hieronder kan worden verstaan. In deze integratieve literatuurstudie wordt daarom een raamwerk ontwikkeld en ingevuld om antwoord te geven op de onderzoeksvraag; Op welke manieren kan inductie voor startende leraren adaptief vormgegeven worden? Het Ada-LIT framework (Bach et al., 2024) en de adaptiviteitsmodellen van Van Merriënboer & Kirschner (2017) en Vandewaetere et al. (2011) zijn gecombineerd tot een voorlopig raamwerk, waarin adaptiviteit wordt gecategoriseerd aan de hand van de componenten: source, target, en control. Methode In Figuur2 is het PRISMA-schema weergegeven (obv Page etal., 2021). Het voorlopige raamwerk wordt gebruikt in de full-text screening en vormt de basis voor het definitieve raamwerk. Voorlopige resultaten In geïncludeerde studies zijn aspecten uit het voorlopige raamwerk herkenbaar. Zoals studies waar de control over adaptiviteit bij de starter ligt, de mentor, of schoolleider. Voorlopige aanvullingen op het raamwerk zijn de toevoeging van clustering en grain size van adaptiviteit. Discussie Het raamwerk zal verder worden ingevuld en aangescherpt om een volledig overzicht te creëren van manieren waarop adaptiviteit in inductie kan worden gerealiseerd. We verwachten dit raamwerk tijdens de ORD te presenteren. Individuele bijdrage 3 Ontwerp en evaluatie van een ondersteuningsaanpak voor startende leraren samen met een professioneel leernetwerk Aanleiding Het welzijn van startende leraren in het voortgezet onderwijs staat onder druk (Admiraal et al., 2023). Vertrouwen in eigen kunnen, onderwijsvaardigheden, behoud en leerlingresultaten kunnen worden gestimuleerd door ondersteuning tijdens de inductieperiode (Helms-Lorenz et al., 2016; Keese et al., 2023), maar dienen om effectief te zijn aan te sluiten bij de leraar, diens ervaringen en context (Ruitenburg & Tigchelaar, 2021). In onderwijsregio VOTA ontwerpen opleidingsscholen (VO) in een professioneel leernetwerk daarom samen een ondersteuningsaanpak met en voor een diverse groep startende leraren en hun (bege)leiders op basis van een regioanalyse uit 2024-2025 (Spiele et al., 2025). Vraagstelling Wat is een haalbare en gedegen ondersteuningsaanpak voor startende leraren, gericht op het versterken van hun vertrouwen in eigen kunnen en vaardigheden als leraar, een hanteerbaar stressniveau en een gezonde werkbalans? Methode Met onderwijskundig ontwerponderzoek (McKenney & Reeves, 2019) werken we met startende leraren en andere betrokkenen toe naar een samenhangende interventie, aansluitend bij de regioanalyse. Ontwerpen gebeurt stapsgewijs en iteratief, waarbij ideeën systematisch worden gewogen, uitgewerkt in een skeletontwerp en op basis van ontwerpeisen en -voorstellen worden ontwikkeld tot een prototype. Het ontwerp wordt geëvalueerd en aangescherpt via een expertevaluatie en kleine pilots in (gedeeltelijk) authentieke situaties. Resultaten Deze ontwerp- en evaluatieaanpak resulteert in ontwerpeisen en -voorstellen en een interventieprototype met sociale, onderwijsinhoudelijke, beleidsmatige en zelfregulerende componenten. De interventie is gericht op een diverse groep startende leraren en hun directe (bege)leiders, en kan gestalte krijgen in verschillende schoolcontexten. Discussie en conclusie De bevindingen bieden betrokkenen in opleidingsscholen en onderwijsregio’s inzichten over adaptieve componenten om hun regionale ondersteuningsaanpak voor startende leraren te verrijken. Ze vullen de literatuur aan met eigenschappen waaraan ondersteuning van startende leraren dient te voldoen en hoe deze kan aansluiten bij leraren met verschillende kenmerken. Postersymposium (90 minuten)717Hannah Bijlsma, Radboud Universiteit, Nijmegen, Peter Iserbyt, KU Leuven, Leuven, Simone Polderdijk, Universiteit Utrecht, Utrecht, Dries D’Haese (voorzitter), Tim Mainhard (discussiant) 3.100wo 14:15 – 15:45 Een veilig en geordend leerklimaat is een voorwaarde voor leren. Interpersoonlijk leraargedrag en klasmanagement spelen daarin een sleutelrol, zeker in onderwijscontexten waarin leerlingen opgroeien met complexe achtergrondfactoren (= hoge schoolweging). Toch bestaat er nog weinig kennis over hoe interpersoonlijk leraargedrag door leerlingen wordt ervaren, hoe (aanstaande) leraren omgaan met ongewenst gedrag in concrete lessituaties en hoe de vaardigheden van leraren om hun klas te managen op een valide manier in kaart kunnen worden gebracht. Dit symposium verbindt deze perspectieven. In leerkracht-leerlinginteracties staat de wisselwerking tussen nabijheid en regie centraal. Leerlingen lijken, juist in scholen met een hoge schoolweging, veel waarde te hechten aan warmte en betrokkenheid, maar benadrukken tegelijkertijd het belang van duidelijkheid en sturing. Deze percepties blijken bovendien situationeel gekleurd en verschillen tussen dagelijkse interacties en het meer algemene beeld van de leerkracht-leerlingrelatie. Tegelijkertijd laat onderzoek naar leraren in opleiding zien dat het professioneel omgaan met ongewenst gedrag geen vanzelfsprekende vaardigheid is. Hoewel beginnende leraren vaak wel kunnen verwoorden hoe zij idealiter zouden reageren, blijkt het toepassen van effectieve strategieën in de praktijk complex. Gerichte training, gebaseerd op evidence-based principes, kan bijdragen aan het versterken van deze vaardigheden en het verkleinen van de kloof tussen intentie en handelen. Om deze percepties en gedragingen te kunnen begrijpen en verbeteren moeten we ze nauwkeurig in kaart kunnen brengen. Een integratie van inzichten uit leraar- en schooleffectiviteitsonderzoek, gedragsanalyse, ecologische systeemtheorie en cognitieve belastingstheorie biedt hiervoor een sterk inhoudelijk kader. Ze vormen de basis voor de ontwikkeling van een observatie-instrument voor klasmanagementvaardigheden in de Vlaams-Nederlandse context. Deze bijdragen laten zien dat effectief klasmanagement ontstaat in de samenhang tussen wat leerlingen ervaren, wat leraren doen en hoe dit alles in kaart kan worden gebracht. Het symposium biedt daarmee aanknopingspunten voor onderzoek, lerarenopleiding en onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Leerlingpercepties van leraargedrag op basisscholen met een hoge schoolweging Leerkracht-leerling relaties hebben grote invloed op de betrokkenheid en leerprestaties van leerlingen en zijn des te meer van belang voor leerlingen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden (Roorda et al., 2011, 2017). In het basisonderwijs wordt dit aangeduid met de ‘schoolweging’: een hogere schoolweging duidt op meer complexe achtergrondfactoren (Onderwijsinspectie, n.d.). Onderzoek toont echter ook aan dat deze leerlingen juist meer risico lopen op het ontwikkelen van negatieve relaties met leerkrachten (McGrath & Van Bergen, 2015). Het interpersoonlijke perspectief (IPP) brengt leerkracht-leerling relaties in kaart door te kijken naar de mate van invloed (regie) en nabijheid (vriendelijkheid) (Figuur 1; Wubbels et al., 2024). Er is al veel onderzoek gedaan naar het leerlingperspectief met de Vragenlijst Interpersoonlijk Leraargedrag (VIL), maar voornamelijk in het voortgezet onderwijs (Den Brok et al., 2009; Wubbels et al., 2006, 2015, 2026). De VIL voor het primair onderwijs moet voorzichtiger geïnterpreteerd worden, omdat deze leerlingen moeilijk onderscheid lijken te maken op de invloed dimensie (Hendrickx et al., 2016). De twee onderzoeksvragen zijn: Welk leerkrachtgedrag (in termen van invloed en nabijheid) voorspellen leerlingen op basisscholen met een hoge schoolweging in verschillende situatieschetsen? Welke betekenis geven zij aan dit voorspelde gedrag? En op welke manier verwoorden deze leerlingen verschillen tussen de interpersoonlijke tijdsschalen a) dagelijkse interacties en b) de algemene leerkracht-leerling relatie? Vier basisscholen met een schoolweging van 37 of hoger hebben deelgenomen. 17 focusgroepen hebben plaatsgevonden (n=58). Gebaseerd op onderzoek van Sivan & Chan (2022) gebruikten leerlingen kaartjes bij het beantwoorden van vragen (Figuur 2). De zes kaartjes representeren elk een plek op de interpersoonlijke cirkel en variëren dus in de mate van invloed en nabijheid (Wubbels et al., 2024). Het analyse-proces is nog niet afgerond. Tijdens dit ORD-symposium bespreken we de eerste onderzoeksresultaten, en theoretische en praktische implicaties. Individuele bijdrage 2 Het effect van een workshop op het reageren op ongewenst gedrag bij leraren in opleiding Volgens recente TALIS-studies schatten Vlaamse leraren hun effectiviteit inzake klasmanagement hoog in, maar geven ze aan dat storend gedrag beheersen moeilijker wordt en meer tijd vraagt (Van Droogenbroeck et al., 2025). Ongeveer een derde van de leraren in het lager (31%) en secundair onderwijs (28%) verliest veel tijd doordat leerlingen de les onderbreken. Clunies-Ross et al. (2008) rapporteerden dat door de les heen praten het meeste voorkomt. Beginnende leraren worden onvoldoende opgeleid in evidence-based strategieën om met uitdagend gedrag om te gaan (Cooper et al., 2017; Woodcock & Reupert, 2023). Deze studie onderzoekt daarom hoe pre-service leraren (PSL) hierin kunnen opgeleid worden. De onderzoeksvragen zijn: Wat is de relatie tussen wat PSL’s rapporteren en wat ze doen bij storend leerlinggedrag? Wat is het effect van een workshop op de respons van PSL’s op storend gedrag? Voor deze studie werden 16 studenten van één lerarenopleiding gerekruteerd. Het betrof een quasi-experimentele pre-post studie met als interventie een workshop ‘Omgaan met storend gedrag’. De studie verliep in vijf stappen: (1) PSL’s beschreven hun reactie op twee cases van storend gedrag, (2) tijdens peer-teaching vertoonden getrainde studenten dit gedrag en werd de respons van de PSL gecodeerd, (3) vijf weken later volgden de PSL’s een workshop gebaseerd op het behavioral skills training model (Cooper et al., 2020), (4) PSL’s rapporteerden opnieuw hun respons over dezelfde cases, en (5) werden opnieuw met hetzelfde ongewenste gedrag geconfronteerd tijdens peer-teaching. Alle peer-teaching sessies werden gefilmd en audio-opgenomen. Getrainde observatoren codeerden de schriftelijke en audiovisuele data volgens het protocol van Delbart et al. (2023) in drie categorieën: indirecte correctie (proximiteit), directe correctie (“Stop met praten”), of punitieve strategieën (time-out). Data zijn nog niet volledig verwerkt, maar zullen tijdens het ORD-symposium gepresenteerd kunnen worden. Individuele bijdrage 3 Review naar lesobservatie-instrumenten voor klasmanagement in de Vlaams-Nederlandse context Leraren dragen in belangrijke mate bij aan het leren van leerlingen (Hattie, 2009; Nye et al., 2004). Tegelijkertijd bestaan er verschillen tussen leraren in de manier waarop zij hun klas organiseren, gedrag sturen en een ordelijk en veilig leerklimaat creëren (Onderwijsinspectie, 2023). Deze verschillen in klasmanagement kunnen de leerkansen van leerlingen beïnvloeden. Gerichte verbetering van klasmanagement vraagt om een zorgvuldige meting. Lesobservaties bieden een rijk en genuanceerd beeld van het leraarhandelen in de dagelijkse onderwijspraktijk. Voor de Vlaams-Nederlandse context ontbreekt echter een gevalideerd observatie-instrument dat specifiek is gericht op effectief klasmanagement. Het theoretisch kader van dit onderzoek verbindt inzichten uit verschillende wetenschapsvelden. Binnen onderzoek naar leraar- en schooleffectiviteit wordt klasmanagement gezien als een kerncomponent van effectieve lessen en schoolbrede aanpakken (Muijs & Reynolds, 2017). Toegepaste gedragsanalyse helpt ons sociaal wenselijk gedrag te begrijpen en te verbeteren (Cooper, 2020). De ecologische systeemtheorie van Bronfenbrenner (1979) beschrijft hoe de menselijke ontwikkeling wordt beïnvloed door verschillende lagen van relaties en interacties (systemen) die op elkaar inwerken. Tot slot vormt het cognitivisme, en meer specifiek de cognitieve belastingstheorie (Sweller et al., 1998), een belangrijk theoretisch fundament voor het begrijpen van de relatie tussen gedrag en leren. Samen vormen deze perspectieven een basis voor het in kaart brengen van effectief klasmanagement. Centraal staan twee onderzoeksvragen: Welke observeerbare indicatoren van effectief klasmanagement kunnen uit deze wetenschapsvelden worden onderscheiden? Welke observatie-instrumenten voor het meten van effectief klasmanagement binnen deze wetenschapsvelden zijn bekend? Resultaten op onderzoeksvraag 1 laten een breed en gedragen beeld van klasmanagement zien (Figuur 3). Momenteel worden de data van onderzoeksvraag 2 geanalyseerd. Tijdens de ORD kunnen bevindingen worden gepresenteerd. Antwoorden op onze onderzoeksvragen geven inzicht in de manier waarop de observeerbare indicatoren geïntegreerd kunnen worden in een betrouwbaar en valide observatie-instrument voor de Vlaams-Nederlandse context. Papersymposium (90 minuten)474Tine Aers, University College Leuven Limburg, Leuven, Justien Dewulf, Universiteit Gent, Sofie Rottiers, Odisee Hogeschool, Brussel, Melissa Tuytens, Universiteit Gent, Hadewig Timmerman, University College Leuven Limburg, Leuven, Els Tanghe, Universiteit Antwerpen (voorzitter), Virginie März, UC Louvain (discussiant) 5.052wo 14:15 – 15:45 Het Vlaamse onderwijs bevindt zich in een transitieperiode. Het lerarentekort is niet alleen een personeelsprobleem, maar raakt ook aan bredere maatschappelijke uitdagingen zoals arbeidsmarkttekorten, sociale cohesie en de nood aan levenslang leren. Zij-instromende leerkrachten – professionals die bewust kiezen voor een carrièreswitch naar het onderwijs, ook wel second-career teachers genoemd – worden vaak gezien als een deel van de oplossing. Hun instroom biedt kansen om het onderwijsveld te versterken. Tegelijkertijd zijn daarbij vragen te stellen, zoals: ‘Hoe zorgen we voor een kwaliteitsvolle en duurzame transitie naar het leraarschap?’ en ‘Hoe benutten we hun eerdere professionele ervaring en motivatie in een systeem dat onder druk staat?’. Op deze vragen gaan we tijdens dit symposium dieper in. Individuele bijdrage 1 EDUStart: verbinden, versterken, verduurzamen van partnerschappen tussen lerarenopleiding en scholen Net zoals in Nederland ervaart het Vlaamse onderwijssysteem druk door het grote aantal zij-instromers zonder lerarendiploma die door het leerkrachtentekort onmiddellijk ingezet worden op de klasvloer. Tegelijkertijd hebben de lerarenopleidingen niet het mandaat om vóór formele inschrijvingen studenten te begeleiden. Dit vormt een kloof tussen werkveld en lerarenopleidingen waarvoor een antwoord moet gezocht worden. Odisee Hogeschool probeert hier een antwoord op te bieden via passende aanvangsbegeleiding voor zij-instromers. We willen hiermee hun competenties en professionele groei versterken en hen toeleiden naar een lerarenopleiding op maat. Dit ontwerponderzoek houdt rekening met de kloof tussen de lerarenopleidingen en het werkveld en ziet het als een uitdaging om de transitie van zij-instromers naar het onderwijs duurzaam en kwaliteitsvol te ondersteunen (Bakker et al., 2016). ‘Hoe kan in co-creatie met scholen met hun aanvangsbegeleiders en directie, lerarenopleiders en startende leerkrachten een passende en duurzame vorm van aanvangsbegeleiding worden ontwikkeld die de instroom, doorstroom, professionele groei en retentie van zijinstromers versterkt?’ Literatuur-, veldonderzoek en resonantiegroepen resulteerden in de uitrol van EDUStart, een begeleidingsprogramma dat zij-instromers in het onderwijs ondersteunt vóór ze starten met een lerarenopleiding en idealiter nog voor ze starten in het werkveld. EDUStart wordt dit academiejaar voor het eerst uitgetest in de praktijk. Naast literatuur- en veldonderzoek wordt data verzameld bij deelnemers aan EDUStart om hun verdere traject te volgen (retentie, uitstroom onderwijsveld, instroom in opleiding). Deze gegevens worden geanalyseerd om de effectiviteit van het programma en de ondersteuningsbehoeften beter te begrijpen. De verwachtte opbrengst van EDUStart ligt in het creëren van een verhoogde afstemming tussen de lerarenleiding en de werkplek. Daarnaast richt het tweede onderzoeksluik zich tot de actoren die bijstaan in het begeleiden van zij-instromers om een meer gedragen begeleidingstraject op poten te zetten. Individuele bijdrage 2 Waarderend starten in het onderwijs: herdenken van aanvangsbegeleiding voor zij-instromers in het secundair onderwijs Het profiel van een startende leraar wordt steeds diverser in leeftijd, opleiding en moment van instroom (first- of second-career teachers). Binnen de verkorte educatieve opleidingen tot leraar secundair onderwijs (UCLL Heverlee, België) zien we een groeiende instroom van second-career teachers: professionals met werkervaring die bewust kiezen voor een carrièreswitch naar het onderwijs. Hun enthousiasme is groot, maar ze botsen vaak op een systeem dat niet helemaal klaar lijkt voor de eigenheid van hun profiel, aanvangsnoden en begeleidingswensen. In het impulsonderzoek ‘Aanvangsbegeleiding: een waarderende benadering van second-career teachers’ (Aers & Timmerman, 2025a,b,c) werden vanuit kwalitatieve dataverzameling belevingen verzameld. 54 Second-career teachers deelden belevingen bij de overstap naar het onderwijs via 95 audiofragmenten. Parallel werden 11 focusgesprekken gevoerd met aanvangsbegeleiders en directies. De analyse richtte zich op hoe de aanvangsbegeleiding momenteel wordt ingericht voor zij-instromers, hoe de overstap wordt ervaren in de nieuwe werkcontext met het oog op het verzachten van de transitie naar de onderwijscontext. Onze resultaten tonen dat zij-instromers waardevolle ervaring en competenties meebrengen. Toch worden zij in de aanvangsbegeleiding onvoldoende erkend als specifiek profiel. Vaak worden ze benaderd vanuit een tekortkomingsperspectief (Kelchtermans, 2019; März, 2023; Moinet et al., 2025), in plaats van hun unieke bijdrage te waarderen. De nood aan duurzaam herdenken van aanvangsbegeleiding en on-boarden van de diverse lerareninstroom dringt zich op. Een transitie naar het onderwijs vertrekt vanuit een waarderende benadering die een wederzijds leerproces tussen starter en school stimuleert. Daarbij staan dialoog, afstemming en (h)erkenning centraal, met aandacht voor de overgang naar een nieuwe werkcultuur, nieuwe beroepsidentiteit en de bijbehorende onzekerheden. De output van dit praktijkgerichte onderzoek is een gespreks- en reflectie-instrument, de SamenWIJzer, dat uitgaat van een gelijkwaardige dialoog tussen de zij-instromer en het schoolteam over identiteitstransitie, schoolcultuur, verwachtingen en talenten. Individuele bijdrage 3 Motivatie, aanvangsbegeleiding en retentie van zij-instromers in het secundair onderwijs Het lerarentekort vormt een uitdaging voor het onderwijs, waardoor er een groeiende nood is aan duurzame instroom én retentie van leerkrachten. Zij-instromers, professionals die de overstap maken vanuit een ander werkveld, worden vaak als een waardevolle oplossing gezien (Troesch & Bauer, 2017), maar hun traject en ondersteuningsbehoeften blijven onderbelicht (van Breugel, 2021). Deze studie onderzoekt hun motivatie, aanvangsbegeleiding en retentie in secundair onderwijs, met als doel inzicht te bieden in hoe zij-instromers kunnen worden ondersteund én behouden. Deze kwalitatieve studie belicht twaalf zij-instromers in het secundair onderwijs. Acht respondenten namen deel aan twee semi-gestructureerde interviews en vier respondenten namen eenmaal deel omwille van vroegtijdige uitstap of pensionering. De interviews werden geanalyseerd via thematische codering (Miles en Huberman, 1994). Bij de thematische analyse werden vier centrale thema’s belicht: motivatie, aanvangsbegeleiding, retentie en evolutie. De keuze voor het onderwijs bleek een combinatie van intrinsieke en extrinsieke factoren, waarbij maatschappelijke betrokkenheid meest doorslaggevend was. Slechts vier zij-instromers beoordeelden de aanvangsbegeleiding als volledig positief, terwijl de meerderheid deze als onvoldoende ervoer, maar wel steun vond bij collega’s. Retentie werd vooral beïnvloed door passie voor het vak, verbondenheid met leerlingen en een sterk schoolteam. Uitstroom werd vooral gelinkt aan gebrekkige begeleiding, loonproblematiek en een systeemmismatch. De tweede interviewronde toonde bij blijvers een toegenomen zelfvertrouwen en sterkere collegiale relaties ondanks aanhoudende werkdruk en nieuwe schoolinterne uitdagingen. De resultaten sluiten deels aan bij bestaande literatuur (o.a. Thomas et al., 2019). Deze studie onderstreept dat het succes van zij-instromers afhangt van een context die autonomie, verbondenheid en competentie ondersteunt. De nood aan gedifferentieerde aanvangsbegeleiding, een realistische opstart en structurele waardering is groot (Coppe et al., 2021). Dit onderzoek biedt waardevolle inzichten voor beleid en praktijk, maar verdere studie naar het duurzame potentieel van zij-instromers blijft aangewezen. Papersymposium (90 minuten)689Henk Byls, Thomas More Hogeschool, Antwerpen, Jasper Nijlunsing, Thomas More Hogeschool, Antwerpen, Wouter Smets, Erasmus Universiteit, Rottterdam, Claudio Vanhees (voorzitter), Daniel Muijs (discussiant) 7.002wo 14:15 – 15:45 In een tijd waarin het onderwijs zich in een brede maatschappelijke en beleidsmatige transitie bevindt, staat het curriculum wereldwijd opnieuw ter discussie. Na decennia waarin competentiegericht, flexibel en leerlinggericht onderwijs dominant waren, is in veel landen een duidelijke verschuiving zichtbaar naar hernieuwde aandacht voor kennis als ruggengraat van het curriculum, inhoudelijke samenhang en cumulatieve leeropbouw. Deze curriculumtransities worden gevoed door zorgen over dalende leerprestaties, toenemende ongelijkheid in een steeds diversere samenleving en vragen over de rol van het curriculum binnen de bredere doelen van onderwijs. Dit symposium situeert zich expliciet binnen deze transitie en bespreekt hoe een kennisrijk curriculum wordt geconceptualiseerd, gelegitimeerd en kan worden gerealiseerd op een manier die bijdraagt aan eerlijke onderwijskansen en versterkte leeruitkomsten. De eerste bijdrage ‘Wat is kennisarmoede: een conceptualisering’ biedt een conceptuele en normatieve verheldering van kennisarmoede als relationeel en sociaal-cultureel fenomeen, en bevraagt kritisch welke kennis als waardevol geldt en voor wie. De tweede bijdrage ‘De terugkeer van kennis in het curriculum: casestudies uit Vlaanderen en Nieuw-Zeeland’ plaatst deze discussie in beleidsmatig perspectief via een vergelijkende analyse van curriculumhervormingen in Vlaanderen en Nieuw-Zeeland, en onderzoekt hoe kennisrijke curricula worden gelegitimeerd en geïmplementeerd in uiteenlopende contexten. De derde bijdrage ‘Het geplande curriculum: vertaald in leermiddelen en gerealiseerd in de klas’ verschuift de focus naar de praktijk en analyseert hoe het geplande curriculum wordt vertaald in leermiddelen en gerealiseerd in de klas, met aandacht voor de rol van leraren als curriculumactoren. De doelstelling van het symposium is drieledig: (1) conceptuele verdieping van het debat over kennisrijk onderwijs, (2) inzicht bieden in actuele curriculumhervormingen en hun spanningsvelden, en (3) bruggen slaan tussen beleid, leermiddelenmakers en klaspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit symposium toont hoe het curriculum een sleutelrol speelt in een tijd van maatschappelijke transitie. Polarisatie, digitalisering en toenemende sociale ongelijkheid in een steeds diversere samenleving vragen om onderwijs dat toegang tot krachtige kennis biedt voor alle leerlingen. De drie bijdragen en de daaropvolgende discussie bespreken diepgaand hoe en waarom een kennisrijk curriculum ertoe kan bijdragen om leerlingen niet enkel optimaal toe te rusten voor een complexe toekomst, maar ook eerlijke onderwijskansen te faciliteren. Individuele bijdrage 1 In actuele onderwijs- en maatschappelijke debatten duikt steeds vaker het begrip ‘kennisarmoede’ op, zij het zonder duidelijke conceptuele afbakening of theoretische onderbouwing. Deze bijdrage beoogt een conceptuele verheldering van kennisarmoede en plaatst het begrip kritisch binnen pedagogische en sociaal-culturele kaders. Vertrekkend vanuit de stelling dat kennis niet louter een instrumentele hulpbron is, maar een vorm van rijkdom die toegang verschaft tot betekenisvolle culturele ervaringen en maatschappelijke participatie (Brown, 2006), wordt kennisarmoede opgevat als een tekort aan culturele en brede kennis die mensen in staat stelt de wereld te begrijpen en zich ertoe te verhouden (Lucassen & Lusse, 2024). Met behulp van een narratieve casus uit kunst- en cultuurbeleving wordt geïllustreerd hoe culturele codes functioneren als bemiddelaar van verbondenheid, maar tegelijk als mechanismen van uitsluiting voor wie ze niet beheerst (Eribon, 2018). Kennisarmoede heeft daarbij zowel een individueel als een maatschappelijk karakter. Deze analyse maakt zichtbaar dat kennisarmoede niet noodzakelijk samenvalt met economische armoede, maar deze wel kan versterken. In het onderwijs manifesteert kennisarmoede zich onder meer in curricula rijk aan informatie, maar arm aan samenhang en cumulatieve kennisopbouw. De spanning tussen het persoonlijke en maatschappelijke karakter van kennisarmoede toont hoe kwetsbaar een discours over kennisarmoede is voor uitsluitingsmechanismen en deficitdenken (Shernaz & Guerra, 2004). Tegelijk stelt de bijdrage kritische vragen bij het normatieve karakter van kennis: welke kennis wordt als waardevol beschouwd, wie bepaalt dat, en in hoeverre reproduceert een pleidooi voor kennisrijk onderwijs bestaande sociale en culturele ongelijkheden? Door kennisarmoede te positioneren als zowel een pedagogisch als sociaal-cultureel vraagstuk, wordt het begrip bevraagd op zijn emancipatorisch potentieel én zijn risico op elitarisme. De bijdrage sluit af met een conceptualisering van kennisarmoede als een relationeel en dynamisch concept, dat niet alleen vraagt om curriculumhervorming, maar ook om pedagogische reflectie op vorming, culturele geletterdheid en Bildung in superdiverse samenlevingen. Individuele bijdrage 2 De afgelopen decennia hebben er wereldwijd verschillende transities van kennisgericht naar competentiegericht onderwijs plaatsgevonden, met nadruk op generieke vaardigheden en leerlinggerichte pedagogiek (Priestley et al., 2025). Deze ontwikkeling wordt onder meer bekritiseerd vanwege het verlies aan inhoudelijke coherentie en de verminderde rol van kennis als cruciaal ankerpunt in het curriculum (Wheelahan, 2010; Young, 2007). Recente inzichten uit de cognitieve psychologie, sociologie en empirisch curriculumonderzoek hebben echter geleid tot een herwaardering voor kennis in de vorm van kennisrijke curricula. Kennisrijke curricula zijn inhoudsrijk, coherent en helder en beschouwen een sterke gedeelde kennisbasis als cruciaal voor complexe denkvaardigheden, het versterken van leeruitkomsten en het faciliteren van eerlijke onderwijskansen (Surma et al., 2025; Vanhees et al., 2025). Deze bijdrage onderzoekt hoe recente curriculumhervormingen in de richting van kennisrijke curricula zich manifesteren in verschillende internationale contexten en welke factoren hun implementatie beïnvloeden (Nijlunsing et al., 2025a). Op basis van een vergelijkende casestudy van Nieuw-Zeeland en Vlaanderen worden beleidsdocumenten, historische context en recente hervormingsinitiatieven geanalyseerd. In Nieuw-Zeeland initieerde de regering in 2023 een kennisrijke curriculumhervorming om de curve met dalende leerprestaties om te buigen. Het ontwerp is gebaseerd op epistemische principes en cognitief-psychologische inzichten, met nadruk op coherentie en progressie. Vlaanderen kent een vergelijkbare beweging, gedreven door opeenvolgende zorgwekkende dalingen in resultaten op internationale peilingstoetsen zoals PIRLS, TIMSS en PISA. De curriculaire hervorming richt zich op het formuleren van nieuwe minimumdoelen voor kleuter- en lager onderwijs, met heldere, meetbare kennis- en vaardigheidsdoelen en een vakgerichte aanpak. Beide cases illustreren dat curriculumhervormingen richting kennisrijk onderwijs complex en sterk contextafhankelijk zijn. Ideologische tegenstellingen, specifieke systeemkenmerken en contextuele factoren beïnvloeden de implementatie tot op de klasvloer op verschillende manieren. Deze vergelijkende studie van kennisrijke curriculumhervormingen biedt dan ook waardevolle inzichten over curriculumontwikkeling en -implementatie vanuit een internationaal perspectief. Individuele bijdrage 3 Overheden geven het onderwijs vorm door te bepalen hoe het curriculum, een plan van leren dat over de tijd wordt gespreid, eruitziet (Thijs & Van den Akker, 2009). De standaarden en doelen die op dit macroniveau worden vastgelegd, worden in de literatuur aangeduid als het geplande curriculum (Priestley et al., 2021). In recente jaren plaatsen verschillende landen hierin expliciet kennis opnieuw centraal (Nijlunsing et al., 2025b). De inhoudsrijkheid en kennisgerichtheid van een curriculum laten zich echter niet uitsluitend aflezen op dit macroniveau. Om inzicht te krijgen in de realisatie van het curriculum moeten ook andere niveaus in beschouwing worden genomen. Daarbij onderscheiden we het mesoniveau (o.a. leermiddelen), het microniveau (scholen en de lesplannen van leraren) en het nanoniveau (de feitelijke uitvoering in de klas). In deze bijdrage richten we ons op de vormgeving van het curriculum op meso- en nanoniveau. Het mesoniveau blijkt in de praktijk immers van cruciaal belang voor de vertaling en hercontextualisering van curriculumdoelen. Deze vertaalslag gebeurt veelal via leermiddelen waaronder handboeken en lesmethodes die vervolgens richtinggevend zijn voor het onderwijs in de klas. Aan de hand van een casestudie (één leermiddel, zes lesobservaties en zes diepte-interviews) analyseren we een leermiddel geschiedenis dat wordt gebruikt in de Vlaamse context van de eerste graad van het secundair onderwijs (leerlingen van 12–13 jaar). We onderzoeken de insteek, de selectie van kennis en de epistemologische opbouw van de methode (Bernstein, 1999). Daarnaast analyseren we via lesobservaties hoe leraren dit leermiddel inzetten in de klas. Wanneer volgen zij het materiaal nauwgezet? Wanneer nemen zij er afstand van? Waar en waarom vullen zij het aan? Hoe verantwoorden zij deze keuzes, en welke rol speelt hun kennis van het geplande curriculum daarbij? Door deze gelaagde analyse biedt dit onderzoek diepgaande inzichten in hoe curriculumdoelen worden geïnterpreteerd, bemiddeld en gerealiseerd in het klaslokaal. Paperpresentatie (30 minuten)630Erik Fleur, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag, Susanne Lepoeter, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag 0.043wo 16:15 – 17:15 In de wet staat dat praktijkonderwijs direct opleidt voor de (regionale) arbeidsmarkt (WVO, 2020). Van de leerlingen wordt verwacht dat ze het vmbo niet aankunnen en doorleren lijkt daardoor niet aan de orde. Uit eerder onderzoek was echter al bekend dat een deel van de praktijkonderwijsleerlingen instroomt in een mbo-opleiding (Kennis et al, 2018; Ministerie van OCW, 2017). Het grootste deel haalt hier diploma’s op het instroomniveau en door stapelen worden regelmatig zelfs diploma’s op niveau 3 en 4 gehaald (Lepoeter en Fleur, 2024). Deze onderzoeken zeggen alleen iets over de onderwijsloopbaan. De opleidingen worden echter gevolgd met het oog op het krijgen van een (aantrekkelijke) baan. In dit onderzoek gaan we in op de arbeidsmarktkansen van (voormalig) praktijkonderwijsleerlingen. Praktijkonderwijsleerlingen die doorgaan naar het mbo stromen in op de niveaus 1 en 2. Volgens de Inspectie van het Onderwijs hebben jongeren na het afronden van niveau 1 relatief weinig kans om werk te vinden (Inspectie van het Onderwijs, 2020). In hoeverre dit specifiek voor voormalig praktijkonderwijsleerlingen geldt, is niet bekend. De vragen die we in dit onderzoek beantwoorden zijn: (a) In welke mate vinden praktijkonderwijsleerlingen binnen 12 maanden nadat ze het onderwijs hebben verlaten een baan? (b) In welke mate draagt het halen van een mbo-diploma bij aan het vinden van een baan? (c) Hoe verhoudt dit zich tot vmbo-basisleerlingen? Ons onderzoek geeft meer inzicht in een relatief onbekende groep leerlingen en laat zien dat de potentie van deze leerlingen mogelijk groter is dan gedacht. Het kan zorgen voor meer kennis over het praktijkonderwijs en aanleiding zijn voor meer onderzoek. In deze sessie hopen we ervaringen van de aanwezige onderzoekers te horen en te brainstormen over de mogelijkheden van aanvullend (kwalitatief) onderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)691Joris Beek, Erasmus Universiteit, Rottterdam 0.043wo 16:15 – 17:15 Wat vinden jongeren interessant in de wereld, en binnen school in het bijzonder? Onderwijsprogramma’s zijn ingedeeld in vakken, opleidingen in academische en sectorale afdelingen. Voor jongeren kan dit er echter heel anders uitzien (Vermeire, 2023). In welke mate verschillen jongeren ten opzichte van elkaar in wat ze interessant vinden? En, hoe passen de verschillende interesses die jongeren hebben bij elkaar en in hun leven? Het doel van deze studie was om met topic modeling-tools inzicht te krijgen in de interesses die schoolgaande jongeren (14-20 jaar) hebben. We bestudeerde alle interesses (2.626 unieke labels) en het bezigen (29.658 unieke momenten) van 336 jongeren uit alle middelbaar onderwijsroutes, verzameld d.m.v. Experience Sampling Methods. Met BERTopic-pijplijn (Grootendorst, 2022) zijn de interessebeschrijvingen van jongeren (interesse-label, wat jongeren deden en waarom dit wel/niet interessant was) gereduceerd ter interpretatie. Dit leverde 197 interessegebieden op. De interessegebieden laten zien dat jongeren specifieke gebieden (semantisch) koppelen. Bv. Figuur 1 laat zien dat ‘fietsen’ en ‘muziek luisteren’ voor jongeren verbonden is, vergelijkbaar met ‘muziek luisteren’ en ‘wakker worden’ Figuur 1. Een illustratie van semantisch gerelateerde interessegebieden Verder laat de clustering zien dat (a) curriculum gerelateerde interesses (bv schoolvakken) (semantisch) anders beleefd worden dan vrijer gelabelde interesses, (b) dat jongeren (semantisch) interessegebieden combineren (bv. Leren en ontbijten, praten en studeren) en (c) eerste post hoc resultaten laten geen verschillen zien tussen jongens en meisjes. Deze studie laat zien dat jongeren al ‘zijn’ en (mede) de wereld vormen. En dat veronderstelde verschillen tussen groepen jongeren wellicht minder waar zijn als we kijken vanuit het perspectief van jongeren hun interesses in de wereld. Tijdens deze paperpresentatie willen we de semantisch geïdentificeerde interessegebieden tonen, illustraties geven van gerelateerde interessegebieden en de relatie met het schoolcurriculum. Als laatst willen we met deelnemers bekijken welke transities jongeren zelf maken tussen schoolse interesses en andere interessegebieden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (60 minuten)905Esther Zeedijk, Hogeschool Utrecht, Utrecht 1.022wo 16:15 – 17:15 De snelle opkomst van generatieve AI (GenAI) in het hoger onderwijs dwingt onderwijsinstellingen tot fundamentele keuzes over leren, beoordelen en digitale geletterdheid. Studenten maken volop gebruik van tools als ChatGPT, maar vaak zonder expliciete reflectie op de kwaliteit, betrouwbaarheid en leerimpact van deze tools. Hierdoor dreigt oppervlakkig leren, afhankelijkheid van AI en verlies van eigenaarschap over het leerproces (Darvishi et al., 2024; Stadler et al., 2024). Tegelijkertijd biedt GenAI ook kansen voor verdiepend leren, mits het gebruik kritisch en bewust wordt begeleid. In deze bijdrage presenteren wij Kritikos: een reflectieve AI-chatbot die studenten ondersteunt bij het kritisch evalueren van hun eigen GenAI-gebruik tijdens het maken van onderwijsopdrachten. In tegenstelling tot generieke AI-tools geeft Kritikos geen inhoudelijke antwoorden, maar fungeert het als reflectie-assistent. Op basis van hoe studenten AI inzetten (bijvoorbeeld voor genereren, uitleggen, samenvatten of feedback vragen), stelt Kritikos gerichte, socratische vragen over doelen, aannames en gevolgen voor het leerproces. Het ontwerp van Kritikos is onderbouwd vanuit onderwijswetenschappelijke literatuur over kritisch denken, metacognitie en AI-geletterdheid (Paul & Elder, 2007; Dilts, 1980). Ook is Value Sensitive Design meegenomen in het ontwerp van Kritikos (e.g. Friedman & Hendry, 2019). In co-creatieve VSD-sessies met studenten, docenten, onderzoekers en ICT-professionals zijn waarden als autonomie, transparantie, efficiëntie en privacy expliciet meegenomen in ontwerpkeuzes. Daarnaast is Kritikos kleinschalig getest in een authentieke onderwijscontext met eerstejaars hbo-studenten. Het doel van de bijdrage is tweedeling: inzicht bieden in het ontwerp en de onderwijskundige onderbouwing van een reflectieve GenAI-interventie en kritisch reflecteren op de spanningsvelden die ontstaan wanneer GenAI een actieve rol krijgt in het leerproces. De sessie is interactief van opzet en nodigt deelnemers uit om eigen aannames over verantwoord GenAI gebruik in onderwijs te bevragen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de impact en doorwerking van onderwijsonderzoek in een context van technologische transitie. Kritikos fungeert als casus om te onderzoeken hoe onderwijs kan reageren op de komst GenAI. In plaats van te reageren met controle of verbod, kunnen ontwerpen als Kritikos studenten ondersteunen en hun kritisch denken tijdens het gebruik van GenAI verbeteren. Daarmee draagt deze bijdrage bij aan onderwijs voor transitie, omdat studenten leren omgaan met GenAI zonder sturing of controle. Vrije vorm (60 minuten)147Anne-Marieke van Loon, Fontys Hogeschool, Eindhoven, Anje Ros, Fontys Hogeschool, ‘s-Hertogenbosch, Fieke Tychon, Fontys Hogeschool, Eindhoven 1.050wo 16:15 – 17:15 Aanleiding en achtergrond Feedback wordt gezien als een krachtige motor voor leren in het hoger onderwijs, maar onderzoek toont aan dat feedback in de praktijk vaak onvoldoende wordt benut door studenten (Nieminen & Carless, 2023). Docenten spelen hierin een sleutelrol, maar zijn onvoldoende competent in hoe zij feedback zo kunnen ontwerpen en begeleiden dat deze daadwerkelijk bijdraagt aan leren. Dit vraagt om versterking van docentfeedbackgeletterdheid: het vermogen om effectieve feedbackprocessen te ontwerpen en te begeleiden (Carless & Boud, 2018). Fontys Hogeschool ontwikkelde daarom een open-access e-learning feedbackgeletterdheid voor docenten. Theoretisch kader en relevantie De open-access e-learningmodule is gebaseerd op het framework for teacher feedback literacy (Boud & Dawson, 2021) en zes ontwerpprincipes voor effectieve e-learning (Mayer, 2021; Wienand, 2024). De e-learning ondersteunt hbo-docenten bij het ontwikkelen van competenties om feedback structureel in te bedden in leer- en begeleidingsprocessen. Uit onderzoek naar de e-learning blijkt dat deelnemers, na afloop betere feedbackstrategieën toepassen in hun onderwijs (Van Loon, Ros, & Tychon, 2025). Vraagstelling onderzoek In hoeverre ervaren docenten de e-learningmodule als waardevol voor het versterken van hun feedbackgeletterdheid? Doelstelling van de bijdrage Deze workshop heeft als doel deelnemers inzicht te geven in hoe feedbackgeletterdheid via e-learning versterkt kan worden en wat de opbrengsten hiervan zijn. Deelnemers maken kennis met de e-learning feedbackgeletterdheid; een interactieve leeromgeving met kennisclips, kundeclips, werkvormen en reflectieopdrachten. Tevens wordt in de e-learning ingegaan op de rol die AI bij feedback kan spelen, waaronder de inzet van AI bij het vragen en benutten van feedback. De onderzoeksresultaten worden toegelicht en besproken. Dialoog en interactie In een interactieve hands-on workshop analyseren deelnemers in kleine groepen fragmenten uit de e-learning en de betekenis hiervan voor de onderwijspraktijk. De sessie stimuleert uitwisseling, reflectie en kritische dialoog over de waarde van e-learning als instrument voor professionalisering van docenten om feedbackvaardigheden te versterken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Relatie met het congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In een context van maatschappelijke en digitale transities, waaronder de opkomst van AI en toenemende complexiteit in het onderwijs, is het versterken van feedbackgeletterdheid essentieel voor het opleiden van lerenden die in staat zijn tot zelfregulatie en levenslang leren. De ontwikkelde e-learning biedt een toekomstbestendige vorm van docentprofessionalisering en laat zien hoe ontwerpgericht onderzoek doorwerkt in de praktijk. Daarmee draagt deze bijdrage bij aan de valorisatie en doorwerking van onderwijsonderzoek en aan het versterken van opleiden dat voorbereidt op transitie. Vrije vorm (60 minuten)839Wilke van Beest, Hoggeschool Utrecht, Utrecht 1.054wo 16:15 – 17:15 Onderwijsregio’s willen bijdragen aan het arbeidsvraagstuk in de regio, aan opleiden en inductie van onderwijsprofessionals en aan loopbaanontwikkeling van onderwijsprofessionals. Er worden sinds het ontstaan van de onderwijsregio allerlei activiteiten uitgezet gericht op effectieve samenwerking en kennisdeling tussen verschillende onderwijsinstellingen. Hoewel activiteiten worden gemonitord, is er behoefte aan rijker inzicht in wat activiteiten teweegbrengen en wat onderwijsinstellingen hiervan (gezamenlijk) kunnen leren. Eén onderwijsregio en Hogeschool Utrecht zijn samen aan de slag gegaan met het ontwikkelen van een nieuwe werkwijze om impact in kaart te brengen. In het onderzoeksproject wordt een meervoudige en procesgerichte impactbenadering gehanteerd waarin een lineaire logica (Theory of Change, Weiss, 1995; Anderson, 2004) is gecombineerd met een iteratieve en relationele visie op impact zoals beschreven door Niessen (2025) en Coombs (2025). Deze benadering erkent zowel structuur als dynamiek en maakt ruimte voor samenwerking, context en verandering. In een iteratief proces zijn verschillende impactmodellen (Netwerkimpactmodel, HAN 2023; PRIME-model, Greven & Andriessen, 2019, Theory of Change, Weiss, 1996; Clark & Anderson, 2004), passend bij de meervoudige en procesgerichte impactbenadering, vergeleken en toegepast op de context van onderwijsregio’s door onderzoekers en projectleiders vanuit de onderwijsregio. Dit heeft geresulteerd in een eenvoudige werkwijze om impact in kaart te brengen en om hierover in gesprek te gaan binnen een samenwerking of project om zo het gezamenlijke leren te bevorderen. Het doel van deze bijdrage – een workshop – is om deelnemers kennis te laten maken met de werkwijze om impact in kaart te brengen. Tijdens de workshop gaan deelnemers aan de slag met de werkwijze, en met de sessieleiders en elkaar in gesprek over de mogelijke toepassing van de werkwijze binnen hun eigen praktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit project sluit aan bij Onderwijs voor transitie omdat de ontwikkelde impactbenadering ondersteunt bij het maken en in kaart brengen van activiteiten die moeten leiden tot transities. Hierbij is oog voor de omgang met met complexiteit, het expliciteren van aannames en het gezamenlijk duiden van verandering en het benodigde proces. Vrije vorm (60 minuten)826Paul Vermeulen, Universiteit Utrecht, Utrecht 1.056wo 16:15 – 17:15 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van onderzoek Een veelgeuite zorg in de onderwijspraktijk is dat leerlingen in het vmbo lastig te motiveren zijn en dat zij lastig te bereiken zijn (Motivatielek bij vmbo leerlingen, Simons, 2023). Onderzoek laat zien dat ‘nieuwsgierigheid’ een belangrijke rol speelt bij ‘engagement in learning’ en motivatie (Pekrun, 2019) en dat nieuwsgierigheid aan de basis van leren ligt (Berlyne, 1954 en Gruber, 2019). Om die reden zetten we het concept nieuwsgierigheid centraal in ons onderzoek. We verkennen hoe vmbo leerlingen dit concept zélf verwoorden en begrijpen, hoe het er in gedrag uitziet en door hen wordt gewaardeerd. Zo’n 50 leerlingen uit leerjaar 3 vmbo-t van verschillende scholen nemen in 2025 en 2026 vrijwillig deel aan het NIK onderzoek (‘Nieuwsgierig, ik?’) waarbij interviews en lesobservaties worden uitgevoerd. Het analyseren van de data is gepland voor de tweede helft van 2026. Het NIK onderzoek draagt bij aan een goed begrip van het ‘nieuwsgierigheidsmechanisme’ bij leren. Dat begrip is een bouwsteen van het versterken van het duurzaam lerend vermogen van jongeren in de context van de maatschappelijke dynamiek en uitdagingen die een rol spelen in hun leven. Vraagstelling De vraagstelling in deze vrije sessie is tweeledig: ‘welke rol speelt de maatschappelijke context bij het geven van betekenis aan uitspraken van leerlingen over nieuwsgierigheid en leren?’ en ‘welke aanvullende onderzoeksvragen schuilen in de uitspraken van leerlingen?’. Doelstelling bijdrage Richting geven aan de data-analyse binnen het NIK onderzoek en het verkennen van mogelijke andere onderzoeksvragen n.a.v. de NIK dataset 2025. Dialoog/interactie met publiek Na een korte onderlinge kennismaking en uitwisseling van relevante onderzoekservaring (in een game vorm met het publiek), volgt een inleiding (samen 15 minuten) en wordt in groepen ‘in de data gedoken’ (30 minuten) met een afrondende peiling van indrukken en collegiale adviezen (15 minuten). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In een tijd van transitie, waarin complexe maatschappelijke vraagstukken spelen, zijn ‘critical thinking’, wendbaarheid en weerbaarheid van leerlingen belangrijk. De nieuwe kerndoelen en eindtermen voor voortgezet onderwijs benoemen die competenties (Kerndoelen voortgezet onderwijs. SLO 2025). Onderzoek laat zien dat nieuwsgierigheid van belang is bij de ontwikkeling van die competenties, zowel binnen het regulier onderwijs als bij het ontwikkelen van een duurzame (en autonome) leerhouding. Goed begrip van het ‘nieuwsgierigheidsmechanisme’ in het leren vanuit het perspectief van de leerder, draagt bij aan de ontwikkeling van die competenties en leerhouding. Paperpresentatie (30 minuten)679Ineke van der Veen, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen 1.074wo 16:15 – 17:15 Binnen het programma Effectieve kansrijke interventies in het po en vo worden kansrijke onderwijsinterventies onderzocht om scholen te ondersteunen bij effectieve keuzes. Voor het speciaal (basis)onderwijs is de beschikbare kennis over de effectiviteit van interventies echter nog beperkt. Daarom is binnen een aparte NKO-ronde ‘Pilottrajecten interventies in het vmbo, pro en (v)so’ een evaluatieonderzoek gestart naar de Nuffield Early Language Intervention (NELI), een in Engeland ontwikkeld taalverrijkingsprogramma waarin kleuters met de zwakste taalvaardigheid worden begeleid door een tutor met als doel de achterstand in woordenschat en mondelinge taalontwikkeling in te lopen. Dit is belangrijk, omdat achterstanden terugdringen het meest loont door te investeren in de vroege ontwikkeling van kinderen die dat het meeste nodig hebben (Heckman e.a., 2013). De interventie is gebaseerd op eerder aangetoonde effectieve didactieken voor taalstimulering. Er wordt gewerkt vanuit ‘robust vocabulary instruction’ (Beck e.a., 2013), waarbij wordt ingezet op diepe woordkennis en waarin de didactische principes van voorbewerken, semantiseren, consolideren en controleren gevolgd worden. Daarnaast worden kinderen actief tot taalproductie, samen doordenken en narratieve taken uitgedaagd, wat van groot belang is voor de taalontwikkeling (Siraj-Blatchford & Sylva, 2004; Henrichs, 2010). Binnen het reguliere basisonderwijs is de effectiviteit van NELI onderzocht in een Randomized Controlled Trial (RCT), waarbij kleine positieve effecten op taalvaardigheid werden gevonden (Van Driel e.a., 2025). In dit onderzoek is NELI geïmplementeerd in het sbo en so clusters 3 en 4. Nagegaan is in hoeverre er aanwijzingen zijn dat deze interventie (ook) in het speciaal (basis)onderwijs effectief is (en zo ja voor wie en waardoor), en onder welke condities het programma binnen het s(b)o uitvoerbaar en haalbaar is. Tijdens de presentatie bespreken we onze bevindingen en gaan we graag met de deelnemers in gesprek over de opbrengsten van het programma en de verhouding tot de inzet die van scholen wordt gevraagd. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)624Anja Schouten-Borgemeester, Stichting Trigoon, Hoorn 1.074wo 16:15 – 17:15 In een tijd van toenemende maatschappelijke ongelijkheid en complexe participatievraagstukken, speelt mondelinge taalvaardigheid een cruciale rol in de kansen van leerlingen om volwaardig deel te nemen aan onderwijs en samenleving. Recente peilingsonderzoeken van de Inspectie van Onderwijs laten zien dat deze vaardigheid in Nederland onder druk staat, terwijl zij in veel onderwijscontexten slechts beperkt expliciet wordt ondersteund. Wetenschappelijk onderzoek toont aan dat taal-denkgesprekken in het basisonderwijs bijdragen aan de mondelinge taalontwikkeling van leerlingen. Over de werking en opbrengsten van taal-denkgesprekken in het voortgezet (speciaal) onderwijs is echter nog weinig empirische kennis beschikbaar. Vanuit een sociaal-constructivistisch en dialogisch taalperspectief wordt taal gezien als motor voor denken en leren, waardoor de kwaliteit van interactie direct samenhangt met kansengelijkheid. In dit praktijkgerichte onderzoek, uitgevoerd binnen het Auctoraat Kansrijk Onderwijs, is onderzocht welke rol leerkrachtinteractievaardigheden spelen bij het stimuleren van mondelinge taalontwikkeling van VSO-leerlingen. De centrale onderzoeksvraag luidt: “In hoeverre draagt het werken aan de competenties van leerkrachten bij aan het bieden en leren benutten van de leerkansen van leerlingen ten behoeve van de taal-denkontwikkeling?”. Daarbij is onderzocht: – welke interactievaardigheden VSO-leerkrachten inzetten tijdens taal-denkgesprekken; – hoe zij hun interactievaardigheden beoordelen; – in hoeverre er samenhang bestaat tussen leerkrachtinteractievaardigheden en taalruimte en taalproductie van leerlingen; – of verhoogd bewustzijn van vaardigheden leidt tot veranderingen in leerkrachtgedrag en leerlingtaal. Het onderzoek combineert observaties van onderwijspraktijken met analyses van leerkrachtreflecties en leerlingtaalproductie. De resultaten laten zien dat specifieke interactievaardigheden samenhangen met rijkere taalproductie, en dat reflectie kan bijdragen aan veranderingen in interactiepatronen. Doel van deze bijdrage is het empirisch onderbouwen van taal-denkgesprekken in het VSO en het verdiepen van inzichten in de relatie tussen interactievaardigheden en kansengelijkheid. Deelnemers worden uitgenodigd om actief deel te nemen aan een kort ervaringsmoment, gevolgd door een reflectievraag die ruimte biedt voor vragen en discussie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)635Els Goetschalckx, ICLON, Universiteit Leiden, Leiden 1.078wo 16:15 – 17:15 Digitale media spelen een steeds grotere rol in het dagelijks leven van jonge kinderen (Nikken & Tuijnman, 2024). Voor 6- tot 7-jarigen is digitale media inmiddels een context voor sociale interactie. Gezamenlijk mediagebruik kan plaatsvinden in fysieke nabijheid (joint media engagement) en online (Takeuchi & Stevens, 2011). Doorgaans gebeurt dit met bekenden zoals familie en vrienden. In zeer beperkte mate hebben 6-7-jarigen online contact met mensen die ze digitaal ontmoet hebben. Het is cruciaal om kinderen voor te bereiden op een toekomst waarin digitale participatie vanzelfsprekend is. Daarbij is het belangrijk dat kinderen leren reflecteren op hun eigen mediagebruik en daarbij in gesprek gaan met ouders, leerkrachten en peers. Dit kan helpen als voorbereiding op hoe ze media op een prosociale manier kunnen gebruiken in latere digitale participatie; respectvol, veilig en met oog voor de ander. De vroege schoolleeftijd is een essentiële fase voor de ontwikkeling van sociale vaardigheden en mediagewoonten (Van der Ploeg, 2018). Dit maakt het relevant om in deze fase kinderen voor te bereiden op veilig, respectvol en bewust gedrag in toekomstige digitale contexten. Echter, het ontwikkelen van prosociale (digitale) vaardigheden kan het kind niet alleen; dit vraagt om samenwerking tussen ouders, leerkrachten en onderwijsprofessionals. De hoofdonderzoeksvraag is: hoe kan een educatief programma voor 6-7-jarigen bijdragen aan de ontwikkeling van sociale vaardigheden die essentieel zijn voor respectvolle en veilige (digitale) participatie? In deze studie ontwikkelen en evalueren we, d.m.v. educational design, een interventie waarin we focussen op het ontwikkelen van sociale vaardigheden. Deze zijn belangrijk voor sociale interacties in de ‘echte’ wereld en voor (toekomstige) digitale interacties. De leerdoelen sluiten aan bij kaders rond (digitaal) burgerschap en mediawijsheid. Op de ORD gaan we graag in gesprek over de resultaten van de analyse- en exploratiefase van de interventie-ontwikkeling, en over wat dit betekent voor de ontwerp- en ontwikkelingsfase. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)866Anouk Wezendonk-Brouwer, Marnix Academie, Utrecht 1.078wo 16:15 – 17:15 Translanguaging wordt in de literatuur beschreven als een hoopvolle pedagogiek voor meertalige kinderen, omdat zij ruimte biedt aan alle talen die kinderen inzetten bij het leren en zo bijdraagt aan betrokkenheid, inclusie, vakinhoudelijk leren en taalontwikkeling (Duarte, 2019; García, 2009; Menken & Sánchez, 2019; Sierens & Ramaut, 2018). Tegelijkertijd blijkt de toepassing van translanguaging in de dagelijkse vve-praktijk complex. Professionals ervaren handelingsverlegenheid omdat zij de thuistalen van kinderen vaak niet spreken en onvoldoende concrete handvatten hebben om translanguaging doelgericht in te zetten (Ticheloven et al., 2021). Meertalige digitale prentenboeken bieden in dit spanningsveld veelbelovende kansen. Prentenboeken nemen een centrale plaats in binnen de vve en ondersteunen taal- en sociaal-emotionele ontwikkeling (Batini et al., 2018). Voorlezen in de thuistaal ondersteunt bovendien de ontwikkeling in beide talen (Eisenwort et al., 20170). Digitale, geanimeerde prentenboeken kunnen relatief eenvoudig in meerdere talen worden aangeboden en ondersteunen het leren via multimedia-effecten (Smeets & Bus, 2014). In maart 2026 is een ontwerpgericht onderzoek gestart waarin, in samenwerking met vve-professionals, wordt onderzocht hoe meertalige digitale prentenboeken kunnen worden ingezet binnen een translanguaging-aanpak. In de eerste fase worden via bronnenonderzoek, interviews met betrokken professionals en video-observaties van voorleesactiviteiten voorlopige ontwerpeisen geformuleerd. Tijdens dit rondetafelgesprek zullen we de voorlopige ontwerpeisen met de deelnemers delen, toetsen op herkenbaarheid, haalbaarheid en bruikbaarheid in verschillende vve-contexten, en kritisch bespreken aan de hand van stellingen en dilemma’s, bijvoorbeeld: hoe kunnen de ontwerpeisen recht doen aan verschillen van kinderen, bijvoorbeeld in leeftijd, taalniveau en groepssamenstelling? Welke mate van sturing door de professional is nodig, of zijn spontane taalkeuzes van kinderen voldoende? En hoe kunnen we de ontwerpeisen vertalen naar de lerarenopleidingen? De opbrengsten van het gesprek worden benut om de ontwerpeisen te verfijnen, zodat zij een stevig uitgangspunt vormen voor het opstarten van de PLG’s in het volgende schooljaar. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)697Guido Stompff, Inholland, Amsterdam 1.080wo 16:15 – 17:15 In het hogere onderwijs wordt ontwerp en onderzoek steeds meer gecombineerd in Design Based Research (DBR). Hierbij vormen het ontwerpproces en de -uitkomsten een onderdeel van het onderzoek. De stijgende populariteit is te danken aan het praktijkgerichte karakter: bij DBR levert een student een uitvoerbaar ontwerp voor een eindproduct, dat soms zelfs al (deels) geïmplementeerd is. DBR omvat zowel ontwerpgericht (Van Turnhout et al, 2023) als ontwerpend onderzoek (Zimmerman & Forlizzi, 2014). Het lastige is dat kwaliteitscriteria voor onderzoek lastig te combineren zijn met DBR (Prochner & Godin, 2021). Bij het afstuderen worstelen studenten en docenten ermee. Die criteria zijn gebaseerd op deductief en/of inductief redeneren, terwijl ontwerplogica abductief is (Dorst, 2011). Bij ontwerpen is een creatieve sprong noodzakelijk, omdat de onzekerheid groot is en er veel besloten moet worden in een korte tijd. Abductief redeneren gaat over het ontwikkelen van ‘plausibele’ ontwerpen op basis van de ‘best mogelijke argumenten’ (Kolko, 2010) die worden vergeleken. DBR vergt andere kwaliteitscriteria om de methodische grondigheid op genuanceerde wijze te kunnen beoordelen (Gaver, 2014; Prochner & Godin, 2022; Stompff et al, 2022). De vraag waar opleidingen mee zitten is: aan welke kwaliteitscriteria moet DBR (afstudeer)onderzoek voldoen zodat studenten zich kwalificeren als volwaardig professional voor het werkveld? Op basis van literatuuronderzoek en een co-designtraject met docenten zijn zeven kwaliteitscriteria opgesteld om DBR afstudeeropdrachten bij het HBO navolgbaar te kunnen beoordelen, zoals actievaliditeit: werkt het ontwerp als verwacht? De eis hierbij is dat de criteria begrijpelijk zijn voor studenten. Actievaliditeit is bijvoorbeeld beschreven als ‘getoetst in de praktijk’. Hoewel deze criteria ontwikkeld werden voor twee grote opleidingen, zijn ze dusdanig opgesteld dat ze overdraagbaar lijken te zijn naar andere opleidingen om mee te experimenteren. Waar we nog aan werken is de formalisering en kalibratie van de beoordeling, omdat ontwerpen inherent subjectief is. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ DBR is onderzoek waarbij kennisontwikkeling en het verbeteren van de praktijk hand in hand gaan. Het combineert creativiteit met praktische toetsing en draagt bij aan duurzame veranderingen én aan theorieontwikkeling, zeker bij co-design (Smeenk et al., 2023). De criteria voor conventioneel onderzoek passen niet bij de logica en epistemologie van design. Veel studenten en onderzoekers passen hun praktijkonderzoek daarom aan om te voldoen aan conventionele kwaliteitscriteria, wat helaas afbreuk doet aan het creatieve en zoekende proces. Deze bijdrage onderzoekt wat de criteria zijn voor DBR, vertaalt die naar het HBO en geeft studenten en docenten handvatten voor HBO-afstudeerwerk. Paperpresentatie (30 minuten)651Klaas Reinders, NHL Stenden, Leeuwarden 1.080wo 16:15 – 17:15 In het hoger onderwijs dienen opleidingen vóór accreditatie zelfevaluaties uit te voeren waarin de eigen kwaliteit in sterke en zwakke punten wordt beschreven. Hoewel zelfevaluatie betekenisvol kan zijn voor ontwikkeling en verbetering (Simons, 2013), lijkt de betekenis voor duurzame ontwikkeling en innovatie vaak nog beperkt (Mello Silva & Vargas, 2021). Onderzoek naar (zelf)evaluatie binnen design based onderwijs kan bijdragen aan duurzame transitie van kwaliteitszorg in het hoger onderwijs. Er is weinig bekend over hoe binnen de context van Design Based Education gereflecteerd wordt op de onderwijskwaliteit. Daarom wordt nagegaan op welke manier Design Based opleidingen in hun ZER reflecteren op de eigen onderwijskwaliteit. Het onderzoek draagt bij aan inzicht over reflectie binnen zelfevaluatie, in de context van DBE. Daarnaast levert het inzicht op hoe opleidingen binnen DBE op kwaliteit van onderwijs reflecteren. Hoe in zelfevaluaties wordt gereflecteerd op onderwijskwaliteit is afhankelijk van welk concept van kwaliteit wordt gehanteerd en hoe dit is gedefinieerd (Patton, 2011). Kwaliteit kan worden omschreven vanuit het perspectief van verantwoording, doelgerichtheid, onderscheidend en transformatief vermogen (Schindler et al., 2015). Door analyse van reflectie in zelfevaluaties ontstaat inzicht in breedte, diepte en niveau van reflectie (Kember et al., 2008). De context van DBE wordt gekarakteriseerd met behulp van co-creatie, multiperspectiviteit en kritische reflectie gericht op professionele ontwikkeling (Van Diggelen, 2022). Centraal staat de vraag: Hoe geven opleidingen binnen een context van DBE en transformatief onderwijs reflectie op onderwijskwaliteit in hun zelfevaluatierapportage vorm, en welke kwaliteitsconcepten worden daarbij zichtbaar? Belangrijke doelstelling is inzichtelijk maken wat het niveau van reflectie en de benadering van kwaliteit is in formele zelfevaluaties binnen een design based context. In de presentatie worden bevindingen voorgelegd en dialoog gezocht ten aanzien van de vraag of en in welke mate het karakter van de zelfevaluatie als reflectiemoment bij kan dragen aan doorontwikkeling en transformatie van onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)821Tjark Huizinga, Hogeschool Saxion, Deventer 1.086wo 16:15 – 17:15 Learning analytics (LA) kunnen docenten helpen om het leerproces van studenten te optimaliseren. Het doelbewust verzamelen van data vanuit de digitale leeromgeving over het leergedrag van studenten en hun context (Siemens & Long, 2011) maakt het voor docenten mogelijk om data-geïnformeerde beslissingen te nemen over het begeleiden van het leerproces (Sneyers & De Witte, 2018). Vooral voor online leeractiviteiten, waar docenten minder grip hebben op het leerproces en meer afstand ervaren tot hun studenten, kunnen LA van meerwaarde zijn (Rasheed et al., 2020). LA integratie start met een doelbepaling met vervolgens het verzamelen, analyseren en interpreteren van data, beslissen over vervolgacties en het evalueren (Avella et al., 2016; Schildkamp, 2019). Essentieel in dit cyclische proces is dat de verzamelde data passen bij de geformuleerde doelstellingen en dat het proces afgestemd is op privacy wet- en regelgeving. Data kunnen afkomstig zijn uit bestaande leeractiviteiten, maar ook worden uitgebreid met aanvullende datapunten, zoals toetsvragen of informatie over studievoorbereiding. Het principe van constructive alignment (Biggs & Tang, 2011) vormt daarbij het uitgangspunt: data worden alleen verzameld wanneer zij bijdragen aan het optimaliseren van leeractiviteiten in relatie tot leerdoelen en toetsing. Kortom, de implementatie van LA in het onderwijs vraagt veel expertise van docenten op gebied van onderwijskundig ontwerpen, datageletterdheid en AVG-richtlijnen. Juist vanwege deze complexiteit is het bieden van onderwijskundige en technische ondersteuning en een goede LA infrastructuur voorwaardelijk voor een succesvolle implementatie (Zhao & Song, 2021). Dit onderzoek beschrijft hoe verschillende instellingen de infrastructuur en ondersteuning vormgeven en welke invloed dit heeft op de implementatie van LA. De resultaten dragen bij aan het verbeteren van de ondersteuning aan docenten. Tijdens de presentatie worden de resultaten gedeeld en werken we aan de hand van stellingen aan de bewustwording van de uitdagingen van LA in het onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)823Sophie van Dijke, Amsterdam UMC, Amsterdam 1.086wo 16:15 – 17:15 Sinds de introductie van ChatGPT is het gebruik van generatieve AI (GenAI) in het hoger onderwijs sterk toegenomen; een studie onder 1041 studenten toont een stijging van 66% in 2024 naar 92% in 2025 (Freeman, 2025). Deze tools bieden duidelijke voordelen voor gepersonaliseerd leren, maar roepen ook vragen op over de nauwkeurigheid van de output, ethische, juridische en maatschappelijke implicaties (ELSI) en het risico van een negatief effect op leren (Wang, 2023). Om deze uitdagingen aan te gaan, moeten studenten GenAI-geletterdheid ontwikkelen, wat in DigComp2.2 van de EU wordt gedefinieerd als de competenties die nodig zijn om effectief en ethisch met AI om te gaan (Vuorikari et al., 2022). De EU AI-act (artikel 4) verplicht instellingen om GenAI-geletterdheid te onderwijzen (Regulation 2024/1689). De meeste geletterdheidsinterventies richten zich op conceptuele kennis, terwijl uitgebreide, praktische geletterdheidsinterventies die ELSI-competenties omvatten schaars zijn (Gu & Ericson, 2025). In dit kader start in september 2025 de cursus Current Issues in Medical Informatics and AI binnen de masteropleiding Medical Informatics aan de UvA. Deze vierweekse cursus bevat onder meer het AI-tutorproject, waarin studenten zelf GenAI-tutoren ontwerpen, bouwen en valideren volgens didactische principes. Het project bevordert GenAI-geletterdheid op de DigComp2.2-competentiegebieden en beoogt: (1) studenten kritisch en doelgericht om te leren gaan met GenAI ter ondersteuning van hun leerproces (2) studenten een eigen GenAI-tutor te laten evalueren via zelf-ontwikkelde benchmarks en transparante rapportage over het gebruik van GenAI. Met dit onderzoek wilden we de ervaren en gemeten effectiviteit van het GenAI-tutorproject als GenAI-geletterdheidsinterventie meten. Tijdens de presentatie willen we docenten betrekken bij het ontwikkelen van methoden voor het onderwijzen van GenAI-geletterdheid. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)514Janine Haenen, Haagse Hogeschool, Den Haag, Renée Hendriks, Hogeschool Inholland, Haarlem, Max Kusters, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Belinda Ommering, Hogeschool Utrecht, Utrecht 1.092wo 16:15 – 17:15 Maatschappelijke, technologische en epistemologische veranderingen stellen het hoger onderwijs voor toenemende onzekerheid en complexiteit. Opleidingen worden geconfronteerd met vraagstukken waarvoor geen eenduidige kennis of vaste handelingsrecepten bestaan. Dit vraagt van docenten dat zij agency uitoefenen binnen veranderende institutionele en pedagogische kaders, en van studenten dat zij actief verantwoordelijkheid nemen voor hun leerproces. Om in dergelijke contexten betekenisvol te leren en onderwijs te geven, lijkt epistemic agency noodzakelijk: het vermogen om kennis actief te onderzoeken, te interpreteren en te creëren in relatie tot authentieke vraagstukken (Heikkilä et al., 2023; Munneke, 2024). Tegelijkertijd bestaan er uiteenlopende interpretaties van student, teacher en epistemic agency, waardoor het onduidelijk blijft hoe deze vormen van handelingsvermogen samenhangen en hoe opleidingen ze kunnen versterken. In deze ronde tafel brengen we drie perspectieven samen en doen we een voorzet voor een geïntegreerd agency‑model. Student agency wordt benaderd als het vermogen van studenten om regie te nemen binnen hun leercontext, gevoed door persoonlijke, relationele en ervaringsbronnen en zichtbaar in gedrag zoals hulpvragen, strategiekeuze en participatie (Bandura, 2018; Haenen et al., 2026, Jääskelä et al., 2021). Teacher agency wordt belicht vanuit de professionele besluitvorming van docenten: waartoe zij handelen binnen institutionele en pedagogische kaders, gedreven door waarden, professionele doeleinden en relaties (Kusters et al., 2025). Epistemic agency fungeert hierbij als vliegwiel: het vermogen om kennis te zoeken, te beoordelen en te creëren in relatie tot een centraal vraagstuk vergroot het handelingsvermogen van zowel studenten als docenten in complexe, veranderende onderwijscontexten. Tijdens de ronde tafel verkennen we met deelnemers hoe deze drie vormen van agency elkaar beïnvloeden en hoe opleidingen ze intentioneel kunnen versterken. We werken met scherpe stellingen om gezamenlijk te onderzoeken hoe het geïntegreerde agency‑model kan bijdragen aan onderwijspraktijk en onderwijsonderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)727Diana van Dijk, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam, Marjolijn Schouten, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam 1.092wo 16:15 – 17:15 Onderwijs speelt een centrale rol in maatschappelijke transities richting meer rechtvaardigheid, inclusie en veerkracht. Tegelijkertijd laten ervaringen van studenten, docenten en onderzoekers zien dat onderwijs- en onderzoekspraktijken deze transities niet vanzelf ondersteunen. Subtiele vormen van uitsluiting blijven vaak onbenoemd, terwijl de last van verandering om uitsluiting te verminderen veelal terechtkomt bij degenen die deze uitsluiting zelf ervaren. In deze rondetafelsessie onderzoeken we hoe onderwijsonderzoek rechtvaardiger kan worden, door de epistemische mogelijkheden van studenten en docenten te versterken. De sessie is gebaseerd op het onderwijsinnovatieproject Safe & Brave, een Critical Participatory Action Research-studie (Fine & Torre, 2021) binnen het sociaal-werkonderwijs. In dit project (gesubsidieerd als Comenius Senior Fellowship) werkten studenten en docenten samen aan de ontwikkeling van diversiteit-sensitieve leeromgevingen. Vanuit het concept epistemic capability analyseren we hoe mogelijkheden om te spreken, gehoord te worden en als geloofwaardige kennishouder te participeren ongelijk verdeeld zijn — ook binnen onderzoek dat expliciet participatief van aard is. Epistemic capability (Walker, 2022; Fricker, 2015) verwijst daarbij niet alleen naar de afwezigheid van epistemische onrechtvaardigheid (Fricker, 2007), maar ook naar de reële mogelijkheden van studenten en docenten om als geloofwaardige kennishouders te participeren in onderwijs- en onderzoekscontexten (Walker, 2022). In de rondetafel staan reflectie en onderling leren centraal, aan de hand van vragen als: wat levert samen onderzoek doen op wanneer kennis daadwerkelijk gedeeld eigenaarschap wordt? Waar schuurt het in rollen, tempo, academische eisen, emoties of institutionele kaders? En hoe verhouden idealen van gelijkwaardigheid zich tot bestaande machtsstructuren en verantwoordingslogica’s? De sessie start met een korte introductie door de facilitatoren, waarin kerninzichten en geleefde ervaringen uit Safe & Brave worden gedeeld als gespreksopener. In het tweede deel gaan deelnemers met elkaar in dialoog, op basis van herkenbare dilemma’s uit hun eigen onderzoekspraktijk. De nadruk ligt niet op ‘best practices’, maar op gezamenlijk reflecteren, leren en betekenis geven. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)293Patrick Sins, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam 3.016wo 16:15 – 17:15 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie van het onderzoekZelfregulerend leren (ZRL) wordt gezien als een essentiële vaardigheid voor leerlingen om succesvol te leren in een complexe en veranderende samenleving (Education Endowment Foundation, z.d.; Sins, 2023). Hoewel er veel wetenschappelijke kennis beschikbaar is over effectieve ZRL-strategieën, blijkt de vertaling naar de onderwijspraktijk voor leraren uitdagend (Greene, 2021; Muijs & Bokhove, 2021). In deze meervoudige gevalsstudie is onderzocht hoe ontwerpteams van leraren evidence-informed en op ontwerpgericht wijze interventies ontwikkelden en toepasten om ZRL bij hun leerlingen te bevorderen. Hieronder ligt de aanname dat duurzame professionalisering alleen kan plaatsvinden via collectieve, meercyclische leerprocessen (zie Rozendaal & Van Kan, 2026). De relevantie van dit onderzoek ligt in het bieden van empirisch onderbouwde inzichten in hoe leraren de kloof tussen de ruim beschikbare inzichten over ZRL-bevordering en de vertaling naar hun eigen praktijk (kunnen) slechten. Om tot deze inzichten te kunnen komen, was nauwe samenwerking tussen onderzoekers en praktijkprofessionals essentieel.Vraagstelling van het onderzoekDe centrale onderzoeksvraag luidt: Welke ervaringen doen ontwerpteams van leraren op bij het ontwerpen en implementeren van onderwijsinterventies gericht op het bevorderen van zelfregulerend leren van leerlingen? Doelstelling van de bijdrageDeze bijdrage heeft als doel om inzicht te geven in de ervaringen van leraren binnen ontwerpteams die werken aan ZRL-bevordering. Dit paper presenteert thematische bevindingen over hoe leraren hun rol, didactische keuzes en ondersteuning van leerlingen herdefiniëren, en welke factoren bijdragen aan (of belemmerend werken voor) effectieve ZRL-praktijken. Hiermee beoogt de bijdrage zowel wetenschappelijke als praktijkgerichte kennis te genereren.Dialoog/interactie met publiekAan het einde van de presentatie gaan onderzoekers en deelnemers in gesprek over de implicaties van dit onderzoek. Via stellingen en korte casussen reflecteren zij op de verschuiving van leerlinggerichte beschrijvende kennis naar praktische handelingskennis voor leraren, en van een quasi-experimentele naar een participatieve, actiegerichte onderzoeksbenadering. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)731Florianne Rademaker, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.016wo 16:15 – 17:15 Sociale participatie vormt de kern van inclusief onderwijs. Voor leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften is sociale participatie echter niet altijd vanzelfsprekend (Koster et al., 2010). Daarom is het belangrijk dat leraren sociale participatie actief bevorderen. Hun succes hierbij hangt mede samen met hun gevoelens van zelfeffectiviteit (Yada et al., 2022). Leraren die vertrouwen hebben in hun eigen vermogen tonen meer inspanning, motivatie en doorzettingsvermogen (Zee & Koomen, 2016). Slechts een klein aantal leraren voelt zich competent om inclusief onderwijs te bieden (Dixon et al., 2014; Zee et al., 2016). Onduidelijk is nog in hoeverre leraren moeite hebben met het bevorderen van sociale participatie en hoe dit samenhangt met hun zelfeffectiviteit, mede door gebrek aan gevalideerde meetinstrumenten. Bestaande vragenlijsten meten niet specifiek de zelfeffectiviteit van leraren in het bevorderen van sociale participatie. De meeste instrumenten richten zich op andere aspecten van inclusief onderwijs, zoals instructie en klassenmanagement (bijv. TEIP; Sharma et al., 2012). Bovendien negeren ze dat de zelfeffectiviteit van leraren kan variëren per leerling (Zee et al., 2016). Een betrouwbaar en valide instrument dat zelfeffectiviteit bij het bevorderen van sociale participatie meet, helpt leraren hun sterke punten en ontwikkelpunten te herkennen en zo gerichte ondersteuning en professionele groei te krijgen. Het doel van deze bijdrage is het bespreken van de psychometrische kwaliteit en toepassing van de Teacher Self-Efficacy Scale for Fostering Social Participation (TSES-SP). Deze leerlingspecifieke vragenlijst bevat vier subschalen van drie items, gebaseerd op de domeinen contact/interacties, acceptatie door klasgenoten, vriendschappen/relaties en sociale zelfperceptie (Koster et al., 2009), gescoord op een 9-puntsschaal. We bespreken kort de psychometrische eigenschappen van de TSES-SP, met aandacht voor betrouwbaarheid, dimensionaliteit en validiteit, en de mate van zelfeffectiviteit van Nederlandse basisschoolleraren. Er is ruimte voor discussie over de bruikbaarheid van het instrument in verschillende onderwijscontexten, met bijzondere aandacht voor professionalisering. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)746Martijn Meeter, Vrije Universiteit, Amsterdam 3.018wo 16:15 – 17:15 De laatst jaren worden in Nederland steeds meer effectstudies gedaan, gestimuleerd door Nederlands Kennisinstituut Onderwijs (NKO) die hier financieringslijnen voor heeft gecreëerd. Zo zijn er in het kader van “Effectmeting veelbelovende interventies” inmiddels tientallen randomized controlled trials (RCTs) uitgevoerd in het onderwijs. Aan de ene kant blijkt dit verrassend goed uit te pakken: alle ondernomen RCTs op één na werden goed afgerond met ongeveer het gewenste aantal deelnemers. Ondanks brede scepsis vooraf staat het Nederlandse onderwijs kennelijk open voor RCTs. Aan de andere kant bleek het onderzoek voor 55% van de interventies, ondanks alle veelbelovendheid, geen bewijs voor de gewenste effecten op te leveren. Ongemakkelijk voor bedenkers van de interventie. En kennelijk ook voor sommige onderzoekers: in een aantal eindrapporten over RCTs met nuleffecten werd op basis van glimmertjes hoop geconcludeerd dat er waarschijnlijk toch een positief effect was geweest van de interventie. Statistisch gezien is zo’n conclusie niet zo vreemd: een nuleffect is gebrek aan bewijs voor een effect, en niet bewijs voor GEEN effect. Wat kunnen we dan concluderen uit nulbevindingen? Dit is een essentiële vraag als er zoals verwacht meer RCTs gaan volgen in het Nederlandse onderwijs. Hier bespreek ik statistische methodes om aan de hand van een nuleffect wel conclusies te trekken, en steekhoudende en minder steekhoudende verklaringen voor nuleffecten in onderwijs-RCTs. Ik maak het concreet met het voorbeeld van een grote effectstudie waar voor 8 afhankelijke maten geen effect werd gevonden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)523Els Consuegra, Vrije Universiteit Brussel, Brussel, Jerich Faddar, Vrije Universiteit Brussel, Brussel, Vicky Willegems, Vrije Universiteit Brussel, Brussel 3.018wo 16:15 – 17:15 Elke schooldag nemen leerkrachten talloze beslissingen, van kleine ingrepen in de klas tot grotere keuzes over instructie, differentiatie en evaluatie die de complexiteit van effectief lesgeven weerspiegelen (Cochran-Smith en Lytle, 2009). Overheen de laatste decennia groeide de aandacht bij beleidsmakers, onderwijsprofessionals en academici om beslissingen ‘evidence-informed’ vorm te geven, stoelend op verschillende informatiebronnen. Onderwijsprofessionals kunnen zich laten informeren door inzichten uit zelf-verzamelde data, aansluitend bij het idee van ‘data-informed decision making’ (Schildkamp, 2019; Mandinach en Gummer, 2021). Een andere insteek waarop beslissingen kunnen gebaseerd worden door onderwijsprofessionals is die van wetenschappelijke inzichten uit effectiviteitsonderzoek waarbij de principes van ‘wat werkt’ worden gedestilleerd en doorgetrokken naar andere contexten (Kyriakides, Creemers, en Panayiotou 2020; Godfrey en Brown, 2019). Dit is echter geen vanzelfsprekendheid, en de erkenning van de specifieke context onderstreept ook het belang van de praktijkkennis die onderwijsprofessionals hebben opgebouwd (Vanlommel et al., 2021). Onderwijs is dan ook geen kwestie van het simpelweg implementeren van vooraf bewezen strategieën, maar eerder een proces van doordracht en responsief handelen, afgestemd op de klasrealiteit (Biesta, 2020; Nelson & Campbell, 2019). Het naast elkaar bestaan van verschillende benaderingen waarbij één informatiebron de klemtoon krijgt, maakt het onduidelijk hoe deze benaderingen zich tot elkaar verhouden. Ook bemoeilijkt het ontbreken van een integraal conceptueel raamwerk de dialoog met en in het praktijkveld om evidence-informed aan de slag te gaan. Deze bijdrage situeert zich rond drie onderzoeksvragen: Welke elementen en eigenschappen omtrent het gebruik van evidentie worden in de literatuur aangestipt? Welke randvoorwaarden worden in de literatuur onderkend omtrent het realiseren van evidence-informed onderwijspraktijk? Op welke manier kunnen deze elementen en eigenschappen in een integraal, verfijnd conceptueel raamwerk vertaald worden die toegankelijk is voor partners uit het onderwijspraktijkveld? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het congresthema, met een focus op transitie, sluit nauw aan op het thema van deze bijdrage. Het vertrekpunt van evidence-informed onderwijspraktijk plaatst immers de klemtoon op de agency van onderwijsprofessional bij het nemen van beslissingen in complexe, uitdagende contexten. Zeker in tijden van transitie is het cruciaal dat de onderwijsprofessional over een kader beschikt om evidentie aan te wenden om zijn handelen richting te geven. Paperpresentatie (30 minuten)511Astrid van Montfoort, School of Health Professions Education, Maastricht 3.038wo 16:15 – 17:15 Patient complaints can give important insight into ways to improve the quality of health care. Even though patients’ complaints against residents are growing, research specifically focused on patient complaints against residents is lacking. Understanding the complaints against residents can help with addressing these issues in PGME programs. Patient outcomes can improve after a new training program is implemented. Even after finishing PGME programs, complication rates can be linked with residency programs; an enduring effect of the curriculum later on in their practice can also be found. These effects underline the need for good PGME. This study aims to help fill the gap regarding learning from patients’ complaints against residents by exploring and categorising these complaints. By doing so, we gain insight into recurring issues in resident–patient interactions. This knowledge is used as a basis for suggestions to improve PGME programs. The central research question is: How can the systematic analysis of patient complaints against residents contribute to the improvement of PGME? The presentation aims to stimulate reflection on the role of patient complaints in postgraduate medical education. By presenting recurring patterns and their educational implications, the contribution is intended to encourage discussion and exchange of perspectives following the presentation. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)789Jelle Nijs, Radboudumc, Nijmegen, Bart Thoonen, Radboudumc, Nijmegen 3.038wo 16:15 – 17:15 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie Zorgnetwerken (Networks of Care, NOC) worden steeds vaker genoemd als oplossing voor continuïteit van zorg in een steeds complexer zorglandschap. Naast hun zorginhoudelijke functie is er toenemende aandacht voor de vraag hoe deze netwerken kunnen functioneren als leeromgeving voor zorgprofessionals. Tot op heden ontbreekt echter een overzicht van leren binnen zorgnetwerken en de waarde hiervan voor zorgprofessionals. In deze paperpresentatie staat leren van zorgprofessionals in zorgnetwerken centraal, benaderd vanuit een multidimensionaal framework dat kenmerken van leernetwerken combineert met waardecreatie. Vraagstelling Welke vormen van formeel en informeel leren van zorgprofessionals worden beschreven binnen zorgnetwerken, en welke waarde wordt hierdoor gecreëerd? Doelstelling van de bijdrage Het doel van deze paperpresentatie is het beschrijven van bestaande kennis over leren van zorgprofessionals in zorgnetwerken, en het bespreken van de implicaties hiervan voor het begrijpen en onderzoeken van werkplekleren in netwerkcontexten. Dialoog/interactie met publiek Tijdens de paperpresentatie wordt het publiek uitgenodigd om te reflecteren op de herkenbaarheid van de beschreven vormen van leren en waardecreatie in eigen praktijk- en onderzoekscontexten, en op de bruikbaarheid van multidimensionale frameworks om leren in netwerken te analyseren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de theoretische en methodologische onderbouwing van onderwijsonderzoek naar leren in netwerkcontexten. Zorgnetwerken zijn bij uitstek transitiecontexten waarin zorg, samenwerking en professionalisering samenkomen. Door leren in deze netwerken systematisch te analyseren, draagt deze studie bij aan het leren en ontwikkelen van adaptieve zorgprofessionals in een snel veranderend zorglandschap. Rondetafelgesprek (30 minuten)868Han van Dijk, Lectoraat Beroepsonderwijs (Hogeschool Utrecht), Utrecht 3.056wo 16:15 – 17:15 Aanleiding Nieuwe wetenschappelijke inzichten vinden vaak slechts gedeeltelijk en pas na lange tijd hun weg naar de klinische praktijk (Chambers, 2018). Professionaliseringstrajecten gericht op kennisoverdracht leiden maar beperkt tot veranderingen in het handelingsrepertoire (Simpson et al., 2021). Dit is zichtbaar in de fysiotherapeutische zorg voor patiënten met chronische pijn waar het biopsychosociaal (BPS-) perspectief, met niet alleen aandacht voor lichaam (bio), maar ook voor psychologische en sociale factoren, wordt geadviseerd. Fysiotherapeuten vinden dit moeilijk en ervaren een tekort in kennis, vaardigheden en zelfvertrouwen (van Dijk et al., 2023). Achtergrond en theoretisch kader Het PAIN-project onderzoekt hoe fysiotherapeuten kunnen leren vanuit een BPS-perspectief te behandelen. In co-design is een werkpleklerenprogramma ontwikkeld dat het aanleren van dit nieuwe handelingsrepertoire faciliteert (Unwin, 2009; van Dijk et al., 2025). Vanuit implementatieperspectief is het van belang of professionals het geleerde daadwerkelijk in hun dagelijkse praktijk toepassen (Borrelli, 2011; Walton, 2023). Deze deelstudie evalueert in hoeverre fysiotherapeuten het handelingsrepertoire vanuit BPS-perspectief na deelname aan het werkpleklerenprogramma toepassen. Relevantie Werken vanuit een BPS‑perspectief vraagt om nieuw en adaptief professioneel handelen dat verder reikt dan de initiële opleiding. De beroepspraktijk vraagt om complexere vaardigheden, zoals het afwegen van verschillende perspectieven en situationeel handelen. Omdat dit handelen, gezien de heterogeniteit van patiënten, sterk context‑ en interactieafhankelijk is laat het handelingsrepertoire zich niet eenvoudig vangen in vaste beoordelingscriteria. Dialoog/interactie Tijdens het rondetafelsessie gaan we graag in gesprek over de inzichten uit de eerdere deelstudies (het ontwerp van het werkpleklerenprogramma en de ervaringen van fysiotherapeuten) en de volgende stap richting evaluatie. Centrale vragen daarbij zijn: Hoe krijgen we een rijk en realistisch beeld van het handelingsrepertoire in de behandelkamer? Hoe ontwikkelen we een onderzoeksinstrument dat recht doet aan nieuw, context- en interactieafhankelijk handelen bij chronische pijn? Hoe kunnen we ontwikkelde inzichten bruikbaar maken voor deze en vergelijkbare vraagstukken? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)768Rachelle van Harn, Open Universiteit, Heerlen 3.056wo 16:15 – 17:15 Het mbo ondersteunt studenten in hun ontwikkeling tot volwaardige leden van beroepsgemeenschappen. Dit vraagt om de ontwikkeling van beroepskennis, een handelingsrepertoire en een beroepsidentiteit (Koopman et al., 2025). Deze ontwikkeling wordt ondersteund in een verscheidenheid aan leercontexten, zoals theorielessen, vaardigheidstrainingen, projectonderwijs en stages (Bouw et al., 2021), en vraagt om een langlopend leerproces in en over grenzen van leercontexten. In dit promotieonderzoek staat het expliciteren van langlopende leerprocessen centraal. Het is methodologisch uitdagend om diepgaand inzicht te krijgen in het leerproces én het leren voor een beroep als langlopend proces te beschrijven. Dit promotieonderzoek start met een methodologische deelstudie. De onderzoeksvraag: hoe krijgen we zicht op langlopende leerprocessen van mbo-studenten voor de ontwikkeling van beroepskennis, handelingsrepertoire en beroepsidentiteit, gebruikmakend van vier centrale concepten? Eerder onderzoek biedt namelijk vier bruikbare concepten die helpen leren voor een beroep te duiden: continue progressieve recontextualisatie (Heusdens et al., 2018), sense-making, meaning-making (Bijlsma et al., 2016) en het proces van belonging, becoming en being (Chan, 2013). In deze deelstudie wordt een geschikt onderzoeksinstrumentarium ontwikkeld om leren te onderzoeken vanuit deze concepten als lenzen. Een combinatie van observaties, reflection-in-action-interviews, reflection-on-action-interviews en tijdlijninterviews werd met zes studenten uitgeprobeerd. Met deze instrumenten beogen we inzicht te krijgen in leren in actie in authentieke situaties en hoe het leerproces over tijd ontwikkelt. De ronde tafel richt zich op de data-analyse. De doelstelling is om gezamenlijk te verkennen hoe je momenten van leren kunt verbinden tot een longitudinaal narratief. We gaan graag in gesprek over vragen als: Hoe analyseer je data op een meetmoment met behulp van de vier centrale concepten? Hoe verbind je geanalyseerde momenten tot een narratief? Hoe geef je dit op een betekenisvolle manier weer? De ronde tafel biedt ruimte voor uitwisseling van inzichten over het zicht krijgen op leren voor een beroep als een langlopend proces. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de methodologische benadering die nodig is om leerprocessen van mbo-studenten te begrijpen in een maatschappij in transitie. Veranderende beroepspraktijken vragen om inzicht in hoe studenten leren in en door leercontexten heen. Deze bijdrage bespreekt hoe een combinatie van (kwalitatieve) onderzoeksinstrumenten het leren van mbo-studenten in samenhang inzichtelijk maakt en zo een stap kunnen zetten in de analyse van het leren voor een beroep als langlopend proces. Daarmee draagt de bijdrage bij aan methodologische verdieping van onderwijsonderzoek dat (het begeleiden van) leren voor een beroep in tijden van transitie wil versterken. Paperpresentatie (30 minuten)485Louise Lambregts, Universiteit Gent, Gent 3.058wo 16:15 – 17:15 Leesvaardigheid is een essentiële vaardigheid binnen onze huidige samenleving. Toch tonen verschillende internationale onderzoeken aan dat Vlaamse leerlingen steeds meer moeite hebben om tekstuele informatie goed te begrijpen (Mullis et al., 2023; OECD, 2023). Daarom introduceerde de Vlaamse regering centrale toetsen leesbegrip in een onderwijscontext die tot dan toe sterk gedecentraliseerd was. Om toegankelijkheid te waarborgen, zijn deze centrale toetsen ontwikkeld volgens het principe van Universal Design for Assessment (Ketterlin-Geller, 2005). Tijdens de toets kunnen leerlingen toetsaanpassingen gebruiken, waaronder een online verklarend woordenboek, een glossarium en een markeerstift. Leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften mogen hun eigen voorleessoftware gebruiken. Onderzoek over hoe leerlingen van verschillende leeftijden deze toetsaanpassingen ervaren en gebruiken tijdens centrale toetsen is eerder beperkt. Daarom werden binnen dit onderzoek cognitieve interviews afgenomen bij acht leerlingen uit het vierde leerjaar (basisonderwijs), dertien leerlingen uit het tweede middelbaar (secundair onderwijs) en éénentwintig leerlingen uit het zesde middelbaar (secundair onderwijs). Deze data werden geanalyseerd aan de hand van een thematische analyse. De eerste resultaten laten zien dat leerlingen over de verschillende leerjaren heen de toetsaanpassingen op een gelijkaardige wijze ervaren. Wanneer leerlingen bijvoorbeeld aangeven dat ze een markeerstift in de klas nauwelijks gebruiken, gebruiken ze die doorgaans ook niet tijdens de centrale toets. Dit sluit aan bij eerder onderzoek, waaruit blijkt dat toetsaanpassingen het meest effectief zijn wanneer ze overeenkomen met de hulpmiddelen die tijdens de reguliere lessen worden ingezet (Elliott et al., 2001). Toch lijkt leeftijd wel een invloed te hebben in de manier waarop leerlingen hulpmiddelen gebruiken. Leerlingen van het zesde jaar secundair geven bijvoorbeeld aan de markeerstift vaker te gebruiken als leesstrategie, in vergelijking met jongere leerlingen. Deze bijdrage heeft als doelstelling inzicht te geven in hoe leerlingen van verschillende leeftijden toetsaanpassingen ervaren en gebruiken, en nodigt deelnemers uit om de relevantie hiervan binnen de eigen onderwijscontext te verkennen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)770Floris Burgers, Radboud Universiteit, Nijmegen, Femke Koekkoek, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.058wo 16:15 – 17:15 Kansenongelijkheid is een hardnekkig probleem dat al jaren hoog op de agenda staat. Ondanks talloze beleidsmaatregelen, wetten en programma’s die gericht zijn op het verminderen van onderwijsongelijkheid blijft de sociaaleconomische achtergrond van leerlingen van invloed op schoolloopbanen (Senior & Salberg, 2025; UNESCO, 2018, p. 3). Wicked problems zoals kansenongelijkheid in het onderwijs kunnen niet door afzonderlijke onderwijsactoren worden opgelost, maar vereisen collectieve actienetwerken: structuren waarin individuen, groepen of organisaties met elkaar samenwerkingen aan een gemeenschappelijk doel (Alexander, 2019). Dit paper presenteert en evalueert een serious game bedoeld om collectieve actienetwerken voor de aanpak van kansenongelijkheid in het onderwijs te bevorderen. Beleidsspellen zijn een veelgebruikt instrument om tot beter beleid te komen voor complexe maatschappelijke problemen als kansenongelijkheid (Duke en Geurts, 2004; Mayer, 2009; Klabbers, 2018; Olejniczak et al., 2018). Ons beleidsspel is bedoeld voor onderwijsactoren binnen eenzelfde gemeente die samen willen werken aan gelijke onderwijskansen. Het spel heeft als doel om het probleembegrip te vergroten, collectieve verantwoordelijkheid voor het realiseren van meer gelijke onderwijskansen tastbaar te maken, en individueel en collectief verandervermogen (change agency) te versterken. Met change agency bedoelen we het ervaren vermogen om, binnen de eigen context, via individuele en gezamenlijke acties bij te dragen aan meer gelijke onderwijskansen (zie o.a. Pantiç et al., 2020; Bandura, 2000). De uitkomsten van een mixed-methods impactevaluatie van het spel worden gepresenteerd. Het beleidsspel is gespeeld in twee Nederlandse gemeenten, met in totaal 60 deelnemers. Deelnemers waren onder andere leerkrachten, ouders, schoolleiders, beleidsmakers en schoolbestuurders. We reflecteren op de mate waarin de speldoelen zijn bereikt, welke speldynamieken daaraan bijdroegen (of juist niet), en in hoeverre het spel een gevoel van individuele en collectieve agency versterkt. Tijdens de ORD-presentatie gaan we met het publiek in gesprek over de implicaties van deze studie voor beleid gericht op wicked problems in het onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In deze bijdrage staat een nieuwe methode om impactvol onderzoek te realiseren centraal. Wicked prbolems als kansenongelijkheid worden vaak verschillend gedefinieerd en oplossingen vragen om acties van veel belanghebbenden. Dat vraagt om transdisciplinaire wetenschap waarbij de focus ligt op het ontwikkelen van een collectief begrip van een kwestie, gebruikmakende van zowel persoonlijke, lokale, strategische als gespecialiseerde kennis. Beleidsspellen bieden een context waarin wetenschappelijke en andere kennisbronnen kunnen worden gebruikt om tot een dergelijk collectieve probleembegrip te komen. Dit verkleint de kloof tussen onderzoek en beleid en vergroot wetenschappelijke impact. Rondetafelgesprek (30 minuten)598Meity Feher, Fontys Lerarenopleiding, Sittard 3.060wo 16:15 – 17:15 Lerarenopleidingen in het hoger onderwijs staan midden in transities zoals flexibilisering, curriculumherontwerp en intensievere samenwerking met het werkveld. Deze veranderingen worden gedragen door teams en vragen om leiderschap dat verder gaat dan hiërarchische aansturing (Hargreaves & Fink, 2006; Fullan, 2016). Gespreid leiderschap, leiderschap dat gedeeld wordt door formele én informele leiders afhankelijk van expertise en situatie, biedt perspectief (Spillane, 2006). De kennis over welke kenmerken van gespreid leiderschap binnen teams die bezig zijn met curriculuminnovaties en hoe dat samenwerken binnen de teams en het functioneren van teams beïnvloedt is beperkt (African & Leithwood, 2018). Bij gespreid leiderschap in teams interfereren spanningen rond loslaten versus controle en vertrouwen versus verantwoording (Smith & Lewis, 2011). Deze bijdrage presenteert en toetst de opzet van een systematische review met de centrale vraag: Welke kenmerken van gespreid leiderschap ondersteunen teams in de context van curriculuminnovaties in het hoger onderwijs? De review volgt PRISMA-richtlijnen (Moher, Liberati, Tetzlaff, & Altman, 2009) en focust op studies in hogeronderwijs contexten. De insteek van deze review is bewust gericht op het hoger onderwijs. De overige deelstudies van dit promotieonderzoek richten zich op de iets smallere context; de lerarenopleidingen. Omdat gespreid leiderschap in niet eerder in de context van lerarenopleidingen is onderzocht richt deze literatuurreview zich op de context van het hoger onderwijs. Doel van de bijdrage is (1) de afbakening en methodologische keuzes van de review te verfijnen (definities, zoekstrings, inclusiecriteria, data-extractie en kwaliteitsbeoordeling) en (2) praktijkrelevante opbrengsten te verhelderen voor lerarenopleidingen die met curriculumtransities bezig zijn. Deelnemers reageren op stellingen en korte fragmenten uit het data-extractieformulier om inclusie-/exclusiebeslissingen en coderingsregels te toetsen, zodat de review zowel theoretisch solide als praktisch bruikbaar wordt. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het hoger onderwijs heeft een sleutelrol in het voorbereiden van startende professionals op maatschappelijke transities. Dat vraagt om curriculuminnovaties waarin invloed en expertise van docententeams via gespreid leiderschap worden benut. Deze bijdrage legt een theoretisch én methodologisch fundament door gespreid leiderschap-kenmerken te identificeren die samenwerking en besluitvorming in curriculumteams ondersteunen, en biedt zo concrete aangrijpingspunten om transities doelgericht vorm te geven in lerarenopleidingen (Spillane, 2006; Fullan, 2016). Rondetafelgesprek (30 minuten)548Rozemarijn Capiau, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.060wo 16:15 – 17:15 In deze tijden van transitie is het ontwikkelen en delen van kennis en innovaties vanuit hoger onderwijsinstellingen belangrijker dan ooit (Hai Taieb, 2024). Om doorbraken te kunnen realiseren in complexe maatschappelijke vraagstukken, zoals arbeidsmarkttekorten en klimaatverandering, moeten hoger onderwijsinstellingen actief samenwerkingsverbanden aangaan die grenzen overstijgen (Rubens, 2017). Deze samenwerkingsverbanden leiden tot vaak spanningen tussen en binnen de organisaties van samenwerkingspartners, vanwege de complexe organisatierealiteit die dit veroorzaakt en verschillen in belangen. Daarnaast kan ook het werken aan meerdere missies van onderwijs, onderzoek en innovatie spanningen veroorzaken binnen de organisatie (Cai, 2017). In managementwetenschappen worden organisatiespanningen gedefinieerd als tegenstrijdige eisen of polariteiten die voortkomen uit complexe en ambigue systemen (Lewis, 2000; Lewis, Andriopoulos, & Smith, 2014; Smith & Lewis, 2011). De tegenstrijdige eisen en polariteiten worden ervaren als spanningen wanneer ze leiden tot stress, angst of ongemak bij leden van de organisatie, of wanneer ze resulteren in beperkingen bij het maken van keuzes en voortgang in organisatorische situaties of conflicten (Putnam et al., 2016). De manier waarop organisaties met deze spanningen omgaan kan bepalen hoe spanningen uitwerken (Cerver Romero et al., 2021) en of ze leiden ze tot schadelijke effecten, zoals lagere prestaties en mislukte innovaties en samenwerkingen (Rey-Garcia et al., 2021; Miron-Spektor et al., 2018) of tot creatieve ideeën en synergie (Schad et al., 2016). In een literatuurstudie (Capiau et al., ingediend) werd onderzocht op welke manier organisaties en professionals met spanningen vanuit innovatieve samenwerkingsverbanden omgaan en hoe hierbij strategieën vanuit het ecosysteem, de onderwijsorganisatie en de individuele professional met elkaar samenhangen. In deze bijdrage zal met behulp van het theoretisch model vanuit de literatuurstudie worden gesproken over de rol van de hoger onderwijsorganisatie bij het omgaan met spanningen. Op interactieve wijze zullen in het gesprek verschillende strategieën worden besproken en uitgediept, zowel theoretisch als praktisch. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)719Isabelle Diepstraten, Fontys Educatie, Tilburg, Martin Vos, Fontys Educatie, Tilburg 3.066wo 16:15 – 17:15 Aanleiding, relevantie, theoretisch kader Po-, vo en mbo-scholen moeten aantonen hoe zij voldoen aan wettelijke eisen burgerschapsonderwijs. Dit vraagt om duidelijke leerlijnen, samenhang binnen het curriculum en een schoolklimaat waarin burgerschap wordt voorgeleefd. Ook lerarenopleidingen moeten deze kaders vertalen naar hun eigen opleidingspraktijk om toekomstige leraren voor te bereiden. Nederlandse jongeren blijven achter in burgerschapscompetenties met grote verschillen tussen schoolsoorten en sociale achtergronden (Daas et al., 2023). Er zijn zorgen over sociale cohesie en polarisatie. Redenen waarom burgerschapswetgeving is aangescherpt (Staatsblad, 2021; Rijksoverheid, 2024). Scholen en lerarenopleidingen houden moeite met het vormgeven van burgerschap: leerdoelen ontbreken vaak, samenhang is beperkt en evaluaties zijn onvoldoende (Inspectie, 2022a+b). Dit komt mede doordat er geen eenduidige definitie van burgerschap bestaat (Expertisepunt Burgerschap, 2024; Biesta, 2021; Van der Ploeg, 2019, 2023; Van Waveren, 2020) en het onderzoek op dit gebied beperkt en gefragmenteerd is (Campell et al., 2019). Nieuwe kerndoelen en kennisbases moeten richting geven (10voordeleraar, 2025; Niewelink & Oostdam, 2021; Pérez-Rodriguez et al., 2024; SLO, 2025). Belangrijk aandachtspunt is dat het niet alleen om onderwijs over burgerschap gaat, maar ook om vorming, waarbij opleidingen functioneren als inclusieve en democratische oefenplaatsen (Rinnooy Kan, 2023; Van Riet, 2023). Daarbij is ‘student and teacher voice’ cruciaal (Cook-Sather, 2020; Gillet-Swan & Baroutsis (2024). Vraag- en doelstelling Het onderzoek heeft tot doel om antwoord te geven op de vraag hoe lerarenopleiders burgerschap momenteel vormgeven en wat zij wenselijk vinden (eerste, afgeronde onderzoeksfase) en tot doel de vraag te beantwoorden hoe zij de gewenste situatie gezamenlijk kunnen ontwikkelen (tweede, nog te starten onderzoeksfase). Dialoog met publiek Conclusie van de eerste onderzoeksfase is dat opleiders Hogeschool X sterker als democratische en inclusieve oefenplaats willen inrichten en vakoverstijgend willen samenwerken rond burgerschapsthema’s. Aan het publiek worden tips gevraagd over mogelijke inhoudelijke en methodische (voor tweede onderzoeksfase) implicaties van deze conclusie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De bijdrage richt zich vooral op de doorwerking van onderwijsonderzoek: vanuit een participatieve methode voor ontwerpgericht onderzoek wordt geprobeerd burgerschapsonderwijs in alle lerarenopleidingen zichtbaar te maken evenals vakoverstijgende burgerschapsvorming. Doel is studenten te faciliteren in het ontwikkelen van vakinhoud en vakdidactiek burgerschap, onder andere zodat ze in hun werkveld aan de nieuwe wettelijke kaders burgerschap kunnen voldoen en daarbij hebben ervaren hoe waardevol daarbij vakoverstijgende samenwerking is: twee ervaringen waar in het werkveld van studenten steeds meer vraag naar is. Rondetafelgesprek (30 minuten)243Koen van der Ven, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam 3.066wo 16:15 – 17:15 De afgelopen jaren is het Nederlandse onderwijs geconfronteerd met een plotselinge en omvangrijke instroom van nieuwkomers. De komst van Oekraïense ontheemden sinds 2022 en de aanhoudende instroom van andere vluchtelingengroepen zorgden in verschillende regio’s voor acute druk op het onderwijsaanbod voor nieuwkomers. Om te borgen dat kinderen en jongeren tijdig onderwijs konden volgen, stelde het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) twee tijdelijke wettelijke kaders vast: de tijdelijke onderwijsvoorzieningen (tov’s) voor Oekraïense leerlingen en de tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen (tnv’s) voor andere nieuwkomers. Binnen deze tijdelijke voorzieningen zijn bewuste concessies gedaan aan aspecten als curriculum, onderwijstijd en inzet van bevoegd personeel. Dit roept fundamentele vragen op over de kwaliteit, toegankelijkheid en duurzaamheid van tijdelijk georganiseerd onderwijs, én over de voorwaarden waaronder tijdelijk beleid kan bijdragen aan structurele oplossingen. In opdracht van OCW voeren SEO Economisch Onderzoek en CAOP/Sardes onderzoek uit naar de inrichting en werking van deze tijdelijke voorzieningen. Het onderzoek naar de tov’s is in 2025 afgerond en wordt in 2026 gepubliceerd; de monitoring van de tnv’s loopt door tot en met 2026. In deze posterpresentatie delen we (voorlopige) onderzoeksresultaten over de wijze waarop scholen en gemeenten tijdelijke voorzieningen vormgeven, welke knelpunten en oplossingsrichtingen zij ervaren, en hoe betrokkenen de balans tussen snelheid, kwaliteit en duurzaamheid beoordelen. De posterpresentatie biedt ruimte voor interactie met deelnemers over de nut en noodzaak van tijdelijke voorzieningen, en over de vraag welke lessen uit deze ervaringen relevant zijn voor toekomstig beleid rond onderwijs aan nieuwkomers. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Tijdelijke nieuwkomersvoorzieningen bevinden zich bij uitstek op het snijvlak van crisis, overgang en structurele verandering. Ze vormen vaak de eerste kennismaking van nieuwkomers met het Nederlandse onderwijssysteem en dwingen onderwijs en beleid om zich snel aan te passen aan veranderende maatschappelijke omstandigheden. Deze bijdrage laat zien hoe tijdelijk beleid fungeert als experimenteerruimte in tijden van transitie, en welke lessen dit oplevert voor de overgang van ad-hoc oplossingen naar duurzaam en inclusief nieuwkomersonderwijs (met het oog op het aanstaande wetsvoorstel). Rondetafelgesprek (30 minuten)804Indy Joosten, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.068wo 16:15 – 17:15 Interesses, gedefinieerd als geprefereerde bezigheden met bepaalde objecten, vormen een belangrijke bron voor leren en betrokkenheid (Akkerman et al., 2020). Adolescenten hebben uiteenlopende interesses, waaronder interesses die aansluiten bij schoolvakken, maar ook interesses die vakoverstijgend of specifieker zijn dan het bestaande curriculum. Voorbeelden zijn interesse in klimaatverandering, terrorisme, of juist specifieke muziekgenres of sporten (Akkerman & Bakker, 2019; Krapp, 2002). Hierdoor blijft het een uitdaging om de interesses van adolescenten te erkennen, ondersteunen, en te integreren in het voortgezet onderwijs (Slot et al., 2020). In Nederland zijn diverse onderwijsinnovaties ontstaan die inzetten op interessegericht leren, zoals kunst-, sport-, techniekprofielscholen en agorascholen. Hoewel deze onderwijsvormen veelbelovend zijn, is er nog weinig bekend over hoe docenten en leerlingen interesses verbinden aan leerstof. Ook theoretisch en empirisch onderzoek naar interesseontwikkeling vanuit sociocultureel perspectief heeft nog beperkt inzicht opgeleverd in welke pedagogische benaderingen bijdragen aan het ondersteunen van interesses van adolescenten (Azevedo, 2019). Om good practices voor de onderwijspraktijk te identificeren en theorie over het ondersteunen van de interesse-ontwikkeling op school verder te kunnen verrijken staat de volgende vraag centraal in dit onderzoek: ‘Hoe kunnen onderwijsprofessionals de interesseontwikkeling van leerlingen in het voortgezet onderwijs ondersteunen?’ Tijdens de ORD willen wij in een rondetafelgesprek met aanwezigen korte datafragmenten analyseren uit onderzoek naar drie – op interessegerichte – middelbare scholen. De uitwisseling biedt ruimte om de interpretatie van de data te verdiepen en te reflecteren op de betekenis van interessegericht onderwijs voor onderwijsinnovatie in het voortgezet onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)774Hanneke Assen, NHL Stenden, Leeuwarden, Rynke Douwes, NHL Stenden, Leeuwarden 3.068wo 16:15 – 17:15 Uit de Monitor Mentale Gezondheid onder hbo- en wo-studenten blijkt dat meer dan 80% van hen angst- en/of depressieve klachten en ervaart 41% van hen prestatiedruk (RIVM, 2025). Hogescholen reageren hierop door studentenwelzijn hoog op de agenda te zetten. Recent zijn verschillende publicaties verschenen waarin ter discussie wordt gesteld of de ondersteuning op welzijn niet te ver doorschiet. Douwes (2023, 2024) onderzocht hoe studentwelzijn een relevante factor is in leren voor studenten en reflecteert kritisch op hoe de ondersteunende rol van docenten daarin vorm kan krijgen. De onderwijsraad (2026) merkt op dat welzijn veelal vanuit de zorgkant en ‘gemedicaliseerd en gepsychologiseerd’ wordt. Volgens Van Damme (2026) proberen docenten door een focus op welzijn frustraties bij studenten zoveel mogelijk weg te nemen. Uit eigen ervaring en die van onze collega’s merken we dat studenten vragen om zekerheid en de neiging hebben zich terug te trekken als het moeilijk wordt. Als oplossing passen docenten vaak dan directieve onderwijsmethoden toe of passen de eisen aan (Assen et al., 2016). Terwijl juist het oefenen met en het leren omgaan met onzekerheid, spanning en frustraties een onderdeel is van leren en persoonlijk ontwikkelen (Onderwijsraad, 2026). Onderwijs hoeft niet altijd leuk te zijn (Dorland, 2023); kwaliteit van onderwijs vraagt om inhoudelijke uitdaging en cognitieve inspanning (Ecclestone & Hayes, 2019). Door omgaan met onzekerheden leren studenten hun eigen coping gedrag herkennen, en bewuster om te gaan met de uitdagingen zowel op persoonlijk als maatschappelijk gebied. Het draagt bij aan het ontwikkelen van weerbaarheid. Vraagstelling van het onderzoek Hoe kunnen docenten frustratie en onzekerheid een plek geven in het onderwijs zodat deze aspecten positief bijdragen aan het leren en ontwikkelen van studenten? Doelstelling van de bijdrage Het verkennen hoe andere hogescholen aankijken tegen dit vraagstuk en van ideeën voor onderzoeksmethoden voor dit onderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage past binnen het thema onderwijs voor transitie omdat het de spanning tussen welzijn en leren adresseert. Transitie vraagt om het ontwikkelen van veerkracht en het omgaan met onzekerheid, frustratie en falen. Hiervoor zijn boundary experiences nodig: situaties waarin studenten buiten hun comfortzone treden en geconfronteerd worden met grenzen van hun kunnen. Juist deze ervaringen stimuleren diepgaand leren en professionele vorming. Door docenten te ondersteunen in het vinden van een balans tussen welzijn en het toelaten van frustratie, creëren we onderwijs dat niet alleen kennis overdraagt, maar studenten voorbereidt op complexe maatschappelijke uitdagingen en duurzame verandering. Paperpresentatie (30 minuten)921Charlotte Arnou, KU Leuven, Leuven 3.070wo 16:15 – 17:15 Teveel leerlingen behalen de vereisten voor basisgeletterdheid niet (De Meyer et al., 2023; Meelissen et al., 2023). Met name leerlingen die het secundair onderwijs starten in de B-stroom (Vlaanderen) en het VMBO (Nederland) zijn laagpresterend (Claes et al., 2023; Meelissen et al., 2023; Schrooten et al., 2022). Deze leerlingen hebben vaker een lage socio-economische status en leerachterstanden. Juiste deze kwetsbare groep is sterk afhankelijk van de onderwijskwaliteit om tot leren te komen (Rakesh et al., 2025). Echter, authors (2024) observeerden dat er in de B-stroom veel leertijd verloren gaat, leerlingen weinig tot hogere orde denken en complexe vaardigheden aangezet worden en weinig uitdagende opdrachten krijgen. Het realiseren van krachtige leeromgevingen voor leerlingen die moeilijk tot leren komen is dus uitdagend voor leraren. Hoe kunnen lerarenteams krachtige leeromgevingen realiseren voor leerlingen in de B-stroom? Welke contextfactoren ondersteunen hen hierin? We onderzochten in vier succesvolle B-stroom-scholen welke onderwijspraktijken en schoolcontextfactoren bijdragen tot het realiseren van krachtige leeromgevingen voor laagpresterende leerlingen. Twee types van praktijken worden door de respondenten naar voren geschoven als effectief voor de B-stroom: ondersteuning van collega’s tijdens de les en vakoverschrijdende leeractiviteiten. De implementatie varieert van school tot school. Door de leraren worden de sociale factoren zoals respect, vertrouwen en samenwerkingstijd, professionele ontwikkeling, ruimte voor innovatie en ondersteuning van de schoolleider aangehaald als ondersteunend. In deze paperpresentatie gaan we in discussie over de implicaties van de gevonden praktijken voor onderzoek, de lerarenopleiding en de scholen. We nodigen het publiek uit om de vertaalslag te maken naar hun eigen context – wat betekenen deze inzichten voor jouw praktijk – en na te denken over het onderwijsonderzoek in complexe contexten zoals de B-stroom en het VMBO. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In deze volatiele kennissamenleving is basisgeletterdheid cruciaal voor maatschappelijke participatie en het uitbouwen van een duurzame loopbaan De kloof die hier ontstaat in de B-stroom (of vergelijkbaar, VMBO-basis en praktijkonderwijs) vraagt niet om ‘meer van hetzelfde’, maar daagt schoolteams uit om out-of-the-box te denken en op zoek te gaan naar praktijken om deze leerlingen optimaal tot leren te laten komen. Het onderzoek toont hoe een transitie naar meer samenwerking en ruimte voor vakoverschrijdend onderwijs hieraan bijdraagt. Daarbij identificeren we de factoren die schoolteams ondersteunen in deze veranderingen. Hiermee bieden we een evidence-informed perspectief op onderwijs voor de meest kwetsbare jongeren. Paperpresentatie (30 minuten)830Djoerd de Graaf, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam, Lisette Hornstra, Universiteit Utrecht, Utrecht, Harriët Prins, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam 3.070wo 16:15 – 17:15 Aanleiding en achtergrond Veel leerlingen met begaafdheidskenmerken realiseren niet hun volledige potentieel (zie bijv. Siegle & McCoach, 2018). Hoewel veel scholen specifieke voorzieningen hebben voor begaafde leerlingen, is empirische kennis over de daadwerkelijke impact ervan beperkt. Dit onderzoek richt zich op het meten van deze impact. Theoretisch kader Onderwijsaanpassingen worden in toenemende mate geïmplementeerd in scholen, met het doel een beter passend aanbod voor begaafde leerlingen te realiseren (De Boer et al., 2013). Er is echter een grote verscheidenheid in de doelgroep, doelen en inhoud van de onderwijsaanpassingen (Suijkerbuik et al., 2021). Om een passend onderwijsaanbod voor leerlingen met begaafdheidskenmerken te kunnen realiseren, is het belangrijk dat de doelgroep, doelen en inhoud van de onderwijsaanpassingen goed op elkaar aansluiten. Onderzoeksvragen De voornaamste onderzoeksvragen zijn: 1. Welke onderwijsaanpassingen voor begaafde leerlingen bieden scholen in het funderend onderwijs aan en met welk doel? 2. Hoe worden leerlingen geselecteerd voor deze onderwijsaanpassingen? 3. Wat is de impact van deze onderwijsaanpassingen op de ontwikkeling van leerlingen, en in hoeverre hangt die samen met de vormgeving en selectie? Bijdrage Dit onderzoek laat zien hoe onderwijsaanpassingen door begaafde leerlingen in de praktijk worden ervaren en in hoeverre ze meetbare impact hebben. Door grootschalige bevraging van leerlingen en coördinatoren op twee meetmomenten (2022 en 2024), hebben we de ontwikkeling van leerlingen gevolgd, waardoor we uniek inzicht kunnen bieden in wat de onderwijsaanpassingen opleveren en hoe ze worden ervaren. Daarmee biedt dit onderzoek concrete aanknopingspunten om het aanbod voor begaafde leerlingen gerichter, consistenter en effectiever in te zetten. Tijdens de bijdrage wordt het publiek actief betrokken door samen te reflecteren op vragen als: wie is eigenlijk de doelgroep van deze onderwijsaanpassing? en welk ontwikkeldoel staat centraal? Aan de hand van de onderzoeksresultaten worden deelnemers uitgenodigd op hun eigen praktijkervaringen te reflecteren en te verkennen waar aanscherping mogelijk is. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (60 minuten)471Jan Baan, Vrije Universiteit, Amsterdam, Judith ’t Gilde, Vrije Universiteit, Amsterdam 3.072wo 16:15 – 17:15 Aanleiding en vraagstelling De Nederlandse overheid streeft ernaar dat reguliere basisscholen in 2035 inclusief zijn. Voor deze transitie is inzicht nodig in effectieve praktijken die scholen helpen inclusiever te worden. In de literatuur worden sleutelfactoren genoemd zoals transformationeel en gespreid leiderschap, een gedeelde visie, een inclusieve schoolcultuur en ruimte voor professionele ontwikkeling (Ainscow & Sandill, 2010; Booth & Ainscow, 2011; Ainscow, 2024). Tegelijkertijd signaleren recente studies een gebrek aan empirisch onderzoek naar wat in de praktijk daadwerkelijk werkt, met name binnen specifieke schoolcontexten (Amor et al., 2019; Ainscow, 2020, 2024). In Nederland zijn scholen die zich succesvol hebben ontwikkeld tot voorbeeldscholen van inclusief onderwijs en waardevolle inzichten bieden voor andere scholen. De auteurs hebben verkennend onderzoek gedaan op zeven voorbeeldscholen en voeren momenteel verdiepend onderzoek uit op twee daarvan. Een volgende stap is het opzetten van een effectstudie naar werkzame elementen in de ontwikkeling van inclusief onderwijs. In dit onderzoek staan twee vragen centraal: Hoe wordt inclusief onderwijs vormgegeven in Nederlandse voorbeeldscholen? Welke werkzame elementen binnen twee voorbeeldscholen dragen bij aan de ontwikkeling richting een inclusieve school? Doelstelling Deze sessie biedt inzicht in hoe inclusief onderwijs wordt vormgegeven in zeven Nederlandse voorbeeldscholen en nodigt deelnemers uit om gezamenlijk te reflecteren op de bevindingen. Daarnaast wordt input opgehaald uit het publiek ter ondersteuning van ontwerpkeuzes voor een toekomstige effectenstudie naar werkzame elementen van inclusief onderwijs. Dialoog, interactie met publiek De sessie start met een korte denkvraag over inclusief onderwijs. Vervolgens worden in circa tien minuten de context, onderzoeksopzet en kernbevindingen gepresenteerd. Daarna werken deelnemers in twee interactieve rondes in kleine groepen. Eerst reflecteren zij op de bevindingen: wat opvalt, ontbreekt en welke mechanismen lijken cruciaal of contextgebonden zijn. Daarna denken deelnemers mee over de opzet van een effectenstudie, waaronder wat gemeten kan worden, bij wie en hoe. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)704Dorieke Swinkels-Veldt, Fontys Educatie, Tilburg 3.088wo 16:15 – 17:15 Aanvankelijk verwees het didactisch contract (DC), geïntroduceerd door Brousseau (1980) en Schubauer-Leoni (1986), naar de impliciete, wederzijdse verwachtingen tussen leraar en leerling binnen het Franse wiskundeonderwijs. Het omvatte de gebruikelijke werkwijzen van de leraar en het bijbehorende gedrag van leerlingen wanneer zij wiskundige problemen oplossen. Leerlingen moeten daarbij vragen, informatie en beperkingen vanuit de didactische aanpak van de leraar interpreteren. In deze vroege fase had de wiskundige kennis zelf de hoofdrol (Brousseau 1980; 1997), maar inmiddels lijkt bijvoorbeeld de manier waaróp die vakinhoud wordt behandeld van grotere invloed (Kuzniak & Masselin, 2024). Ons onderwijs is al enkele decennia aan veranderingen onderhevig vanwege de noodzaak om bij de top van de kenniseconomie te blijven horen (Fullan, 2007; Hanushek & Woessmann, 2023) en omdat de gebrekkige motivatie van leerlingen ons zorgen baart (Wijsman et al., 2018; OECD, 2021). Als een leraar een nieuw DC invoert vanuit innovatieve praktijken zoals probleemgestuurd leren, kan dit conflicteren met de impliciete verwachtingen van de leerlingen; het kan spanningen oproepen (Artigue & Blomhøj, 2013). Een oud DC belemmert het leren wanneer leerlingen het toepassen in een nieuwe, andere context (Ferretti & Giberti, 2021), maar een nieuw DC vormgeven is intensief en kwetsbaar (Hildebrand, 1999; Avishai & Palatnik, 2022). Door het impliciete DC wetenschappelijk te definiëren en te expliciteren is het mogelijk dit fenomeen ook in de praktijk beter te hanteren. De leraar en leerlingen kunnen bijvoorbeeld gezamenlijk betekenis aan het DC geven, op zodanige wijze dat het leren van de leerling bevorderd wordt. Om tot een eerste beschrijvend raamwerk van DCs te komen, is een literatuurstudie uitgevoerd naar kenmerken en beïnvloedende factoren. Het doel van deze paperpresentatie is om het raamwerk en overige bevindingen uit de literatuurstudie te delen. Het publiek wordt gevraagd naar herkenbaarheid van de bevindingen, inclusief koppeling aan praktijksituaties. Vervolgstappen en toepassingsmogelijkheden worden bediscussieerd. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ VOR Leren & Instructie stelt de vraag: Hoe kunnen docenten effectieve leeromgevingen ontwerpen waarin ruimte is voor dialoog, inclusie en innovatie? Wederzijdse verwachtingen en verantwoordelijkheden in leeromgeving en interactie die onuitgesproken blijven, zijn niettemin van invloed op een eventuele nieuwe manier van werken. Wanneer het DC zichtbaar en bespreekbaar wordt, kan het implementeren van innovaties soepeler verlopen. Bovendien krijgen leerlingen die door verschillende oorzaken moeite hebben met het interpreteren van de verwachtingen dan meer kans om mee te doen. Daaraan kan de theorieontwikkeling rondom het concept DC uit deze literatuurstudie een positieve bijdrage leveren. Paperpresentatie (30 minuten)809Chayenne Smeets, ROA – Maastricht University, Maastricht 3.088wo 16:15 – 17:15 Voortijdig schoolverlaten in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in Nederland is toegenomen na de COVID-19-pandemie, een periode waarin de interactie met medeleerlingen en docenten door onderwijs op afstand sterk werd beperkt. Deze studie onderzoekt hoe sociale relaties, zowel met docenten als met klasgenoten, van invloed zijn op de beslissing van mbo-studenten om de opleiding voortijdig te verlaten. De bevindingen leveren een bijdrage aan de literatuur over het belang van sociale relaties voor studievoortgang, met name tijdens perioden van onderwijsverstoring. Het doel van deze bijdrage is het analyseren van de samenhang tussen sociale relaties en studievoortgang in het mbo, met speciale aandacht voor verschillen tussen cohorten van vóór de pandemie en cohorten die tijdens de COVID-19-pandemie onderwijs volgden. Daarnaast nodigt de studie uit tot discussie over hoe sociale relaties in het onderwijs beter kunnen worden ondersteund en welke beleids- en praktijkinterventies effectief kunnen zijn om studievoortgang te bevorderen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie145Julia van Leeuwen, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.090wo 16:15 – 17:15 Augmented Reality (AR) en Virtual Reality (VR) zijn veelbelovende technologieën om motivatie en kennis bij leerlingen in het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) te verhogen in STEM-vakken zoals scheikunde, natuurkunde en biologie (Lara-Alvarez et al., 2023). Het ontbreekt docenten echter aan voldoende kennis en vaardigheden om AR en VR effectief te gebruiken (Alalwan et al., 2020). In deze bijdrage presenteren we het ontwikkelproces van een praktisch toepasbare en wetenschappelijk onderbouwde docentprofessionalisering, gericht op het effectief inzetten van AR en VR in het onderwijs. Deze docentprofessionalisering is ontwikkeld vanuit een Educational Design Research (EDR)-benadering (Van den Akker et al., 2006), in co-creatie tussen onderzoekers en expert-leraren uit het po en vo. Deelnemers hadden expertise op het gebied van STEM-vakken, technologie en docentprofessionalisering. Samenwerking wordt gezien als cruciaal voor de ontwikkeling van effectieve docentprofessionalisering (Van Veen et al., 2010): diversiteit in expertise bevordert de ontwikkeling van docentprofessionalisering die aansluit bij de behoeften van de onderwijspraktijk. Daarnaast vormt een co-creatieproces een vruchtbare context voor collectieve professionele groei van deelnemers (Ko et al., 2022). De nadruk in onderzoek naar co-creatieprocessen heeft vooral gelegen op de uitkomsten van deze processen, en minder op het proces zelf (Walkoe & Luna, 2020). In onze bijdrage onderzoeken we juist een combinatie van enerzijds het leerproces dat plaatsvindt tijdens de co-creatie en anderzijds het resultaat en de toegevoegde waarde van dit proces voor onderwijsontwikkeling. Daarom staan de volgende onderzoeksvragen centraal: 1. Hoe ervaren expert-leraren samenwerken in een co-creatieteam, waarin zij gezamenlijk met wetenschappers een docentprofessionalisering ontwikkelen? 2. Hoe beschrijven expert-leraren hun leerervaringen tijdens het co-creatieproces? 3. Hoe evalueren expert-leraren het resultaat en de meerwaarde van het co-creatieproces? We gaan graag in gesprek met het publiek over de vormgeving van co-creatieprocessen vanuit een EDR-perspectief, en het nut en de haalbaarheid hiervan voor wetenschap en onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie500Seher Sayin, School of Health Professions Education, Maastricht 3.090wo 16:15 – 17:15 De opkomst van kunstmatige intelligentie, globalisering en interdisciplinair onderwijs zijn slechts enkele voorbeelden van uitdagingen waarmee docenten in het hoger onderwijs worden geconfronteerd (Detoni et al., 2025; Sørensen & Stenalt, 2025; Verano-Tacoronte et al., 2025). Deze uitdagingen vereisen dat docenten hun onderwijs herzien (Zhang et al., 2025), hoewel dit niet vanzelfsprekend is in een onderwijscontext waar prioriteit vaak ligt bij efficiëntie in plaats van innovatie (Kinchin, 2016; Yousaf et al., 2025). Docent professionalisering zou docenten kunnen helpen met deze uitdagingen om te gaan door het stimuleren van de ontwikkeling van adaptieve expertise (Ragupathi, 2021; Steinert et al., 2021). Adaptieve expertise is het vermogen om met nieuwe situaties om te gaan, dankzij een diep begrip van het waarom achter routines (Hatano & Inagaki, 1986). Eerdere studies gaven aan dat bepaalde principes – zoals koppelen van theorie en praktijk, samen leren, experimenteren, en reflecteren op het waarom – van nut zouden kunnen zijn om adaptieve expertise te ontwikkelen (Hatano & Inagaki, 1986; Mylopoulos et al., 2018; Pelgrim et al., 2022; Sayin et al., 2025). Tegelijkertijd wordt adaptieve expertise beïnvloedt door de leer-en werkcontext, denk aan een lerende organisatie en een innovatie klimaat (Park & Park, 2019; Pelgrim et al., 2022). Deze studie richt zich op twee hiaten in de literatuur. Ten eerste verkent deze studie de opvattingen van docent opleiders over adaptieve expertise ontwikkeling via docent professionalisering. Ten tweede beoogt deze studie inzicht te verkrijgen in de opvattingen van docent opleiders over organisationele factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van adaptieve expertise. Hoe denken docent opleiders dat de huidige docent professionaliseringsinitiatieven adaptieve expertise van docenten bij het ontwerpen en geven van onderwijs verbeteren? Welke organisatorische of institutionele factoren zien docent opleiders als bevorderlijk of belemmerend voor de ontwikkeling van adaptieve expertise van docenten bij het ontwerpen en geven van onderwijs? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze studie richt zich op het voorbereiden van docenten op transities en uitdagingen in het onderwijs middels docent professionalisering. Het gebruikt “de lens” (theorie) van adaptieve expertise om docent professionalisering te analyseren. Posterpresentatie656Indira Wakelkamp, Lectoraat Meertaligheid in Onderwijs, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.090wo 16:15 – 17:15 Door toenemende internationalisering in grootstedelijke regio’s groeit het aantal meertalige internationale leerlingen dat internationaal onderwijs volgt en vervolgens doorstroomt naar het reguliere Nederlandse (vervolg)onderwijs. In deze overgang speelt taal een cruciale rol. Scholen zoeken naar manieren om leerlingen te ondersteunen bij het versterken van hun Nederlandse taalvaardigheid, zonder voorbij te gaan aan hun meertalige repertoire en internationale onderwijsachtergrond. Dit vraagt om onderwijspraktijken die meertaligheid erkennen als kracht en bijdragen aan inclusie en kansrijke doorstroom, waarbij vroeg en doelgericht investeren in taalontwikkeling van groot belang is (Heckman, 2011). Binnen het VINI-project wordt participatief ontwerpgericht implementatieonderzoek (Bakker, 2018) uitgevoerd op The Optimist International School (IO) in de gemeente Haarlemmermeer waar onderwijs vanuit het International Baccalaureate (IB) wordt gestuurd. De focus ligt op het Dutch Enrichment Programme (DEP), dat meertalige internationale leerlingen ondersteunt bij de ontwikkeling van het Nederlands met het oog op doorstroom naar het Nederlandse onderwijs. Het theoretisch kader is gebaseerd op translanguaging (García & Li Wei, 2014; Cenoz & Gorter, 2021) en Functioneel Meertalig Leren (FML) (Sierens & Van Avermaet, 2013). De centrale onderzoeksvraag luidt: hoe wordt er binnen het DEP vormgegeven aan meertalig leren, en hoe sluit deze aanpak aan bij de meertalige visie van het IB, met het oog op de ontwikkeling van een schoolbreed taalbeleid? De deelvragen richten zich op het expliciteren van het pedagogisch-didactisch handelen van DEP-leerkrachten, het identificeren van waardevolle elementen van de DEP-aanpak voor de bredere schoolorganisatie en de positionering van FML binnen het bestaande IB-kader. Voorlopige bevindingen laten zien dat binnen IO meertalige expertise aanwezig is, maar dat deze nog niet effectief wordt vertaald naar DEP. Deze posterpresentatie presenteert het onderzoeksdesign, de analyses van de huidige DEP-praktijk en ontwerpprincipes voor een schoolbreed taalbeleid. Het doel is om te reflecteren op hoe internationale scholen via meertalig taalbeleid kunnen bijdragen aan inclusieve(re) en toekomstbestendige onderwijsroutes. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie708Anne van der Werff, NHL Stenden, Leeuwarden 3.090wo 16:15 – 17:15 Het lerarentekort in het voortgezet onderwijs en mbo is in 2023 opgelopen tot 10.000 FTE. Nog steeds verlaat één op de vijf startende leraren het onderwijs.¹ Deze aanhoudende uitstroom vergroot de werkdruk, die het risico op verdere uitval versterkt en de onderwijskwaliteit dreigt te ondermijnen. De deeltijd-tweedegraads lerarenopleiding wordt steeds belangrijker om de tekorten te verminderen.2,3 Bij NHL Stenden, de lerarenopleider voor Noord-Nederland, stabiliseert het aantal deeltijdstudenten terwijl het aantal voltijdstudenten afneemt. Deeltijdstudenten maken bewust de overstap naar het leraarschap. Ze moeten echter een complexe transitie doormaken vanuit een ander beroep. Dit vraagt niet alleen het verwerven van pedagogisch-didactische vaardigheden, maar ook het ontwikkelen van een nieuwe professionele identiteit (PI). PI omvat het zelfbeeld, de taakopvatting, beroepsmotivatie en het toekomstperspectief van de leraar.4 Het verwerven van een nieuwe PI blijkt voor deeltijdstudenten een uitdagend en dynamisch proces, waarvoor binnen lerarenopleidingen en inductietrajecten nog onvoldoende onderbouwde handvatten beschikbaar zijn. Deze bijdrage maakt deel uit van nieuw onderzoek waarin professionele identiteitsontwikkeling enerzijds theoretisch en anderzijds praktisch wordt onderzocht. Theoretische suggesties zijn dat PI zich ontwikkelt op basis betekenisvolle momenten, d.w.z. positief of negatief ervaren situaties in de dynamische praktijkcontext, aangevuld met reflectie hierop tijdens dialogen.4,5,6,7 Uit gesprekken blijkt dat lerarenopleiders en werkplekbegeleiders willen begrijpen hoe de praktijkcontext de identiteitsontwikkeling van beginnende leraren beïnvloedt, zodat ze hierop kunnen inspelen. Deze bijdrage laat het belang van context en interactie in identiteitsontwikkeling zien. Door het publiek actief te betrekken bij het delen en herkennen van betekenisvolle momenten uit de eigen praktijk, wordt verkend hoe deze momenten benut kunnen worden voor professionele identiteitsontwikkeling. Wat benoemen en herkennen leraren en lerarenopleiders bij zichzelf en hun studenten? Hoe krijgen we zicht op betekenisvolle momenten ten behoeve van professionele identiteitsontwikkeling? Zo verbindt de bijdrage onderzoeksinzichten met praktijkervaringen en ondersteunt zij tegelijk de transformatie van een lerarenopleider naar PhD-kandidaat. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie640Devorah van den Berg, Stichting CAOP, Den Haag, Nynke van Miltenburg, Stichting CAOP, Den Haag, Isabel Voets, Stichting CAOP, Den Haag 3.090wo 16:15 – 17:15 Leraren zijn cruciaal voor de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij stelt regelmatige professionalisering leraren in staat om hun vaardigheden op peil houden en in hun lessen gebruik maken van de nieuwste kennis en inzichten. Bovendien kan professionalisering het imago van het onderwijs en de aantrekkelijkheid van leraarschap een impuls te geven. In het primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) wordt daarom veel geïnvesteerd in de professionalisering van leraren. In de cao po en de cao vo is afgesproken dat leraren jaarlijks recht hebben op een vast bedrag en aantal uren voor professionalisering. Maar het is onbekend hoe tijd en geld voor individuele en collectieve professionalisering in de praktijk binnen schoolorganisaties worden besteed. CAOP en Centerdata onderzoeken daarom in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) professionalisering in schoolorganisaties. In het onderzoek gebruiken we een combinatie van kwalitatieve en kwantitatieve methoden om vier aspecten van professionalisering in schoolorganisaties in kaart te brengen. Ten eerste kijken we hoeveel tijd en geld aan professionalisering wordt besteed, hoe de middelen worden verdeeld tussen bijvoorbeeld individueel/collectief en school-/bestuursniveau en wie welk inzicht heeft in de besteding. Ten tweede onderzoeken we hoe beslissingen ten aanzien van professionalisering worden genomen hoe deelname wordt gemonitord. Ten derde brengen we in beeld welke activiteiten worden ondernomen. Ten slotte kijken we naar de ervaren opbrengsten en borging van professionaliseringsactiviteiten. In de posterpresentatie delen we de resultaten van het onderzoek en gaan we graag in gesprek over de geleerde lessen voor beleid en praktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie29Jimte Ferwerda, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.094wo 16:15 – 17:15 De manier waarop scholen burgerschapsvorming aanbieden, is afhankelijk van factoren zoals actuele maatschappelijke kwesties, ideologie, overheidsstructuur, en filosofische en politieke uitgangspunten (Arthur et al., 2008; Roth & Burbules, 2007). Burgerschapsvorming wordt daardoor beschouwd als een omstreden onderwerp, en er zijn talrijke conceptualisaties ontwikkeld (zie Petroccia & Pitasi, 2019). In lijn met het omstreden karakter van burgerschapsvorming en de veelheid aan ideeën daarover, hebben veel leraren uiteenlopende en vaak onduidelijke opvattingen over wat burgerschapsvorming precies inhoudt, wat het tot een uitdagende en complexe taak maakt (Anderson, 2019; Milligan et al., 2011; Willemse et al., 2015). Dit kan leiden tot ambigue onderwijspraktijken waarbij docenten niet weten hoe ze het burgerschapsonderwijs moeten vormgeven (zie Chong & Cheng, 2025; Cohen, 2016; Duarte, 2023; Goodale, 2025; Willemse et al., 2015). Daarnaast bemoeilijkt het ontbreken van conceptuele helderheid het vaststellen van het type expertise dat nodig is voor effectieve burgerschapsvorming en het identificeren van onderwijspraktijken die deze expertise bevorderen (Guérin et al., 2013). Zoals Leenders en Veugelers (2006) aangeven, vereisen verschillende opvattingen van burgerschap verschillende pedagogische benaderingen, wat de taak van leraren verder compliceert. Dit kwalitatief systematisch literatuuronderzoek naar hedendaagse conceptualisaties van burgerschapsvorming en bijbehorende pedagogische theorieën en schoolpraktijken, biedt een overzicht van conceptualisaties, pedagogische theorieën en schoolpraktijken. Het ondersteunt middelbare schooldocenten bij de interpretatie van burgerschapsvorming, bevordert consistente toepassing, en ondersteunt discussie. Bezoekers van de posterpresentatie krijgen inzicht in de gedeelde kern die onder uiteenlopende conceptualisaties van burgerschapsonderwijs ligt. Daarnaast nodigt de poster uit tot reflectie en discussie over de betekenis van deze ordening voor onderzoek en onderwijspraktijk. Centrale vragen die daarbij aan bod komen zijn onder meer: wanneer is het zinvol om te spreken van verschillende typen burgerschapsonderwijs, en wanneer creëren deze labels vooral conceptuele verwarring? Wat betekenen de gevonden overeenkomsten voor de ontwikkeling van beleid en de ondersteuning van docenten? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie919Gisela van der Velden, Umc Utrecht, Utrecht 3.094wo 16:15 – 17:15 In de wereld van vandaag hebben we veel globale en maatschappelijke problemen, waarvan er veel complex zijn en een interdisciplinaire benadering nodig hebben. Onze samenleving wordt steeds diverser, maar er is weinig diversiteit in onderzoeksteams, deelnemers van klinische studies, proefdieren en cellijnen, wat lijdt tot een hiaat in onze wetenschappelijke kennis. Daarnaast is er een groeiende vraag voor ethische en methodologische overwegingen binnen wetenschappelijk onderzoek door levenswetenschappen en clinici1. Het is noodzakelijk om diversiteit en interdisciplinaire samenwerkingen te bevorderen binnen life sciences onderwijs om te zorgen dat toekomstige professionals ervoor kunnen zorgen dat hun onderzoek op een ethische en inclusieve manier een reflectie is van maatschappelijke behoeftes. Om deze behoefte in ins onderwijs te vullen is er een interdisciplinair programma van zes maanden ontwikkeld binnen de Graduate School of Life Sciences (GSLS) van Universiteit Utrecht. Het Life Sciences and Society programma brengt masterstudenten samen uit alle hoeken van de levenswetenschappen met als doel om studenten te leren wat het belang is van het meenemen van het maatschappelijk perspectief in onderzoeksopzet, waarmee de impact wordt verhoogd van onderzoek en er aan de behoefte van de maatschappij voldaan kan worden. Deze studie onderzoekt het effect van dit programma op de professionele identiteitsvorming van studenten middels semigestructureerde interviews. Posterpresentatie733Teuntje van Heese, Universiteit Utrecht, Utrecht 3.094wo 16:15 – 17:15 Kansenongelijkheid tussen leerlingen met verschillende sociaaleconomische en etnische achtergronden blijkt hardnekkig in het Nederlandse basisonderwijs (CBS, 2025; SER, 2021). Eerder onderzoek richtte zich hierbij vooral op macrosysteemkenmerken, zoals schoolloopbanen en het schooladvies (e.g. Geven et al., 2018), maar ongelijkheid kan ook juist ontstaan in de alledaagse leerkracht-leerling interacties in de klas (Ladson-Billings, 1998; Moffitt et al., 2019). Vragenlijstonderzoek liet al zien dat leerkrachten interacties verschillend ervaren afhankelijk van de sociaaleconomische of etnische achtergrond van leerlingen (Bloem et al., 2023; Nguyen & Le, 2022). Deze studies benaderen interacties echter veelal als een gemiddelde score en doen daarmee beperkt recht aan het dynamische karakter van dagelijkse interacties, waarin verschillen zich vaak subtiel en van moment tot moment voordoen. Deze microvariaties vinden ook eerder onbewust plaats en daarmee buiten de zelfrapportage van leerkrachten en leerlingen. Binnen het veelomvattende kader van de Zelfdeterminatietheorie (ZDT; Deci & Ryan, 1985, 2020) onderzoeken wij daarom met micro-analytische observaties of en hoe leerkrachten differentiëren in hun behoefte-ondersteunende en -ondermijnende gedragingen richting leerlingen met verschillende sociaaleconomische en etnische achtergronden. Hiermee beoogt dit onderzoek inzicht te bieden in hoe deze microdynamieken kunnen bijdragen aan het ontstaan of bestendigen van kansenongelijkheid, en laat daarbij de meerwaarde zien van een micro-analytische, observationele benadering voor het bestuderen van differentiatie in de gedragingen van leerkrachten. In deze studie worden de behoefte-ondersteunende en -ondermijnende gedragingen (m.b.t. autonomie, competentie en verbondenheid) van 32 leerkrachten in het basisonderwijs gecodeerd op basis van een ZDT observatieschema (Loopers et al., 2023) en wordt onderzocht of deze verschillen naar gender, etniciteit en sociaaleconomische status. De data zijn verzameld en worden momenteel verwerkt. De resultaten kunnen worden gepresenteerd tijdens de ORD 2026. De posterpresentatie zal uitnodigen tot dialoog over de interpretatie van mogelijke differentiatiepatronen en methodologische keuzes bij het bestuderen van interacties. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze studie illustreert het thema Onderwijs voor Transitie door inzicht te bieden in hoe onderwijs kan bijdragen aan een rechtvaardige en inclusieve samenleving. Het belicht kansenongelijkheid vanuit een nieuw perspectief door microprocessen in dagelijkse leerkracht-leerling interacties te analyseren. Dit laat zien hoe subtiele, dynamische verschillen in leraargedrag zich van moment tot moment voordoen en ongelijkheid kunnen versterken. Door deze interacties expliciet te maken, ondersteunt de studie reflectie en bewustwording over mogelijke differentiatie op basis van de socio-culturele achtergrond van leerlingen en biedt het concrete handvatten om in de dagelijkse lespraktijk bij te dragen aan een gelijke leeromgeving. Posterpresentatie738Noah Rookmaaker, Universiteit Utrecht, Utrecht, Isa Witteveen, Radboud Universiteit, Nijmegen 3.094wo 16:15 – 17:15 Een van de kerntaken van een universitair docent is de betrokkenheid bij onderwijsonderzoek in de eigen onderwijspraktijk (van Dijk et al., 2020), Scholarship of Teaching and Learning (SoTL) (Fanghanel et al., 2016). Dergelijk praktijkgericht onderzoek kan bijdragen aan het vertalen van onderwijstheorie naar onderwijspraktijk (Heikkinen et al., 2016) en stimuleert de reflectie op het onderwijs en het docentschap (Trigwell, 2013). Hoe SoTL bijdraagt aan de docentprofessionalisering is tot nu toe nauwelijks onderzocht. De invloed van de deelname aan SoTL op teacher self-efficacy (Bandura, 1997; Luo et al., 2024) is bijvoorbeeld nog onduidelijk. Een verduidelijking hiervan is relevant voor de onderwijskwaliteit. Docenten met een hogere mate van teacher self-efficacy passen namelijk eerder innovaties toe en gaan effectiever om met onderwijsuitdagingen (Li, 2023). Deze studie onderzoekt hoe SoTL niet alleen innovatie, maar ook duurzame professionalisering kan ondersteunen. De onderzoeksvraag luidt: Hoe beïnvloedt betrokkenheid bij SoTL-programma’s de self-efficacy van docenten in hun onderwijspraktijk en waarom? In het huidige onderzoek zijn 12 docenten van drie verschillende universiteiten geïnterviewd. Ze namen deel aan een SoTL-programma binnen hun eigen instelling. De interviews bevroegen de motivatie voor deelname, ervaren ondersteuning en hun teacher self-efficacy tijdens en na het programma. De interviews zijn thematisch geanalyseerd om de interactie tussen SoTL-activiteiten en docenten hun self-efficacy te bestuderen. Hoewel professionalisering niet het primaire doel van veel SoTL-programma’s is, laten de bevindingen zien dat deelname bij kan dragen aan een verhoogd teacher self-efficacy, maar dat structurele reflectie die hiervoor nodig is vaak ontbreekt. Verder omschrijven alle deelnemers een verandering in onderwijspraktijk en benoemt een deel een nieuwe visie op onderwijs te hebben ontwikkeld. Het inbedden van reflectie en andere interventies die self-efficacy versterken, kan het potentieel van SoTL vergroten. Zowel voor onderwijskwaliteitsverbetering als duurzame docentontwikkeling. De resultaten bieden hiermee concrete handvaten voor onderwijsinstellingen die inspelen op een maatschappij in transitie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie752Petrie van der Zanden, Radboud Universiteit, Nijmegen 3.094wo 16:15 – 17:15 De overgang naar de universiteit vraagt van studenten dat zij zich aanpassen op academisch, sociaal en persoonlijk vlak. Eerder onderzoek laat zien dat eerstejaars eerste-generatiestudenten – studenten van wie geen ouder hoger onderwijs heeft gevolgd– een groter risico lopen op lagere studieresultaten en studie-uitval (Weisen et al., 2024). Een vaak genoemde verklaring is dat zij minder cultureel kapitaal vanuit hun gezin meekrijgen, waardoor dominante waarden, gebruiken en taal binnen de universiteit minder vertrouwd zijn (Gillen-O’Neel, 2021; Soria & Stebleton, 2012). Ook zouden zij zich minder kunnen identificeren met de identiteit als universiteitsstudent. Daarmee samenhangend kunnen ze zich vervreemd voelen van studiegenoten wat het aangaan van vriendschappen bemoeilijkt. Als gevolg hiervan ervaren eerste-generatiestudenten mogelijk een lagere bevrediging van hun psychologische behoeften aan verbondenheid, competentie en autonomie binnen de universitaire context. Echter, recent onderzoek benadrukt grote variatie binnen de groep eerste-generatiestudenten. Zij brengen uiteenlopende middelen en ervaringen mee die hun sociale en academische aanpassing kunnen beïnvloeden (Bueker, 2022; Ivemark & Ambrose, 2021). Dit suggereert dat de groep eerste-generatiestudenten minder homogeen is dan vaak wordt aangenomen. Deze studie onderzoekt deze diversiteit door zich te richten op de mate waarin eerstejaars eerste-generatiestudenten hun psychologische basisbehoeften bevredigd zien. De onderzoeksvragen zijn: (1) In welke mate ervaren eerstejaars eerste‑generatiestudenten bevrediging van de behoeften aan autonomie, competentie en verbondenheid binnen hun studie, en verschillen zij hierin van eerstejaars niet eerste-generatiestudenten? (2) Kunnen binnen de groep eerstejaars eerste‑generatiestudenten subgroepen worden onderscheiden op basis van hun ervaren behoeftebevrediging? (3) Verschillen deze subgroepen in motivatie, studietevredenheid en academische prestaties? Met vragenlijstdata zijn deze vragen beantwoord. Tijdens de posterpresentatie worden eerste resultaten gepresenteerd en bediscussieerd: Is het label eerste-generatiestudent wellicht te breed? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het onderzoek draagt bij aan theorievorming en we hebben oog voor hoe de opbrengsten van het onderzoek bij kunnen dragen aan de transitie van het hoger onderwijs. Posterpresentatie605Leonie Brummer, Universiteit Utrecht, Utrecht 3.094wo 16:15 – 17:15 First-year university students face many challenges pertaining to adjusting to the different educational landscape of universities (Van Rooij et al., 2017). Furthermore, students are required to—somewhat rapidly—familiarize with and master academic skills (e.g., Goldingay et al., 2014; Van Rooij et al., 2017). This comes with additional challenges for teachers: students’ needs or wants often exceed the time teachers can allocate to (individual) students, in particular as the group of first-year university students can be considered heterogenous. Furthermore, students might have a persistent feeling of incompetence, pertaining to a lack of self-efficacy. E-learning allows students to practice with relevant skills whilst, at the same time, promote study techniques such as planning and spaced learning (Schwerter et al., 2022). The content in e-learnings is often scaffolded to help students master relevant skills (Puntambekar, 2022) and to engage them by incorporating several scientific articles with different viewpoints (Cekiso et al., 2025). By closely relating the content of the e-learnings to the mandatory curriculum instead of covering the same content, student receive relevant practice in disciplinary contexts (De Henau, 2024; Pilcher & Richards, 2025). Moreover, such targeted practice is also reasoned to influence self-efficacy and study performance (Butler, 2025). An e-module was specifically designed to offer scaffolded and optional practice of academic skills. This e-module has been piloted to examine on a small(er) scale how the e-module would be perceived. The aforementioned pilot study yielded positive results: mentor students and teachers thought the e-module would offer relevant practice, although potential obstacles were mentioned (e.g., time investment, planning). To subsequently examine the implementation of this scaffolded and optional e-module, alongside the mandatory curriculum, we conducted a quasi-experimental study to examine the effect of the e-module on self-efficacy and study performance. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (60 minuten)812Tim Schokker, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Den Haag, Maarten Vollenbroek, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Den Haag 5.052wo 16:15 – 17:15 Strategische Agenda OCW richting 2050: Navigeren tussen wetenschappelijke kennis en toekomstige onzekerheden De wereld om ons heen verandert op meerdere vlakken tegelijkertijd. Technologisch, (geo)politiek, ecologisch, economisch en demografisch, zo blijkt uit tal van (inter)nationale trendrapporten. Tegen de achtergrond van diverse (inter)nationale trendanalyses heeft het ministerie van OCW de balans opgemaakt: wat zijn de opgaven voor de lange termijn? In deze sessie presenteren twee strategen van OCW de Strategische Agenda OCW richting 2050. Zij schetsen de grote vraagstukken en dilemma’s waar de beleidsterreinen van OCW de komende decennia mee te maken krijgen. Vervolgens voeren ze met de zaal het gesprek over toekomstscenario’s voor het onderwijs. De toekomst is inherent onzeker, maar dat betekent niet dat je er niet systematisch over kunt nadenken. De inzet van het ministerie van OCW is, om de komende periode de opgaven richting 2050 verder te brengen door er over in gesprek te gaan met de onderwijspraktijk en met de wetenschap. Onderwijswetenschappers hebben daarin een cruciale rol, zoals het inbrengen van bestaande kennis, het identificeren van fundamentele vragen en het kritisch bevragen van de vooronderstellingen onder de geformuleerde opgaven. De Strategische Agenda is voor OCW niet het eindpunt van de reis, maar de start en we doen een beroep op de onderwijswetenschappers om die reis samen te maken. Waar de agenda de volle breedte van de OCW-domeinen beslaat, gaan we in het tweede deel van deze sessie met elkaar denken in een aantal toekomstscenario’s voor het onderwijs. Hoe ziet leren in 2050 eruit? Wat geven we de jonge generaties straks in het onderwijs mee? Voor welke arbeidsmarkt leiden we op? Deze denksessie vraagt een dubbele beweging van de deelnemers: het inzetten van wetenschappelijke expertise om tot onderbouwde keuzes te komen, terwijl tegelijkertijd de ‘zekerheden van het nu’ ter discussie worden gesteld. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De Strategische Agenda OCW 2050 laat zien voor welke de transities het onderwijs staat als gevolg van trends als vergrijzing (personeelskrapte), digitalisering en een eeranderende arbeidsmarkt. Het sluit daarmee goed aan bij het congresthema ‘Onderwijs in transitie’. Paperpresentatie (30 minuten)894Leen Bisschop, Odisee Hogeschool, Brussel 7.002wo 16:15 – 17:15 Aanleiding & achtergrond. Jongeren groeien op in een wereld waarin desinformatie over wetenschap wijdverspreid is. Leerkrachten in het secundair onderwijs signaleren vaak onvoldoende handvatten te hebben om leerlingen weerbaar te maken tegen onbetrouwbare wetenschappelijke informatie. Bestaande leermaterialen voor de wetenschapsles focussen voornamelijk op inhoudelijke kennis en bronbeoordeling, maar leerlingen hebben ook nood aan epistemische reflectie: Hoe weet je wat betrouwbaar is? Wanneer is iets waar? Theoretisch kader. Deze studie ligt op de snijlijn tussen onderzoek naar Nature of Science (NoS) en mediawijsheidsonderwijs. Binnen NoS-onderwijsonderzoek wordt benadrukt dat kennis over wetenschap onlosmakelijk verbonden is met inzicht in epistemische processen (OECD, 2019; Chinn e.a., 2014). Epistemische dialogen – strategisch opgebouwde gesprekken over hoe we iets (kunnen) weten – ondersteunen leerlingen in het ontwikkelen van kritisch en reflectief denken (Kuhn, 2018). Mediawijsheidsonderzoek rond inoculatie en prebunking toont dat het vooraf expliciteren van misleidende strategieën weerbaarheid tegen desinformatie kan vergroten (Lewandowsky & Van der Linden, 2021). (Filosofische) dialoog laat hierbij toe dat reflectie en perspectiefwisseling rond kennis worden opgewekt (Mercer & Howe, 2012; Dunlop & De Schrijver, 2020). Doel- & vraagstelling. We ontwikkelen in dit Educational Design Research (2024-2027) een methodiek die via epistemische dialogen weerbaarheid tegenover desinformatie in wetenschap versterkt. De onderzoeksvragen luiden: (OV1) Aan welke ontwerpcriteria moet de methodiek voldoen om leerlingen (15-17j) weerbaar te maken tegen desinformatie over wetenschap? (OV2) Hoe ervaren leraren (in opleiding) de inzetbaarheid en effecten van de methodiek? Het eerste prototype werd onder meer getest via 10 try-outs in 6 scholen. Relevantie. In een tijd waarin desinformatie rond wetenschap steeds vrijer beschikbaar is en tegelijkertijd sterke maatschappelijke implicaties heeft, is het relevant jongeren te leren omgaan met de uitdagingen rond wetenschappelijke desinformatie. Wetenschapsleerkrachten spelen in deze een sleutelrol, maar voor deze doelgroep is in Vlaanderen nog weinig expertise uitgebouwd. Interactie. In een demonstratie-activiteit ervaren deelnemers de methodiek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich zowel op doorwerking van onderwijsonderzoek als op de methodologische benadering die nodig is om onderwijs voor transitie vorm te geven. Het project toont hoe epistemische dialoog leerlingen ondersteunt in het navigeren van complexe maatschappelijke vraagstukken – een kerncompetentie voor transitiegericht onderwijs. Via Educational Design Research verbinden we theorie, praktijk en iteratieve materiaalontwikkeling, wat leidt tot ontwerpcriteria die direct inzetbaar zijn. De interactie met leerkrachten in realistische contexten versterkt de valorisatie en maakt zichtbaar welke professionele ondersteuning nodig is om duurzame impact te realiseren. Paperpresentatie (30 minuten)440Ruth Wouters, UC Leuven-Limburg, Leuven 7.002wo 16:15 – 17:15 Wat moet er op school onderwezen worden, aan wie, wanneer, op welke manier en via welke curriculummaterialen? (Reid, 1999) Het zijn tijdloze onderwijsvragen die steeds opnieuw vereisen dat we er rigoureus en democratisch over nadenken. Transdisciplinaire projecten kunnen legitieme antwoorden op dergelijke complexe vragen faciliteren door het samenbrengen van onderzoekers en praktijkexperts (Harris et al., 2024; Vienni-Baptista, 2024). In voorliggend transdisciplinair onderzoeksproject gingen 32 observatoren (leraren, lerarenopleiders, schoolleiders en onderwijsonderzoekers) en 9 leraren van een casusschool aan de slag. Bedoeling was om de (valorizatiemogelijkheden van) pedagogische praktijken en onderwijsleermaterialen van deze specifieke schoolcasus te documenteren en analyseren. Onderzoeksvragen bij het methodologische onderzoek waren: (1) Wat zijn beoogde en gerealiseerde fasen van transdisciplinair onderwijsonderzoek opdat co-constructie van kennis mogelijk wordt? (2) Wat zijn essentiële stappen en overwegingen bij het plannen en uitvoeren van een transdisciplinair project met onderwijsonderzoekers en praktijkexperts? Een combinatie van collaboratieve etnografie en abductief redeneren werd uitgerold. Collaboratieve etnografie (Lassiter, 2019; Menezes & Smaniotto Costa, 2024) betekende dat observatoren diverse perspectieven inbrachten om pedagogische praktijken en onderwijsmaterialen binnen hun context te begrijpen. Abductief redeneren (Timmermans & Tavory, 2022) vormde het vertrekpunt van daaropvolgende gesprekken: vanuit verrassende, onverwachte observaties (breakdowns) zochten we samen naar plausibele theorievorming. Dit combineren van collaboratieve etnografie en abductief redeneren biedt een veelbelovende methodologische weg voor uitdagende onderwijsvragen. Het proces van observeren, documenteren, abductief redeneren en uitschrijven levert rijke, legitieme kennis op, naast duurzame relaties en vertrouwen tussen academische en praktijkexperts. De benadering is echter tijds- en middelenintensief. Deelnemers van de paperpresentatie worden uitgenodigd te reflecteren op eigen samenwerkingsprojecten tussen onderzoekers en praktijkexperts, en te verkennen hoe transdisciplinariteit kan bijdragen aan onderwijs voor transitie. Meer info: Wouters, R., Cox, A., & Raes, A. (2025). Co-producing knowledge in and about education by combining collaborative ethnography and abductive reasoning. Humanities and Social Sciences Communications, 12, 1405. https://doi.org/10.1057/s41599-025-05721-y Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onderwijs voor transitie heeft baat bij een uitgewerkte methodologische beschrijving van een transdisciplinair project in onderwijs, voorlopig een zeldzaamheid in de onderzoeksliteratuur. Deze bijdrage toont hoe kennisco-productie van academische en praktijkexperts legitieme, nieuwe en handelingsgerichte inzichten kan opleveren. Vrije vorm (90 minuten)615Franck Blokhuis, MBO Amersfoort, Amersfoort, Maaike Koopman, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Ditte Lockhorst, ROC Midden , Utrecht, Ilya Zitter, Hogeschool Utrecht, Utrecht 0.043do 09:00 – 10:30 Aanleiding, relevantie & theoretisch kader Utrecht is één van Nederlands snelst groeiende regio’s (Utrecht Region, 2019) en streeft ernaar om ieders talenten optimaal te benutten en samen te investeren in een toekomstgerichte beroepsbevolking die bijdraagt aan oplossingen voor maatschappelijke transities (Oosterwaal e.a., 2021). De acht mbo- en hbo-instellingen in de regio (Marnix Academie, HKU, HU, MBO Amersfoort, MBO Utrecht, Nimeto, Grafisch Lyceum Utrecht en ROC MN) vormen samen Beroepsonderwijs Utrecht (BOU) om vanuit de publieke functie gezamenlijk maatschappelijke meerwaarde te realiseren, zoals bijdragen aan het opleiden van een toekomstgerichte beroepsbevolking. ‘De regio’ kan worden beschouwd als dé plek waar maatschappelijke opgaven het beste zijn te realiseren (Dreef e.a., 2024). Een regio kan worden gezien als een ecosysteem, een dynamisch regionaal netwerk van bedrijven, maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen en overheden die samenwerken om de innovatie- en concurrentiekracht te versterken (Eimers, red., 2023). Als BOU-(kennis)partners maken we deel uit van het regionale ecosysteem en willen we ook vanuit praktijkonderzoek bijdragen aan versterking hiervan. Vraagstelling Hoe kunnen we als BOU-(kennis)partners bijdragen aan het versterken van regionaal ecosysteem Utrecht door praktijkonderzoek rond beroepsonderwijs in transitie? Doelstelling We willen de discussie voeren over de rol en het belang van praktijkonderzoek rond beroepsonderwijs in transitie. We willen aan de hand van het regionale ecosysteem Utrecht bespreken hoe we vanuit een ecosystemisch perspectief kunnen samenwerken. Dialoog/interactie met publiek We gaan met de deelnemers in dialoog over hoe je vanuit een ecosystemische gedachte kunt samenwerken aan praktijkonderzoek naar het leren van de student en het ambacht van de docent gericht op het opleiden van beroepsprofessionals die bijdragen aan maatschappelijke vraagstukken. We gaan tijdens deze workshop werken met de methode ‘mission mapping’ die we ook als BOU-(kennis)partners hebben ingezet. Deze methode helpt om gezamenlijk inzicht te creëren en om gemene delers en verschillen tastbaar en bespreekbaar te maken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De regio Utrecht is volop in transitie en het beroepsonderwijs kan een sleutelrol vervullen in het opleiden van een toekomstgerichte beroepsbevolking die kan bijdragen aan transitievraagstukken. Dit vraagt ook een transitie van het beroepsonderwijs en van het praktijkgerichte onderzoek dat in en met het beroepsonderwijs wordt verricht. Zowel methodologisch als inhoudelijk ontstaan er vraagstukken. In deze sessie gaan we daarom in dialoog hoe we vanuit ecosystemisch perspectief kunnen bijdragen in de regio aan transitievraagstukken. Vrije vorm (90 minuten)923Pol van Lier, Nationaal Kennisinstituut Onderwijs, Den Haag, Elly de Bruijn, VOR, Leiden, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Open Universiteit, Heerlen, Dirk van Damme, DVD EduConsult, Le Bignon-Mirabeau, Frankrijk, Theo Niessen, Fontys, Eindhoven 0.055do 09:00 – 10:30 Onderwijspraktijk en -beleid kunnen bij het streven naar kwaliteitsversterking gebruik maken van een overvloed aan (onderwijs)onderzoek. Tegelijkertijd is er regelmatig discussie over wat als robuuste kennis kan worden beschouwd en welke vormen van onderzoek de voorkeur hebben. In deze gezamenlijke sessie van het NKO en de VOR zullen twee experts vanuit een verschillend perspectief ingaan op robuuste kennisontwikkeling en paradigmatische meervoudigheid. Dirk van Damme zal in zijn bijdrage ingaan op de overtuiging dat robuuste kennis in het onderwijs niet louter een methodologische kwestie is, maar ook een governancevraagstuk. Het gaat niet alleen om de vraag welke onderzoekstypes het sterkst zijn, maar om de bredere vraag hoe kennisclaims worden geformuleerd, begrensd en vertaald en welke institutionele verantwoordelijkheden daarbij gelden. Als vertrekpunt wordt de evidentiepiramide geschetst waarbij onderzoeksmethoden hiërarchisch worden gerangschikt naar mate van wetenschappelijke robuustheid. In de bijdrage zal verder worden ingegaan op het belang van epistemisch pluralisme, hetgeen impliceert dat verschillende kwalitatieve en kwantitatieve benaderingen elk specifieke sterktes en beperkingen hebben, en dat geen enkel onderzoeksdesign universeel superieur is. Theo Niessen zal ingaan op paradigmatische meervoudigheid in het onderwijsonderzoek. Wanneer onderzoekers het oneens zijn over representativiteit, validiteit of het verklarend karakter van praktijkgericht onderzoek, gaat het zelden over methoden alleen. Het gaat over fundamenteel verschillende aannames over wat werkelijkheid is, wat als kennis telt, en waartoe onderzoek dient. Die aannames blijven opvallend vaak impliciet. Met het Kwadrantenmodel ‘Onderzoek’ (Van der Auweraert & Niessen, 2024) worden de paradigmatische assumpties achter onderzoek bespreekbaar langs twee dimensies: de positie van de onderzoeker (toeschouwer of deelnemer) en de focus van het onderzoek (begrijpen of ingrijpen). Zo ontstaan vier varianten van praktijkgericht onderzoek (ontdekken, toekennen, ontwerpen, transformeren) die elk hun eigen grondslagen hebben, en daarmee ook eigen kwaliteitscriteria. Na de inhoudelijke bijdragen van beide experts is er ruim gelegenheid voor een discussie met de zaal. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Transities in het onderwijs vragen om meervoudige vormen van kennis. Wie complexe maatschappelijke vraagstukken wil adresseren, kan niet volstaan met één type onderzoek. Het epistemisch pluralisme en de paradigmatische meervoudigheid die centraal staan in deze sessie zijn daarmee geen luxe maar een voorwaarde voor een onderzoekspraktijk die daadwerkelijk bijdraagt aan transities in het onderwijs. Papersymposium (90 minuten)307Ilona van Heijst, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Alice Middelkoop, Wageningen University & Research, Wageningen, Edy van Renselaar, Open Universiteit, Heerlen, Martine van Rijswijk (voorzitter), Helma OolbekkinkMarchand (discussiant) 1.022do 09:00 – 10:30 Tijdens dit symposium verkennen we de transitie die zij-instromers doormaken richting het leraarschap, evenals de impact die hun komst heeft op collega’s en scholen. De sessie richt zich op zowel het vo als het mbo en verkent hoe uiteenlopende startposities in opleidings- en werkcontexten samenhangen met vragen rond begeleiding en inductie. De sessie brengt drie complementaire perspectieven samen. Het eerste paper onderzoekt de diversiteit in onderwijsopvattingen bij startende zij-instromers en maakt zichtbaar hoe verschillende configuraties als instroomstartpunten kunnen fungeren. Het tweede paper richt zich op de werkomgeving en belicht de ervaringen van collega’s wanneer zij-instromers met uiteenlopende behoeften en opvattingen de school binnenkomen. Het derde paper verkent inductietrajecten in het mbo en laat, via een multiple casestudy, zien hoe ondersteuning in scholen concreet wordt ontworpen en uitgevoerd. De wetenschappelijke betekenis ligt in het samenbrengen van deze drie invalshoeken binnen één sessie. Door instroomperspectieven, contextperspectieven en ondersteuningspraktijken naast elkaar te plaatsen, biedt het symposium een rijker beeld van professionele transities van zij-instromers. De sessie wordt voorgezeten door Martine van Rijswijk. Elke bijdrage bestaat uit een presentatie van 20 minuten, gevolgd door 10 minuten discussie met het discussant en publiek. Na de drie bijdragen verzorgt discussant Helma Oolbekkink-Marchand een afsluitende wrap-up, waarin de belangrijkste lijnen en spanningsvelden over de drie papers heen worden samengebracht en vertaald naar vragen voor vervolgonderzoek en praktijk. Deze sessie wordt aangeboden door de VOR-divisie Leraar & Lerarenopleiding. Deze divisie biedt activiteiten aan waar onderzoekers op het gebied van leraar en lerarenopleiding elkaar en mensen uit de praktijk van het onderwijs kunnen ontmoeten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Zijinstromers vormen in het mbo al langer een relevante en groeiende instroomgroep (OCW, 2023; NKO, 2022). Tegelijk is uitval onder zijinstromers relatief hoog en vaak verbonden met vroege professionele identiteits (PI) spanningen (Beijaard et al., 2004; Coppe et al., 2022; Van Heijst et al., 2024). In dit onderzoek wordt gekeken naar de diversiteit waarmee mbo-zijinstromers het beroep betreden. Educational beliefs worden daarbij opgevat als onderdeel van PI: zij vormen een basispositie die richting geeft aan hoe leraren “goed onderwijs” begrijpen, welke expertise zij aan het leraarschap toeschrijven en hoe zij opleiding en begeleiding van studenten interpreteren (Pajares, 1992; Denessen, 1999; Canrinus, 2011). Binnen het mbo, waar instroom vanuit diverse beroepspraktijken structureel is, is variatie in startopvattingen aannemelijk (Inspectie van het Onderwijs, 2025). Met surveydata van startende mbo-zijinstromers (N = 196) van cohort 2024 van de Pedagogisch Didactisch Getuigschrift (PDG)-opleiding zijn educational-belief-profielen bepaald op basis van vier schalen (Denessen, 1999; Canrinus et al., 2011) en gerelateerd aan drie PI-percepties (Intrinsic Motivation, Perceived Required Expertise, Perceived Job Demands; Watt & Richardson, 2007) en professionele en demografische achtergrondkenmerken. Een clusteranalyse identificeerde drie profielen: Cluster 1: Strong Hybrid (hoge student- én subjectoriëntatie), Cluster 2: Balanced Hybrid(gematigd hybride) en Cluster 3: Low-Subject-Oriented (relatief lage subjectoriëntatie) (zie Figuur 1). De profielen verschillen duidelijk op alle belief-schalen en in Perceived Required Expertise (middelgroot: η²=.12): Strong en Balanced Hybrid zien het leraarschap als duidelijk expertise-intensiever dan Low-Subject-Oriented. Intrinsic Motvation en Perceived Job Demands verschillen niet; demografie en professional background verklaren weinig. De resultaten tonen dat mbo-zijinstromers niet één homogene groep vormen, maar instromen met uiteenlopende onderwijsopvattingen. Theoretisch onderstreept dit de hybride en gevarieerde aard van belief systemen in het mbo. Praktisch vraagt het om intake en begeleiding die deze startposities expliciteren en benutten voor maatwerk in inductie, zonder profielen als vaste labels te hanteren. Individuele bijdrage 2 Om het lerarentekort aan te pakken worden professionals uit andere sectoren geworven; zij worden aangeduid als zij-instromers. Eerder onderzoek laat zien dat zij-instromers sterk gemotiveerd zijn, maar ook uitdagingen ervaren in hun transitie tot leraar (Ballado, 2022; Tigchelaar et al., 2010; Williams, 2013). Zij ondervinden spanningen rond hun positie als starter en de combinatie van werk, studie en privéleven (Tigchelaar, 2010; Williams, 2013; Van Heijst et al., 2024). Een aanzienlijk deel stopt voortijdig (Dutch Ministry of Education, 2020). De sociale context van de school blijkt een cruciale rol te spelen in de transitie van zij-instromers (Coppe et al., 2022). Ondanks deze belangrijke rol is er nog weinig bekend over het perspectief van collega’s die met zij-instromers werken. Inzicht in hun ervaringen kan bijdragen aan betere ondersteuning en aan begrip van hoe zij-instromers met hun expertise en ervaring collega’s en teams in beweging zetten. In dit onderzoek gebruikten we de Cultuur Historische Activiteiten Theorie (CHAT) (Engeström, 2015) om te begrijpen welke bijdragen en uitdagingen collega’s ervaren wanneer zij-instromers de school binnenkomen. We onderzochten hoe zij als boundary crossers de dynamiek binnen school beïnvloeden (Akkerman & Bakker, 2011; Tsui & Law, 2007). Hiervoor gebruikten we een kwalitatieve onderzoeksopzet: semi-open vragenlijsten (n = 53) en semigestructureerde interviews (n = 26). Resultaten tonen aan dat zij-instromers bij binnenkomst twee leeromgevingen (=activiteitensystemen; AS) betreden: de school als leeromgeving voor leerlingen (AS1) en als leeromgeving voor leraren-in-opleiding (AS2). Collega’s zien dat zij-instromers positief bijdragen aan AS1 door het inbrengen van inhoudelijke kennis, culturele verrijking en organisatorische versterking. Tegelijkertijd ervaren zij uitdagingen binnen AS2, met name rond passende begeleiding en dilemma’s over de rol van zij-instromers als student of expert. De bevindingen laten zien dat de komst van zij-instromers zowel kansen als uitdagingen met zich meebrengt. Collega’s waarderen hun bijdrage, maar zoeken naar een balans in begeleiding. Individuele bijdrage 3 In het mbo werken veel zij-instromers die vanuit hun vakexpertise van hun vorige beroep, de beroepsgerichte vakken verzorgen en daarnaast opgeleid worden tot docent. Helaas stromen veel zij-instromers uit binnen vijf jaar (OECD, 2025). Passende inductietrajecten waarin zij-instromers tegelijkertijd als docent werken en opgeleid worden, zijn daarom van belang (Smith & Ingersoll, 2004). Over passende inductietrajecten voor zij-instromers in het primair en secundair onderwijs is al kennis beschikbaar (Ruitenburg & Tigchelaar, 2021; Keese, 2023), maar er is nog weinig kennis over die voor zij-instromers mbo. Het doel van deze studie (onderdeel van promotieonderzoek) is een beeld geven hoe inductietrajecten voor zij-instromers mbo worden vormgegeven en uitgevoerd. Daarbij wordt voortgebouwd op inzichten vanuit een voorgaande exploratieve studie (van Renselaar et al., 2025) en een reviewstudie (van Renselaar et al., in voorbereiding) waarin centrale thema’s rondom de inductie van zij-instromers zijn geïdentificeerd. De thema’s waren: aandacht voor de beroepsidentiteit ontwikkeling, ontlokken van leerprocessen, collaborative learning, inbreng van de zij-instromer en begeleiding op maat. Om het bovenstaande doel te realiseren is een multiple casestudie (Yin, 2018) uitgevoerd bij drie mbo’s. Per mbo is een ontwerpteam (coördinator werkplekleren en enkele schoolopleiders) en een uitvoeringsteam (in ieder geval een zij-instromer, HR functionaris, teamleider, coach, schoolopleider) van de inductietrajecten in groepsinterviews bevraagd. Interviews waren semi-gestructureerd, waarin gevraagd werd hoe de thema’s uit de voorgaande studies aan bod kwamen in de inductietrajecten. De thema’s zijn in een codeboek verwerkt voor de data-analyse. De voorlopige resultaten tonen dat de drie cases verschillen in de aandacht voor de thema’s die de inductietrajecten passend maken voor het mbo en geven daarmee een beeld van de variëteit aan passende inductietrajecten. Waar bijvoorbeeld het ene mbo de aandacht voor beroepsidentiteitsontwikkeling vooral in het beleid beschrijft, heeft de ander dit uitgewerkt in samenwerking met de lerarenopleiding en concreet vormgegeven in werkvormen. Papersymposium (90 minuten)468Manja Coopmans, Verwey-Jonker Instituut, Utrecht, Remco van Eijkel, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam, Merlijn Karssen, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Esmée Lalihatu, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Merlijn Karssen (voorzitter), Inge Bastiaanssen (discussiant) 1.050do 09:00 – 10:30 Aanleiding achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek waarop de bijdrage gebaseerd is In Nederland zijn er jaarlijks circa 15.000 kinderen en jongeren met een complexe ondersteuningsbehoefte die een verhoogd risico op schooluitval of thuiszitten hebben. Voor deze groep bieden onderwijszorgarrangementen (OZA’s) een maatwerk programma om onderwijs en zorg te combineren en onderwijs toegankelijker te maken. Sinds 1 januari 2023 loopt een vijfjarig onderzoek naar OZA’s, waarin het Kohnstamm Instituut, SEO Economisch Onderzoek, Verwey-Jonker Instituut en Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, in opdracht van het NKO onderzoek doen naar het Experiment Onderwijszorgarrangementen. In dit experiment mogen scholen en samenwerkingsverbanden in het funderend onderwijs, in samenwerking met zorgaanbieders, afwijken van onderwijswetgeving, ook wel OZA’s. Afwijkingen zijn toegestaan op onderwijslocatie, -inhoud, -tijd en financiering. Dit biedt ruimte om onderwijs af te stemmen op leerlingen met intensieve ondersteuningsbehoeften. Vraagstelling en doelstelling van het onderzoek waarop de bijdrage gebaseerd is Centraal staat de vraag: wat werkt, voor wie, onder welke omstandigheden en waarom? Het doel van deze bijdrage is om inzicht te geven in hoe OZA’s bijdragen aan inclusiever onderwijs voor leerlingen die in het reguliere systeem uit beeld dreigen te raken. De sessie belicht OZA’s vanuit verschillende perspectieven, met als doel kennis te delen over de leerlingen die zij bedienen, kenmerken en aanpakken van OZA’s, en de ervaringen van uitvoerend professionals, leerlingen en ouders. Dialoog/interactie met publiek Het symposium wordt interactief vormgegeven met de mogelijkheid tot het stellen van vragen na elke presentatie en een discussant die het gesprek tussen onderzoekers en deelnemers faciliteert en verdiept, zodat de resultaten kunnen worden besproken in relatie tot theorie, praktijk en beleid. Onderbouwing voor de gekozen vorm van de bijdrage In het papersymposiumvorm worden drie subonderzoeken gepresenteerd die de OZA’s vanuit een andere invalshoek belichten en gezamenlijk de contouren zichtbaar maken van het fenomeen ‘OZA’. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Voor de transitie naar passend onderwijs is onderwijs nodig dat voor iedereen passend is: van onderwijsplicht naar ontwikkelrecht. Met het oog op passend onderwijs in 2030 belicht deze bijdrage een grote groep leerlingen die in het huidige stelsel uitvallen. Onderwijszorgarrangementen (OZA’s) bieden leerlingen een combinatie van onderwijs en zorg op een aangepaste manier, waardoor zij zich kunnen ontwikkelen richting participatie in de maatschappij. Om de werkzame mechanismen van OZA’s, hun positie binnen het onderwijsstelsel en de kenmerken van de leerlingen te onderzoeken, zijn meerdere methodologische benaderingen nodig om een volledig en genuanceerd beeld van dit multifactorieel fenomeen te verkrijgen. Individuele bijdrage 1 Achtergrondkenmerken, onderwijs- en zorgpaden van leerlingen in onderwijszorgarrangementen Vraagstelling De secundaire analyses in het eerste monitorrapport OZA hebben als doel inzicht te geven in welke leerlingen deelnemen aan onderwijszorgarrangementen (OZA’s) en hoe zij zich onderscheiden van leerlingen in het regulier en gespecialiseerd onderwijs. Centraal staat de vraag welke achtergrondkenmerken, onderwijs- en zorgpaden samenhangen met OZA-deelname en of binnen de groep OZA-leerlingen herkenbare subgroepen te onderscheiden zijn. Methode Voor de secundaire analyses is gebruikgemaakt van gepseudonimiseerde leerlingdata op persoonsniveau, beschikbaar in de CBS Remote Access-omgeving. Onderwijsdata (DUO), zorgdata (o.a. jeugdhulp, Wlz, medicatiegebruik) en sociaaleconomische achtergrondkenmerken zijn gekoppeld. De analyses bestaan uit beschrijvende vergelijkingen met regulier en gespecialiseerd onderwijs, een logistische regressieanalyse en een Latent Class Analysis om clusters van OZA-leerlingen te identificeren. De uitkomsten zijn geduid in sessies met wetenschappelijke en praktijkexperts. Resultaten De analyses laten zien dat OZA-leerlingen gemiddeld vaker jeugdhulp ontvangen, vaker uit huishoudens met een lage sociaaleconomische status komen en vaker een kwetsbare onderwijsloopbaan hebben. Jeugdhulpgebruik en (somatisch) zorggebruik blijken de sterkste voorspellers van OZA-deelname. De clusteranalyse onderscheidt vijf groepen leerlingen, variërend van leerlingen met een hoge zorgvraag tot een groep waarbij de gemeten kenmerken minder verklarend zijn. Discussie en conclusie De secundaire analyses bevestigen dat OZA’s zich richten op een diverse en complexe doelgroep waarvoor het bestaande onderwijsaanbod vaak onvoldoende passend is. Tegelijkertijd is de verklaringskracht van de gebruikte variabelen beperkt, wat wijst op het belang van aanvullende kwalitatieve informatie en verdere dataverrijking. De analyses vormen een stevige basis voor vervolgmonitoring en verdieping in het vervolg van het onderzoek. Individuele bijdrage 2 Kenmerken en aanpakken van onderwijszorgarrangementen Vraagstelling In het vragenlijstonderzoek onderzoeken we welke kenmerken en aanpakken de OZA’s hebben, hun ketenpartners, het onderwijs en de zorg die zij bieden, en hun bronnen van financiering. Methode Er zijn vragenlijsten ontwikkeld en uitgezet onder bestuurders, onderwijs- en zorgprofessionals op alle OZA’s binnen het experiment onderwijszorgarrangementen. De vragenlijst is ontwikkeld naar voorbeeld van de balanced scorecard (Kaplan & Norton, 1992) en verder aangescherpt op basis van locatiebezoeken aan de OZA’s en een pilot onder een aantal OZA’s. Resultaten OZA’s verschillen sterk van elkaar qua opzet, doelgroep, schaal en bekostiging. Samenwerking tussen onderwijs, zorg en gemeenten blijkt in de praktijk complex, onder meer door bureaucratie, verschillen in regelgeving en het ontbreken van integrale financiering. Veel OZA’s worden momenteel gefinancierd via samenwerkingsverbanden (43%) en/of via de Jeugdwet (34%). De wens bestaat om onderwijs en zorg gezamenlijk en eenvoudiger te bekostigen. De zorg in OZA’s is multidisciplinair van opzet, en de ondersteuning richt zich veelal op gedragsmatige en emotionele problematiek, met daarnaast aandacht voor het aanleren van executieve functies en ondersteuning van ouders. Op onderwijsvlak wijken de meeste OZA’s af van de standaard wetgeving op het gebied van inhoud en tijd (84% wijkt af). Er wordt gewerkt met maatwerktrajecten en de nadruk ligt daarbij op sociaal-emotionele ontwikkeling, kernvakken als taal en rekenen, en praktische vaardigheden zoals communicatie en ontspanning. Vier vijfde van de professionals ziet ondersteuning bij het aanleren van executieve functies en het trainen van het sociaal functioneren in een groep als een onderwijsactiviteit. Discussie en conclusie De resultaten bieden een eerste beeld van OZA’s: ze vertonen grote diversiteit in samenwerkingspartners, financiering, zorg- en onderwijsaanbod. De eerste analyses tonen dat de arrangementen potentie hebben, maar ook dat er nog veel onbekend is over de precieze werking. Individuele bijdrage 3 Ervaringen van leerlingen, ouders en professionals binnen onderwijszorgarrangementen Vraagstelling Hoe wordt deelname aan onderwijszorgarrangementen (OZA’s) ervaren door uitvoerend professionals, leerlingen en ouders? We richten ons specifiek op hun percepties van de aanpak, werkwijze en opbrengsten van OZA’s, waarin onderwijs en zorg geïntegreerd worden aangeboden aan kinderen met complexe ondersteuningsbehoeften. Methode De bevindingen zijn gebaseerd op een kwalitatieve verdiepende studie binnen negen uiteenlopende OZA’s in Nederland. Er zijn individuele interviews afgenomen met kinderen en ouders, en groepsinterviews met uitvoerend professionals. De deelnemende OZA’s verschilden in doelgroep, organisatie, locatie, onderwijs‑ en zorgstructuur en omvang. Thema’s in de interviews betroffen o.a. toeleiding, ervaringen tijdens deelname, ondersteuningsbehoeften, samenwerking en toekomstperspectief. De data zijn thematisch geanalyseerd. Resultaten Kinderen beschrijven dat zij zich binnen de OZA’s veilig, gezien en begrepen voelen. De kleinschaligheid, flexibiliteit in aanbod en intensieve begeleiding verminderen stress en vergroten motivatie, zelfvertrouwen en sociaal‑emotionele stabiliteit. Wel geven oudere of cognitief sterkere leerlingen soms aan meer uitdaging te missen. Ouders ervaren de OZA’s als een keerpunt: hun kind komt weer tot rust en ontwikkeling, en zij voelen zich als partner serieus genomen. De weg naar een OZA wordt echter vaak als zwaar en complex beschreven. Professionals benadrukken dat ruimte voor maatwerk, afstemming tussen disciplines en de mogelijkheid om af te wijken van reguliere kaders cruciaal zijn om deze doelgroep te kunnen bedienen. Zij signaleren belangrijke opbrengsten in welbevinden, schoolse vaardigheden en perspectiefopbouw, maar ook structurele knelpunten in samenwerking, financiering en continuïteit. Discussie en conclusie OZA’s bieden een veilig pedagogisch‑didactisch klimaat waarin kinderen met complexe ondersteuningsbehoeften opnieuw tot leren en participatie komen. De ervaringen van ouders, kinderen en professionals laten zien dat kleinschaligheid, integrale ondersteuning en flexibiliteit werkzame elementen zijn. Tegelijkertijd wijzen zij op knelpunten in toegankelijkheid en borging. Structurele verankering van experimenteerruimte en samenwerking is noodzakelijk om deze positieve effecten duurzaam te waarborgen. Vrije vorm (90 minuten)249Carine Grootenboer, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Kitty Meijer, Open Universiteit, Heerlen 1.054do 09:00 – 10:30 Toetsbekwaamheid van docenten in het hoger beroepsonderwijs is van groot belang voor de kwaliteit van toetsing en beoordeling. In het licht van huidige onderwijstransities volstaat het niet langer om toetsbekwaamheid op te vatten als een vaststaand geheel van kennis en vaardigheden, waarbij docenten als toetsbekwaam worden beschouwd na het behalen van een certificaat. In plaats daarvan vraagt toetsbekwaamheid om duurzame ontwikkeling in en door de praktijk.In de literatuur wordt toetsbekwaamheid beschreven als een meerdimensionaal, contextafhankelijk en sociaal gesitueerd proces (Pastore & Andrade, 2019; Willis et al., 2013; Xu & Brown, 2016). Tegelijkertijd is nog beperkt onderzocht hoe toetsbekwaamheid in de praktijk tot uiting komt. In deze studie zijn manifestaties van toetsbekwaamheid onderzocht in negen verschillende toetsgerelateerde situaties in het hoger beroepsonderwijs (Meijer et al., 2025). Daarbij is gewerkt met een conceptueel kader bestaande uit acht onderling samenhangende aspecten van toetsbekwaamheid, weergegeven in het windmolenmodel in Figuur 1 (Meijer et al., 2023).In deze kwalitatieve studie zijn interviews afgenomen waarin gebruik is gemaakt van een LEGO® Serious Play®-activiteit om interpretaties van toetsbekwaamheid door docenten te expliciteren. Aansluitend zijn conversatiekaarten ingezet om de verschillende aspecten en hun onderlinge samenhang te verkennen. Deze aanpak maakte het mogelijk om vanuit concrete situaties de link te leggen met toetsbekwaamheid en om betekenis te geven aan de aspecten vanuit de praktijk. De bevindingen van deze studie onderstrepen het belang van professionele dialoog over de betekenis van toetsbekwaamheid ingebed in de praktijk.In deze sessie geven we inzicht in hoe toetsbekwaamheid zich manifesteert in negen verschillende toetsssituaties (Figuur 2). Vervolgens gaan deelnemers aan de slag met een LEGO® Serious Play® activiteit en de conversatiekaarten. Daarmee doen zij ervaring op met het gezamenlijk verkennen en bespreken van toetsbekwaamheid met ruimte voor uitwisseling en discussie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit aan bij het congresthema door toetsbekwaamheid te benaderen als een proces dat zich ontwikkelt in en door de praktijk, in plaats van als een vaststaand geheel van kennis en vaardigheden. De studie laat zien dat toetsbekwaamheid situationeel vorm krijgt en dat de betekenis van afzonderlijke aspecten verschilt per context, doel en interactie. Dit onderstreept dat professionalisering rond toetsing vraagt om voortdurende afstemming en gezamenlijke betekenisgeving en verschuift de aandacht naar professionele dialoog over het kunnen handelen in concrete situaties. De sessie biedt hiervoor concrete handvatten doordat toetsbekwaamheid bespreekbaar wordt gemaakt vanuit de eigen praktijk. Vrije vorm (90 minuten)681Barbara Belfi, ROA – Maastricht University, Maastricht 1.056do 09:00 – 10:30 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie Het hoger beroepsonderwijs staat voor de opgave studenten voor te bereiden op een arbeidsmarkt die ingrijpend verandert door digitalisering, de opkomst van kunstmatige intelligentie en nieuwe vormen van werk. In dit kader wordt steeds vaker benadrukt dat sociale, emotionele en gedragsvaardigheden – zoals samenwerken, zelfsturing, omgaan met druk en innovatief handelen – cruciaal zijn voor duurzame inzetbaarheid. Hoewel deze vaardigheden regelmatig worden genoemd in beleidsdocumenten en opleidingsprofielen, is weinig empirisch bekend over hoe zichtbaar zij daadwerkelijk zijn in formele hbo-curricula en wat die zichtbaarheid betekent voor studenten en afgestudeerden. Vanuit het perspectief van constructive alignment (Biggs, 2003) is dit een relevante vraag, omdat formele curriculumdocumenten richtinggevend zijn voor onderwijsontwerp, toetsing en kwaliteitszorg, en daarmee voor wat opleidingen aantoonbaar beogen te ontwikkelen. Vraagstelling In hoeverre zijn sociale, emotionele en gedragsvaardigheden zichtbaar in formele hbo-curricula, en hoe verhoudt deze zichtbaarheid zich tot de door afgestudeerden ervaren voorbereiding op deze vaardigheden en het belang ervan in hun huidige werk? Doelstelling van de bijdrage De bijdrage heeft tot doel inzicht te bieden in de mate waarin hbo-curricula aansluiten bij veranderende vaardigheidseisen in de arbeidsmarkt. Door curriculumdocumenten systematisch te analyseren en te koppelen aan landelijke afgestudeerdengegevens laat de studie zien welke vaardigheden relatief veel aandacht krijgen, welke onderbelicht blijven en waar spanningen ontstaan tussen wat opleidingen benadrukken en wat afgestudeerden in de praktijk nodig hebben. Daarmee biedt de bijdrage empirische aanknopingspunten voor curriculumontwikkeling, kwaliteitszorg en accreditatie, en draagt zij bij aan het debat over onderwijs voor transitie. Dialoog/interactie met publiek De presentatie nodigt deelnemers uit om te reflecteren op de vraag welke vaardigheden expliciet in curricula moeten worden opgenomen en waar impliciete ontwikkeling volstaat. Aan de hand van stellingen bespreken deelnemers hoe zichtbaarheid van vaardigheden kan bijdragen aan beter onderwijs, zonder te vervallen in afvinklijsten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage adresseert onderwijs voor transitie door inzicht te bieden in hoe hbo-curricula inspelen op de verschuiving naar duurzame inzetbaarheid in een veranderende arbeidsmarkt. De studie laat zien in hoeverre sociale, emotionele en gedragsvaardigheden zichtbaar zijn in formele curriculumdocumenten en hoe dit samenhangt met de voorbereiding van afgestudeerden en de eisen van hun werk. Daarmee draagt de bijdrage bij aan de doorwerking van onderwijsonderzoek naar curriculumontwikkeling, kwaliteitszorg en accreditatie. Methodologisch laat de studie zien hoe tekstanalytische methoden en large language models kunnen worden ingezet om curricula systematisch te analyseren en te verbinden met arbeidsmarktuitkomsten. Vrije vorm (90 minuten)409Elsemarijn Ippel, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Angela de Jong, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Ton Klein, Oberon BV, Utrecht, Patrick van Schaik, Hogeschool Zeeland, Vlissingen, Monique Verhoeven, Universiteit Utrecht, Utrecht, Maren van de Vrie, Oberon BV, Utrecht 1.074do 09:00 – 10:30 Het onderwijs is voortdurend in transitie. Mede door de steeds complexere maatschappelijke vraagstukken waar het onderwijs mee te dealen heeft, wordt er veel van onderwijsgevenden gevraagd. Om als onderwijsprofessional succesvol met deze uitdagingen om te gaan zien we beloftevolle ontwikkelingen: 1) scholen opereren steeds vaker niet alleen maar zijn ingebed in regionale (kennis)netwerken (zie o.a. Klein et al., 2024); 2) om adaptief te reageren op veranderingen zijn systeembewustzijn en netwerkleiderschap belangrijke factoren (zie o.a. Lockhorst et al., 2023). Het NKO heeft de afgelopen jaren verschillende subsidies verleend aan regionale kennisnetwerken (NKO, 2021 en NKO, 2023). Een consortium bestaande uit onderzoekers van de HZ, HU, VU en Oberon doet in opdracht van NKO flankerend onderzoek naar 12 van deze regionale kennisnetwerken (Klein et Al., 2024). Hierin kijken we naast kennisverspreiding ook naar de invloed van factoren als systeembewustzijn (zie o.a. Lockhorst et. al, 2023) en netwerkleiderschap (zie o.a. De Jong, 2022). In deze vrije vorm sessie gaan we eerst in op de onderzoeksresultaten van de eerste twee jaren van het onderzoek naar regionale kennisnetwerken (Klein et. al 2024, Klein et. al in voorbereiding). Hoe verandert netwerkleiderschap gedurende de eerste twee jaren en wat verstaan de deelnemers aan de regionale kennisnetwerken onder systeembewustzijn? Vervolgens zoomen we in op de ervaringen met netwerkleiderschap en systeembewustzijn in het regionaal kennisnetwerk in Utrecht en omgeving. Daarna gaan we met de deelnemers aan de slag. We maken een vertaling van deze onderzoeksresultaten naar hun eigen (onderwijs)praktijk. In welke kennisnetwerken participeren zij? Hoe zien deze netwerken eruit? Welke rol spelen netwerkleiderschap en systeembewustzijn daarin? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het centrale congresthema is Onderwijs voor Transitie. Hoe kunnen we (aankomende) onderwijsprofessionals leren om een leven lang te ontwikkelen, te innoveren en mee te bouwen aan nieuwe oplossingen? Dit vraagt om leren, innoveren en samenwerken over de grenzen van eigen opvattingen, beroepen en domeinen heen. In regionale kennisnetwerken met partners uit onderwijs, onderzoek, lerarenopleiding en maatschappij vindt dit grensoverstijgend samenwerken en leren plaats. Naast resultaten uit flankerend onderzoek naar regionale kennisnetwerken en de ervaringen in regionaal kennisnetwerk in Utrecht en omgeving, gaan we in deze bijdrage in op het belang van netwerkleiderschap en systeembewustzijn in deze netwerken. Vrije vorm (90 minuten)552Cok Bakker, Universiteit Utrecht, Utrecht, Markus Davidsen, Universiteit Leiden, Leiden, Gijs van Gaans, ICLON, Universiteit Leiden, Leiden, Markus Altena Davidsen (voorzitter) 1.078do 09:00 – 10:30 In deze sessie bespreken we het nieuwe kerncurriculum Levensbeschouwing en Religie (L&R) voor het voortgezet onderwijs. Dit curriculum is ontwikkeld voor alle scholen – openbaar en bijzonder – door Expertisecentrum LERVO in samenwerking met SLO en OCW om het onderwijs beter te laten aansluiten op de transitie naar levensbeschouwelijke diversiteit waar onze samenleving zich in bevindt. Het curriculum L&R dekt het domein ‘levensbeschouwelijke burgerschap’ van de burgerschapsopdracht en het kennisgebied ‘geestelijke stromingen’ (d.w.z. objectieve kennis van de vijf wereldreligies en het humanisme) dat vanaf schooljaar 2027-2028 verplicht wordt in het voortgezet onderwijs. Didactisch wordt het ondersteund door de zogenoemde perspectievenbenadering, een onderzoekende en op inzicht en dialoog gerichte didactiek. Expertisecentrum LERVO (voluit Levensbeschouwing en Religie in het Voortgezet Onderwijs) is een samenwerkingsverband van o.a. 16 ho-instellingen en vier profielorganisaties. De sessie start met een inleiding van Markus Altena Davidsen (projectleider curriculum), Gijs van Gaans (lid curriculumwerkgroep) en Cok Bakker (lid stuurgroep namens de universiteiten) over de transitie naar levensbeschouwelijke diversiteit en over het curriculum L&R en de perspectievendidactiek. We bespreken wat het curriculum kan betekenen voor scholen en leerlingen, en gaan ook in op het proces van curriculumontwikkeling en de beginselen van de perspectievendidactiek die relevant zijn ook buiten het vakgebied L&R. Na deze inleiding gaan de deelnemers met elkaar in gesprek volgens de world café-methode. In wisselende groepen bespreken ze twee vragen: (1) in hoeverre sluit het curriculum en de perspectievendidactiek aan bij de opdracht om goed onderwijs te verzorgen over levensbeschouwing en religie?; en (2) hoe kan de effectiviteit en uitvoerbaarheid van het curriculum en de perspectievendidactiek onderwijskundig worden onderzocht? De opbrengsten worden plenair gedeeld en afgesloten met een reflectie door een discussiant. De sessie richt zich op curriculumonderzoekers, vakdidactici en experts op de gebieden van burgerschapsonderwijs en onderwijsontwikkeling. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Als sinds de jaren 60 van de vorige eeuw transformeert de samenleving op het gebied van levensbeschouwing en religie. Maatschappelijke processen van secularisatie en immigratie spelen een grote rol bij deze transitie naar een levensbeschouwelijk (super)diverse samenleving. Maar het Nederlandse onderwijsstelsel is ontworpen ten tijden van de verzuiling en is nog steeds verdeeld in een aantal zuilen (openbaar, protestants-christelijk, katholiek, reformatisch en islamitisch). Het ministerie van Onderwijs erkent dat de transitie naar een levensbeschouwelijk diverse samenleving ook om een onderwijstransitie vraagt naar een nieuwe vorm van levensbeschouwelijk onderwijs. Het curriculum van Expertisecentrum LERVO helpt scholen deze transitie te maken. Papersymposium (90 minuten)571Ivonne Douma, Regionaal Expertisecentrum Noord (RENN4), Groningen, Carla Geveke, Hanzehogeschool, Groningen, Sabine Mulder, Hanzehogeschool, Groningen, Henderien Steenbeek, Hanzehogeschool, Groningen, Christy Tenback, Regionaal Expertisecentrum Noord (RENN4), Groningen, Carla Geveke (voorzitter), Henderien Steenbeek (discussiant) 1.080do 09:00 – 10:30 Doelstellingen symposium De Nederlandse overheid streeft naar inclusief onderwijs in 2035 (Ministerie OC&W, 2024). Dat betekent dat scholen alle kinderen in de buurt verwelkomen, iedereen kan deelnemen en adequate ondersteuning wordt geboden (Hansen, 2012; Onderwijsraad, 2020). Dit symposium brengt onderzoek naar inclusief onderwijs samen, vanuit verschillende perspectieven: beleid, cultuur en praktijk, interprofessionele samenwerking en samenwerking met ouders. De gepresenteerde studies vormen een basis voor discussie over benodigde lerarencompetenties om inclusief onderwijs te realiseren. Overzicht van de sessies Geïntegreerde onderwijsvoorzieningen op weg naar inclusief onderwijs: In deze studie is onderzocht hoe geïntegreerde onderwijsvoorzieningen zich hebben ontwikkeld op het gebied van inclusief beleid, cultuur en praktijk, welke factoren deze ontwikkeling bevorderen of belemmeren, en wat de meerwaarde is van het werken met gemengde groepen. Complexiteit van interprofessionele samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp: Hier staat de vraag centraal hoe leernetwerken van onderwijs- en jeugdhulpprofessionals samenwerken als het gaat om interprofessioneel handelen, pedagogisch didactisch handelen en organisatorische factoren. Geïntegreerde jeugdhulp in het (s)b(o); samenwerking tussen onderwijs-, jeugdzorgprofessionals en ouders: Deze studie onderzoekt hoe ouders, onderwijs- en jeugdhulpprofessionals de samenwerking ervaren, en welke factoren bevorderend of belemmerend werken. Wetenschappelijke betekenis Sinds het Salamanca-verdrag (UNESCO, 1994) staat onderzoek naar inclusief onderwijs op de agenda (Ainscow & César, 2006; Gerdes, 2021; Mieghem et al., 2018). De drie papers in dit symposium dragen bij aan bestaande kennis over inclusief onderwijs en brengen diverse invalshoeken bij elkaar: beleid, cultuur en praktijk (Booth & Ainscow, 2002), interprofessionele samenwerking (Geveke et al., 2024; Jonkman et al., 2021) en samenwerking met ouders (Widmark et al., 2013; Wienen et al., 2020). Structuur van de sessie De voorzitter opent met een inleiding (5 min.). Daarna volgen drie presentaties (elk 20 min.). De sessie eindigt met een gezamenlijke discussie over de implicaties voor (aanstaande) leraren onder leiding van een discussiant (25 min.). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit symposium draagt bij aan kennis over inclusief onderwijs vanuit verschillende perspectieven. Het versterkt de theoretische basis voor het effectief implementeren van inclusief onderwijs, met bijzondere aandacht voor geïntegreerd onderwijszorgaanbod en samenwerking tussen professionals en ouders. De gepresenteerde onderzoeken bieden concrete aanwijzingen voor noodzakelijke stappen in de transitie naar inclusief onderwijs in Nederland. In de discussie komen de competenties aan bod die leraren nodig hebben om effectief samen te werken met jeugdhulpprofessionals en ouders, zodat zij gezamenlijk de passende ondersteuning kunnen bieden die leerlingen nodig hebben om optimaal te kunnen participeren. Individuele bijdrage 1 Geïntegreerde onderwijsvoorzieningen op weg naar inclusief onderwijs Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie In het kader van de beleidsregel Samenwerking regulier en speciaal onderwijs (OCW, 2018; herzien in 2020) zijn geïntegreerde onderwijsvoorzieningen ontwikkeld om de kloof tussen speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs te verkleinen en de beweging richting inclusief onderwijs te versterken. In dit onderzoek is nagegaan wat deze beleidsregel oplevert voor beleid, cultuur en praktijk. Als theoretisch kader is de Index voor Inclusie (Booth & Ainscow, 2002) gehanteerd, waarin beleid, cultuur en het praktijk als onderling verbonden dimensies worden beschouwd. Vanuit dit kader is onderzocht hoe integratie tot stand komt en welke factoren dit proces bevorderen of belemmeren. Het onderzoek levert zowel praktische handvatten voor het realiseren van inclusieve schoolculturen als wetenschappelijke inzichten in factoren die deze ontwikkeling binnen geïntegreerde onderwijsvoorzieningen bevorderen of belemmeren. Vraagstelling De centrale vraag luidt hoe geïntegreerde onderwijsvoorzieningen zich hebben ontwikkeld op het gebied van inclusief beleid, cultuur en praktijk, welke factoren deze ontwikkeling bevorderen of belemmeren, en wat de meerwaarde is van het werken met gemengde groepen. Methode Er is een meerjarig beleids- en praktijkonderzoek uitgevoerd (2019–2023) met een mixed-methods design. Dataverzameling vond plaats via interviews, het afnemen van vragenlijsten bij diverse gremia en het analyseren van leerlinggegevens. Resultaten De resultaten laten zien dat de integratie van so en sbo gepaard gaat met een geleidelijke verschuiving van gescheiden naar meer gedeelde culturen. Een gezamenlijke visie en bestuurlijke ondersteuning blijkt een cruciale motor voor cultuurversmelting. Tegelijkertijd vormen verschillen in wet- en regelgeving, administratieve systemen en huisvesting blijvende belemmeringen. Discussie en conclusie In de praktijk leidt cultuurversmelting tot meer gedeelde verantwoordelijkheid, kruisbestuiving van expertise en een onderwijsaanbod dat beter aansluit bij diverse ondersteuningsbehoeften. Duurzame integratie vraagt om consistent beleid dat positieve attitudes ondersteunt en ruimte biedt voor gedeelde waarden, professionele dialoog en samenwerking op verschillende niveaus. Individuele bijdrage 2 Complexiteit van interprofessionele samenwerking onderwijs-jeugdhulp Theoretisch kader Scholen worden in toenemende mate geconfronteerd met leerlingen met gedrags-, leer- en ontwikkelingsproblematiek (Inspectie van het Onderwijs, 2021;Lent et al., 2024). Interprofessionele samenwerking (IPS) tussen onderwijs- en jeugdhulpprofessionals is essentieel om deze kwetsbare leerlingen passend te ondersteunen en zo inclusiever onderwijs te realiseren (Ministerie OC&W, 2024;Van Zaalen et al., 2018). Vanuit de complexiteitstheorie wordt IPS opgevat als een samenspel tussen leerling, ouders, onderwijszorgprofessionals en organisatorische factoren. Om vat te krijgen op het dynamische proces van IPS, onderzoeken we drie invalshoeken: interprofessioneel handelen (IPH), pedagogisch didactisch handelen (PDH) en organisatorische factoren (OF). Vraagstelling Hoe werken leernetwerken van onderwijs- en jeugdhulpprofessionals samen als het gaat om IPH, OF en PDH? Methode Samen Sterker is een driejarig praktijkonderzoek (2025–2027), uitgevoerd volgens de principes van Educational Design Research met een mixed-method design. Zes leernetwerken van onderwijs- en jeugdhulpprofessionals werken aan het versterken van hun IPS. In de eerste dataverzamelingsronde is een Q-sort afgenomen; in ronde twee zijn vragenlijsten, (groeps)interviews en observaties uitgevoerd. Resultaten De Q-sort en factoranalyse van 46 professionals laten zien dat onderlinge afhankelijkheid breed wordt ervaren als belangrijke succesfactor. Qua ervaren knelpunten leggen de drie factoren verschillende accenten op IPH, PDH en OF. Groepsinterviews over OF tonen fricties tussen organisatielagen, waarbij aanknopingspunten voor het versterken van IPS op strategisch, tactisch en operationeel niveau worden onderscheiden. Eerste observaties van IPH wijzen erop dat frictie in interacties fungeert als katalysator voor leerprocessen (Akkerman & Bakker, 2011). De dataverzameling van PDH vindt in het eerste kwartaal van 2026 plaats. Discussie en conclusie De complexiteit van IPS komt naar voren binnen alle invalshoeken en op meerdere organisatieniveaus. Effectieve IPS vraagt om het gezamenlijk formuleren en uitdragen van een gedeelde missie en visie, passende facilitering en het expliciet (h)erkennen van elkaars rollen. Wederzijds respect en vertrouwen blijken daarbij cruciale randvoorwaarden. Individuele bijdrage 3 Geïntegreerde jeugdhulp in het s(b)o: de samenwerking tussen onderwijs-, jeugdzorgprofessionals en ouders Inleiding Geïntegreerde jeugdhulp draagt bij aan laagdrempelige en tijdige ondersteuning voor leerlingen in het s(b)o (Douma, 2022). Nauwe samenwerking tussen ouders, jeugdhulp en onderwijs is cruciaal voor een doorgaande lijn in de ondersteuning van s(b)o-leerlingen (Schleurholts & Wildeboer, 2021; Widmark, 2013). Hierbij is een goede samenwerking met ouders een succesfactor voor het behalen van gezamenlijke doelen en het optimaal afstemmen van interventies (Cefai et al., 2021; Geveke et al., 2024; Pullmann et al., 2010; Wienen et al., 2020). Bij de integratie van jeugdhulp in het s(b)o is onduidelijk hoe alle partijen de samenwerking ervaren. Daarom zijn deze ervaringen in dit onderzoek in kaart gebracht, evenals welke factoren de samenwerking kunnen belemmeren of bevorderen. Vraagstelling van het onderzoek Hoe ervaren ouders, onderwijsprofessionals en jeugdhulpprofessionals de samenwerking bij geïntegreerde jeugdhulpverlening in het s(b)o? Welke factoren zijn in deze samenwerking belemmerend en bevorderend? Methode Op verschillende s(b)o-scholen is een kwalitatief multi-perspectief onderzoek uitgevoerd naar ervaringen met geïntegreerde jeugdhulp. Met een kwalitatieve inhoudsanalyse van interviews (tien casussen) is naar antwoorden op de onderzoeksvragen gezocht. Resultaten De analyses laten zien dat participanten waarde hechten aan werken vanuit de gezamenlijke driehoek (ouders-onderwijs-jeugdhulp). Het opbouwen van een goede band is hierbij essentieel. Door ouders onderdeel te maken van gezamenlijke besluitvorming kunnen omgevingsfactoren waarin problematiek ontstaat beter worden meegewogen in de begeleiding. Het uitspreken van wederzijdse verwachtingen, het werken vanuit een gedeelde visie en laagdrempelige communicatie worden beschouwd als succesfactoren voor de uitvoering van geïntegreerde jeugdhulp in het s(b)o. Discussie en conclusie Tijdens de ORD wordt ingegaan op hoe effectieve integrale samenwerking bij geïntegreerde jeugdhulp kan worden vormgegeven. In de discussie wordt daarnaast de koppeling gelegd met hoe deze samenwerking kan bijdragen aan de realisatie van inclusief onderwijs. Paperpresentatie (30 minuten)900Lieneke Ritzema, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Marij Veldman, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 1.086do 09:00 – 10:30 Bestuurders lijken als eindverantwoordelijken voor de kwaliteit van onderwijs in toenemende mate schoolleiders bij strategische beleidskeuzen te betrekken, in lijn met het streven naar gespreid leiderschap (Dekker et al., 2023). De rol en positie van schoolleiders in de organisatie veranderen door deze toenemende strategische verantwoordelijkheden. Schoolleiders dienen hierbij de verantwoordelijkheid voor de onderwijskwaliteit binnen de eigen school te combineren met een verantwoordelijkheid op strategisch, bestuurlijk niveau. De Onderwijsraad (2018) spreekt derhalve van een sleutelrol voor schoolleiders. Op welke wijze de zeggenschap en verantwoordelijkheden van de schoolleider bij het strategisch beleid worden ingevuld, zal daarbij sterk afhankelijk zijn van de context waarin de schoolleider en het bestuur opereren. Op organisatieniveau lijkt de grootte van de school en onderwijsorganisatie van belang. Dit beïnvloedt de manier waarop bestuurders sturen (Stevenson et al., 2021; Ritzema et al., 2023). Ervaring, kennis en kunde van bestuurder, stafbureau en schoolteam lijken voorwaardelijk voor de benodigde ondersteuning aan schoolleiders waardoor zij een grotere rol bij strategische beleidsvorming kunnen vervullen. Daarbij zijn ook de aanwezige onderlinge relaties en sociale verbanden in de bestuurlijke en schoolcontext van belang. Het gaat dan onder andere om een gedragen visie, vertrouwen en openheid in communicatie, en informatie- en kennisdeling inclusief bevorderende infrastructuur (Honingh et al., 2022; Ritzema et al., 2023). Tenslotte lijken de ervaring, kennis en kunde van de schoolleider zelf belangrijk voor de mate waarin schoolleiders zeggenschap en verantwoordelijkheden op strategisch niveau vorm krijgen. Met interviews en vragenlijsten hebben we in kaart gebracht op welke manieren en in welke mate schoolleiders betrokken worden bij beslissingen van het schoolbestuur, en of en op welke wijze deze betrokkenheid spanningen geeft voor hoe zij hun werk kunnen uitvoeren. In de presentatie presenteren we onze bevindingen van zowel de meervoudige gevalsstudie als de kwantitatieve surveystudie. Paperpresentatie (30 minuten)736Nanke Dokter, Fontys Educatie, Lectoraat Goed leraarschap, Goed leiderschap, ‘s-Hertogenbosch, Anne-Marieke van Loon, Fontys Educatie, Lectoraat Goed leraarschap, Goed leiderschap, ‘s-Hertogenbosch 1.086do 09:00 – 10:30 Het lerarentekort vraagt om een slimme manier van organiseren van scholen én daarmee van het onderwijs (Van den Berg et al., 2025). Scholen hebben tegelijkertijd de opdracht om kwalitatief goed en passend onderwijs te blijven verzorgen (Adriaens & Den Uijl, 2024; Utrecht Leert, 2020). Binnen onderwijsregio West Brabant Oost zijn acht scholen gestart met uiteenlopende pilots, gericht op het experimenteren met nieuwe organisatievormen als duurzame, structurele oplossing voor het lerarentekort, met als doel de onderwijskwaliteit te behouden of verbeteren (met inzet van minder leraren), efficiënter gebruik van leerkrachttijd en een brede ontwikkeling van leerlingen en medewerkers te bevorderen. De pilots richten zich specifiek op werken in complementaire teams. Bij het werken in complementaire teams, zijn professionals met verschillende rollen en expertises gezamenlijk verantwoordelijk voor (delen van) het onderwijs. Onderzoek van Bekkers et al. (2025) laat zien dat scholen bij het werken in complementaire teams vaak primair aanpassingen doen in de onderwijsorganisatie, bijvoorbeeld door andere groepsvormen of inzet van extra personeel, terwijl de schoolorganisatie (taakverdeling, verantwoordelijkheden en samenwerking) vaker grotendeels intact blijft. De onderzoeksvraag was: Welke interventies gericht op het anders organiseren blijken werkzaam? Welke lessen kunnen we trekken uit de pilots voor de deelnemende scholen en voor andere scholen in de Onderwijsregio? Het onderzoek beoogt inzichten op te leveren op het niveau van leerlingen, team, school en bestuur. In de presentatie worden de gevonden inzichten gepresenteerd. Daarnaast zal de opzet van het onderzoek worden besproken: een vorm waarbij leren, innoveren en onderzoeken hand in hand gaan. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)709Neline de Jong-Kroon, Open Universiteit, Heerlen 1.086do 09:00 – 10:30 In een tijd van maatschappelijke transities, waaronder arbeidsmarkttekorten, toenemende complexiteit in het onderwijs en de noodzaak tot voortdurende innovatie, staat de vraag centraal hoe onderwijs duurzaam kan bijdragen aan de voorbereiding van jongeren op maatschappelijke participatie. Het lerarentekort is daarbij niet slechts een kwantitatief probleem, maar een structureel transitievraagstuk: zonder behoud van ervaren en gemotiveerde leraren komen continuïteit, kwaliteit en vernieuwingskracht van onderwijs onder druk te staan. Inzicht in de schoolfactoren die leraren ondersteunen om te blijven, vormt daarmee een essentiële voorwaarde voor onderwijs in transitie. Het lerarentekort in het VO is een groeiend probleem in Nederland, met negatieve gevolgen voor de onderwijskwaliteit en de werkdruk van leraren (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2025). Eerder onderzoek laat zien dat schoolfactoren zoals leiderschap, school discipline, werkinhoud en samenwerking met collega’s van belang zijn bij de besluitvorming van leraren om te blijven of te vertrekken (Borman & Dowling, 2008; Tiplic et al., 2015). In de huidige studie wordt de ontwikkeling van vertrekintenties van leraren met een aanvankelijk hoge intentie om het onderwijs te verlaten verder uitgediept en onderzocht. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke schoolniveau-factoren beïnvloeden de ontwikkeling van vertrekintenties van leraren, en hoe vertalen deze intenties zich in daadwerkelijke beslissingen om te blijven of te vertrekken? Het doel van deze bijdrage is inzicht te bieden in het dynamische proces van de ontwikkeling van vertrekintenties van leraren en de rol van schoolfactoren hierin, met implicaties voor beleid en organisatie. Zo bleken de factoren leiderschap (actief meedenkende leidinggevenden over individuele loopbaanwensen), werkinhoud (deelname aan innovatietrajecten) en collegiale relaties in veel gevallen te leiden tot toegenomen motivatie en uiteindelijk het blijven van verschillende docenten. De presentatie nodigt het publiek uit te reflecteren op de toepasbaarheid van deze inzichten binnen de eigen onderwijscontext en om concrete beleids- en HR-interventies te bespreken die lerarenbehoud kunnen bevorderen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In een tijd van maatschappelijke transities, waaronder arbeidsmarkttekorten, toenemende complexiteit in het onderwijs en de noodzaak tot voortdurende innovatie, staat de vraag centraal hoe onderwijs duurzaam kan bijdragen aan de voorbereiding van jongeren op maatschappelijke participatie. Het lerarentekort is daarbij niet slechts een kwantitatief probleem, maar een structureel transitievraagstuk: zonder behoud van ervaren en gemotiveerde leraren komen continuïteit, kwaliteit en vernieuwingskracht van onderwijs onder druk te staan. Inzicht in de schoolfactoren die leraren ondersteunen om te blijven, vormt daarmee een essentiële voorwaarde voor onderwijs in transitie. Vrije vorm (90 minuten)914Anton Boonen, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Erik Mooij, Hogeschool Utrecht, Utrecht 1.092do 09:00 – 10:30 De aanleiding voor deze bijdrage is de toenemende maatschappelijke complexiteit in wijken, waarin vraagstukken rond onderwijs, zorg, welzijn en jeugd elkaar raken. Deze vraagstukken vragen om professionals die interprofessioneel kunnen samenwerken en leren, in nauwe verbinding tussen onderwijs en leefwereld. In deze sessie gaan we in op twee contexten in Utrecht die hier aan bijdragen: Vanuit het project Bruggenbouwers en Grensverleggers wordt onderzocht hoe interprofessioneel opleiden tussen onderwijs en sociaal domein invulling kan krijgen Vanuit de City Deal Kennis Maken wordt interprofessioneel opleiden in wijkplaatsen georganiseerd. Wijkplaatsen vormen hierin een leer- en innovatiecontext. In wijkplaatsen werken onderwijsinstellingen, professionals, studenten en wijkbewoners samen aan praktijkvraagstukken, waarbij leren, werken en onderzoeken geïntegreerd plaatsvinden. De achtergrond van deze bijdrage ligt in praktijkgericht onderzoek naar interprofessioneel opleiden in wijkgerichte leeromgevingen. Theoretisch sluit dit onderzoek aan bij sociaal-constructivistische leertheorieën, praktijkleren en boundary crossing, waarin leren plaatsvindt op de grens van verschillende disciplines en contexten. Daarnaast wordt aangesloten bij het concept van lerende ecosystemen waarin school en wijk elkaar wederzijds versterken. Het project Bruggenbouwers en Grensverleggers kent een ontwerpgerichte en participatieve onderzoeksaanpak. Door middel van casestudies, reflectieve dialogen en gezamenlijke kennisontwikkeling wordt inzicht verkregen in werkzame principes van interprofessioneel opleiden. De centrale vraagstelling van het onderzoek luidt: hoe kan interprofessioneel opleiden bijdragen aan betekenisvol leren van studenten én aan maatschappelijke waarde in de wijk? De doelstelling van deze bijdrage is om deelnemers inzicht te geven in werkzame principes van interprofessioneel opleiden, het werken in wijkplaatsen en hen te laten reflecteren op de toepasbaarheid in hun eigen context. De sessie heeft een interactieve werkvorm: deelnemers gaan in kleine groepen in dialoog aan de hand van praktijkdilemma’s en stellingen over interprofessioneel opleiden in wijkplaatsen, gevolgd door een gezamenlijke opbrengstdeling. Hiermee wordt de sessie nadrukkelijk een gezamenlijke leerervaring. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op Onderwijs voor Transitie door te laten zien hoe interprofessioneel opleiden in wijkplaatsen bijdraagt aan het vermogen van zowel het onderwijs als het sociaal domein om te reageren op complexe maatschappelijke vraagstukken. Leeromgevingen zoals wijkplaatsen functioneren als leer-ecosystemen waarin onderwijs, onderzoek, praktijk en leefwereld samenkomen en waarin studenten van verschillende beroepsopleidingen leren omgaan met onzekerheid, meervoudige perspectieven en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het accent ligt op de doorwerking en impact van onderwijsonderzoek: onderzoeksinzichten worden direct benut voor het ontwerpen en versterken van onderwijspraktijken die bijdragen aan duurzame transities in wijken en professionals opleiden voor een veranderende samenleving. Papersymposium (90 minuten)836Elke Heijligers, ROC Gilde, Roermond, Marcel van der Klink, Hogeschool Zuyd, Heerlen, Barbara Piskur, Zuyd Hogeschool, Heerlen, Suzanne Raaijmakers, Fontys, Eindhoven, Miranda Snoeren, Fontys Hogeschool, Eindhoven, Petra Swennenhuis, Fontys Hogeschool, Eindhoven, Petra Swennenhuis (voorzitter), Marcel van der Klink (discussiant) 1.096do 09:00 – 10:30 Doelstelling Onderwijsorganisaties en hun partners creëren in toenemende mate innovatieve leerwerkomgevingen waarin studenten, professionals, inwoners, bedrijven en onderzoekers samen werken en leren aan maatschappelijke vraagstukken. Door het complexe karakter van de samenwerking krijgen we moeilijk zicht op de ontwikkeling ervan en op elementen die deze ontwikkeling versnellen of vertragen. In dit symposium bieden we aan de hand van drie verschillende perspectieven nieuwe inzichten in de dynamieken van innovatieve leerwerkomgevingen. Overzicht Het symposium belicht drie verschillende bouwstenen van innovatieve leerwerkomgevingen. De eerste presentatie focust op het ontwerp van duurzame en innovatieve leerwerkomgevingen. De tweede presentatie biedt inzichten in verschillende bewegingen die zich binnen deze omgevingen in de tijd ontvouwen en de derde presentatie toont de opbrengsten van samenwerking tussen onderwijs- en werkveldorganisaties. Wetenschappelijke betekenis De grote variatie in vorm, doel en organisatie van innovatieve leer- en werkomgevingen, zoals living labs, maakt het complex om processen en impact systematisch met elkaar te vergelijken (Emanuel et al., 2022; Vanden Heuvel et al., 2021) Hoewel verschillende modellen inzicht bieden in mechanismen die het samen werken, leren en innoveren binnen deze omgevingen bevorderen (Schipper et al., 2023; Swennenhuis et al., 2021; Piskur et al., submitted) bieden ze tegelijkertijd beperkt zicht op de dynamieken die zich ontvouwen vanuit de interacties tussen personen en organisaties. De drie projecten in dit symposium bieden meer zicht op respectievelijk vormgeving van het ontwerp, kenmerken van verschillende bewegingen en opbrengsten in de praktijk en benadrukken de samenwerking tussen onderwijsniveaus. De inzichten bieden aanknopingspunten voor (door)ontwikkeling en versterking van de emergente processen die kenmerkend zijn voor de samenwerking binnen innovatieve leerwerkomgevingen. Structuur De drie projecten worden achtereenvolgens gepresenteerd met ruimte voor verhelderende vragen. Deelnemers dragen vervolgens, aan de hand van de werkvorm Wereldcafé, gezamenlijk bij aan duiding van de resultaten en vraagstukken voor verdere verdieping. Twee discussianten zullen de opbrengsten kritisch bereflecteren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Binnen innovatieve leeromgevingen werken en leren betrokkenen samen aan maatschappelijke vraagstukken. Het authentieke en transdisciplinaire karakter stimuleert het adaptief vermogen van toekomstige professionals en ondersteunt het leven lang leren van andere betrokkenen. Onderzoek naar ontwerp, ontwikkeling en opbrengsten biedt betrokkenen in verschillende praktijken handvatten om het samen werken en leren te kunnen versterken. De drie bijdragen uit het paper symposium dragen zowel afzonderlijk als ook vanuit een gezamenlijk perspectief bekeken, op deze wijze bij aan de doorwerking en impact van onderzoek in de praktijk. Individuele bijdrage 1 Aanleiding Duurzame samenwerking binnen living labs is essentieel om complexe maatschappelijke vraagstukken aan te pakken via inclusieve innovatie. Living labs worden gedefinieerd als real-life open innovatie-ecosystemen waarin onderzoek en praktijk worden geïntegreerd door de betrokkenheid van diverse stakeholders—inwoners, overheden, industrie, kennisinstellingen en in toenemende mate ook de omgeving— en vormen daarmee een quintuple helix-benadering van co-creatie en waardeontwikkeling. Dit model benadrukt de actieve betrokkenheid van gebruikers gedurende het gehele innovatieproces, faciliteert samenwerking tussen meerdere actoren en stimuleert oplossingen die zijn verankerd in de dagelijkse praktijk in plaats van in geïsoleerde laboratoriumomgevingen. Vraagstelling In het kader van dit project hanteerde het living lab-initiatief een quintuple helix-raamwerk om duurzame samenwerking op meerdere niveaus te bevorderen tussen partners uit onderwijs, praktijk, beleid, industrie en de gemeenschap. De centrale focus lag op het ontwerpen en testen van een roadmap voor gezamenlijke innovatie, die werd ontwikkeld via iteratieve co-creatiecycli, geëvalueerd en geoptimaliseerd in vier verschillende omgevingen. Deze roadmap fungeerde zowel als praktisch instrument voor stakeholders als hulpmiddel om doelen, rollen en activiteiten binnen het living lab-ecosysteem op elkaar af te stemmen. Met behulp van ontwerpgericht onderzoek is verkend hoe samenwerkingsmechanismen zodanig kunnen worden vormgegeven dat zij langdurige betrokkenheid, gedeeld begrip en aanpasbaarheid tussen partners ondersteunen. Door middel van participatieve ontwerpsessies, observaties en reflectieve evaluatieactiviteiten zijn kernvoorwaarden voor duurzame samenwerking geïdentificeerd en vastgelegd. Doelstelling De inzichten uit dit project dragen bij aan een beter begrip van hoe een gestructureerde roadmap samenwerking over verschillende helix-dimensies kan versterken en hoe ontwerpgerichte methoden de dynamieken van innovatie in de praktijk zichtbaar kunnen maken. Deze bevindingen bieden zowel praktische als theoretische aanknopingspunten voor het bevorderen van duurzame, multi-stakeholder innovatie binnen living lab-omgevingen. Individuele bijdrage 2 Aanleiding Het lukt betrokkenen bij innovatieve leerwerkomgevingen vaak vrij goed om een dergelijke omgeving op te starten. Dit gebeurt meestal door een groep vernieuwers die vanuit verschillende organisaties gezamenlijk vaststellen dat samenwerking nodig is voor het vinden van oplossingsrichtingen voor maatschappelijke vraagstukken (Snoeren, 2021). De groep vernieuwers draagt zorg voor verbinding tussen en binnen de organisatie en voor uitbreiding met andere enthousiastelingen. Na het moment dat rollen en verantwoordelijkheden zijn verhelderd, en afspraken bestaan over inzet van mensen en middelen, wordt het vaak, door bijvoorbeeld verloop van betrokkenen of beleidsveranderingen, ingewikkelder om te verduurzamen. Er is nog niet veel kennis over factoren die de ontwikkeling van de complexe samenwerkingsprocessen kunnen ondersteunen en bevorderen. Bestaande modellen over interorganisationele samenwerkingsverbanden hebben vaak een lineair karakter (Bot, 2020; Kaats & Opheij, 2016) en sluiten daarmee onvoldoende aan bij de dynamieken en emergente processen die ontstaan vanuit de interacties tussen individuen en organisaties. Vraagstelling Meer kennis over tipping en trigger points in de verschillende bewegingen van de samenwerking binnen innovatieve leerwerkomgevingen biedt mogelijkheden om de samenwerking en daarmee mogelijke oplossingsrichtingen voor maatschappelijke vraagstukken te versterken. Hoe ontvouwt de samenwerking binnen innovatieve leerwerkomgevingen zich in de tijd, welke spanningen en momenten van stagnatie treden daarbij op, en wat helpt om de verdere ontwikkeling van de samenwerking te ondersteunen? Doelstelling Na de presentatie van het onderzoek hebben deelnemers inzicht in kenmerken van drie bewegingen in de samenwerking binnen innovatieve leerwerkomgevingen: pionieren, rijpen en versterken. Individuele bijdrage 3 Aanleiding Toekomstbestendige mbo-hbo-samenwerking is in krimpregio’s zoals Noord- en Midden-Limburg cruciaal om de gezamenlijke opgave ‘aantrekken, opleiden en opgeleid houden voor de regio’ te realiseren. Binnen de samenwerking tussen Gilde Opleidingen en Fontys wordt ingezet op het verbinden van leren, werken en praktijkonderzoek met regionale arbeidsmarktbehoeften. Ondanks deze inspanningen blijft het borgen van samenwerking, gezamenlijk leren en het benutten van opbrengsten weerbarstig. Binnen de lopende mbo-hbo-initiatieven zien we dat partners elkaar vinden in gezamenlijke leer-werk-opgaven, maar dat verschillen in doelen, structuren en professionaliseringsniveaus spanning veroorzaken. Leerwerkplekken functioneren als complexe interorganisationele settings, waarin vertrouwen, gedeelde visie en leiderschap bepalend voor succes (Hung et al., 2025; Van Wijk, Jansen & Lyles, 2008; Hahn & Gold, 2014). Binnen de samenwerking Gilde-Fontys worden verschillende monitorings- en reflectie-instrumenten ingezet, waaronder de Complextool (Ros et al., 2024), het Ontwikkelinstrument Lerend en Onderzoekend Samenwerken (Fontys, 2021) en de MORA voor reflectie op het gezamenlijke RoboticaLab. Het gebruik hiervan is echter vooral incidenteel, terwijl reflectie essentieel is voor het ontwikkelen en heroverwegen van (nieuwe) inzichten (Marshall, 2019). Zonder systematische monitoring, reflectie en gedeelde sturing blijven samenwerkingsrelaties kwetsbaar en persoonsafhankelijk. Dit onderstreept de behoefte aan onderzoek naar hoe systematische en cyclische reflectie leren faciliteert en opbrengsten duurzaam verankert binnen mbo-hbo-samenwerking Vraagstelling De vraagstelling van het onderzoek waarop de bijdrage gebaseerd is luidt als volgt: Hoe kan systematische en cyclische monitoring en reflectie worden ingericht zodat deze bijdraagt aan vertrouwen, gedeelde sturing en duurzame interorganisationele samenwerking binnen mbo-hbo-leerwerkplekken van Gilde Opleidingen en Fontys in de regionale context? Doelstelling De bijdrage ontsluit praktijkinzichten uit mbo-hbo-leerwerkplekken en verbindt deze aan theorie over reflectie en vertrouwen binnen interorganisationele samenwerking. Dialoog/interactie met publiek In het wereldcafé onderzoeken we met deelnemers vragen als: Welke monitoring- en reflectiepraktijken versterken samenwerking mbo en hbo? Wat werkt in jullie context? Papersymposium (90 minuten)528Shirine Bousaid, Hogeschool KPZ, Zwolle, Marjoleine Heijboer, Universiteit Utrecht, Utrecht, Elsemarijn Ippel, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Emma Nitert, Hogeschool KPZ, Zwolle, Annelies Kassenberg (voorzitter), Sanne Akkerman (discussiant) 3.016do 09:00 – 10:30 Doelstelling van de sessie Complexe vraagstukken in de huidige samenleving vragen om grensoverbrugging (brokerage) tussen professies, (onderwijs)organisaties, onderwijs en werkveld. Bruggenbouwers (brokers) werken in de beroepspraktijk aan grensoverbrugging en worden al dan niet als bruggenbouwer gepositioneerd en opgeleid. Acteren als bruggenbouwer is een uitdagende rol waar veel bij komt kijken. Dit symposium heeft tot doel inzicht te geven in 1) de verschillende facetten van grensoverbrugging in complexe vraagstukken, 2) de longitudinale ontwikkeling van bruggenbouwers in interprofessionele leernetwerken en 3) de (h)erkenning van bruggenbouwers in kindcentra. Hiermee beogen we handvatten te bieden om grensoverbrugging te organiseren en de ontwikkeling van bruggenbouwers te ondersteunen. Overzicht van de presentaties 1) Bruggenbouwen: een synthese van uiteenlopende perspectieven. 2) Leren, handelen en verbinden in interprofessionele leernetwerken. Een longitudinaal onderzoek naar de ontwikkeling van bruggenbouwers. 3) De rol van bruggenbouwers binnen Nederlandse kindcentra. Wetenschappelijke betekenis De wetenschappelijke relevantie van dit symposium ligt in het adresseren van zowel de theoretische fragmentatie als het beperkte empirische onderzoek naar grensoverbrugging en bruggenbouwers in de context van leernetwerken en kindcentra. De literatuur wordt gekenmerkt door uiteenlopende en grotendeels losstaande theoretische perspectieven wat leidt tot een versnipperd kennisveld en beperkte integratie van inzichten (bijdrage Heijboer et al). Tegelijkertijd is er weinig empirisch onderzoek dat inzicht biedt in hoe bruggenbouwers zich over tijd ontwikkelen (bijdrage Ippel et al) en hoe zij in de praktijk worden gepositioneerd en (h)erkend (bijdrage Bousaid et al.). Door theoretische perspectieven te verbinden met longitudinale en contextspecifieke empirische studies draagt dit symposium bij aan een meer samenhangend begrip van variatie in grensoverbrugging en de rol van bruggenbouwers. Structuur van de sessie Na een korte opening van de voorzitter volgen de drie presentaties. De discussant verbindt na alle presentaties bevindingen en spanningen tussen theorie en praktijk. Afsluitend is er ruimte voor dialoog met het publiek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Hedendaagse maatschappelijke en onderwijsvraagstukken vragen om professionals die grenzen overbruggen tussen professies, (onderwijs)organisaties en het werkveld. Dit symposium sluit daarop aan door de focus te leggen op grensoverbruggend werken (boundary crossing) vanuit verschillende perspectieven; zowel vanuit een synthese van theorie over grensoverbrugging als vanuit de praktijk van leernetwerken en kindcentra. Individuele bijdrage 1 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie Complexe maatschappelijke vraagstukken vragen om samenwerking over organisatorische en disciplinaire grenzen heen (Brorström & Diedrich, 2022; Head, 2019). Zulke samenwerking is uitdagend en gaat gepaard met onzekerheid en meervoudige belangen (Heijboer et al., 2026). In de literatuur wordt dit overbruggen van grenzen beschreven met uiteenlopende en grotendeels losstaande concepten, zoals (knowledge) brokering, boundary spanning, boundary work, boundary crossing en collaborative leadership. Dit bemoeilijkt een overkoepelend begrip van het fenomeen bruggenbouwen. Door de overeenkomsten en verschillen tussen de concepten te analyseren komen we tot een meer overkoepelend begrip van bruggenbouwen (brokering) en de rol en positie van de bruggenbouwer (broker), tezamen brokerage genoemd (Rechsteiner et al., 2024). Vraagstelling Wat betekenen verschillende conceptualisaties van brokerage voor de manier waarop we bruggenbouwen waarnemen en ondernemen? Methode Wij voerden een narratieve review uit van 59 wetenschappelijke publicaties (Boell & Cecez-Kecmanovic, 2014). De analyse richtte zich op samenhang tussen definities, wie als broker wordt beschouwd en welke activiteiten centraal staan binnen verschillende studies. Resultaten De analyse onderscheidt drie dominante lenzen op brokerage: (1) brokerage als het leiden en organiseren van samenwerking over grenzen heen, met nadruk op organisatorische processen en/of centrale actoren die de samenwerking structureren en aansturen; (2) brokerage als het navigeren van politieke en relationele dynamieken door verschillende actoren, waarbij verschillen vooral worden gezien als bronnen van spanning; en (3) brokerage als het faciliteren van de totstandkoming van nieuwe kennis en praktijken, waarbij verschillen worden beschouwd als bronnen van innovatie. Deze lenzen gaan gepaard met uiteenlopende aannames over wie bruggenbouwers zijn en wat zij doen. Discussie en conclusie Brokerage blijkt een multidimensionaal fenomeen dat niet vanuit één perspectief kan worden waargenomen. Het combineren van lenzen is noodzakelijk om samenwerking over organisatorische en disciplinaire grenzen heen duurzaam te faciliteren. Individuele bijdrage 2 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie Complexe onderwijsvraagstukken vragen om interprofessionele samenwerking tussen bijvoorbeeld professionals uit het educatieve en sociale domein (Boonen et al., 2024). Interprofessionele leernetwerken bieden een setting waarin professionals (bruggenbouwers/brokers) hun samenwerking kunnen versterken, nieuw handelen kunnen ontwikkelen en daarop kunnen reflecteren (Brown & Poortman, 2018). Bruggenbouwers verbinden perspectieven, belangen en praktijken van verschillende disciplines en schakelen tussen werkveld en opleidingscontext. Dit vraagt om het herzien van bestaande opvattingen, routines en rollen (Dingshoff et al., 2023) en manifesteert zich op drie dimensies: professionele identiteit, professioneel handelen en sociale relaties (e.g., Holmström et al., 2023). Over hoe bruggenbouwers in leernetwerken zich op deze dimensies ontwikkelen over langere tijd, is nog beperkt empirisch inzicht. Vraagstelling Hoe ontwikkelen bruggenbouwers zich als persoon, als handelende professional en als samenwerkende en verbindende collega door langdurige deelname aan interprofessionele leernetwerken? Methode In dit longitudinale mixed-methods onderzoek zijn drie jaar lang vragenlijsten afgenomen onder alle bruggenbouwers (n=49), gebaseerd op het Interprofessional Collaboration Model (Bronstein, 2003). Tevens zijn negen bruggenbouwers gedurende drie jaar gevolgd via semigestructureerde diepte-interviews (n=27), gebaseerd op het concept value creation (Wenger et al., 2011). Resultaten Bruggenbouwers ontwikkelen zich op alle drie de dimensies. De professionele identiteit van bruggenbouwers verschuift van het verkennen van de eigen rol naar een nieuw professioneel zelfbeeld. Hun handelen ontwikkelt zich van zoeken en ervaren naar het actief faciliteren van duurzame samenwerking. Tegelijkertijd verdiepen en verbreden hun sociale relaties zich tot sterke, vaak informele verbindingen binnen en buiten het leernetwerk. Discussie en conclusie De ontwikkeling van de bruggenbouwers afhankelijk is van tijd, continuïteit, structurele ondersteuning van relationele processen en betrokkenheid van leidinggevenden. Samen laten deze implicaties zien dat interprofessioneel leren geen kwestie is van losse initiatieven, maar van het doelgericht bouwen aan tijd, relaties en leiderschap die samenwerking over grenzen heen mogelijk maken. Individuele bijdrage 3 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie In Nederland is de afgelopen jaren een ontwikkeling zichtbaar waarbij kinderopvangorganisaties en basisscholen gaan samenwerken binnen integrale kindcentra om zorg te dragen voor een betere afstemming van de verschillende omgevingen waarin kinderen opgroeien. Hierbij is interprofessioneel werken van professionals essentieel en worden nieuwe beroepsrollen zichtbaar (Fukkink & Van Verseveld, 2019; PACT voor kindcentra, 2021). Omgevingsgerichte professionals (Gennip & Wiersma, 2023, p. 7), ook wel bruggenbouwers genoemd (Akkerman & Bruining, 2016), vervullen een relatief nieuwe rol door grenzen tussen opvang en onderwijs te overbruggen. Vooralsnog ontbreekt empirisch inzicht naar de positie van bruggenbouwers binnen integrale kindcentra. Vraagstelling Hoe (h)erkennen professionals uit onderwijs en kinderopvang bruggenbouwers binnen hun kindcentrum? Methode Tijdens semigestructureerde focusgroepen hebben professionals verteld over hun ervaringen met bruggenbouwers. In totaal hebben er op 27 locaties voor onderwijs en kinderopvang 30 interprofessionele gesprekken plaatsgevonden. Resultaten Uit de analyses zijn drie perspectieven op bruggenbouwers te onderscheiden: 1) Geen (h)erkenning voor bruggenbouwers: er worden geen specifieke professionals als bruggenbouwers aangewezen omdat er (nog) niet structureel wordt samengewerkt tussen kinderopvang en onderwijs. 2) Specifieke collega’s worden (h)erkend als bruggenbouwers: herkende bruggenbouwers zijn professionals die vanuit een specifiek rol (bijv. een combi-functionaris) in zowel onderwijs als kinderopvang werken, of vanuit persoonlijke motivatie gedreven zijn om het contact met de andere sector op te zoeken. 3) Het hele team wordt als bruggenbouwer (h)erkend: professionals vanuit kinderopvang en onderwijs werken dusdanig geïntegreerd dat bruggenbouwen tot hun interprofessionele identiteit behoort. Discussie en conclusie De drie gevonden perspectieven kunnen op een continuüm geplaatst worden van geen (h)erkenning voor bruggenbouwers, tot bruggenbouwen als onderdeel van de interprofessionele identiteit. Voor de doorontwikkeling van integrale voorzieningen voor de jeugd is het belangrijk dat professionals deze interprofessionele identiteit vanuit de opleiding meekrijgen. De resultaten van deze studie bieden aanknopingspunten voor opleidingen om dit te bewerkstelligen. Papersymposium (90 minuten)792Marielle van den Hul-Kuijten, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Richard Kragten, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Mechteld van Kuijk, Hanzehogeschool, Groningen, Richard Kragten (voorzitter), Cindy Poortman (discussiant) 3.018do 09:00 – 10:30 Doelstellingen Dit symposium onderzoekt hoe samenwerking en reflectieve dialoog binnen formele docentprofessionaliseringsprogramma’s in het hoger (beroeps)onderwijs wordt vormgegeven, ervaren en benut. Samenwerking geldt als belangrijk uitgangspunt voor docentprofessionalisering, maar in de praktijk blijft vaak onduidelijk wanneer en hoe deze daadwerkelijk bijdraagt aan professionele groei. Het symposium sluit aan bij herkenbare praktijken van leergangen en leergemeenschappen en onderzoekt onder welke processen en voorwaarden samenwerking via reflectieve dialoog van sociale verbinding kan uitgroeien tot inhoudelijke professionele verdieping. Overzicht van de presentaties Het symposium bestaat uit drie samenhangende empirische papers met een expliciete theoretische en methodische verankering. De eerste bijdrage analyseert professionele groei van docenten in een tweejarige leergang formatief handelen. Interviews laten zien dat docenten hun leren vooral koppelen aan toepassing in de eigen praktijk, terwijl samenwerking vooral wordt gewaardeerd om haar verbindende functie, en minder vanzelfsprekend leidt tot inhoudelijke verdieping. De tweede bijdrage onderzoekt reflectieve dialoog als een opeenvolgend interactioneel proces. Interactionele analyses van gesprekken in leergemeenschappen maken zichtbaar hoe reflectieve momenten ontstaan, kwetsbaar zijn en actief onderhouden moeten worden. De derde bijdrage richt zich op talentontwikkeling van docenten en onderzoekt talentmomenten in leergemeenschappen als korte, emergente ervaringen van professionele groei. De analyse toont aan dat peers hierin een regulatieve rol vervullen, met implicaties voor de facilitering ervan. Wetenschappelijke betekenis Gezamenlijk verdiepen de bijdragen theorieën over docentprofessionaliseringsprocessen door te laten zien dat samenwerking niet automatisch leidt tot professionele groei. Modellen van professionele groei, zoals het Interconnected Model of Professional Growth (Clarke & Hollingsworth, 2002), worden aangevuld met sequentiële analyses van reflectieve dialoog (Ritschard & Studer, 2018) en thematische analyses van ervaren talentmomenten (Braun & Clark, 2021). Structuur van de sessie De sessie bestaat uit een korte inleiding, drie presentaties en een afsluitende publieksdiscussie onder leiding van een discussant, waarin deelnemers actief worden betrokken bij reflectie op implicaties voor onderzoek en praktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek Binnen de Hanzehogeschool volgen 16 docenten de tweejarige leergang “expert formatief handelen” van Toetsrevolutie. Tijdens bijeenkomsten met trainer en gastsprekers krijgt onderlinge uitwisseling tussen deelnemers vorm door ervaringen en toepassingen van opdrachten uit te wisselen – soms als formele peerfeedback, soms organisch. Onderzoek naar docentprofessionalisering toont aan dat samenwerking, peerfeedback en steun belangrijk zijn voor docentleren. Dit onderzoek kijkt naar de leerprocessen van deelnemers tijdens het eerste jaar. In lijn met het symposium wordt ingezoomd op het leren en de ervaringen van deelnemers, inclusief de rol van samenwerking. Vraagstelling van het onderzoek De onderzoeksvragen luiden: Hoe percipiëren deelnemers hun leerproces tijdens deelname aan de leergang en door welke (f)actoren/mechanismen wordt dit beïnvloed? En welke rol hebben onderlinge samenwerkingsactiviteiten daarin? Methode Tijdens een individueel semi-gestructureerd interview werd er stilgestaan bij a) aanleiding deelname en voorkennis, b) ervaring leergang, c) belangrijkste leeropbrengsten en leeractiviteiten, d) toepassing in de eigen onderwijspraktijk en/of bij collega’s. De transcripten zijn thematisch gecodeerd via zowel een inductieve als deductieve werkwijze. Resultaten De voorlopige analyse toont dat deelnemers ervaren dat hun expertise in formatief handelen (of strategieën hierbinnen) is verdiept. Daarnaast delen zij inzicht in veranderprocessen om formatief handelen in hun eigen context te versterken. Bijna alle deelnemers schrijven deze leeropbrengsten toe aan opdrachten in de eigen praktijk; een klein deel verwijst naar uitleg van trainer/gastspreker, een enkeling expliciteert de rol van onderlinge samenwerking. De deelnemers rapporteren wel enthousiasme over de vele samenwerking – vooral vanwege binding en (h)erkenning. Een kleine minderheid ervaart dit als vertragend voor de flow van de bijeenkomst. Conclusie en discussie De meeste deelnemers ervaren de samenwerking als verbindend, maar de belangrijkste leeropbrengsten komen voort uit andersoortige activiteiten’. Tijdens het symposium presenteren we de definitieve resultaten en gaan we graag dieper in op bovenstaand verschijnsel. Individuele bijdrage 2 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie Professionele Leergemeenschappen (PLG’s) vormen een belangrijke context voor gezamenlijke reflectie en professionele ontwikkeling van docenten. Reflectieve dialoog speelt hierin een centrale rol, maar het is nog beperkt bekend hoe deze zich in gesprekken daadwerkelijk ontwikkelt en waarom zij soms moeilijk vast te houden is. Dit onderzoek benadert reflectieve dialoog niet als iets wat voortdurend aanwezig is, maar als iets wat in gesprekken ontstaat en ook weer kan verdwijnen. Daarmee draagt de studie bij aan een beter begrip van hoe docentleren in PLG’s zich in de praktijk voltrekt. Vraagstelling Hoe ontwikkelt reflectieve dialoog zich sequentieel en temporeel binnen gesprekken in Professionele Leergemeenschappen van startende hbo-docenten? Methode In deze studie zijn 45 bijeenkomsten van PLG’s met startende hbo-docenten audiovisueel vastgelegd en getranscribeerd. De gesprekken zijn gesegmenteerd in afzonderlijke bijdragen en gecodeerd met een schema dat reflectieve en niet-reflectieve bijdragen onderscheidt. Met Social Sequence Analysis is geanalyseerd hoe deze bijdragen elkaar opvolgen, zowel op micro-niveau (overgangen tussen bijdragen) als op macro-niveau (patronen over volledige bijeenkomsten), met toepassing van adjacency-analyses, Markov-modellen en clustering. Resultaten De analyses laten zien dat reflectieve dialoog optreedt in korte, cyclische fasen waarin bewustwording, betekenisgeving en terugblik elkaar afwisselen. Deze momenten zijn ingebed in langere perioden van informatie-uitwisseling en interactiemanagement. Evaluatieve bijdragen blijken kwetsbaar en verdwijnen snel uit het gesprek. Op bijeenkomsteniveau worden twee patronen zichtbaar: gesprekken met terugkerende korte reflectieve momenten en gesprekken waarin lange niet-reflectieve segmenten domineren. Discussie en conclusie De resultaten laten zien dat reflectieve dialoog geen continu proces is, maar bestaat uit korte momenten die steeds opnieuw moeten worden geopend. Dit maakt duidelijk dat reflectieve dialoog afhangt van hoe gesprekken worden gevoerd en hoe hier in de tijd op wordt voortgebouwd. Individuele bijdrage 3 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie Talent wordt vaak gezien als een statische eigenschap, maar vanuit de evolving complexity theory is het een dynamische, emergente eigenschap die bijdraagt aan het potentieel van een individu om te excelleren én ontstaat in sociale interacties. In onderwijscontexten betekent dit dat talentontwikkeling niet los kan worden gezien van samenwerking en dialoog met anderen. In deze studie worden talentmomenten opgevat als korte ervaringen van groei en ontwikkeling in domeinen van persoonlijke interesse, gekenmerkt door diepe exploratie, nieuwsgierigheid en emotionele betrokkenheid. Door talentmomenten te onderzoeken binnen leergemeenschappen van in-service leraren, draagt deze studie bij aan een beter begrip van professionele ontwikkeling als sociaal en interactief proces. Vraagstelling Welke kenmerken hebben zelfgeïdentificeerde talentmomenten in leergemeenschappen, en hoe dragen medestudenten bij aan de ontwikkeling ervan? Methode In dit onderzoek zijn twee leergemeenschappen van in-service leraren onderzocht (n = 18) gedurende zeven opeenvolgende bijeenkomsten. De bijeenkomsten zijn gefilmd en na iedere bijeenkomst hebben deelnemers een logboek ingevuld over een ervaren talentmoment. Deze talentmomenten zijn nader toegelicht in video-elicited interviews. In totaal zijn 31 talentmomenten verzameld, waarvan 12 casussen zijn geselecteerd voor verdere analyse. De data zijn inductief geanalyseerd met behulp van reflectieve thematische analyse, aangevuld met template-analyse. Resultaten De analyse laat drie kernthema’s zien: (1) frustratie als indicatie van een aankomend transformatief moment, (2) sociale nieuwsgierigheid en dialogische responsiviteit als bijdragers aan, en (3) verbetering in ontwikkeling van denken, voelen en handelen. Peers vervullen een regulatieve rol door vragen te stellen, emoties te erkennen en gezamenlijk uitdagingen te verkennen, zonder direct oplossingen aan te reiken. Discussie en conclusie De resultaten laten zien dat talentmomenten ontstaan in sociale interactie en dat peers een cruciale rol spelen in het omzetten van ervaren obstakels in professionele ontwikkeling. Deze inzichten bieden aanknopingspunten voor het bewust faciliteren van talentontwikkeling in onderwijscontexten. Vrije vorm (90 minuten)586Wilke van Beest, Hoggeschool Utrecht, Utrecht, Marjanne Hagedoorn, Landstede Groep, Zwolle, Jantje Timmerman, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.038do 09:00 – 10:30 Maatschappelijke transities op het gebied van klimaat, technologie, arbeidsmarkt en zorg vragen om onderzoek vanuit een nauwe samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en praktijk. In zulke complexe opgaven is het cruciaal dat onderzoeksresultaten niet alleen over de praktijk gaan, maar met de praktijk worden geïnterpreteerd. Om leren en innoveren in samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en praktijk mogelijk te maken wordt steeds vaker gekozen voor co-design, co-creatie en co-constructie als methode tijdens (onderzoeks)projecten (Smeenk, Sturm & Eggen, 2022; Austin, Van Dijk & Drossaert, 2020; Mattelmäki & Sleeswijk Visser, 2011). Toch blijkt juist de analysefase een methodologische uitdaging: het interpreteren van data en het maken van keuzes gebeurt vaak uitsluitend door onderzoekers, waardoor de ‘co’ uit het onderzoeksproces verdwijnt (Van Beest, 2023). Dit beperkt niet alleen de gelijkwaardigheid tussen onderzoekers, docenten en professionals, maar ook de bruikbaarheid van onderzoeksuitkomsten voor de praktijkpartners. In het RAAK-SIA project Co-constructie van responsieve leeromgevingen in het beroepsonderwijs onderzoeken we met praktijkpartners uit de beroepspraktijk en onderzoekers in het mbo en het hbo welke factoren het gezamenlijke proces van co‑constructie bevorderen of belemmeren. Co-constructie zien we als een duurzame en gelijkwaardige samenwerking tussen onderwijsinstellingen en werkveldpartners in ontwerp, uitvoering, doorontwikkeling en borging van leeromgevingen (Bouw, Zitter & De Bruijn, 2021). Deze werkwijze wordt zowel in de leeromgevingen als binnen het onderzoeksconsortium nagestreefd. Om co‑interpretatie in de analysefase te realiseren, is een interpretatiemuur ontwikkeld: een participatieve analysemethode waarmee onderzoekers en stakeholders gezamenlijk betekenis geven aan (ruwe) data en richting bepalen voor vervolgstappen in de analyse. In deze bijdrage laten we zien hoe deze methode werkt, welke dynamieken ontstaan wanneer stakeholders actief deelnemen aan de analyse, en hoe dit de kwaliteit, legitimiteit en maatschappelijke toepasbaarheid van onderzoeksresultaten versterkt. Daarmee draagt deze studie bij aan methodologische innovaties die nodig zijn om onderzoek in het beroepsonderwijs responsief, gelijkwaardig en toekomstgericht te maken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit onderzoek sluit aan bij Onderwijs voor Transitie omdat het de taak van het beroepsonderwijs is om onderzoek te doen naar en met de praktijk. Dit vraagt niet alleen transitie van het onderwijs, maar ook van het onderzoek dat wordt uitgevoerd in gezamenlijkheid. Door co‑interpretatie centraal te stellen, richt de studie zich expliciet op doorwerking van onderwijsonderzoek: inzichten worden niet alleen gegenereerd, maar samen met praktijkpartners geïnterpreteerd en toegepast. De interpretatiemuur illustreert hoe vernieuwende analysemethoden bijdragen aan duurzame samenwerking en toekomstbestendige onderwijsinnovatie. Rondetafelgesprek (30 minuten)891Migchiel van Diggelen, NHL Stenden, Lectoraat Design-Based Education, Leeuwarden 3.056do 09:00 – 10:30 Aanleiding Ontwerpgerichte onderwijsbenaderingen zoals Design-Based Education, Challenge-Based Learning en Design-Based Learning hebben zich de afgelopen jaren stevig gepositioneerd binnen het hoger beroepsonderwijs (Van Diggelen, 2022). Zij beogen studenten toe te rusten voor een complex, dynamisch en transitiegericht werkveld en zijn veelal geïnspireerd door sociaal-constructivistische en situated leerperspectieven (Leijon et al., 2021). Tegelijkertijd laat de literatuur zien dat deze ontwerpgerichte onderwijsbenaderingen theoretisch gefragmenteerd zijn: onderliggende aannames over leren, kennis, ontwerpen en professionaliteit blijven vaak impliciet, waardoor een samenhangend theoretisch kader ontbreekt (Van Diggelen, 2022). Daarnaast wijst onderzoek erop dat ontwerpgericht leren zich niet beperkt tot individuen of teams, maar zich uitstrekt tot organisaties en netwerken, waarin samenwerking, collectieve kennisontwikkeling en waardecreatie centraal staan (Van den Beemt et al., 2021; Van Diggelen, 2022). Dit gebrek aan theoretische samenhang heeft duidelijke consequenties: het belemmert cumulatieve kennisopbouw, bemoeilijkt vergelijkend onderzoek en leidt tot ambiguïteit in onderwijsontwerp en beleidskeuzes (Hoggan, 2016). Doelstelling en originaliteit Deze bijdrage beoogt de ontwikkeling van een metatheorie voor ontwerpgericht onderwijs in de betekenis van Hoggan (2016): een ordenend en kritisch kader dat impliciete aannames expliciteert, theoretische fragmentatie reduceert en richting geeft aan verdere theorieontwikkeling en onderwijsontwerp. Onderzoeksvraag Welke onderliggende aannames over leren, kennis, ontwerpen, professionaliteit en het organiseren van leeromgevingen kenmerken ontwerpgerichte onderwijsbenaderingen, en hoe kunnen deze worden samengebracht in een samenhangende metatheorie van ontwerpgericht onderwijs? Dialoog / interactie De bijdrage wordt gepresenteerd als roundtable waarin deelnemers worden uitgenodigd de voorgestelde metatheorie kritisch te bevragen op herkenbaarheid, interne spanningen en theoretische lacunes. De opbrengsten dienen ter verdere verfijning en aanscherping van het metatheoretisch raamwerk. Rondetafelgesprek (30 minuten)423Harry Rorije, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Kristin Vanlommel, Universiteit Antwerpen, Antwerpen 3.056do 09:00 – 10:30 Succesvolle innovatie in scholen is vaak complex en hangt af van het innovatievermogen op meerdere niveaus binnen de schoolorganisatie (Datnow, 2012). Ten eerste hangt het af van de capaciteit van individuen zoals docenten, leiders en ondersteunend personeel (Datnow, 2020). Ten tweede is een sterke samenwerking tussen deze individuen op collectief niveau nodig (Harris & Jones, 2017). Ten derde moeten er op organisatieniveau verschillende voorwaarden aanwezig zijn, bijvoorbeeld een leercultuur, een gevoel van urgentie, een gedeelde visie, voldoende middelen of voldoende tijd en mogelijkheden voor innovatie (Newman et al., 2020; Stoll, 2009). Hoewel de cruciale rol van docenten in innovatie vaak wordt benadrukt en men het erover eens is dat docenten innovatief vermogen nodig hebben om hun rol te vervullen (Geijsel et al., 1999; Harris & Jones, 2019; Ketelaar et al., 2012; Lambriex-Schmitz et al., 2020), ontbreekt een duidelijke conceptualisering van dergelijk individueel innovatief vermogen. Welke kennis, vaardigheden en houdingen hebben docenten nodig om met verandering om te gaan en deze te begeleiden? Onze onderzoeksvraag is: wat zijn de elementen van individueel innovatief vermogen (IIV) dat docenten nodig hebben om bij te dragen aan complexe onderwijsveranderingen. Deze reviewstudie vormt een eerste wetenschappelijk kader dat we, aan de hand van een rondetafelgesprek met deelnemers, verder willen uitbouwen en verfijnen. Het doel van het rondetafelgesprek is om met collega-onderzoekers tot inzichten te komen hoe het ontwikkelde integratieve perspectief over IIV een nuttige basis biedt voor toekomstig onderzoek en op welke wijze de discussie over het IIV van docenten en andere onderwijsprofessionals in relatie tot complexe veranderingen op schoolniveau kan plaatsvinden. Aan de hand van de liberating structure 1-2-4-all gaan deelnemers met elkaar in gesprek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Te vaak hebben top-down innovaties geleidt tot slechte implementatie in de onderwijspraktijk (Hargreaves & Ainscow, 2015). Docenten spelen een cruciale rol in het realiseren van de innovatie en hun betrokkenheid is een voorwaarde voor succes (Harris & Jones, 2019). Om de benodigde transities te kunnen realiseren in het onderwijs is het van belang om een algemeen geaccepteerd concept te ontwikkelen van het innovatief vermogen van docenten. Gezamenlijke theorievorming hierover in het onderwijs kan toekomstig onderzoek en de onderwijspraktijk ondersteunen. Deze ronde tafel draagt bij aan verdere theorievorming en collectieve kennis over het concept innovatief vermogen van docenten. Rondetafelgesprek (30 minuten)358Svenne Groeneweg, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.056do 09:00 – 10:30 De Scholarship of Teaching and Learning (SoTL) is een academische werkwijze die zich bevindt op het snijvlak van onderzoek en onderwijs, waarin docenten in het hoger onderwijs hun eigen onderwijspraktijk systematisch onderzoeken. In de literatuur wordt SoTL op verschillende manieren geduid: als instrument voor het versterken van onderwijskwaliteit, als aanjager van evidence-informed onderwijsinnovatie, en als vorm van reflectieve professionele ontwikkeling (Felten, 2013; Huber & Hutchings, 2005). Deze conceptuele veelzijdigheid draagt bij aan de brede aantrekkingskracht van SoTL, maar roept ook vragen op over hoe het begrip in de praktijk vorm krijgt binnen universiteiten (Boshier 2009; Fanghanel et al., 2015; Simmons & Marquis, 2017). Een toenemende belangstelling voor SoTL komt tot uitdrukking in uiteenlopende initiatieven aan hogeronderwijsinstellingen, evenals in nationale financieringsmogelijkheden (NKO SoTL-beurs) en de recente organisatie van zowel nationale als internationale SoTL-conferenties in Nederland. Toch is er nog weinig systematisch inzicht in hoe SoTL beleidsmatig wordt gepositioneerd binnen Nederlandse instellingen, en hoe deze positionering samenhangt met bredere strategische ambities op bijvoorbeeld het gebied van onderwijs, docentprofessionalisering en kwaliteitszorg. Het doel van deze bijdrage is om via een documentanalyse inzicht te bieden in de wijze waarop universiteiten SoTL beleidsmatig verankeren. Aan de hand van interviews met betrokken beleidsmakers wordt vervolgens geanalyseerd welke waarden, doelen en ondersteuningsstrategieën daarbij centraal staan. Deze bijdrage biedt het eerste empirische overzicht van hoe SoTL gedefinieerd en geïnstitutionaliseerd wordt in Nederland, in een periode waarin Nederlandse SoTL-initiatieven internationaal steeds zichtbaarder worden. Daarnaast reikt de bijdrage praktische handvatten aan voor de verdere ontwikkeling van SoTL-beleid in Nederland. De bijdrage nodigt het publiek expliciet uit tot dialoog door deelnemers te laten reflecteren op overeenkomsten en verschillen tussen institutionele contexten, en door gezamenlijk te verkennen hoe uiteenlopende interpretaties van SoTL kansen én spanningen creëren voor de verdere verankering ervan in het hoger onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage legt het accent op de doorwerking en valorisatie van onderwijsonderzoek door te analyseren hoe universiteiten de Scholarship of Teaching and Learning (SoTL) beleidsmatig inbedden en ondersteunen. Daarmee biedt de bijdrage inzicht in institutionele ambities om docenten via praktijkgericht onderzoek naar hun eigen onderwijs bij te laten dragen aan de verdere ontwikkeling van het hoger onderwijs, in een context van maatschappelijke en onderwijskundige transitie. Vrije vorm (90 minuten)229Antoinette Kroes, Fontys Hogescholen, Eindhoven, Judith Rijnbende, Fontys Hogeschool, ‘s-Hertogenbosch, Dilana Schaafsma, Fontys, Eindhoven 3.058do 09:00 – 10:30 Relationele en seksuele opvoeding (RSV) is een belangrijk maar gevoelig onderwerp voor kinderen, ouders en onderwijsprofessionals. RSV is verplicht in het Nederlands basisonderwijs. Daarbij ervaren scholen regelmatig uitdagingen, zoals handelingsverlegenheid van leerkrachten en het afstemmen op diversiteit in de klas (Van Ditzhuijzen & Reitzema, 2020). Scholen mogen zelf kiezen welke lesmethode ze gebruiken, maar veel beschikbare methoden sluiten onvoldoende aan bij islamitische overtuigingen (Ihwani et al., 2017). Dit heeft als gevolg dat sommige islamitische ouders bezwaren hebben tegen seksuele vorming (Sanjakdar, 2022) en soms hun kinderen thuishouden als de lessen gegeven worden (Hielkema & Vreugdenhil, 2023). Tegelijkertijd vinden islamitische ouders het belangrijk om met hun kinderen over seksualiteit te praten, maar weten ze niet altijd hoe dit binnen de Nederlandse context kan (Nhass, 2019). Op een islamitische basisschool in Nederland ontwikkelde een godsdienstdocent in de afgelopen jaren een lesmethode voor RSV, waarin islamitische tradities en burgerschapsdoelen van het SLO zijn geïntegreerd (Kroes et al., 2025). Leerlingen, ouders en onderwijsprofessionals zijn enthousiast en er is draagvlak voor de lesmethode. In samenwerking met de godsdienstdocent die de methode ontwikkelde, de schoolleiding, leerlingen, ouders en verschillende onderwijs- en jeugdprofessionals, deden wij praktijkgericht onderzoek naar de volgende vragen: Wat zijn de werkzame elementen van de de methode? Welke factoren creëren draagvlak bij betrokkenen (leerlingen, ouders, onderwijs- en jeugdprofessionals)? Het doel van deze bijdrage is om onderzoeksresultaten te delen en in gesprek te gaan over normatieve professionaliteit (Bakker, 2025). Tijdens de sessie combineren we kennisoverdracht met interactie. Deelnemers aan de sessie ervaren een RSV-les uit de lesmethode. We delen de belangrijkste resultaten van ons onderzoek. Vervolgens voeren we een groepsgesprek over toepassingen, uitdagingen en ethische dilemma’s die onderzoeksdeelnemers en onderzoekers ervaren bij praktijkonderzoek rond een gevoelig onderwerp zoals RSV. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Seksuele vorming en de islam zijn onderwerpen waar sterk gepolariseerd over gedacht wordt in de huidige samenleving. Participatief praktijkonderzoek vormt een waardevolle methode om met zulke gevoelige onderwerpen aan de slag te gaan. Door samen met deelnemers aan het onderzoek te bouwen, groeit wederzijds vertrouwen en kan rijkere data ontsloten worden. Op die manier werken we samen aan goed onderbouwde inclusieve onderwijsvernieuwingen die leerlingen goed voorbereiden op de toekomst. Papersymposium (90 minuten)712Remco Coppoolse, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Daniel van Middelkoop, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Lydia Schaap, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Harry Rorije (voorzitter), Helma OolbekkinkMarchand (discussiant) 3.060do 09:00 – 10:30 Teams zijn al jaren onderwerp van onderzoek als het gaat om het initiëren en realiseren van veranderingen in het onderwijs (Kunnari et al. 2018). Teams worden gezien als een bepalende factor in het falen of slagen van onderwijsvernieuwingen. Om die rol waar te maken hebben zij stuurkracht nodig, het collectieve handelingsvermogen om tot duurzame onderwijsvernieuwing te komen (Etelapeltö et al., 2013). Dit ervaren zij lang nog niet altijd en versterkingen van stuurkracht in teams wordt vaak gezocht in de samenstelling van de teams, het verbeteren van de samenwerking etc. Ondanks die interventies, blijft de verduurzaming van onderwijsverbeteringen in de praktijk voor veel teams een uitdaging. Steeds meer wordt erkend dat voor het versterken van stuurkracht van teams niet alleen naar de teams zelf moet worden gekeken, maar ook naar de organisatiecondities die interacteren met de stuurkracht van de teams (Van Middelkoop, 2022). De vraag die hiermee beantwoord kan worden is hoe de stuurkracht van teams beïnvloed wordt door organisatiecondities. Het eerste doel van dit symposium is inzichten te delen uit onderzoeken die zich met deze vraag bezighouden. Een tweede doel dat we in interactie met het publiek willen realiseren is inzichten opdoen in wat teams zou helpen om duurzame onderwijsvernieuwing te realiseren in hun organisatie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Conceptueel model voor werkzame principes voor verduurzaming van onderwijsvernieuwingen. Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, vraagstelling Een snel veranderende omgeving vraagt om voortdurende onderwijsvernieuwingen en het vermogen om deze duurzaam te verankeren. Dit kan in de lengte (continuïteit en doorontwikkeling), breedte (verspreiding naar andere teams) en diepte (aanpassing van organisatieroutines) (Krijgsman et al., 2022). In de praktijk blijkt dit uitdagend: innovaties zijn vaak tijdelijk, geïsoleerd binnen één team en/of leiden niet tot organisatiebreed leren (März et al., 2017). Welke organisatiecondities beïnvloeden de stuurkracht van teams, oftewel wat zijn de werkzame principes om lokale onderwijsvernieuwingen van teams te laten verduurzamen in de werkroutines van onderwijsinstellingen? Methode Het onderzoek combineert een deductieve (literatuurverkenning) en inductieve aanpak (casestudies); uitkomsten van een literatuurverkenning vormen een conceptueel model, dat vervolgens wordt verrijkt door vijf casestudies van prijswinnende innovaties die in staat zijn geweest om een lokaal initiatief te verduurzamen. Voor de literatuurverkenning zijn zeven (inter)nationale, recente (review)studies (>2021) gericht op verduurzaming van onderwijsinnovaties bestudeerd. Uit deze studies zijn alle condities die effect hadden op verduurzaming gedestilleerd, en vervolgens gegroepeerd naar interacties en samenhang om te komen tot werkzame principes. Resultaten De gevonden principes zijn als volgt samen te vatten en blijken afzonderlijk en in interactie effect te hebben op verduurzaming (zie Figuur 1): Leiderschap (richting geven, verbinden en randvoorwaarden creëren), Missie/visie, structuur en cultuur (gedeelde koers en ondersteunende organisatiecontext), Teamfactoren (sociaal kapitaal, teamleren, eigenaarschap en evidence-informed werken). Figuur 1 Conceptueel model voor werkzame principes voor verduurzaming van onderwijsvernieuwingen Discussie en conclusie Bovenstaand model vormt een kader voor werkzame principes in duurzame onderwijsvernieuwingen. Tijdens onze bijdrage delen we inzichten uit de literatuurstudie en de eerste inzichten uit de case studies en dragen we bij aan de discussie: wat hebben teams nodig om meer stuurkracht te ontwikkelen in interactie met hun organisatie? Individuele bijdrage 2 Stuurkracht van teams in duurzame onderwijsvernieuwingen. Aanleiding Onderwijsvernieuwing is in het hbo urgenter dan ooit. Daarbij zijn de middelen beperkt, is de werkdruk hoog, en leiden onderwijsvernieuwingen niet tot daadwerkelijke veranderingen. Om vernieuwingen te verduurzamen moeten onderwijsinstellingen tegelijkertijd vernieuwen (exploratie) en bestendigen (exploitatie) (Souza & Takahashi, 2019). Rikkerink et al. (2016) beschrijven hoe de balans tussen vernieuwen en bestendigen op verschillende niveaus (individu, team en organisatie) via leerprocessen tot stand komen. Veel leerprocessen vinden binnen teams plaats, maar verduurzaming vraagt verspreiding (naar andere teams) en verankering in de organisatie (aangepast beleid). Welke organisatiecondities stuurkracht van teams bevorderen of belemmeren is nog niet duidelijk. Vraagstelling De onderzoeksvraag is: Wat is stuurkracht van onderwijsteams in onderwijsvernieuwing en welke organisatiecondities helpen of hinderen de stuurkracht van teams? Methode Een literatuurreview (periode 2020-2025, peer reviewed artikelen) resulteerde na meerdere verwerkingsronden in 8 artikelen, die diepgaand zijn geanalyseerd en verwerkt in een conceptueel raamwerk naar Rikkerink et al. (2016). Resultaten De verduurzaming van onderwijsvernieuwingen is een verankering van de uitkomsten van een sociaal leerproces. Dit kan beginnen bij de praktijk van een individu of bij het vertalen van organisatiedoelen door teams. Het leerproces hangt af van de aanwezigheid van condities in de organisatie (bijvoorbeeld de mate van georganiseerde reflectie), op hun beurt gecreëerd door (in)formele leiderschapspraktijken (bijvoorbeeld actief bevragen van de status quo). Het raamwerk bevat effectieve voorbeelden van leerprocessen en leiderschapsgedragingen en draagt zo bij aan de stuurkracht van teams en de verankering van onderwijsvernieuwing in de routines van de organisatie. Conclusie/Discussie Het conceptueel raamwerk biedt een samenhangend overzicht van de meest recente inzichten uit de literatuur hoe leren van teams (zowel innoverend als bestendigend) in organisaties wordt beïnvloed en daarmee hoe de stuurkracht van teams kan worden vergroot. Hiermee zullen met hbo-teams instrumenten worden ontwikkeld om hun stuurkracht in hun context te vergroten. Individuele bijdrage 3 De invloed van organisatiecondities op de stuurkracht van teams – van sturen ondanks context naar sturen dankzij context. Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader In onderwijsorganisaties wordt in toenemende mate een beroep gedaan op teams als motor van transitie. Er wordt daarbij vaak vanuitgegaan dat teams daarvoor de benodigde stuurkracht (ook wel agency, handelingsvermogen) bezitten. Onderzoek laat zien dat stuurkracht geen vast teamkenmerk is, maar ontwikkelbaar is, en situationeel en relationeel tot stand komt, afhankelijk van de context waarin teams opereren (Giddens, 1984; Archer, 1995; Priestley et al., 2015). Cruciaal is daarbij of organisatiecondities stuurkracht van teams stimuleren en ontwikkelen, of juist structureel uithollen. Vraagstelling Beperkte stuurkracht van teams in veranderprocessen wordt vaak benaderd als een tekort van teams zelf. Dit paper verschuift het perspectief naar de organisatiecondities en de wederzijdse beïnvloeding tussen team en organisatie. Organisatiecondities werken direct en dwingend in op teams; de invloed van teams op de organisatie is indirecter en bemiddeld. In verandercontexten waarin veel van teams wordt verwacht, ervaren zij vaak weinig stuurkracht. Centraal staat de vraag: hoe beïnvloeden organisatiecondities de ontwikkeling van stuurkracht van teams in langdurige veranderprocessen? Resultaten Uit tweejarig actieonderzoek naar collectief handelingsvermogen in mbo-teams (van Middelkoop et al., 2023) blijkt dat teams veel stuurkracht ervaren in het verzorgen en ontwerpen van het dagelijkse onderwijs, maar beduidend minder rond het realiseren van verbeterdoelen of beïnvloeden van organisatiecondities. Deze asymmetrie vormt het vertrekpunt van de analyses voor dit paper. De resultaten laten zien hoe instabiliteit, hoge werkdruk, beperkte tijd voor gezamenlijke reflectie en afstand tot besluitvorming de ontwikkeling van team-stuurkracht belemmeren, ondanks aanwezige professionele motivatie en expertise. Discussie Dit paper verschuift de focus van “stuurkracht versterken bij teams” naar hoe organisatiecondities zó ingericht kunnen worden dat ze stuurkracht stimuleren en ontwikkelen. Daarmee draagt het paper bij aan realistischer perspectieven op teamsturing en organisatieverantwoordelijkheid in transitiecontexten. Vrije vorm (90 minuten)553Elise Eshuis, Hogeschool Saxion, Deventer, Janina den Hertog, Hogeschool Saxion, Deventer 3.070do 09:00 – 10:30 Universiteiten en hogescholen zetten steeds vaker in op transdisciplinair onderwijs, om hun rol als aanjagers van maatschappelijke transities te versterken. In deze vorm van onderwijs werken academische en non-academische partners samen vanuit een gedeelde ambitie, veelal om positieve impact te maken op de Sustainable Development Goals (SDG’s). Problematisch is echter dat partners vaak verschillen in hun verwachtingen en definities van impact en dat impact niet expliciet wordt gedefinieerd en gemeten. Om partners hierin te ondersteunen ontwikkelden wij een impactspel dat impactpaden visualiseert. Bij het ontwerp van het spel is gebruik gemaakt van Theory of Change (Belcher et al., 2020). Eerdere studies benadrukken al de waarde van het visualiseren van impactpaden om vroegtijdige communicatie tussen partners te bevorderen (Van Drooge & Spaapen, 2022). Aan reeds bestaande tools en spellen voegen wij de Inner Development Goals (IDG’s) toe, een overzicht van kwaliteiten en vaardigheden die nodig zijn om bij te dragen aan de SDG’s. IDG’s krijgen steeds meer aandacht binnen onderwijs en transdisciplinaire leeromgevingen en helpen impact te creëren van binnenuit. Door IDG’s te integreren kan verandering op meerdere niveaus van binnenuit worden gerealiseerd: (1) de betrokkenen zelf, (2) de samenwerking en (3) het maatschappelijke vraagstuk (Ankrah et al., 2023). Onze ontwerpvraag is: ‘Hoe kan het gesprek over impact tussen partners gestimuleerd worden, zodat zij inzicht krijgen in de impact die ze samen willen maken en zich bewuster zijn van de impact die de samenwerking oplevert in de brede zin (persoonlijk, samenwerking, vraagstuk)?’. Het doel van de workshop voor deelnemers is tweeledig: deelnemers duiden de impact van transdisciplinaire projecten beter én krijgen inzicht in het ontwerp en de ontwerpstappen van ons onderzoek. In groepjes ervaren zij het spel, passen het toe op hun eigen (transdisciplinaire) context of casus en wisselen opgedane ervaringen uit. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de doorwerking/impact/valorisatie van onderwijsonderzoek binnen transdisciplinaire leeromgevingen die maatschappelijke transities aanjagen. Dergelijke omgevingen waarin academische en nonacademische partners rond SDG-vraagstukken samenwerken lijken impactvol, maar ‘impact’ is complex om te duiden en te meten. Op basis van ontwerponderzoek hebben wij een impacttool ontwikkeld in de vorm of een spel dat partners ondersteunt bij het expliciteren, bespreken en valoriseren van gewenste impact. De bijdrage gaat in op hoe dit spel bijdraagt aan bewustwording, gezamenlijke betekenisgeving en het versterken van onderwijs voor transitie. Papersymposium (90 minuten)892Nina Hosseini, Hogeschool IPABO, Amsterdam, Glen Molenberghs, UAntwerpen, Antwerpen, Dineke Tigelaar, Universiteit Leiden, Leiden, Kevin Zweeris, ICLON, Universiteit Leiden, Leiden, Dineke Tigelaar & Roeland van der Rijst (voorzitter), Nienke Nieveen (discussiant) 3.072do 09:00 – 10:30 De onderwijskunde en pedagogische wetenschappen vormen een breed veld van studie waarin onderwijs en opvoeding aan diverse doelgroepen en in verschillende onderwijssectoren worden bestudeerd. Daarnaast komen in de literatuur diverse onderwerpen aan bod die relevant zijn in onderwijs- en opvoedcontexten, zoals leren, onderwijzen, beoordeling, curriculumvraagstukken, beleid en organisatie. Deze breedte van onderwerpen in het veld is ook herkenbaar in de diverse wetenschappelijke verenigingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Hoe denken toekomstige leerkrachten over kansengelijkheid? Een social justiceperspectief. In deze kwalitatieve studie onderzoeken wij de redeneringen van leerkrachten in opleiding over kansen(on)gelijkheid. Het doel is om aanknopingspunten te vinden voor opleidingsonderwijs vanuit een social justice perspectief dat het begrip van aankomende leraren verdiept en hen ondersteunt bij het ontwikkelen van handelingsalternatieven. Uit onze analyse van focusgroepen en interviews met 26 Nederlandse pabostudenten kwamen zeven redeneringen naar voren, die met daarin drie opvallende patronen: (1) een neiging om ongelijkheid te individualiseren, (2) een afwijzing van negatieve labels en hiërarchieën, en (3) moeite met het identificeren van structurele oplossingen. Vanuit een social justice perspectief gezien belemmeren deze manieren van redeneren de ontwikkeling van onderwijspraktijken die bijdragen aan gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid. Tegelijkertijd bieden ze inzicht in de complexiteit van de positie van leerkrachten binnen een onderwijssysteem dat ongelijkheid versterkt; er is een spanning tussen de verwachting dat leerkrachten bijdragen aan kansengelijkheid enerzijds, en hun rol in het in stand houden van een ongelijkwaardig systeem anderzijds. Dit onderzoek suggereert manieren van denken die op social justice gericht opleidingsonderwijs ter discussie zou kunnen stellen, zodat studenten beter in staat zijn bestaande structuren te bevragen en met hun handelen bij te dragen aan sociale verandering. Individuele bijdrage 2 Aan de slag met formele prestatiegegevens uit centrale toetsen. Veranderingsbereidheid van Vlaamse leerkrachten en de impact van schoolbeleid en leiderschap. In een ontwikkelingsgericht systeem van centrale toetsen is het gebruik van formele prestatiegegevens van essentieel belang. Dat geldt zowel voor Vlaanderen, waar centrale toetsen werden ingevoerd vanaf het schooljaar 2023-2024, als in een internationale context, waar een doorgedreven gebruik van formele prestatiegegevens ter verbetering van het leerproces van leerlingen nog steeds als een verandering kan worden beschouwd. Om de verdere ontwikkeling van zulke vormen van informatiegebruik te onderbouwen, beschrijft en verklaart deze studie de veranderingsbereidheid van Vlaamse leerkrachten om formele prestatiegegevens uit centrale toetsen in hun onderwijspraktijk te integreren. Hiertoe voerden we een surveyonderzoek uit bij 609 leerkrachten. Beschrijvende analyses laten zien dat de veranderingsbereidheid bij de bevraagde leerkrachten relatief beperkt is. Het multigroep pasmodel toont daarnaast aan dat het ervaren van een informatiegebruikstimulerend schoolbeleid, waarin transformationele schoolleiders een cruciale rol spelen, op een betekenisvolle manier samengaat met deze veranderingsbereidheid. De praktische implicaties benadrukken onder andere het belang van het communiceren van duidelijke verwachtingen ten aanzien van het gebruik van formele prestatiegegevens, evenals het op poten zetten van interne samenwerkingsverbanden. Suggesties voor toekomstig onderzoek worden eveneens besproken. Individuele bijdrage 3 Een verdiepende rationale voor curriculumontwikkeling Er is in het afgelopen decennium veel aandacht geweest voor curriculumhervorming op alle niveaus van curriculumontwikkeling (micro, meso, macro) in Nederland. De doeldomeinen kwalificatie, socialisatie en persoonsvorming worden voortdurend voorgesteld als een richtinggevende rationale voor curriculumontwikkeling. Ondanks aanzienlijke inspanningen om de kerndoelen en eindtermen te herzien, is de gewenste herziening niet bereikt en het Masterplan basisvaardigheden weerspiegelt een smalle opvatting over de doelen van onderwijs. Het doel van dit artikel is om curriculumhervormingen in Nederland kritisch te bespreken en een rationale voor te stellen, voortbouwend op de doeldomeinen, die meer richting biedt in het denken over doelen van onderwijs. Voor elk niveau van curriculumontwikkeling wordt een casus gepresenteerd om te illustreren hoe het voorgestelde kader ingezet kan worden om inzichten te verkrijgen in posities ten aanzien van onderwijsdoelen en hoe deze inzichten dialogen over curriculumontwikkeling kunnen ondersteunen. Tot slot wordt betoogd dat de verschillende posities in de voorgestelde rationale in toekomstige curriculumhervormingen als complementair op lange termijn moeten worden beschouwd, in plaats van onverenigbaar op korte termijn. Vrije vorm (90 minuten)639Kirsten Foumani-Luijendijk, Hanzehogeschool, Groningen, Bert van Velthooven, Marnix Academie, Utrecht 3.088do 09:00 – 10:30 Aanleiding; Twee Professional Doctorate kandidaten doen onderzoek naar het vormgeven van een inclusieve, pedagogische en educatieve basisschoolomgeving. Eén kandidaat onderzoekt vanuit het domein Gezondheid en Welzijn hoe de functie van brugfunctionaris beter kan worden ingericht vanuit een preventieve, inclusieve en demedicaliserende benadering. De andere kandidaat kijkt vanuit het domein Leren en Professionaliseren naar hoe een vergaande samenwerking tussen verschillende partijen bijdraagt aan het vanzelfsprekend maken van de inclusieve leeromgeving. Deze twee perspectieven komen in deze bijdrage samen. Vraagstelling Hoe dragen de inzet van een brugfunctionaris en een intensievere samenwerking met ketenpartners, vanuit het perspectief van het sociaal model, bij aan het vanzelfsprekend maken van een inclusieve basisschoolomgeving? Het doel van de bijdrage is om deelnemers bewust te maken van de invloed van het medisch of sociaal model bij het professioneel handelen ten aanzien van een van inclusieve, pedagogische en educatieve basisschoolomgeving. Het medisch model richt zich op individuele tekorten en herstel in de persoon: het sociaal model op contextuele belemmeringen en het wegnemen daarvan (Mason & Rieser, 1994). Verloop: Na een introductie duiken we met twee werkvormen de diepte in. Samen met de deelnemers onderzoeken we een casus en doen we concrete voorstellen om een inclusieve leeromgeving op basis van het sociaal model, vanzelfsprekend te maken. Werkvorm 1 richt zich op het vergelijken van professioneel handelen vanuit het medisch model en het sociaal model. Deelnemers reflecteren (ervaringsgericht) op een praktijkcasus en verkennen verschillen in probleemdefinitie, verklaring en handelingskeuzes, evenals de implicaties voor preventief, inclusief en demedicaliserend handelen voor welzijnsfuncties in het onderwijs. Bij werkvorm 2 gaan de deelnemers actief in gesprek over vier gevisualiseerde ideeën om een inclusieve leeromgeving de norm te maken. Aan de hand van prikkelende vragen worden deze ideeën gezamenlijk verkend, herkend en uitgediept. De eigen beroepspraktijk van de deelnemers is daarbij een uitgangspunt. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Postersymposium (90 minuten)328Évi Kikken, Universiteit Maastricht (UM), Maastricht, Tim van Kuppeveld, KBA Nijmegen, Nijmegen, Lisa van der Sande, Hogeschool Windesheim, Almere, Trudie Schils, Universiteit Maastricht (UM), Maastricht, Annemiek Veen, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Sanne Visser, Hanzehogeschool, Groningen, Joke Kruiter (voorzitter), Koen van der Ven (discussiant) 3.090do 09:00 – 10:30 In deze sessie presenteren we voorlopige resultaten van opbrengstgerichte onderzoeken van verschillende interventies binnen het landelijke Programma School en Omgeving (verrijkte schooldag). De eerste inzichten uit deze onderzoeken worden gedeeld met als doel onderzoekers te informeren over doelmatige en effectieve interventies bij een verrijkte schooldag en scholen en andere betrokken partijen verder te helpen met die interventies. Gezamenlijke reflectie op de resultaten met de deelnemers draagt daar ook aan bij. Al sinds de jaren 90 worden er interventies met naschoolse activiteiten ingericht, die als doel hebben de kansengelijkheid van kinderen te bevorderen. Met extra activiteiten na schooltijd zouden kinderen uit minder bevoorrechte gezinnen extra kansen krijgen en daarmee hun potentieel beter bereiken. Verschillende interventies zoals de Verlengde Schooldag (Van Eck e.a. 2001; van Erp e.a. 1997) en de Brede School (Kruiter 2002, Kruiter e.a. 2013; Claassen e.a. 2008) zijn op landelijk niveau geëvalueerd. Daarin bleek het lastig om resultaten op landelijk niveau vast te stellen, omdat zowel de interventie als de doelgroep op de verschillende locaties sterk verschilden. Ook het Programma School en Omgeving richt zich op het bieden van naschoolse activiteiten met als doel kansengelijkheid te vergroten. Met een landelijke monitor wordt het proces in beeld gebracht (Wierdsma e.a. 2025). Daarnaast worden er 6 lokale opbrengstgerichte onderzoeken uitgevoerd. Vanwege eerdere evaluaties is er bewust gekozen om opbrengstgericht onderzoek op specifieke, lokale interventies en doelgroepen te richten. Met een flankerend onderzoek worden de overkoepelende resultaten in beeld gebracht. De sessie wordt ingeleid door de voorzitter. Daarna volgen de posterpresentaties van de onderzoekers. De discussiant reflecteert kort op de verschillende presentaties. Na de presentaties geeft de voorzitter enkele overkoepelende inzichten en volgt een plenaire discussie, ingeleid door de discussiant. Alle onderzoekers presenteren hun poster als volgt: contextschets, toelichting op gebruikte onderzoeksmethoden, presentatie voorlopige resultaten en voorlopige conclusie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Zinvolle invulling van de grote pauze Op veel scholen in Amsterdam bestaat zorg over de invulling van de Tussenschoolse Opvang (TSO). Op vier basisscholen wordt onderzocht hoe TSO-programma’s kinderen een betekenisvolle tijdsbesteding kunnen bieden en bijdragen aan hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Doel: Aanbieders ondersteunen een tussenschools aanbod van een gezonde lunch, en van begeleid spel op het schoolplein, door middel van sport- en spelactiviteiten. We onderzoeken wat het aanbod inhoudt, in hoeverre het lukt om het uit aanbod te voeren zoals bedoeld, welke effecten het heeft op het gedrag en de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen en of aannemelijk is dat het bijdraagt aan meer gelijke kansen. Onderzoeksmethode: Onderzocht is welke aannames en werkzame elementen aan de activiteiten ten grondslag liggen. Via vragenlijsten, interviews en observaties wordt de uitvoering onderzocht. Er zijn effecten op oa. het welbevinden, sociaal gedrag en de werkhouding van leerlingen in kaart gebracht. Resultaten: Bij programma’s rond spelactiviteiten op het schoolplein bestaat een spanningsveld tussen het geven van keuzevrijheid aan leerlingen en het bieden van voldoende begeleiding en structuur. Begeleiding wordt gezien als een beperking van autonomie, maar het bieden van duidelijke structuur en ondersteuning kan leerlingen juist helpen om zelfstandig keuzes te maken. Relevantie: Overblijven wordt vaak als belastend ervaren en is niet voor alle ouders betaalbaar. Vooral kwetsbare kinderen blijven soms niet over en komen zonder lunch en beweging de klas in, wat hun concentratievermogen belemmert. Structurele financiering ontbreekt, waardoor TSO weinig aandacht krijgt, terwijl een doelmatig ingerichte middagpauze juist kan bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en meer gelijke kansen. Discussie en conclusie: De school en de begeleiders die de lunch en het buitenspelen verzorgen, moeten een gezamenlijke visie ontwikkelen, met als doel bij te dragen aan consistentie en duidelijkheid voor leerlingen, betere samenwerking en afstemming tussen professionals, meer maatwerk en een positiever pedagogisch klimaat. Individuele bijdrage 2 Haven in zicht? Onderzoek naar de opbrengsten en werkzame elementen van een School & Omgeving interventie Sommige leerlingen, vooral leerlingen uit gemarginaliseerde groepen, ervaren soms een afstand tot de schoolcultuur (Bronkhorst & Akkerman, 2016). Positieve leerervaringen, herkenning in rolmodellen en aansluiting bij de eigen leefwereld kunnen bijdragen aan een hogere motivatie en een sterker gevoel van verbondenheid met leren en school (Akiva, 2022). De Haven Academie – een School & Omgeving programma in Almere – beoogt dit door na schooltijd leerervaringen aan te bieden die aansluiten bij diverse identiteiten en ervaringen, in te steken op wat kinderen zelf willen leren, andere manieren van leren aan te bieden en leerlingen met meer diversiteit aan leraren te laten kennismaken (Haven Academie Almere, z.d.). In dit onderzoek staat de vraag centraal of deelname aan de Haven Academie bijdraagt aan de sense of place van leerlingen: in hoeverre ervaren zij school als een plek waar zij graag zijn, zich thuis voelen en het gevoel hebben erbij te horen (Relph, 1976)? Sense of place wordt onderzocht aan de hand van (1) het gevoel van psychologische verbondenheid met de school, (2) de ervaren taakwaarde van leeractiviteiten en (3) de fysieke leeromgeving. Het onderzoek heeft een mixed-methods design, waarmee verschillen in sense of place tussen de reguliere schooldag en de Haven Academie worden onderzocht. Zestig leerlingen uit groep 3 tot en met 8 vulden vragenlijsten in over de psychologische verbondenheid met school en de ervaren taakwaarde van leeractiviteiten. De fysieke leeromgeving is in kaart gebracht door middel van een fotovoice-studie met zes leerlingen uit groep 7 en 8. De voorlopige resultaten van het onderzoek worden gepresenteerd op de ORD. Daarnaast gaan we in op de randvoorwaarden waaronder de interventie is uitgevoerd en bespreken we implicaties voor beleid en praktijk. Individuele bijdrage 3 Eerste resultaten brede meting rijke schooldag in Limburg Limburgse basisscholen werken samen met de Universiteit Maastricht aan het opbouwen van wetenschappelijke inzichten over de rijke schooldag als instrument om kansengelijkheid te bevorderen. Binnen dit onderzoek zijn zeven regionale coalities betrokken: Maastricht, Parkstad, Heerlen-Noord, Sittard-Geleen, Roermond, Weert en Venlo. De centrale onderzoeksvraag luidt in hoeverre het verrijkte aanbod op basisscholen binnen het programma School en Omgeving bijdraagt aan de ontwikkeling van sociaal-emotionele en (meta)cognitieve competenties en vaardigheden van kinderen. We richten ons specifiek op uitkomsten zoals de relatie met leerkrachten en klasgenoten, schoolmotivatie en -houding, schoolvertrouwen en 21e-eeuwse vaardigheden (o.a. kritisch denken, probleemoplossend vermogen, nieuwsgierigheid, vindingrijkheid, volharding, samenwerken en emotionele stabiliteit). Daarnaast wordt gekeken naar interesses en tijdsbesteding op het gebied van sport, cultuur, muziek, gezondheid en taalbeheersing. Voor het onderzoek wordt gebruikgemaakt van de werkwijze van de OnderwijsMonitor Limburg (OML). Sinds 2009 worden binnen de OML tweejaarlijks vragenlijsten afgenomen waarin bovengenoemde uitkomsten worden gemeten, onder andere onder leerlingen in groep 8 van de basisschool. Deze Limburgbrede metingen vormen een belangrijke basis voor het in kaart brengen van de opbrengsten van de rijke schooldag. Alle Limburgse coalities zijn partner binnen de OML. Omdat de reguliere metingen onvoldoende detail bieden voor een goed inzicht in resultaten van de rijke schooldag, is door het consortium gekozen voor aanvullende metingen. Leerlingen in de groepen 6, 7 en 8 op scholen binnen het programma School en Omgeving worden jaarlijks bevraagd. De resultaten worden vergeleken met trends op andere Limburgse scholen die wel deelnemen aan de OML, maar geen rijke schooldag aanbieden. Sommige vragen, zoals ervaringen met het verrijkte aanbod, zijn uitsluitend aan leerlingen op scholen met een rijke schooldag gesteld. Met deze poster/presentatie geven we een eerste inzicht in de resultaten op de genoemde uitkomsten, evenals in de ervaringen van leerlingen met het aangeboden programma. Individuele bijdrage 4 School & Omgeving Breda: Activiteiten om leerlingen in het basisonderwijs te helpen de sociaal-emotionele vaardigheden te ontwikkelen In Breda wordt het programma School en Omgeving al geruime tijd uitgevoerd met als doel basisschoolleerlingen te ondersteunen bij hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Het programma verzorgt extra aanbod voor groep 4 tot en met 8, en bestaat uit extra activiteiten buiten de reguliere schooldag gericht op sport, cultuur, en wereldoriëntatie. Vanuit verschillende samenhangende perspectieven verwachten we dat deze activiteiten bijdragen aan sociaal-emotionele ontwikkeling. Vanuit sociaal-cognitieve leertheorieën verwachten we dat positieve ervaringen tijdens deze activiteiten het vertrouwen in eigen sociaal-emotionele vaardigheden vergroten en het gebruik daarvan in andere contexten stimuleren (Bandura, 1986; Durlak, 2011). Volgens de zelf-determinatietheorie (Ryan & Deci, 2000) kan het gevoel van verbondenheid met anderen tijdens de activiteiten bijdragen aan motivatie. De upward spiral theory of lifestyle change (van Capellen et al., 2019) voegt daaraan toe dat positieve ervaringen gedrag bekrachtigen, wat de kans op herhaling vergroot. Ten slotte wijzen onderwijs-economische inzichten erop dat tijdsbesteding aan activiteiten die sociaal-emotionele vaardigheden stimuleren kan worden gezien als een investering in menselijk kapitaal, die samenhangt met latere motivatie en inzet (Borghans, 2006). In schooljaar 2025-2026 onderzoeken we dit programma plaats op vier basisscholen. In een quasi-experimentele studie worden klassen waar sprake is van extra aanbod vergeleken met klassen waar dit aanbod (nog) niet voorhanden is. Met voor- en nameting brengen we de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen in kaart. Aanvullend doen we een kwalitatieve verdieping (uitvoering eerste helft 2026) met individuele interviews met directie, leraren, begeleiders en leerlingen, groepsinterviews met directie, leraren en interventieaanbieders, en observaties van buitenschoolse activiteiten. Deze richten zich op ervaringen, beoogde en bereikte doelen, en hoe sociaal-emotionele aspecten tijdens de activiteiten aan bod komen. We presenteren de voorlopige beschrijvende resultaten van de metingen met de leerlingvragenlijst, de individuele interviews, groepsinterviews en observaties. Individuele bijdrage 5 De impact van verrijkte activiteiten op het zelfbeeld en zelfvertrouwen van schoolgaande kinderen in Oost-Groningen In de provincie Groningen ontwikkelen basisscholen verrijkte schooldagen onder de noemer Tijd voor Toekomst, met als doel het vergroten van kansengelijkheid. Met de coalitie Oost-Groningen onderzoeken Hanzehogeschool, Sociaal Planbureau Groningen en Impact House de impact van weerbaarheidstraining, beroepenoriëntatie en Kind-ouderondersteuners op het zelfbeeld, zelfvertrouwen en groeimindset van basisschoolkinderen. Uit onderzoek weten we dat verrijkte activiteiten, mits kwalitatief georganiseerd, bijdragen aan de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen. Met kinderen en schoolteams willen we leren of en waarom verrijkte activiteiten de sociaal-emotionele ontwikkeling beïnvloeden en wat daarin het belang is van de educatieve context. Met dit opbrengstgerichte onderzoek wordt inzichtelijk gemaakt of verrijkte schooldaginterventies rond weerbaarheid, beroepenoriëntatie en de interventie Kind-ouderondersteuner doelmatig zijn en bijdragen aan het zelfvertrouwen, zelfbeeld en groeimindset van kinderen in het basisonderwijs. Daarnaast wordt de toegevoegde waarde van de educatieve context voor deze interventies geëvalueerd. Aan de hand van een mixed-methods approach wordt de doelmatigheid en impact van interventies achterhaalt. Daarbij gebruiken we van bestaande data, (korte) vragenlijsten voor kinderen en participatieve methoden met kinderen. Aan de hand van vragenlijsten en interviews worden ervaringen en opbrengsten van schoolteams en aanbieders gedeeld. Met de eerste resultaten kunnen we inzicht bieden in 1) de doelgerichtheid van verrijkte schooldaginterventies (past de interventie bij het beoogde doel en hoe wordt dat bepaald?), 2) de (ervaren) opbrengsten van verrijkte interventies met als thema beroepenoriëntatie en weerbaarheid en de kind-ouderondersteuner en 3) hoe scholen, aanbieders en kinderen de waarde ervaren van het aanbod van deze interventies in de educatieve context. Dit onderzoek levert een bijdrage aan meer wetenschappelijke onderzoek naar verrijkte activiteiten in een educatieve context, die als doel hebben om kinderen sociaal-emotioneel te laten groeien. Daarnaast komen we met de praktijk tot handvaten voor een onderbouwd verrijkt schooldagprogramma. Vrije vorm (90 minuten)758Najat Bay, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Hessel Nieuwelink, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 3.094do 09:00 – 10:30 Op basis van een exploratief onderzoek met semigestructureerde interviews met 22 hbo- en wo‑docenten van verschillende instellingen en opleidingen is verkend hoe zij dialogen over controverses vormgeven in hun onderwijspraktijk. De interviews zijn opgenomen, getranscribeerd en in meerdere coderingsrondes thematisch geanalyseerd, met validatie in het kernteam. Het theoretisch kader bestaat uit positionaliteit en intersectionaliteit (Crenshaw, 1991), brave spaces (Arao & Clemens, 2013), reflectieve professionaliteit (Schön, 2016) en witte onschuld (Wekker, 2016). Docenten dragen deze dialogen vaak individueel, mede door impliciete theorieën en een gebrek aan team- en curriculumondersteuning. Dit onderzoek biedt een analytisch raamwerk voor gedeeld eigenaarschap van dergelijke dialogen en de inbedding daarvan in de opleidingen. Onderzoeksvraag: Hoe geven ho‑docenten vorm aan dialogen over controverses, en welke afwegingen maken zij daarbij in hun onderwijspraktijk? Voorlopige resultaten laten terugkerende spanningsvelden zien: Emotie vs. regie: wanneer emoties oplaaien, wordt het moeilijker om het gesprek te sturen Persoonlijke betrokkenheid vs. neutraliteit: eigen achtergrond en overtuigingen beïnvloeden reacties. Tijd & onderwijsdoelen: beperkingen door curriculum of tijd kunnen gesprekken hinderen. Institutionele steun vs. gebrek daaraan: het ontbreken van beleid of ondersteuning voor bespreken van controversiële onderwerpen. Macht & positionaliteit: machtsverhoudingen beïnvloeden wie spreekt en gehoord wordt. Workshopdoelen en werkwijze: Verrijking van de onderzoeksinzichten door collegiale bespreking. Reflecteren op eigen positionaliteit en de vijf spanningsvelden. Kernvragen formuleren voor gesprekken binnen teams en opleidingen. Verkennen hoe deelnemers als individuele kennisdragers kunnen samenwerken met collega’s om dialogen binnen hun team of opleiding breder te verankeren, richting gedeeld eigenaarschap en institutionele ondersteuning. Werkwijze: Introductie van de vijf spanningsvelden (15 minuten) Koppeling aan eigen ervaring (35 minuten) (Welk spanningsveld herken je het meest uit je eigen praktijk?) Formuleren van kernvragen gericht op impliciete verwachtingen, gedeelde verantwoordelijkheid en institutionele randvoorwaarden. (30 minuten) Plenaire oogst (10 minuten) Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De workshop maakt de spanningsvelden rondom controversiële dialogen in de onderwijspraktijk inzichtelijk en benadrukt de noodzaak van institutionele verankering, zodat het niet blijft bij individuele docenten. Het nodigt deelnemers uit tot reflectie en samenwerking om bij te dragen aan de transitie naar inclusief, toekomstgericht onderwijs. Papersymposium (90 minuten)51Idwer Doosje, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Renée Schrauwen, Hogeschool Inholland, Haarlem, Nynke de Wit, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Idwer Doosje (voorzitter), Peggy Lambriex Schmitz (discussiant) 3.096do 09:00 – 10:30 Transities in de samenleving krijgen ook vorm in het hoger onderwijs door middel van onderwijsinnovaties. Denk bijvoorbeeld aan studenten die interprofessioneel leren samenwerken, die zich buigen over de energietransitie in interdisciplinaire groepen, die zelfregulatievaardigheden eigen maken of leren hoe ze Artificial Intelligence kunnen inzetten.Het bedenken van vernieuwende ideeën lijkt te slagen; het in de praktijk brengen van die kennis en ideeën is uitdagend; en het verduurzamen en bestendigen van innovatie binnen onderwijsorganisaties is een complexe onderneming (Prenger et al. 2022). In dit interactieve symposium richten we ons tot het innovatieproces vanuit drie perspectieven: het individu, teams en de organisatie. Door deze drie perspectieven te verbinden, bouwen we aan een gedeeld repertoire om de complexiteit van verduurzaming te begrijpen en te hanteren.Tijdens het symposium:* Krijg je overzicht van 19 innovatiemodellen die veel worden gebruikt in onderwijs én waar empirisch onderzoek naar is gedaan. – Renée Schrauwen* Leer je over hoe sociaal en menselijk kapitaal in teamleren innovatie in het hoger onderwijs duurzaam versterkt. – Idwer Doosje – PhD* Krijg je inzicht in hoe bottom-up innovaties in het hoger onderwijs kunnen opschalen aan de hand van drie onderzochte casussen. – Nynke de Wit – PhD* Bouw je aan je eigen innovatierepertoire met concrete handvatten voor je eigen innovatieproject, team of organisatie.* Sluiten we af met inzichten van onze discussant dr. Peggy Lambriex-Schmitz.Ons onderzoek draagt bij aan het overbruggen van de kloof tussen wat we weten over onderwijsinnovatie en wat we dagelijks doen in de praktijk. Hoewel er veel kennis is over innovatieprocessen, is het voor professionals uitdagend om evidence-informed besluiten te nemen (Vanlommel et al., 2025). Ook is nog onduidelijk hoe top-down en bottom-up initiatieven elkaar bij opschaling kunnen versterken (Hung et al., 2025), en blijft de rol van teams als cruciale schakel onderbelicht. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Tussen theorie en praktijk: de onbenutte rol van innovatiemodellen in het onderwijsAuteurs: Renée Schrauwen, Andrea Prince, Nynke BosOnderwijsinstellingen investeren steeds intensiever in innovaties zoals blended learning, programmatisch toetsen en flexibilisering. Toch blijken veel van deze vernieuwingen slechts beperkt te beklijven in de dagelijkse praktijk. Eerder onderzoek laat zien dat duurzame verankering van innovaties vraagt om aandacht voor zowel product als proces (Fullan, 2016). Dit onderzoek verkent daarom de rol van innovatiemodellen als potentieel, maar in de praktijk weinig benut hulpmiddel om duurzame onderwijsvernieuwingen te realiseren.Op basis van een scoping review zijn 19 innovatiemodellen geanalyseerd op hun historische ontwikkeling, disciplinaire oorsprong en mate van aandacht voor vijf kernaspecten van innovatie zoals geformuleerd door Bocconi, Kampylis en Punie (2013). De resultaten laten zien dat innovatiemodellen zich in de afgelopen decennia hebben ontwikkeld van lineaire en individugerichte verklaringen—zoals Diffusion of Innovations (Rogers, 1962)—naar systemische, dynamische en meerlagige perspectieven die samenwerking, context en cyclisch leren benadrukken, zoals het 4I-Framework (Crossan et al., 1999) en het Six Change Perspectives-model (Kezar, 2018).De analyse toont daarnaast dat veel modellen afkomstig zijn uit de psychologie en organisatiekunde, terwijl onderwijskundige modellen schaars zijn. Deze disciplinaire oorsprong bepaalt mede welke aspecten van innovatie centraal staan, zoals individuele motivatie (Ajzen, 1991) of institutionele structuren (Kezar, 2018). Modellen die meerdere dimensies combineren sluiten beter aan bij de complexiteit van onderwijsinnovatie, maar worden in de praktijk slechts beperkt gebruikt. Hierdoor ontbreekt vaak een gedeeld begrippenkader om innovaties doelgericht te begeleiden.Dit onderzoek benadrukt dat een bewuste, contextgevoelige keuze of combinatie van innovatiemodellen waardevolle richting geeft aan procesbegeleiding, samenwerking en structurele inbedding. Innovatiemodellen kunnen zo fungeren als een fundament voor duurzame onderwijsvernieuwing—mits zij vanaf de start van innovatietrajecten expliciet worden ingezet. Individuele bijdrage 2 Sociaal en menselijk kapitaal en teamleren voor duurzame onderwijsinnovatieAuteurs: Idwer Doosje, Mieke Koeslag-Kreunen, Simon Beausaert, Kristin VanlommelHet genereren en experimenteren met onderwijsinnovaties in hoger onderwijs is haalbaar, maar de verduurzaming van deze initiatieven binnen onderwijsorganisaties blijkt zeer uitdagend (Prenger, 2022). Een belangrijke katalysator voor duurzame onderwijsinnovatie is het samen werken en leren in teamverband over de inhoud en processen van deze innovaties (Doosje et al, 2025, under review). Door teamleren reflecteren professionals op doelen, worden aannames bediscussieerd, en hulpbronnen van buiten gezocht en benut. Echter, tijdsdruk, elkaar niet durven aanspreken, en nadruk op individuele autonomie, bemoeilijken teamleren (Koeslag-Kreunen, Van der Klink, et al., 2018). Veel onderzoek focust daarom op de condities om teamleren te bevorderen; zo blijken leiderschap, psychologische veiligheid en onderlinge afhankelijkheid cruciaal (Doosje et al, 2025, under review). Onderbelicht is echter de rol van sociaal en menselijk kapitaal. Kapitaal dat via relaties, kennis en vaardigheden door het team kan worden aangewend en benut via team leren, ter bevordering van innovatie binnen de organisatie. Welke rol speelt dit kapitaal in het teamleren voor duurzame onderwijsinnovatie? 15 teamleden zijn geïnterviewd uit 15 verschillende onderwijsteams die een innovatie hebben geïmplementeerd en verduurzaamt. Bevindingen wijzen erop dat grensoverstijgende kennisuitwisseling (boundary crossing, als vorm van teamleren) en reflexiviteit in het team, de lengte, breedte en diepte van onderwijsinnovaties kunnen ondersteunen; met name wanneer samenwerking wederkerig is en het team reflecteert op de boundary crossing. Ook het belang van relaties binnen en buiten het team lijken cruciale hefbomen voor het betrekken van andere docenten en managers. Daarnaast identificeerden we ook het menselijk kapitaal die boundary crossing versterken, zoals empathie, veerkracht, organisatorische sensitiviteit en semantische capaciteiten. Samengevat, voor duurzame onderwijsinnovatie is het van belang om expertise en middelen over teamgrenzen heen te benutten en hierop te reflecteren. Individuele bijdrage 3 De route(s) van bottom-up onderwijsinnovaties naar opschaling in het hoger onderwijsAuteurs: Nynke de Wit, Natalie Pareja Roblin, Bieke Schreurs, Monique Volman, Frank CornelissenOm de impact en het bereik van bottom-up onderwijsinnovaties te vergroten, is opschalen cruciaal, maar complex. Hoewel er verschillende theorieën zijn over hoe je innovaties kan opschalen (bv. Kezar, 2011), is er weinig empirisch onderzoek naar gedaan, zeker in het hoger onderwijs. Opschaling bestaat in dit onderzoek navolging van Coburn’s (2003) definitie uit vier dimensies: het verspreiden van een innovatie naar nieuwe contexten, de verduurzaming van de innovatie over tijd, waarbij eigenaarschap verschuift naar nieuwe personen en de innovatie impact heeft op de onderwijspraktijk verdiept en verandert. Om inzicht te krijgen naar hoe (technologische en didactische) bottom-up onderwijs innovaties kunnen opschalen, werd een vergelijkend multiple-case onderzoek uitgevoerd. Daarbij werden drie casussen onderzocht van bottom-up onderwijsinnovaties binnen één universiteit die tot en met instellingsniveau zijn opgeschaald. Op basis van documentanalyse (> 100 documenten) en 21 interviews met belangrijke stakeholders in het proces naar opschaling (bijv. projectleiders, afdelingshoofden, ICT-stakeholders, Academische Zaken) zijn drie narratieve casusbeschrijvingen gemaakt. Daarbij is gekeken vanuit de vier dimensies naar hoe een innovatie is verspreid, verduurzaamd, hoe eigenaarschap over tijd is veranderd en wat er is ondernomen om de onderwijspraktijk in andere contexten te veranderen. Er zijn drie verschillende opschalingsroutes gevonden: een tool-gedreven opschaling, een interesse-gedreven opschaling en een organisatie-gedreven opschaling. Om langdurige opschaling te waarborgen, is het belangrijk om vanaf het ontstaan van de innovatie en tot na de opschaling aandacht te besteden aan wie verantwoordelijk is voor de verspreiding, verduurzaming en verdieping/verandering van de onderwijspraktijk. Papersymposium (90 minuten)777Patricia Brouwer, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Piety Runhaar, Wageningen Universiteit, Wageningen, Marian Thunnissen, Universiteit Utrecht, Utrecht, Rachel Verheijen, Fontys, Eindhoven, Julia Penning de Vries, Universiteit Utrecht, Utrecht, Marian Thunnissen (voorzitter), Piety Runhaar (discussiant) 5.052do 09:00 – 10:30 Het onderwijs in Nederland staat onder structurele druk door hardnekkige personeelstekorten in alle onderwijssectoren, hoge ervaren werkdruk en aanhoudende zorgen over onder andere basisvaardigheden en kansenongelijkheid. Tegelijkertijd leggen de invloed van AI en digitalisering en nieuwe maatschappelijke opgaven (zoals samenwerking met kinderopvang en aansluiting op een veranderende arbeidsmarkt) een extra beroep op scholen. In deze context is de vraag niet langer óf scholen strategisch human resource management (SHRM) moeten inzetten, maar hoe zij dit vormgeven teneinde de continuïteit en kwaliteit van onderwijs te borgen. In dit papersymposium wordt vanuit een multidisciplinaire invalshoek onderzocht hoe Strategisch HRM kan bijdragen aan het bevorderen van functioneren en presteren, duurzame inzetbaarheid, professionele ontwikkeling en organisatorische wendbaarheid van onderwijsprofessionals. De eerste paper belicht de doorwerking van SHRM in het voortgezet onderwijs en analyseert belemmerende en bevorderende factoren bij de implementatie en perceptie van beleid door schoolleiders, middenmanagement en leraren. De tweede paper richt zich op het mbo en onderzoekt hoe bijgestelde HR-praktijken de impact van masteropgeleide docenten kunnen vergroten. De derde paper onderzoekt in de samenwerking tussen po en kinderopvang in kindcentra de rol van de leidinggevende in de uitvoering van het HRM-beleid en de doorwerking van het HRM-beleid op het samenwerkingsgedrag van de medewerkers. De sessie belicht zowel theoretische kaders als empirische inzichten en reflecteert op HR-implementatie en de doorwerking en impact van HRM-beleid in zowel po, vo en mbo. De papers en de reacties van de referent bieden input voor een discussie met het publiek. Hiermee draagt het bij aan het congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ door inzicht te geven in hoe onderwijsorganisaties personeel strategieën kunnen benutten om maatschappelijke en organisatorische transities te ondersteunen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onze sessie richt zich op de doorwerking en impact van HRM- en HR-praktijken in onderwijsinstellingen, en hoe deze bijdragen aan transities binnen het onderwijs. Vanuit een multidisciplinair perspectief combineren we theoretische kaders, zoals SHRM, AMO-theorie en het procesmodel van HRM, met empirische inzichten uit po, vo en mbo-instellingen. We onderzoeken hoe beoogd HRM-beleid daadwerkelijk wordt geïmplementeerd door leidinggevenden en waargenomen door docenten, welke factoren dit bevorderen of belemmeren, en hoe dit de professionele ontwikkeling, inzetbaarheid en wendbaarheid van onderwijsprofessionals versterkt, zodat onderwijsorganisaties beter kunnen inspelen op maatschappelijke en organisatorische veranderingen. Individuele bijdrage 1 De doorwerking van SHRM in het voortgezet onderwijs Inleiding De afgelopen decennia is er binnen het voortgezet onderwijs (VO) steeds meer aandacht voor Strategisch Human Resource Management (SHRM) (Leisink & Boselie, 2014). Een belangrijk aandachtspunt binnen SHRM is de zogeheten doorwerking: de mate waarin beoogd SHRM-beleid van eindverantwoordelijke schoolleiders daadwerkelijk wordt geïmplementeerd door middenmanagers en vervolgens wordt waargenomen door leraren (Knies et al., 2023). Volgens het procesmodel van SHRM beïnvloedt vooral het waargenomen beleid de attitudes en het gedrag van medewerkers (Wright & Nishii, 2023). Empirisch onderzoek laat echter zien dat er sprake is van een aflopende trap: beoogd SHRM wordt hoger beoordeeld dan geïmplementeerd en waargenomen SHRM (Knies et al., 2023; Penning de Vries, 2021). Aangezien de doorwerking van beoogd, naar geïmplementeerd naar waargenomen SHRM-beleid belangrijk is voor de bijdrage aan schooldoelen, is het relevant om te achterhalen waarom deze doorwerking ‘vastloopt’. Dit leidt tot de centrale onderzoeksvraag: welke bevorderende en belemmerende factoren spelen een rol bij de doorwerking van SHRM in VO-scholen volgens eindverantwoordelijke schoolleiders, schoolleiders uit het middenmanagement en leraren? Methode Deze vraag wordt onderzocht met een sequential explanatory mixed-method onderzoek (Ivankova et al., 2006). Allereerst zijn kwantitatieve vragenlijsten afgenomen onder eindverantwoordelijk schoolleiders (N=266), schoolleiders uit het middenmanager (N=188) en leraren (N=1002). Vervolgens zijn deze bevindingen geduid aan de hand van kwalitatieve interviews met eindverantwoordelijk schoolleiders (N=4), schoolleiders uit het middenmanagement (N=3) en leraren (N=3). Resultaten Kwantitatieve resultaten laten significant verschil zien tussen beoogd, geïmplementeerd en gepercipieerd SHRM, wat illustreert dat er sprake is van een ‘aflopende trap’ in de doorwerking van SHRM. Uit de kwalitatieve interviews komen verschillende bevorderende en belemmerende factoren naar voren, waaronder het gedeeld eigenaarschap van en wederkerige communicatie over SHRM als voorwaarde voor de doorwerking. Dit onderschrijft de waarde van het gesprek met leraren voeren over SHRM, en niet (alleen) over leraren. Individuele bijdrage 2 Van masterplan naar meesterwerk: effectiviteit van HR-beleid gericht op masteropgeleide mbo-docenten Aanleiding/relevantie Hoewel mbo-docenten al langer worden gestimuleerd om een masteropleiding te volgen, blijkt dat hun expertise nog onvoldoende wordt benut binnen mbo-instellingen. De impact van masteropgeleide docenten blijft veelal beperkt tot hun eigen onderwijspraktijk (Brouwer et al., 2018). Voorliggend onderzoek bestudeert dit vraagstuk vanuit een HR-perspectief. HR-beleid vervult een belangrijke rol bij het optimaliseren van het functioneren en daarmee de impact van masteropgeleide docenten in de organisatie (Runhaar e.a., ingediend) en bestaat uit het geheel aan praktijken die erop gericht zijn om de vaardigheden, motivatie en mogelijkheden van docenten te vergroten opdat zij een bijdrage kunnen leveren aan complexe onderwijsvraagstukken (cf. Knies e.a., 2023; Runhaar, 2017). De mate waarin HR-beleid effectief is hangt af van wat er in het beleid is vastgelegd als van hoe HR-praktijken worden vormgegeven en door betrokkenen worden begrepen (Nishii & Wright, 2007). Effectieve eigenschappen zijn onderscheidenheid, consistentie en consensus (Boselie e.a., 2021). Vraagstelling Welke doorontwikkelde HR-praktijken gericht op masteropgeleide docenten zijn te onderscheiden in drie mbo-instellingen? Hoe effectief zijn deze doorontwikkelde HR-praktijken? Methode Het betreft een participatief onderzoek met multiple casestudydesign (Yin, 2018). Bij drie mbo-instellingen zijn doorontwikkelde HR-praktijken onderzocht m.b.v. HR-Kijkwijzer (Runhaar e.a., ingediend) en focusgroepinterviews met masteropgeleide docenten. Resultaten Er is sprake van onderscheiden HR-praktijken die expliciet en herkenbaar gericht zijn op het ondersteunen van masteropgeleide docenten, zij sluiten inhoudelijk op elkaar aan en versterken elkaar en zijn daarmee aanzienlijk consistent. Er is een beperkte mate van consensus over het HR-beleid in de drie mbo-instellingen, doordat HR-beleid niet altijd wordt uitgevoerd zoals bedoeld, en ook niet altijd zo wordt ervaren. Conclusie/discussie Verdere versterking van consensus, onder meer via gedeelde visieontwikkeling over leiderschap in teams, leiderschapsprofessionalisering en structurele inbedding van nieuwe HR-praktijken, lijkt noodzakelijk om de impact van masteropgeleide mbo-docenten duurzaam te vergroten. Individuele bijdrage 3 Inleiding In integrale kindcentra werken professionals uit onderwijs en kinderopvang interprofessioneel samen aan optimale ontwikkelkansen voor kinderen van 0-13 jaar. Deze interprofessionele samenwerking (IPS) verloopt in de praktijk echter vaak moeizaam, met lage samenwerkingsniveaus en structurele spanningen rondom rolonduidelijkheid en statusverschillen tussen sectoren (Keuning et al., 2022; Langner & Fukkink, 2022). Inclusief leiderschap geldt als veelbelovende aanpak om samenwerking in diverse teams te bevorderen doordat deze leiderschapsbenadering expliciet aandacht geeft aan zowel verbondenheid als het waarderen van professionele eigenheid (Carmeli et al., 2010; Randel et al., 2018; Shore & Chung, 2021). Cruciaal daarbij is dat niet alleen de aanwezigheid van leiderschapspraktijken telt, maar vooral hoe deze worden ervaren door leidinggevenden en medewerkers; misalignment tussen beide perspectieven kan contraproductief uitwerken (Van Beurden et al., 2021; Van Waeyenberg et al., 2022). Onduidelijk is echter hoe beide dimensies van inclusief leiderschap samenhangen met IPS in kindcentra, hoe leidinggevenden en medewerkers dit leiderschap ervaren, en via welke mechanismen dit doorwerkt naar interprofessionele samenwerking. Wanneer waardering niet genoeg is. Lessen over inclusief leiderschap in interprofessionele samenwerking tussen onderwijs en opvang Vraagstelling Hoe hangen dimensies van inclusief leiderschap samen met interprofessionele samenwerking tussen onderwijs en opvang in kindcentra? Methode Het onderzoek gebruikte een mixed-methods design. Survey-data werden verzameld bij 173 medewerkers en 17 leidinggevenden uit acht Nederlandse kindcentra. Kwalitatief werden interviews gehouden met veertien leidinggevenden bij aanvang van een professionaliseringsprogramma. Resultaten Inclusief leiderschapsgedrag gericht op verbondenheid hangt significant positief samenhangt met IPS. Leiderschapsgedrag gericht op waarderen van eigenheid correleerde echter niet met IPS, ondanks dat medewerkers rapporteren zich gewaardeerd te voelen. Kwalitatieve analyse verduidelijkt dat kinderopvangprofessionals zich aanpassen aan onderwijsnormen terwijl hun expertise beperkt doorwerkt in besluitvorming. Dit wijst vooral op wat Shore en Chung (2021) assimilatie noemen in plaats van inclusie. Inclusief klimaat bleek geen mediërende rol te spelen, mogelijk door lage klimaatsterkte binnen teams. Papersymposium (90 minuten)262Ena Coenen, KU Leuven, Leuven, Mariëtte Huizinga, Vrije Universiteit, Amsterdam, Anouk Wouters, Amsterdam UMC, Amsterdam, Anouk Zuurmond, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam, Mariëtte Huizinga (voorzitter), Pieter van Lamoen (discussiant) 7.002do 09:00 – 10:30 De transitie van voortgezet naar hoger onderwijs vormt voor veel studenten een cruciale en kwetsbare fase in hun onderwijsloopbaan. In deze overgang veranderen niet alleen academische eisen, maar ook verwachtingen, verantwoordelijkheden en vormen van ondersteuning. Om studenten beter te positioneren in deze fase maken onderwijsinstellingen steeds vaker gebruik van transitie-instrumenten, zoals ijkingstoetsen, positioneringstoetsen, matchingactiviteiten en predictieve feedback. Deze instrumenten beogen studenten inzicht te geven in hun startcompetenties en studiekeuzes te ondersteunen, maar roepen tegelijkertijd vragen op over hun functie, effecten en eerlijkheid. In dit symposium staat de transitie naar het hoger onderwijs centraal als een proces waarin informatievoorziening, ondersteuning en keuzevrijheid zorgvuldig met elkaar in balans moeten worden gebracht. ‘Eerlijkheid’ benaderen we daarbij niet als een vaststaand criterium, maar als een samenhang van transparantie, validiteit van instrumenten, handelingsperspectief voor studenten en aandacht voor mogelijke differentiële effecten tussen groepen studenten. Vanuit deze invalshoek onderzoeken we hoe transitie-instrumenten — en in het bijzonder ijkingstoetsen — functioneren in de onderwijspraktijk en welke aannames en ontwerpkeuzes hieraan ten grondslag liggen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit symposium adresseert Onderwijs voor Transitie door de overgang naar het hoger onderwijs te analyseren als een ontworpen en beïnvloedbaar proces, waarin onderwijsinstrumenten actief richting geven aan keuzes en leerpaden. De bijdragen laten zien hoe ijkingstoetsen, predictieve feedback en ondersteuningspraktijken worden ingezet om studenten te begeleiden in een fase van veranderende eisen en verantwoordelijkheden. Tegelijkertijd wordt kritisch gereflecteerd op de voorwaarden waaronder deze instrumenten bijdragen aan een eerlijke transitie, met aandacht voor validiteit, autonomie en kansengelijkheid. Daarmee verbindt het symposium transitie op individueel niveau met institutionele en systeemvragen over rechtvaardig onderwijsontwerp. Individuele bijdrage 1 IJkingstoetsen in Vlaanderen: van STEM naar een breder verhaal Spreker: Ena Coenen In het open-toegangsonderwijssysteem in Vlaanderen spelen ijkingstoetsen een belangrijke rol in het versterken van de aansluiting tussen secundair en hoger onderwijs. Ze bieden een realistische inschatting van startcompetenties en helpen opleidingen en studenten om tijdig gerichte ondersteuning te organiseren. Voor verschillende STEM-opleidingen bestaan deze toetsen al jaren, met herhaald bewijs voor hun validiteit en hun nut voor studieoriëntatie en instroombeleid. Recent onderzoekt de Vlaamse overheid hoe ijkingstoetsen kunnen worden uitgebreid naar niet‑STEM‑opleidingen. Deze presentatie schetst de achtergrond van de bestaande toetsen, waaronder ontwerpkeuzes zoals timing in de zomer, verplichte maar niet-bindende deelname en remediëring. Daarnaast wordt een universitair project toegelicht dat ijkingstoetsen ontwikkelt voor sociale en menswetenschappen. Het kwaliteitsonderzoek focust op de mate waarin deze toetsen valide metingen, bekeken via inhouds-, criterium- en constructvaliditeit. De studie hanteert een multi-methodisch design. Inhoudsvaliditeit werd onderzocht via expertbevragingen over representativiteit en relevantie van items. Constructvaliditeit werd geanalyseerd met item-responstheorie en factoranalyses. Voor criteriumvaliditeit werden correlaties berekend tussen toetsresultaten en gegevens uit het secundair onderwijs. Predictieve validiteit wordt bepaald op basis van de relatie tussen toetsresultaten en latere studieresultaten. De resultaten tonen een sterke inhoudelijke afstemming met de verwachte startcompetenties en een duidelijke predictieve meerwaarde bovenop secundaire onderwijsgegevens. Studenten staan over het algemeen matig positief tegenover de toets. In de discussie worden implicaties voor het gebruik van ijkingstoetsen als positionerend instrument besproken, zoals geschiktheid per opleiding, haalbare remediëring en borging van validiteit en draagvlak. De studie concludeert dat de ijkingstoetsen overwegend valide zijn, dat uitbreiding naar niet‑STEM‑opleidingen perspectief biedt, maar dat voortdurende monitoring en domeinspecifieke optimalisatie essentieel blijven. Individuele bijdrage 2 Ethische aandachtspunten bij predictieve studiekeuzetools Spreker: Anouk Zuurmond Doorgaans maakt predictive analytics in het onderwijs gebruik van grootschalige, niet-gevoelige data uit leeromgevingen, zoals betrokkenheid en activiteiten in een digitale leeromgeving, om leeruitkomsten zoals het succesvol afronden van een cursus te voorspellen. Deze voorspellingen stellen instellingen in staat om studenten met een verhoogd risico te identificeren en tijdig passende ondersteuning te bieden. Predictive analytics wordt tegenwoordig ook toegepast in het proces van studiekeuze. Predictieve studiekeuzetools richten zich op het voorspellen van studiesucces op basis van persoonlijke, vaak zelf-gerapporteerde gegevens zoals persoonlijkheidskenmerken, interesses, cijfers en gender, met als doel aankomende studenten te ondersteunen bij het maken van een weloverwogen studiekeuze en het verminderen van uitval in het eerste studiejaar. Hoewel dergelijke tools nog niet breed worden toegepast, groeit de belangstelling ervoor, vanwege aanhoudende problemen rond studiekeuze en studie-uitval. De mogelijke repercussies bij predictieve studiekeuzetools zijn echter aanzienlijk. Onnauwkeurige voorspellingen kunnen immers invloed hebben op belangrijke levenskeuzes, zoals de beslissing om al dan niet aan een opleiding te beginnen. Daardoor roepen deze studiekeuzetools morele vraagstukken op. Dit onderzoek richt zich op de vraag welke morele vraagstukken het gebruik van predictieve studiekeuzetools oproept. Er werd een filosofische analyse uitgevoerd, waarbij concepten uit de ethiek en in het bijzonder de data-ethiek worden ingezet om de normatieve implicaties van predictieve studiekeuzetools systematisch te verkennen. De analyse leidt tot het identificeren van drie centrale risico’s: (1) misinterpretatie van probabilistische feedback door aankomende studenten, (2) aantasting van autonomie in het studiekeuzeproces, en (3) bias en mogelijke discriminatie. Het Responsible Research and Innovation (RRI)-raamwerk wordt uitgewerkt als een mogelijke handelingsstrategie om deze risico’s te mitigeren. In de afronding van deze bijdrage wordt vanuit een onderwijsfilosofisch en pedagogisch perspectief gereflecteerd op de onderliggende veronderstellingen en de bredere repercussies van de inzet van predictieve studiekeuzetools binnen het hoger onderwijs. Individuele bijdrage 3 Kansengelijkheid in transitie-ondersteuning: de rol van institutionele, professionele en persoonlijke structuren Spreker: Anouk Wouters De transitie van het vervolgonderwijs naar het hoger onderwijs kan niet los gezien worden van processen en onderwijspraktijken die beperkende of ondersteunende invloed kunnen hebben op de toegankelijkheid van het onderwijs. Kansengelijkheid krijgt hierin steeds meer aandacht. Naast diversiteit van de studentenpopulatie is het creëren van een inclusieve onderwijsomgeving, die alle studenten in staat stelt succesvol deel te nemen, belangrijk. Selectie bepaalt wie toegang tot een vervolgopleiding kan krijgen en docenten hebben een belangrijke rol in het creëren van een toegankelijke onderwijscontext. De centrale vraagstelling is daarom hoe selectieprocessen en docentattitudes kansengelijkheid in toegang tot het hoger onderwijs kunnen ondersteunen of begrenzen. Grootschalig kwantitatief onderzoek gebaseerd op data van CBS en Studielink bracht de kansengelijkheid in toegang tot selectief hoger (medisch) onderwijs in kaart. De rol van de sociale omgeving van aspirantstudenten in het ondersteunen van deze transitie en mogelijkheden om middels selectiebeleid kansengelijkheid te bevorderen werden eveneens onderzocht. Een scoping review naar docentattitudes ten aanzien van Equity, Diversity en Inclusion (EDI) werd uitgevoerd om inzicht te krijgen in wat docenten drijft om EDI te incorporeren in het hoger onderwijs. De diversiteit van studenten in selectieve hogeronderwijsprogramma’s is beperkt. Zowel kansenongelijkheid in selectieprocedures als zelfselectie lijken hieraan bij te dragen. Effecten verschillen echter tussen onderwijsprogramma’s. Een academisch (medisch) netwerk biedt waardevolle ondersteuning voor individuele aspirantstudenten. Disruptieve beleidswijzigingen bieden echter potentie om kansengelijkheid in de breedte te verbeteren. Docenten hebben veelal een open en comfortabele houding ten aanzien van EDI, maar er blijkt meer nodig te zijn om hen daadwerkelijk in staat te stellen veranderingen door te voeren in de onderwijspraktijk. Het onderzoek laat zien hoe attitudes praktijk- en beleidsvorming beïnvloeden en hoe transitie-instrumenten en institutionele routines samenhangen met kansengelijkheid in de transitie naar het hoger onderwijs. Paperpresentatie (30 minuten)53Irene Eegdeman, Hogeschool Windesheim, Almere 0.043do 11:00 – 12:00 In het mbo wordt studentuitval in beleid grotendeels benaderd als een economisch en maatschappelijk probleem, met nadruk op rendement, startkwalificatie en arbeidsmarktkansen (o.a. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2024; Rijksoverheid, 2023; Inspectie van het Onderwijs, 2023). Daarbij ligt de focus sterk op statistisch meetbare indicatoren zoals uitstroom- en diplomacijfers en blijft de bredere context, zoals sociaaleconomische achtergrond, mentale gezondheid en de ervaring van studenten zelf, grotendeels buiten beeld. Dit onderzoek verkent hoe deze beleidsmatige probleemrepresentatie zich verhoudt tot de praktijkervaringen van studenten en professionals in één grote mbo-instelling. De studie is opgezet als een instrumentele casestudy en maakt gebruik van de What’s the Problem Represented to be?-benadering van Bacchi (2012). Op macroniveau zijn recente beleidsdocumenten geanalyseerd; op mesoniveau kwaliteitsagenda’s van vier mbo-instellingen; op microniveau zijn 24 interviews afgenomen met in totaal 31 studenten, docenten, zorgcoördinatoren en managers uit negen opleidingen. De resultaten laten zien dat beleid uitval vooral als te voorkomen probleem ziet, terwijl betrokkenen in de praktijk uitval ook beschrijven als onderdeel van een breder, soms betekenisvol, leer- en levenspad. Persoonlijke omstandigheden, financiële druk, psychische klachten en mismatch met de opleiding worden door studenten en professionals genoemd als belangrijke oorzaken. Op basis van de combinatie van bestaande literatuur, beleidsanalyse en praktijkdata is een praktijkgerichte typologie van uitvallers ontwikkeld, waarin typen uitval worden onderscheiden. Doel van deze bijdrage is om (1) de verschillen en overeenkomsten tussen beleid en praktijk zichtbaar te maken, en (2) een praktijkgerichte typologie van uitvallers te presenteren waarmee teams hun eigen uitvalpatronen en handelingsmogelijkheden kunnen analyseren. Tijdens de sessie wordt actief ingezet op dialoog: deelnemers worden uitgenodigd hun eigen context te positioneren ten opzichte van de gepresenteerde typologie, voorbeelden uit de eigen instelling te delen en gezamenlijk te verkennen wat het zou betekenen om uitval meer als leerloopbaanfenomeen dan als louter rendementsprobleem te benaderen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit onderzoek laat zien dat een eenzijdige focus op rendement en startkwalificatie onvoldoende recht doet aan de diversiteit van leerloopbanen in het mbo. Door uitval te benaderen als onderdeel van een bredere leer- en levensloop in plaats van uitsluitend als te reduceren probleem en verschillen in typen uitval te erkennen, kan uitval beter in kaart gebracht worden. De voorgestelde typologie ondersteunt instellingen bij een transitiedenken over studiesucces: van ‘binnenhouden tot diploma’ naar het vormgeven van betekenisvolle, duurzame routes voor verschillende groepen studenten. Paperpresentatie (30 minuten)308Carla Haelermans, Universiteit Maastricht (UM), Maastricht 0.043do 11:00 – 12:00 Het Nederlandse onderwijsbeleid wordt al lange tijd gekenmerkt door een spanning tussen de principes van differentiatie en egalitarisme. In de loop van de tijd ontstonden verschillende schooltypen met uiteenlopende curricula, wat resulteerde in een onderwijssysteem dat sterk gestratificeerd was naar sociale herkomst. Een ander kenmerkend element van het Nederlandse onderwijsstelsel is de sterke verankering van de vrijheid van onderwijs: artikel 23 van de Grondwet garandeert gelijke bekostiging van openbaar onderwijs en bijzonder (religieus of levensbeschouwelijk) onderwijs. Gezamenlijk hebben deze elementen geleid tot een sterk heterogeen onderwijssysteem dat het Nederlandse onderwijs tot op de dag van vandaag typeert.Tegelijkertijd heeft Nederland gedurende de twintigste eeuw herhaaldelijk debatten gekend over onderwijskansen en sociale gelijkheid, wat heeft geresulteerd in diverse onderwijshervormingen. Welke hervormingen werden ingezet om de stratificatie van het Nederlandse onderwijssysteem tegen te gaan? Hoe probeerden deze hervormingen een brug te slaan tussen de conservatieve institutionele en beleidsmatige fundamenten van het Nederlandse onderwijs en de egalitaire agenda die sinds de jaren vijftig en zestig steeds nadrukkelijker werd gearticuleerd? En, wellicht het belangrijkst, in hoeverre waren deze hervormingen daadwerkelijk effectief in het vergroten van gelijke onderwijskansen?In deze bijdrage bespreken wij een aantal onderwijshervormingen uit de afgelopen zes decennia die expliciet gericht waren op het verminderen van sociale stratificatie in het onderwijs. Concreet richten wij ons op de Mammoetwet (Wet op het voortgezet onderwijs) van 1968, de Wet op het basisonderwijs van 1993, de invoering van het vmbo en de herstructurering van de tweede fase in 1999, evenals meer recente (lokale) financiële prikkels ter bevordering van meer omvattende, brede vormen van onderwijs. Naast een overzicht van bestaande literatuur presenteren wij nieuwe empirische bevindingen over de effecten van twee van deze hervormingen – de Mammoetwet en de Wet op het basisonderwijs – op basis van gegevens uit de European Social Survey en het LISS-panel. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)545Liesbeth Baartman, Hogeschool Utrecht, Utrecht 0.055do 11:00 – 12:00 Aanleiding Programmatisch toetsen (PT), oorspronkelijk ontwikkeld binnen het hoger (medisch) onderwijs, wordt in toenemende mate toegepast in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Hier wordt dit Lerend Kwalificeren (LK) genoemd. Opleidingen stappen daarbij af van afzonderlijke summatieve examens en bewegen richting het longitudinaal verzamelen van bewijsmateriaal gedurende het leertraject. LK beoogt de leer- en beslisfunctie van toetsing te integreren door feedback centraal te stellen en zak/slaag-beslissingen uit te stellen totdat saturatie van informatie is bereikt (Van der Vleuten et al., 2012). In de praktijk blijkt het echter complex om deze leerfunctie daadwerkelijk te realiseren, door spanningen tussen de ontwikkelingsgerichte functie van feedback en de summatieve signalen die studenten ervaren wanneer feedback ook wordt benut om beslissingen op te baseren (Kelleher et al., 2024). Theoretisch kader De theoretische principes van LK zijn beschreven in een consensus paper (Heeneman et al., 2021). LK is geworteld in het denken over assessment for, of en as learning en maakt gebruik van een backbone van leeruitkomsten die richting geeft aan feedback, betekenisgeving en beslissingen over ontwikkeling (de Jong et al., 2019). Vertaling van de theoretische principes van LK vraagt vertaling naar context-specifieke onderwijspraktijken, bijvoorbeeld met betrekking tot het aantal en type datapunten, feedbackperspectieven, begeleiding bij betekenisgeving van feedback en beslisprocedures (Baartman et al., 2022). Bestaand onderzoek richt zich daarbij vooral op de beslisfunctie van LK, terwijl de leerfunctie relatief onderbelicht blijft. Doelstelling Dit onderzoek heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de dilemma’s die mbo-teams ervaren bij het vormgeven en implementeren van de leerfunctie van LK. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke dilemma’s doen zich voor in de wijze waarop mbo-teams de leerfunctie van lerend kwalificeren ontwerpen en uitvoeren? Interactie publiek De geïdentificeerde dilemma’s vormen het uitgangspunt voor interactie met het publiek. Deelnemers worden uitgenodigd om in dialoog deze dilemma’s en achterliggend ontwerpkeuzes te verdiepen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)46Hanna Fricke, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag, Jasper Jansen, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag 0.055do 11:00 – 12:00 De zorgsector heeft een groot tekort aan personeel, vooral in praktijkgerichte beroepen [1,2]. Een van de meest efficiënte manieren waarop dit arbeidsmarkttekort tegengegaan kan worden is door de instroom van zorgmedewerkers uit de beroepskolom (vmbo-mbo) te verhogen. Het is daarom essentieel om te onderzoeken waar geïnteresseerde zorgstudenten uitvallen. Overgangen van vmbo-diploma met een zorgprofiel naar een zorgvervolgopleiding en tenslotte de transitie naar een zorgberoep gaan vaak samen met uitval. Tot nu toe ontbreekt echter het totale beeld, doordat deze overgangen los van elkaar worden onderzocht [3,4,5,6]. Ook zijn studenten slechts tot anderhalf jaar na afstuderen gevolgd op de arbeidsmarkt en is de invloed van persoons- en opleidingskenmerken beperkt onderzocht. Een integraal onderzoek naar het pad van vmbo naar arbeidsmarkt in de zorg is cruciaal om factoren te identificeren die invloed hebben op de instroom in de zorgarbeidsmarkt. Inzicht in doorstroom in onderwijs en transitie naar beroep wordt verkregen door de volgende vragen: Welk deel van de vmbo-gediplomeerden met een zorgprofiel stroomt door naar een mbo-opleiding in de zorg? Welk deel van deze starters aan een mbo- zorgopleiding rond een deze af met een diploma? Welke delen van deze mbo-zorggediplomeerden zijn na 1 én 5 jaar (langdurig) werkzaam in de zorg? Welk invloed hebben regio, persoonskenmerken (waaronder geslacht en welvaartspercentiel) en opleidingskenmerken (waaronder vmbo-leerweg, mbo-niveau) op het afgelegde pad? Deze vragen worden onderzocht met registergegevens van DUO en met CBS-microdata. Doorstroom en uitval op het pad naar de zorgarbeidsmarkt en de invloed van kenmerken worden inzichtelijk gemaakt met Sankey-diagrammen en gekwantificeerd met logistische regressies. Dit onderzoek laat zien waar (en welke) potentiële zorgmedewerkers uitvallen op het pad van vmbo tot arbeidsmarkt uitvallen. Is dit een beeld dat het publiek herkent vanuit de onderwijs- en beleidspraktijk? Zijn er suggesties voor vervolgonderzoek hoe andere kenmerken dit pad kunnen beïnvloeden? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)16Niklas Abel-Hardenberg, Lectoraat Taalontwikkeling en Meertaligheid, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 1.022do 11:00 – 12:00 Meertalige klassen zijn een gegeven in het voortgezet onderwijs. Zeker in grootstedelijke omgevingen is de aanwezige taaldiversiteit enorm: ongeveer 50% van de leerlingen maakt dagelijks gebruik van verschillende talen en/of taalvariëteiten naast het (Standaard)Nederlands (Inspectie van het Onderwijs, 2022). Deze groeiende diversiteit in onze schoolpopulaties en in de samenleving als geheel vormt een uitdaging voor de manier waarop wij talen onderwijzen: ten eerste doet het traditionele eentalige onderwijsmodel onvoldoende recht aan de talenten en leerbehoeften van het hedendaagse taal- en cultuurdiverse klaslokaal (Cenoz & Gorter, 2021); ten tweede voldoet de sterke focus op functionele doeltaalvaardigheid en accuratesse niet langer aan de verwachtingen die de wereld buiten de schoolmuren aan onze leerlingen stelt (DeKeyser, 2017). Om deze redenen wordt in de huidige nationale curriculumherziening meer nadruk gelegd op de ontwikkeling van taalbewustzijn en cultuurbewustzijn als aanvullende kerndomeinen binnen het talenonderwijs. Bovendien erkent het nieuwe curriculum expliciet het potentieel van het benutten van de talige en culturele repertoires van leerlingen. Tegelijkertijd geven taaldocenten aan dat zij zich onvoldoende voorbereid voelen om deze nieuwe kerndomeinen in hun onderwijs te integreren en hun onderwijs af te stemmen op taal- en cultureel diverse klassen (Van Batenburg et al., in voorbereiding; Severiens et al., 2019; Van Avermaet, 2015; Van Beuningen & Polišenská, 2019). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)378Cindy Kuiper, Hogeschool Utrecht, Utrecht 1.022do 11:00 – 12:00 Aanleiding Nieuwkomersleerlingen brengen waardevolle kennis en ervaring mee, maar door een eentalige norm op scholen blijven thuistalen en eerder opgedane kennis en vaardigheden vaak onbenut. Dit vergroot kansenongelijkheid en belemmert aansluiting. Tegelijkertijd vinden volwassen nieuwkomers met een onderwijsachtergrond moeilijk een plek in het Nederlandse onderwijs, terwijl hun expertise en inzet hard nodig zijn. Het project Meertalige bruggenbouwers in nieuwkomersonderwijs (2023-2025) speelde in op beide uitdagingen door vijf volwassen nieuwkomers op te leiden tot meertalige onderwijsassistent (MOA) en in te zetten als talig-culturele bruggenbouwers in een vo-nieuwkomersschool.Achtergrond en theoretisch kader Internationaal wordt de inzet van MOA’s als kansrijk gezien, maar in Nederland is deze rol nog onbekend. MOA’s kunnen vanuit een meertalige aanpak, en samen met andere actoren op school, bijdragen aan de taal- en vakinhoudelijke ontwikkeling en een sterker gevoel van belonging bij leerlingen. Over de ontwikkeling van de MOA-rol binnen een specifieke Nederlandse schoolcontext is echter weinig bekend. In deze studie onderzochten we de rolontwikkeling van vijf MOA’s vanuit een sociaal-culturele lens, met het PPP-framework (Purpose, Position, Potential) van Akkerman et al. (2021).Vraagstelling Hoe ontwikkelen meertalige onderwijsassistenten hun rol, in termen van purpose, position en potential, gedurende een jaar in een Nederlandse vo-nieuwkomersschool?Relevantie van het onderzoek Inzicht in deze rolontwikkeling is cruciaal voor het vormgeven van meertalige onderwijspraktijken en inclusiever onderwijs. De resultaten bieden handvatten voor (taal)beleid en professionalisering van MOA’s en docenten.Doelstelling bijdrage en interactie met publiek We presenteren opzet en resultaten van de studie en bespreken implicaties voor de onderwijspraktijk. Samen met deelnemers verkennen we de betekenis en toekomst van de MOA-rol aan de hand van stellingen.Literatuur Akkerman, S. F., Bakker, A., & Penuel, W. R. (2021). Relevance of Educational Research: An Ontological Conceptualization. In Educational Researcher (Vol. 50, Issue 6, pp. 416–424). SAGE Publications Inc. https://doi.org/10.3102/0013189X211028239 Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)201Floris Burgers, Radboud Universiteit, Nijmegen, Sharon Vlot, Radboud Universiteit, Nijmegen 1.050do 11:00 – 12:00 Onderzoekt toont veelvuldig aan dat leerlingen met een lagere sociaal-economische status (SES) minder kansen krijgen in het Nederlands onderwijs. Zo ontvangen leerlingen met verschillende sociale achtergronden systematisch andere schooladviezen en profiteren zij in ongelijke mate van selectieve onderwijsvormen (e.g. CBS, 2025; DUO, 2025; Van de Werfhorst, 2021). Om deze kansenongelijkheid tegen te gaan worden veel interventies en programma’s ingevoerd, zoals uitgestelde selectie via brede brugklassen of onderwijsachterstandenbeleid (e.g. Onderwijsraad, 2021; Sikkema, 2019). Om de effectiviteit van zulke interventies voor kansengelijkheid te kunnen evalueren, is het belangrijk om kansengelijkheid goed te kunnen meten. Een passende manier om de SES van leerlingen te bepalen is voorwaardelijk voor een goede monitoring van gelijke kansen. De heilige graal voor het meten van SES in onderwijsonderzoek bestaat uit drie componenten: inkomen, beroep en opleidingsniveau van ouders (e.g. Avvisati & Wuyts, 2024; National Center for Education Statistics, 2012). In de onderwijspraktijk blijkt het uitvragen van deze gegevens echter lastig, omdat jonge leerlingen deze oudergegevens vaak niet goed kunnen inschatten. Gegevens uitvragen bij ouders is een alternatief, maar dat kost veel tijd en levert ook een lagere respons op. Daarom is er behoefte aan meetmethoden die niet zijn gebaseerd op oudervragenlijsten, maar die wel voldoende valide zijn om als SES-indicator gebruikt te worden in onderzoek naar kansenongelijkheid. Wat zijn geschikte manieren om SES te meten voor grootschalig onderwijsonderzoek? Deze vraag staat centraal in deze ronde tafel. Om te verkennen welke mogelijkheden er zijn om SES in onderwijskundig onderzoek te meten en wat de voor- en nadelen daarvan zijn, nodigt deze ronde tafel zowel wetenschappers als onderwijsprofessionals uit met kennis van, of interesse in, onderzoek naar kansengelijkheid. De inzichten die hier worden opgedaan kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van haalbare en valide meetstrategieën van SES voor onderwijskundig onderzoek in het kader van kansengelijkheid. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich zowel op de methodologische benadering van onderwijsonderzoek als op impact in de praktijk. Methodologisch worden vraagstukken rondom het meten van SES van 12- tot 15-jarige leerlingen en de beperkingen van verschillende meetstrategieën besproken. Het effectief meten van SES is een belangrijke voorwaarde om gelijke onderwijskansen te monitoren, alsook het effect van verschillende interventies op gelijke kansen te kunnen meten. Een effectieve SES meting kan zo bijdragen aan effectiever onderwijsbeleid voor gelijke kansen. Rondetafelgesprek (30 minuten)590Laurence Guérin, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam, Anouk Zuurmond, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam 1.050do 11:00 – 12:00 In april 2026 start een consortium met burgerschapsexperts, toetsexperts, docenten burgerschap en studenten met een NKO-gefinancierd onderzoeksproject rond de toetsing van burgerschapscompetenties in het Nederlandse middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Met ons project spelen we in op het feit dat mbo-studenten ook examen moeten gaan doen in burgerschap om hun ontwikkeling en leerervaring op dat gebied inzichtelijk te maken. Het burgerschapsexamen is vanaf studiejaar 2026-2027 een verplicht onderdeel voor het behalen van een mbo-diploma. Dit examen moet bovendien gebaseerd zijn op de nieuwe kwalificatie-eisen voor burgerschapsonderwijs in het mbo, gericht op het stimuleren van studenten om hun sociaal-maatschappelijke en politieke competenties verder te ontwikkelen, waarmee ze hun burgerschap in een democratische rechtsstaat vormgeven. Tijdens dit rondetafelgesprek willen we graag de onderzoeksopzet bespreken met deelnemers en delen wanneer en op welke wijze we tussenproducten en eindproducten willen dissemineren gedurende het onderzoekstraject (april 2026 – december 2028). Daarnaast willen we inventariseren welke initiatieven al ontplooid zijn op het gebied van de examinering van burgerschap in het mbo en de herziene kwalificatie-eisen, én ons netwerk van experts en geïnteresseerden uitbreiden. Gezien de grote landelijke veranderingen in het burgerschapsonderwijs in het mbo, is het van belang een zo breed mogelijk netwerk op te bouwen voor het dissemineren van onze resultaten, zodat mbo-instellingen in heel Nederland gebruik kunnen maken van onze materialen en ontwerpprincipes. Een rondetafelgesprek aan de start van ons project is daar bij uitstek geschikt voor. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)556Sabrina Govaerts, AP Hogeschool, Antwerpen, Gert Vanthournout, AP Hogeschool, Antwerpen 1.054do 11:00 – 12:00 AP Hogeschool Antwerpen wil het studentsucces en de retentie van kwetsbare studenten versterken. Kwetsbare studenten definiëren we daarbij als studenten die omwille van persoonlijke of contextuele uitdagingen een verhoogd risico lopen op uitval of problemen met het studiesucces. Het begrijpen van zowel de drempels en hefbomen die deze studenten ervaren als hun ondersteuningsnoden is essentieel om gerichte interventies te ontwikkelen die niet alleen het studiesucces bevorderen, maar ook het welbevinden van studenten ondersteunen. In het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek ‘Kwetsbare studenten op AP’ onderzochten we tijdens het kalenderjaar 2025 de ondersteuningsnoden van kwetsbare studenten op AP Hogeschool. We voerden gesprekken met 25 kwetsbare studenten. We hanteerden daarbij het Study Demands-Resources model (Bakker & Mostert, 2024; SDR) als raamwerk om enerzijds de hulpbronnen (resources) en uitdagingen (demands) in kaart te brengen en anderzijds om het welbevinden en de ondersteuningsnoden bij studenten te bevragen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek willen we met deelnemers aan de rondetafel in gesprek gaan over: 1. De sterktes en beperkingen van het SDR-model voor het analyseren en identificeren van kwetsbare studenten en hun ondersteuningsnoden. Het bespreken van alternatieve of aanvullende analysekaders. 2. Initiatieven om het welbevinden en studiesucces te verhogen bij kwetsbare studenten die aansluiten op de resultaten van ons onderzoek. Met de input vanuit het rondetafelgesprek willen we het vervolgonderzoek verder vormgeven en resultaten van het eerste onderzoeksjaar vertalen naar concrete initiatieven en beleidsaanbevelingen. Zo willen we bijdragen aan een inclusieve leeromgeving waarin alle studenten maximale kansen krijgen om succesvol te studeren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onze bijdrage richt zich (gedeeltelijk) op de doorwerking van onderzoek. De data die we tijdens het eerste projectjaar verzamelden moeten we tijdens het tweede projectjaar vertalen naar ondersteuningsactiviteiten en beleidsadvies. In mogelijk vervolgonderzoek kan dan weer de impact hiervan onder de loep worden genomen. Rondetafelgesprek (30 minuten)267Milou van Harsel, Avans Hogeschool, Breda, Judith Teunissen, Avans Hogeschool, ’s Hertogenbosch 1.054do 11:00 – 12:00 Steeds meer hogescholen flexibiliseren hun onderwijs om nog beter aan te sluiten bij de diversiteit aan leerbehoeften en levenssituaties van studenten. Flexibiliteit kent dimensies zoals waar, wanneer, hoe en wat er geleerd wordt (Jonker et al., 2020). Avans Hogeschool heeft de wat-dimensie vormgegeven door binnen het voltijdcurriculum 25% van de studieomvang (60 ECTS) te reserveren voor vrije keuzeruimte. Studenten volgen vanaf het tweede jaar keuzemodules, waardoor zij hun leerroute kunnen afstemmen op persoonlijke doelen, interesses en kwaliteiten (Avans Hogeschool, 2015a). Deze interventie is te begrijpen vanuit de zelfdeterminatietheorie (ZDT), waarin autonome motivatie voortkomt uit persoonlijke interesse, waarden en betekenisgeving, en niet door externe druk (Deci & Ryan, 2017). Autonome motivatie hangt samen met diepgaand leren en volharding en ontstaat wanneer basisbehoeften als gevoelens van autonomie, competentie en verbondenheid worden vervuld (Deci et al., 2017). Keuzevrijheid wordt vaak gezien als een manier om autonomie te ondersteunen (Katz & Assor, 2007). Keuzevrijheid leidt echter enkel tot autonome motivatie onder specifieke randvoorwaarden (Katz & Assor, 2007). Zo dienen studenten keuzes te ervaren als relevant en betekenisvol, passend bij hun interesses en doelen (Patall et al., 2010). Autonomie-ondersteunende en competentie-bevorderende begeleiding door een docent is daarvoor cruciaal (Aelterman et al., 2019). Dit omvat structuur bieden, relevantie expliciteren, niet-controlerende communicatie, afgestemde feedback en stimuleren van reflectie en zelfstandig denken (Aelterman et al., 2019). Studenten ervaren autonomie-ondersteuning pas bij oprechte interesse en betrokkenheid van de docent (Leach & Patall, 2016). Desondanks is er in literatuur en praktijk (Patzak & Zhang, 2025) beperkt inzicht in (1) hoe docenten autonomie-ondersteunende en competentie-bevorderende begeleiding bieden bij keuzes op curriculumniveau, en (2) welke factoren dit bevorderen of belemmeren. Dit onderzoek beoogt hierin inzicht te verkrijgen binnen Avans en levert een wetenschappelijke bijdrage aan kennis over autonome motivatie en keuzebegeleiding en concrete handvatten voor docentprofessionalisering en beleidsvorming in het hoger onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Maatschappelijke transities vragen professionals die richting kunnen geven aan hun ontwikkeling, als er geen standaardroute is. Flexibilisering via keuzeruimte in het curriculum kan bijdragen aan het versterken van dit vermogen en daarmee samenhangende autonome motivatie, mits docentbegeleiding autonomie-ondersteunend en competentie-versterkend is. Met dit onderzoek wordt in kaart gebracht in hoeverre en op welke wijze autonomie-ondersteunend en competentie-versterkende begeleiding in de praktijk plaatsvindt, hoe deze begeleiding er concreet uitziet en welke factoren dit bevorderen of belemmeren. Daarmee wordt beoogd bij te dragen aan wetenschappelijke kennis over motivatie en keuzebegeleiding en direct toepasbare handvatten te bieden voor keuzebegeleiding, docentprofessionalisering en beleidsvorming. Paperpresentatie (30 minuten)706Zena Bani, Hogeschool IPABO, Amsterdam, Monique Leijgraaf, Hogeschool IPABO, Amsterdam 1.056do 11:00 – 12:00 Aanleiding Het doorbreken van mechanismen die groepen mensen uitsluiten vraagt niet alleen om kritisch (opleidings)onderwijs, maar ook om een kritische doordenking van methodologieën die we inzetten in ons onderwijsonderzoek. Ook in dominant geworden vormen van onderzoek schuilt namelijk het gevaar dat zowel groepen mensen gemarginaliseerd worden als bepaalde vormen van kennis en typen onderzoek uitgesloten worden doordat eenzijdig gedefinieerd is wat voor wetenschappelijk onderzoek mag doorgaan en wat niet; wat ware en werkelijke kennis is en wat niet (Collins, 2000); wat de rol van de onderzoeker mag zijn of wat niet . Vraag en zoektocht Hoe kunnen we als onderwijsonderzoekers ontsnappen aan de valkuilen van dominante onderzoeksmethodologieën? In onze zoektocht naar onderzoeksmethodologieën die mechanismen van uitsluiting doorbreken (Leijgraaf, 2023) stuitten we op vormen van kritische auto-etnografie: een onderzoekstraditie waarin (de ervaring van) de onderzoeker zelf deel uitmaakt van het onderzoek en waarin expliciet vragen gesteld worden naar wie er belang heeft bij het onderzoek en welke machtsrelaties aanwezig zijn (Boylorn, 2017; Boylorn & Orbe, 2021; Adams et al., 2022). Theoretisch kader Auto-etnografisch onderzoek verbindt persoonlijke ervaringen en reflecties van de onderzoeker (‘auto-’) met de bredere cultuur, inclusief bestaand onderzoek en theoretische inzichten (‘-etno-’). Met het grafische aspect (‘-grafie’) wordt uitgedrukt dat de kunst van de representatie een wezenlijk onderdeel van het onderzoek is (Adams et al., 2022). Deze bijdrage In deze bijdrage zetten we uiteen wat kritische auto-etnografie (voor ons onderzoek) betekent. Dit illustreren we aan de hand van concreet kritisch auto-etnografisch onderzoek naar islamofobie in het onderwijs (Bani & Leijgraaf, 2024). Verhalen van eigen ervaringen met institutionele vormen van discriminatie waar (vermeende) moslims structureel mee te maken krijgen worden verbonden met theoretische inzichten teneinde bij te dragen aan een doorbreking van structuren van ongelijkheid. Aan de hand van een aantal vragen gaan we hierover in gesprek met het publiek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)604Monica van Winkel, ICLON Leiden University, Nijmegen 1.056do 11:00 – 12:00 Achtergrond/theoretisch kader Nederlandse hogescholen hebben zich ontwikkeld tot hybride instellingen van onderwijs en onderzoek (Kyvik & Lepori, 2010). Deze institutionele transitie vraagt van docenten—vaak aangesteld vanwege hun professionele expertise—dat zij ook onderzoeksactiviteiten ontplooien (Hazelkorn & Moynihan, 2010). Deze onderzoeksactieve docenten worden hier aangeduid als docentonderzoekers. Door deze ontwikkeling maken docenten within-role (macro)transities door, waarin zij onderzoekscompetenties ontwikkelen en zich verhouden tot een onderzoekersrol (Ashforth, 2001). Tegelijkertijd ervaren zij in-between role (micro)transities, doordat zij voortdurend schakelen tussen onderwijs, onderzoek en professionele praktijk (Ashforth, 2001). Docentonderzoekers ervaren de overstap naar het doen van onderzoek als veeleisend (Jeyaraj, 2021; Yang, 2021), terwijl zij meerdere rollen combineren (Boyd et al., 2016). Het leggen van verbindingen levert ook leren op voor henzelf en collectieven (Barry et al., 2020). Dit onderzoek richt zich op transitiebewegingen: empirische verschuivingen in hoe docentonderzoekers zich positioneren, denken, handelen en relateren over rollen en contexten heen (George et al., 2022). Deze bewegingen kunnen gelijktijdig plaatsvinden op intra-persoonlijk, interpersoonlijk en inter-praktijkniveau (Akkerman & Bruining, 2016). Theoretisch combineert de studie inzichten uit boundary crossing (leren via het verbinden van praktijken; Akkerman & Bakker, 2011) en boundary work (balanceren van roldruk door differentiatie en integratie van rollen en praktijken; Kreiner et al., 2006). Onderzoeksvraag Hoe navigeren docentonderzoekers onderzoeksgerelateerd leren en behouden zij persoonlijke coherentie tijdens hun macro- en micro-roltransities, gegeven hun persoonlijke en contextuele aspiraties, kansen en uitdagingen? Doelstelling Het onderzoek beoogt variëteit en volgorde van transitiebewegingen in kaart te brengen. Dialoog/interactie publiek Op basis van geclusterde transitiebewegingen zijn twee hoofdpatronen (Guarding en Linking Researcher Development) en één adaptief subpatroon (Restrained Enactment) geïdentificeerd. De dialoog richt zich op hoe verschillende ontwikkelpaden van docentonderzoekers ondersteund kunnen worden, gegeven de wisselwerking tussen persoonlijke achtergronden, leervoorkeuren en contextuele mogelijkheden voor leren en verbinden, en hoe coaching met aandacht voor transitiebewegingen hen kan voorbereiden op hun verdere onderzoeksloopbaan. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De titel spreekt voor zich: Roltransities van docentonderzoekers in het hbo: leren onderzoeken en verbinden tussen onderwijs, onderzoek en praktijk Paperpresentatie (30 minuten)507Margot Bochane, Hanzehogeschool, Groningen, Margreet Luinge, Hanzehogeschool, Groningen 1.074do 11:00 – 12:00 Starten op een nieuwe school is voor alle leerlingen een kwetsbaar moment. Een niet soepele start kan leiden tot onderpresteren, verminderde motivatie of voortijdig schoolverlaten, met negatieve invloed op welbevinden. Om het welbevinden van leerlingen te ondersteunen is het belangrijk dat we meer inzicht krijgen in de componenten die van invloed zijn op welbevinden van leerlingen en hoe zij, ouders en onderwijs-, zorgprofessionals de start op het VO ervaren. We kijken vanuit de ecologische systeembenadering, waarbij de startende leerling staat binnen de bredere context van de school, met mentoren en leraren, ouders en vrienden. Om meer inzicht te krijgen in hoe scholen effectief kunnen inzetten op het ondersteunen van welbevinden van startende leerlingen is een scoping review uitgevoerd en zijn 22 semigestructureerde interviews gehouden met leerlingen, ouders en onderwijsprofessionals. De overkoepelende vraag is “Hoe kan het welbevinden van startende VO-leerlingen behouden of geoptimaliseerd worden?” Componenten uit 46 peerreviewed artikelen werden gecategoriseerd in vijf domeinen: leerling (bijv. schoolverbondenheid), ouders (bijv. autonomie-ondersteuning), leeftijdsgenoten (bijv. vriendschap), leerkrachten (bijv. leraar-leerling-relatie) en school (bijv. veiligheid). Leerlingen (n=4), ouders (n=8) en onderwijsprofessionals (n=10) vertelden over knelpunten (bijv. drukke klas/school, informatievoorziening) en succesfactoren (bijv. mentoren, warme overdracht) in de overgang naar het VO. De gecombineerde inzichten uit literatuur en praktijk zijn vertaald naar de SSINVO-scan: een raamwerk dat scholen kan helpen de componenten voor het ondersteunen van welbevinden van startende leerlingen op hun school in kaart te krijgen, kwaliteitsverbeteringen te identificeren en uit te voeren. In deze bijdrage wordt de ontwikkeling van de SSINVO-scan gepresenteerd. Daarna wordt ingegaan op de toepasbaarheid van de scan en best practices voor de componenten in de scan, waarbij input van het publiek wordt gevraagd. Aan het eind van de sessie heb je inzicht in de diverse componenten die van invloed zijn op welbevinden van startende leerlingen en zijn best practices gedeeld. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Nederland werkt naar inclusiever onderwijs, waarbij alle kinderen en jongeren samen met hun broers en zussen dicht bij huis naar school kunnen. Dit betekent dat zoveel mogelijk doelgroepen samen naar school gaan en scholen ingericht moeten zijn om alle leerlingen te kunnen ondersteunen. Welbevinden van leerlingen is gerelateerd aan schoolsucces, maar staat steeds meer onder druk. Door met scholen in de praktijk aan de slag te gaan om het welbevinden van startende leerlingen gericht te ondersteunen, creëren we responsieve, lerende scholen, een breed toepasbare scholen-scan voor welbevinden én beschreven aanpakken voor de componenten in de scan. Paperpresentatie (30 minuten)402Ruth van Ringelesteijn, Ascenda, Utrecht, Zoë Schreurs, Ascenda, Utrecht 1.074do 11:00 – 12:00 Aanleiding: Schooldirecteuren in het primair onderwijs krijgen in toenemende mate te maken met complexe samenwerkingsvraagstukken rond passend en inclusief onderwijs. Hun professionele handelen speelt zich af in netwerken van onderwijs, zorg, opvang en gemeenten. Vanuit de theoretische kaders van connectieve professionaliteit (Noordegraaf) en boundary crossing (Akkerman & Bakker) onderzochten we hoe schooldirecteuren vormgeven aan connectief leiderschap in samenwerking met externe partijen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Ascenda, met als doel de beroepsstandaard van schooldirecteuren empirisch te onderbouwen en te actualiseren. Vraagstelling van het onderzoek Hoe geven schooldirecteuren vorm aan connectief leiderschap in samenwerking met externe professionals en organisaties? Wat betekent deze samenwerking voor hun ervaren expertise, autonomie en autoriteit? Methode: Er is gebruikgemaakt van een verkennend multiple-casestudy design. Zes schooldirecteuren primair onderwijs zijn geselecteerd op maximale variatie in context. Data zijn verzameld via semigestructureerde interviews en thematisch geanalyseerd. Resultaten: De resultaten laten zien dat schooldirecteuren in uiteenlopende contexten optreden als grensgangers in samenwerking met externe partijen. De wijze waarop directeuren connectief leiderschap vormgeven verschilt en hangt samen met context, ervaring en continuïteit van samenwerking. Drie elementen blijken daarbij centraal: een sterke persoonlijke visie op onderwijs en ontwikkeling, het investeren in relationeel kapitaal (vertrouwen, gelijkwaardigheid en wederkerigheid) en politieke sensitiviteit in het navigeren van bestuurlijke en beleidsmatige verhoudingen. Bij met name ervaren schooldirecteuren zijn leerprocessen herkenbaar zoals identificatie, coördinatie en reflectie; in enkele gevallen ook transformatie in de vorm van nieuwe hybride praktijken. Discussie en conclusie: De bevindingen laten zien dat connectief leiderschap een contextgebonden en zich ontwikkelende manier van professioneel handelen in netwerken is. Persoonlijke visie fungeert als drijvende kracht, terwijl relationeel kapitaal en politieke sensitiviteit voorwaarden zijn voor duurzame samenwerking. We onderstrepen het belang van gerichte professionalisering en bestuurlijke ruimte voor schooldirecteuren in een context van onderwijs voor transitie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage laat zien hoe schooldirecteuren in een context van maatschappelijke transitie omgaan met toenemende complexiteit in en rond het onderwijs. Door samen te werken met partijen uit zorg, welzijn en gemeente geven zij vorm aan nieuwe manieren van professioneel handelen die nodig zijn voor passend en inclusief onderwijs. Het onderzoek maakt zichtbaar hoe connectief leiderschap, boundary crossing en leren in netwerken bijdragen aan het organiseren van continuïteit voor leerlingen. Daarmee biedt de bijdrage inzicht in hoe onderwijsprofessionals zich ontwikkelen en handelen in transitieopgaven die bestaande structuren en grenzen overstijgen. Paperpresentatie (30 minuten)364Tom Adams, Koning Willem 1 College, ‘s-Hertogenbosch, Frank Crasborn, Fontys Hogeschool, Eindhoven 1.078do 11:00 – 12:00 Het leren van aanstaande leraren vindt grotendeels plaats in de beroepspraktijk. Dit werkplekleren is meestal informeel, contextgebonden en sterk verweven met emotioneel geladen gebeurtenissen in de dagelijkse onderwijspraktijk (Eraut, 2004). In een tijd van maatschappelijke en onderwijskundige transities, waarin flexibiliteit, reflectief vermogen en een leven lang leren centraal staan, is het belangrijk dat (aankomende) leraren leren om betekenisvolle ervaringen bewust te herkennen, te duiden en te benutten voor hun professionele ontwikkeling. Tegelijkertijd laat onderzoek zien dat dergelijke ervaringen vaak impliciet blijven en slechts beperkt worden verbonden met theoretische kennis (Korthagen, 2010). Dit onderzoek verkent hoe een mobiele applicatie het werkplekleren van aanstaande leraren kan ondersteunen door het vastleggen en reflecteren op betekenisvolle ervaringen. Het theoretisch kader is gebaseerd op onderzoek naar werkplekleren (Eraut, 2004; Noe et al., 2013), reflectief leren en ‘noticing’ (Schön, 1983), en het gebruik van emoties als ingang voor professionele reflectie (Korthagen & Vasalos, 2005). De app is ontworpen om aanstaande leraren laagdrempelig ervaringen vast te laten leggen, deze te koppelen aan emoties en patronen in het leren over tijd zichtbaar te maken. De centrale onderzoeksvraag luidt: wat is de aard van de betekenisvolle werkplekervaringen die aanstaande leraren vastleggen met behulp van een app, en welke bronnen van leren (persoonlijke ervaring, interactie met anderen en theoretische kennis) zijn hierin herkenbaar? Op basis van een kwalitatieve analyse van reflecties wordt inzicht verkregen in de aard van werkplekleren en de dominante kennisbronnen. De doelstelling van deze bijdrage is tweeledig: (1) inzicht bieden in de bijdrage van digitale ondersteuning aan reflectief werkplekleren in de lerarenopleiding, en (2) implicaties verkennen voor begeleiding en curriculumontwerp in het licht van onderwijs voor transitie. Tijdens de sessie worden deelnemers actief betrokken door gezamenlijk te reflecteren op de rol van digitale reflectietools in het versterken van werkplekleren en de verbinding tussen praktijk en theorie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de doorwerking en theoretische gronding van onderwijsonderzoek in een context van transitie. In een onderwijspraktijk die wordt gekenmerkt door toenemende complexiteit, werkdruk en onvoorspelbaarheid, is het essentieel dat aanstaande leraren leren om betekenisvolle werkplekervaringen bewust te benutten voor hun professionele ontwikkeling. Het onderzoek laat zien hoe digitale reflectietools werkplekleren zichtbaar kunnen maken, maar ook waar grenzen liggen in de verbinding tussen praktijkervaring en theoretische kennis. Daarmee draagt deze studie bij aan theorievorming over reflectief werkplekleren en biedt zij aanknopingspunten voor duurzame professionalisering van (aankomende) leraren in tijden van transitie. Paperpresentatie (30 minuten)875Amieke Bouma, Hogeschool Windesheim, Almere 1.078do 11:00 – 12:00 Almere en Lelystad kampen met grote lerarentekorten in het primair onderwijs. Naast praktische maatregelen is er behoefte aan het vergroten van werving, instroom en behoud van startende docenten. De FIT-Choice Scale van Watt en Richardson (2007) meet factoren die de keuze voor het leraarschap beïnvloeden. Ervaren bekwaamheid en intrinsieke motivatie zijn de belangrijkste drijfveren, gevolgd door sociale taakwaarde; extrinsieke motieven spelen een kleinere rol (Watt & Richardson 2023). Intrinsieke en altruïstische motivatie correleren vaak positief met studiesucces en retentie (Bruinsma & Jansen, 2010; Jungert et al., 2014; König & Rothland, 2012; Watt, Richardson & Wilkins, 2014). Andere studies tonen geen of negatieve verbanden (Fokkens-Bruinsma & Canrinus, 2014), vooral waar idealistische of op eerdere (informele) ervaringen gebaseerde motieven botsen met de onderwijsrealiteit (Kim & Cho, 2014, Weinstein 1988). Sociale invloeden hebben nauwelijks effect. Motivatie en behoud voor het beroep worden ook beïnvloed door de ervaringen en begeleiding tijdens de lerarenopleiding (Rots et al., 2012; Wolf et al., 2021), en door externe factoren zoals werkgelegenheid, alternatieve banen en betekenisvolle contacten in het onderwijs (Rots et al., 2010). Deze studie combineert de FIT-Choice Scale met kwalitatieve methoden om factoren die de keuze voor het leraarschap van pabo-studenten in Almere beïnvloeden zo volledig mogelijk te onderzoeken. Kwalitatief onderzoek, zoals gesprekken en schrijfopdrachten over beroepskeuze en -percepties, biedt rijke inzichten en maakt het mogelijk gemengde motieven en ontwikkelingen hierin in kaart te brengen (Bergmark et al., 2018; Han & Yin, 2016; Kelchtermans, 2023; Klassen et al., 2011; Malmberg, 2006; Reeves & Lowenhaupt, 2016). Door inzicht in de (ontwikkeling van) motivatie voor het beroep hopen we bij te kunnen dragen aan de succesvolle werving en begeleiding van studenten aan de lerarenopleiding. Aan de hand van de presentatie willen we met het publiek in gesprek komen over de implicaties van het onderzoek voor beleid en opleidingspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het lerarentekort is een complex maatschappelijk probleem dat vraagt om verschillende oplossingen, waaronder het vergroten van werving, instroom en behoud van startende docenten. Deze bijdrage richt zich op de (ontwikkeling van de) motivatie van startende studenten aan de pabo in Almere; de stad met het grootste lerarentekort van Nederland. Met de inzichten uit dit onderzoek willen we bijdragen aan de succesvolle werving en begeleiding van studenten aan de lerarenopleiding. De doorwerking van het onderzoek in beleid en opleidingspraktijk staat dan ook centraal in deze bijdrage. Paperpresentatie (30 minuten)594Irene Wols, Universiteit Twente, Enschede 1.080do 11:00 – 12:00 Complexe maatschappelijke vraagstukken vragen om nieuwe manieren van samenwerken waarbij kennis en ervaring vanuit verschillende academische en niet-academische vakgebieden wordt gecombineerd om tot een gezamenlijke aanpak te komen (Bergmann et al., 2012; Lang et al., 2012). Transdisciplinair hoger onderwijs speelt hierop in door studenten de kennis, vaardigheden en houdingen aan te leren die nodig zijn om een bijdrage te kunnen leveren aan dit soort vraagstukken (Gulikers et al., 2025; O’Sullivan, 2025). Om tot een gezamenlijke aanpak te komen is het nodig dat studenten van verschillende (disciplinaire) achtergronden en maatschappelijke partners hun, soms radicaal, verschillende perspectieven integreren in een proces dat ‘kennisintegratie’ wordt genoemd (Godemann, 2008; Pohl et al., 2021). Ondanks dat kennisintegratie een essentieel onderdeel is van transdisciplinaire onderwijs, is er weinig bekend over hoe het kennisintegratieproces precies verloopt en welke omstandigheden nodig zijn om ervoor te zorgen dat verschillen in perspectieven daadwerkelijk tot kennisintegratie leiden (O’Sullivan, 2025). Om inzicht te krijgen in hoe het kennisintegratieproces in de praktijk verloopt hebben we een exploratieve kwalitatieve casestudy uitgevoerd in de context van een transdisciplinair vak. Onze resultaten geven inzicht in 1) karakteristieken van het kennisintegratieproces in de context van transdisciplinair onderwijs, 2) factoren die van invloed zijn op dit kennisintegratie proces en 3) een model waarin deze karakteristieken en factoren gecombineerd zijn. We gebruiken het ontwikkelde model om samen met het publiek te reflecteren op mogelijkheden om het kennisintegratieproces te bevorderen binnen transdisciplinair onderwijs en in de bredere context van complexe maatschappelijke vraagstukken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Om tot ‘Onderwijs voor Transitie’ te komen is het essentieel dat studenten leren samenwerken en communiceren over de grenzen van hun eigen discipline en zo tot gezamenlijke oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken komen. Onderzoek naar kennisintegratie draagt bij aan het vormgeven van transdisciplinair onderwijs en het faciliteren van bovengenoemde leerinhouden. Door een empirisch gegrond procesmodel van kennisintegratie binnen transdisciplinair onderwijs te ontwikkelen dragen we bij aan de theoretische ontwikkeling binnen dit onderzoeksgebied. Paperpresentatie (30 minuten)561Kim van Haperen, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam, Keun Sliedrecht, HAN University of Applied Sciences, Nijmegen 1.080do 11:00 – 12:00 Grote maatschappelijke opgaven vragen om professionals die verder kijken dan hun eigen vakgebied: T-shaped professionals met een sterke “boundary spanning capacity” (Bierema, 2003). Zij innoveren, verbinden ideeën en mensen, en dragen best practices horizontaal over (Hansen & Oetinger, 2001). Dit vraagt om discipline-overstijgende samenwerking en om discipline-overstijgend onderwijs (Fortuin et al., 2023). Talige en communicatieve competenties zijn daarbij cruciaal (Akkerman & Bakker, 2012). Discipline-overstijgende samenwerking stuit regelmatig op miscommunicatie, meningsverschillen of het uitblijven van communicatie (Akkerman & Bakker, 2011; 2012; Van Woerden, 2023), vaak omdat studenten, stakeholders en andere partners ‘elkaars taal niet spreken’ (NKO, 2021). Hogescholen erkennen het belang van T-shaped professionals en geven steeds meer vorm aan discipline-overstijgend onderwijs. Dit vraagt niet alleen om curriculumaanpassingen maar ook om een nieuwe rol voor docenten: zij moeten hun studenten begeleiden bij het ontwikkelen van relevante (communicatieve) competenties. Docenten hebben daar concrete handvatten voor nodig. In deze paperpresentatie staat de vraag centraal welke talige en communicatieve competenties noodzakelijk zijn voor succesvolle discipline-overstijgende samenwerking, en hoe het hoger onderwijs deze competenties doelgericht kan ontwikkelen bij aankomende professionals. Op basis van een veldverkenning onder 50 hoger-onderwijsprofessionals, ontwikkelden we een kijkkader waarin deze competenties zijn gekoppeld aan de vier leermechanismen van de boundary crossing-theorie: Identificatie, Coördinatie, Reflectie en Transformatie (Akkerman & Bakker, 2011; 2012). Het kijkkader biedt een praktische manier om samenwerking te analyseren en gerichte interventies te kiezen. Het vormt een hulpmiddel voor hogescholen bij het opleiden van T-shaped professionals vanuit een taal- en communicatieperspectief. Omdat een concrete uitwerking van juist dat taal- en communicatieperspectief, zowel in de literatuur als in de praktijk veelal (nog) ontbreekt, presenteren we onze uitwerking hiervan graag aan het ORD-publiek, om op basis daarvan met elkaar in gesprek te gaan over de opbrengsten en de mogelijke bijdrage van het kijkkader aan onderwijs voor transitie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)671Marijke Veugen, Radboud Docenten Academie, Nijmegen 1.086do 11:00 – 12:00 Professionele identiteitsspanningen kunnen ervoor zorgen dat leraren niet meer de leraar kunnen zijn die ze willen zijn en uitvallen of het beroep verlaten (Kelchtermans, 2017; Pillen et al., 2013). In ons onderzoeksproject ontwerpen en effectueren wij een programma die leraren helpt hun professionele identiteit te versterken, zodat zij leren beter om te gaan met deze spanningen. De belangrijkste ontwerpprincipes van dit zesweeks programma zijn professionele identiteitsontwikkeling (gericht op transformatief leren), (kern)reflectie, werken met waarden en agency versterken. Een eerste ronde van dit programma heeft plaatsgevonden in maart 2026 met een kleine groep leraren. Tijdens het rondetafelgesprek gaan wij in dialoog over welke resultaten en inzichten het programma heeft opgeleverd. Deelnemers worden gevraagd via een werkvorm om kritisch mee te denken in hoe we de resultaten moeten interpreteren in kader van professionele identiteitsontwikkeling van de leraren. Doelstelling We willen met het rondetafelgesprek input ophalen van deelnemers die ons verder helpen met het analyseren en interpreteren van de onderzoeksresultaten. Deelnemers willen we graag meer inzicht bieden in wat ons programma, gericht op professionele identiteitsontwikkeling, inhoudt en hoe ons programma leraren heeft geholpen om weer meer de leraar te kunnen zijn, die ze willen zijn. Dialoog met publiek We willen de dialoog stimuleren door deelnemers aan de hand van een actieve werkvorm om input te vragen. Daarbij leggen wij een aantal resultaten klaar die deelnemers analyseren. Daarmee zoeken wij antwoorden op de volgende discussievragen die we vervolgens gezamenlijk bespreken. Discussievragen 1. Wat laten de resultaten zien aan professionele identiteitsontwikkeling bij leraren? 2. Hoe zijn leraren geholpen via het programma om beter om te gaan met identiteitsspanningen? 3. Zou een dergelijk programma van toegevoegde waarde zijn voor het onderwijs, zo ja hoe? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onderwijs is continu in transitie. Dat vraagt om een flexibele houding van leraren en bereidheid tot blijven ontwikkelen. Het vormen van je eigen professionele identiteit is daarbij van groot belang: Wie ben ik als leraar? Wie zou ik moeten zijn als leraar? En wie wil ik zijn als leraar? Wanneer een leraar een sterke professionele identiteit heeft, handelt diegene meer vanuit diens waarden, visie, passie en kwaliteiten. In ons programma staat daarom professionele identiteitsontwikkeling centraal: de leraar zijn, die je wilt zijn (https://www.ru.nl/over-ons/agenda/de-leraar-zijn-die-je-wilt-zijn-versterk-je-professionele-identiteit). We verwachten dat leraren na het volgen van het programma meer werkplezier ervaren en minder stress. Rondetafelgesprek (30 minuten)376Karlien De Jaeger, KU Leuven, Leuven 1.086do 11:00 – 12:00 In dit onderzoek volgen we beginnende leraren gedurende vijf schooljaren om na te gaan welke plaats onderwijsonderzoek inneemt tijdens de eerste jaren van hun loopbaan. Longitudinaal onderzoek naar deze thematiek is schaars en de toch voorhanden studies (Baan et al., 2023; Hall, 2009; Reis-Jorge, 2007; Schulz & Mandzuk, 2005) hebben een andere focus. Ons onderzoeksdoel is inzicht krijgen in de evolutie die leraren doormaken voor wat betreft het als beginnende leraar gebruiken en doen van onderwijsonderzoek: we willen nagaan of er patronen te identificeren zijn, en willen begrijpen hoe en waarom welke individuele en contextuele omstandigheden van invloed zijn. Modellen voor expertise- en loopbaanontwikkeling (Raduan & Na, 2020) inspireren het longitudinale werk. De Theory of Planned Behaviour (Ajzen, 1991) was ons uitgangspunt voor de exploratie naar de individuele elementen en voor een beter begrip van de impact van contextuele omstandigheden vertrokken we van de Social Cognitive Theory (Bandura, 1989). Alhoewel de dataverzamelingsperiode van dit hoofdzakelijk kwalitatief onderzoek nog volop bezig is (van 2022-2023 tot en met 2026-2027), zijn we intussen ook gestart met de analyse van de data. Voor het kwalitatieve luik is onze keuze gevallen op een thematische analyse, voortbouwend op de thema’s uit ons eerder onderzoek (bij studenten en ervaren leraren). Deze analyses voeren we uit zowel binnen de jaren als over de jaren heen, en zowel binnen de hoofdthema’s als de individuele respondenten. Tijdens het rondetafelgesprek willen we met voorbeelden toelichten hoe we te werk gaan, alsook wat de aard is van de eerste bevindingen. Ons doel voor deze rondetafel is in interactie gaan over de analysemethode en voorlopige resultaten: aangezien de methode op dat ogenblik zeker nog bijgestuurd en verrijkt kan worden, hopen we op een kritische blik van de deelnemers. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)345Lars Vennemann, Universiteit Leiden, Leiden 1.092do 11:00 – 12:00 Leraren op basisscholen met veel leerlingen in kwetsbare omstandigheden worden geconfronteerd met structureel hoge werkdruk, intensieve emotionele belasting en complexe diversiteit in de klas (Glock et al., 2019). Deze uitdagingen hebben een negatieve invloed op hun bevlogenheid en betrokkenheid, met negatieve gevolgen voor de onderwijskwaliteit, lerarenwelzijn en personeelsbehoud (Collie, 2023; Klusmann et al., 2008). Vanuit het Job Demands–Resources model (Bakker & Demerouti, 2007) wordt verondersteld dat hulpbronnen (resources) deze druk kunnen compenseren. Eerder onderwijsonderzoek toont aan dat leiderschap en schoolklimaat hierin essentieel zijn (Dicke et al., 2018; Hakanen et al., 2006). Hoewel de aandacht voor leiderschap in het onderwijs is toegenomen, blijft de specifieke schoolcontext waarin leiderschap vorm krijgt vaak onderbelicht, terwijl juist contextgevoelige benaderingen worden bepleit (Clarke & O’Donoghue, 2017; Freeman & Fields, 2023; Lakomski & Evers, 2022). In deze bijdrage onderzoeken wij daarom het belang van inclusief leiderschap: leiderschapsgedrag dat de volledige participatie van medewerkers bevordert door ruimte te bieden voor zowel uniciteit als verbondenheid en door diverse perspectieven te stimuleren en te integreren (Ashikali et al., 2021; Randel et al., 2018). In sociaal-cultureel diverse schoolcontexten kan dergelijk leiderschap bijdragen aan een positief schoolklimaat en daarmee aan duurzame inzetbaarheid van leraren (Çevik, 2025). De centrale onderzoeksvraag luidt: “In welke mate hangt ervaren inclusief leiderschap samen met de bevlogenheid en betrokkenheid van leraren in Nederlandse basisscholen met een hoge concentratie kwetsbare leerlingen, en in hoeverre wordt deze samenhang verklaard door het schoolklimaat?” Deze studie levert een bijdrage aan de leiderschaps- en onderwijskundige literatuur door lerarenbevlogenheid en -commitment te positioneren als cruciale uitkomsten in een complexe schoolcontext. Voor de onderwijspraktijk biedt het onderzoek aanknopingspunten om via inclusief leiderschap en een ondersteunend schoolklimaat leraren duurzaam te ondersteunen. De bijdrage wordt afgesloten met een interactieve dialoog en ruimte voor vragen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)49Renske van Gestel, Universiteit Utrecht, Utrecht, Jessica Oudenampsen, Universiteit Utrecht, Utrecht 1.092do 11:00 – 12:00 Steeds meer opleidingen in het hoger onderwijs onderkennen de noodzaak om professionals op te leiden die in staat zijn om complexe vraagstukken in onze samenleving op te lossen. Dat vraagt om een transitie in het onderwijs die zich richt op het aanbieden van onderwijs op een interdisciplinaire, interprofessionele en innovatieve wijze. Hoewel veel opleidingen reeds elementen van interdisciplinair en interprofessioneel onderwijs aanbieden, of bezig zijn deze te implementeren, blijkt in de praktijk dat het beoogde karakter hiervan vaak onvoldoende tot uiting komt (Lindvig, Engelhardt an Malm, 2015). Docenten ervaren met name uitdagingen bij het integreren van diverse perspectieven, waardoor het onderwijs eerder een multidisciplinair dan interdisciplinair karakter heeft. Hoewel uit onderzoek blijkt dat voor het doceren van o.a. integratie, specifieke skills benodigd zijn (de Greef et al., 2017, Oudenampsen et al., 2024), zijn docenten doorgaans niet specifiek opgeleid in interdisciplinair en interprofessioneel onderwijs en ontbreekt het hen aan de benodigde kennis en vaardigheden om dit specifieke onderwijs effectief te ontwikkelen en te doceren. Professionaliseringsactiviteiten die hierop gericht zijn, zijn momenteel schaars. In dit onderzoek zijn de behoeften en wensen van docenten ten aanzien van professionalisering op dit terrein geïnventariseerd middels een needs-assessment. Bij 21 docenten van de Universiteit Utrecht en Hogeschool Utrecht met verschillende posities in het hoger onderwijs (van PhD-studenten tot onderwijsdirecteuren) van verschillende (zorggerelateerde) disciplines zijn semi-gestructureerde interviews afgenomen over hun ervaringen met dit type onderwijs, en hun wensen en behoeften voor docentprofessionaliseringsactiviteiten op dit terrein. In de sessie zullen de resultaten van de analyse gedeeld worden op basis van 6 geïdentificeerde thema’s. Tevens zal een inkijk gegeven worden in de trainingsactiviteiten die ontwikkelt zijn op basis van de resultaten van dit onderzoek, waardoor deelnemers direct kunnen zien hoe de resultaten van dit onderzoek zijn vertaalt naar de (onderwijs)praktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)621Anke Swanenberg, Wageningen University & Research, Wageningen 1.096do 11:00 – 12:00 Om studenten voor te bereiden op complexe maatschappelijke vraagstukken zetten steeds meer hoger onderwijsinstellingen in op transdisciplinair leren. Kenmerkend voor transdisciplinair leren is dat studenten werken aan open en complexe vraagstukken, waarbij kennisintegratie plaatsvindt over disciplinaire én niet-academische grenzen heen. Maatschappelijke partners spelen hierbij een actieve rol, en leren wordt opgevat als zowel een individueel als collectief proces. Dit type leren vraagt echter om andere vormen van toetsing dan gangbare, uitkomstgerichte en meer individueel georiënteerde toetsing. Toetsing van transdisciplinair leren is uitdagend. Het leerproces en de uitkomsten zijn moeilijk voorspelbaar, overstijgen disciplinaire en academische grenzen, zijn sterk samenwerkingsgericht en richten zich zowel op het leerproces als op het product dat daaruit voortkomt. Bestaande toetsingskaders, die veelal zijn gebaseerd op vastgestelde leeruitkomsten schieten daardoor tekort. Tegelijkertijd ervaren docenten en onderwijsontwikkelaars een groeiende behoefte aan houvast bij het ontwerpen van passende toetsing voor transdisciplinair onderwijs. Het doel van deze bijdrage is het ontwikkelen van een samenhangend conceptueel kader dat toetsing van transdisciplinair leren ondersteunt. De centrale onderzoeksvraag luidt: Welke uitdagingen, belemmeringen, kansen en wensen komen naar voren in de wetenschappelijke literatuur over de ontwikkeling en implementatie van assessment voor transdisciplinair leren? In deze bijdrage presenteren wij een theoretische synthese waarin bestaande, gefragmenteerde inzichten over toetsing van transdisciplinair leren worden samengebracht. Op basis van literatuur uit transdisciplinair onderwijs, aanpalende onderwijscontexten (zoals interdisciplinair en challenge-based learning) en innovatieve toetsbenaderingen, werken wij toe naar een conceptueel kader voor toetsing. Dit kader verkent expliciet het waarom, wat en hoe van toetsing in transdisciplinair leren framework (Fischer et al., 2025; Author et al., 2025). Tijdens de ORD presenteren wij een eerste versie van dit toetsingskader en gaan we in gesprek over de bruikbaarheid ervan voor onderwijspraktijk en -ontwikkeling. De bijdrage is relevant voor docenten en onderwijsontwerpers die betrokken zijn bij transdisciplinair onderwijs en zoeken naar passende toetsingsvormen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onderwijs voor transitie vraagt om een fundamenteel andere kijk op toetsing. Wanneer hoger onderwijs studenten wil toerusten om bij te dragen aan maatschappelijke transities, volstaat toetsing die is gebaseerd op vooraf vastgestelde leeruitkomsten en individuele prestaties niet langer. Transdisciplinair onderwijs, waarin studenten samenwerken met maatschappelijke stakeholders aan complexe, open vraagstukken, vraagt om toetsing die recht doet aan onzekerheid, samenwerking en zowel het leerproces als het ontwikkelde eindproduct. Deze bijdrage richt zich op theoretische gronding en theorieontwikkeling van onderwijsonderzoek, door het ontwikkelen van een conceptueel toetsingskader dat aansluit bij onderwijs voor transitie en richting geeft aan toetsontwerp voor in de onderwijspraktijk. Paperpresentatie (30 minuten)80Anne Lohuis, School of Health Professions Education, Maastricht 1.096do 11:00 – 12:00 Inleiding In het hoger onderwijs werken studenten steeds vaker aan complexe taken uit de beroepspraktijk om toekomstige vaardigheden te ontwikkelen, zoals communicatie en probleemoplossing. Bij de beoordeling van deze taken lijkt een holistische beoordelingsmethode beter, omdat de prestatie van een complexe vaardigheid als geheel meer is dan de som van de afzonderlijke onderdelen (Sadler, 2009). Een beoordelingsmethode is holistisch wanneer het hele product of de hele taak in overweging wordt genomen bij de beoordeling, of wanneer de beoordeling leidt tot één enkele eindscore (Lohuis et al., 2025). Beslissingen gebaseerd op een holistische beoordeling moeten valide, betrouwbaar en transparant zijn (Gerritsen-van Leeuwenkamp et al., 2017), wat een bewust ontworpen beoordeling vereist. Lohuis et al. (2025) hebben ontwerprichtlijnen (zie Tabel 1 voor voorbeelden) voor holistische beoordeling opgesteld op basis van een literatuurstudie, inclusief voorbeelden en instructies, die docenten en onderwijskundigen kunnen ondersteunen bij het ontwerpen ervan. Ontwerprichtlijnen kunnen worden gezien als een reeks voorwaarden en procedures om een succesvolle verspreiding en toepassing in de praktijk te garanderen (Plomp & Nieveen, 2010). Het doel is om de richtlijnen minder theoretisch en bruikbaarder te maken voor de onderwijspraktijk. Daarom is het belangrijk om toekomstige gebruikers, zoals docenten en onderwijsadviseurs, actief te betrekken bij vervolgonderzoek. Deze betrokkenheid is een van de belangrijkste aspecten van een succesvolle implementatie (McKenney & Reeves, 2018). De onderzoeksvraag voor deze studie is daarom: ‘Hoe beoordelen toekomstige gebruikers van holistische scoring de relevantie, bruikbaarheid en effectiviteit van richtlijnen voor het ontwerpen van holistische beoordelingsprocessen?’ Interactie met publiek Het publiek aanvullende ideeën en suggesties voor vormgeving van de richtlijnen en voor vervolgonderzoek laten aandragen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Accent op congresthema Om studenten voor te bereiden op toekomstige uitdagingen in het beroep werken zij steeds meer aan maatschappelijke vraagstukken uit de beroepspraktijk vaak met meerdere oplossingsrichtingen, waarin creativiteit en divergent denken cruciaal zijn. Om zowel aan de unieke talenten van studenten als hun authentieke interpretaties van kwaliteitsaspecten recht te doen, lijkt een holistische beoordeling passend(er). Er bestaan echter nog geen specifieke richtlijnen voor holistische beoordelingsprocessen om valide, betrouwbare en transparante beslissingen te kunnen nemen over de prestaties van studenten. Ontwerprichtlijnen, ontwikkeld mét inbreng van toekomstige gebruikers, zijn daarom essentieel. Paperpresentatie (30 minuten)916Indira Wakelkamp, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.016do 11:00 – 12:00 De toenemende talige en culturele diversiteit in de samenleving is duidelijk zichtbaar in het onderwijs. Leerlingen beschikken over diverse talige repertoires en komen via uiteenlopende (digitale) contexten, binnen en buiten school, in contact met meerdere talen. Voor het onderwijs in moderne vreemde talen (mvt) biedt dit kansen voor het functioneel inzetten van het volledige talige repertoire van leerlingen, via meertalige taalleerstrategieën die zij kunnen leren herkennen en bewust toepassen bij het leren van de doeltaal. Een meertalige onderwijsaanpak waarbij digitale technologie wordt benut, kan bijdragen aan doeltaalverwerving, taalbewustzijn, taalleermotivatie en talige flexibiliteit in een meertalige samenleving. Scholen opereren echter nog vaak binnen overwegend eentalige kaders (Joubert & De Jong, 2023), terwijl onderzoek laat zien dat meertalige benaderingen doelgericht kunnen worden ingezet ter versterking van taalbewustzijn en begrip (Hall & Cook, 2012; Dönszelmann, 2024), in lijn met het idee dat talige kennis over talen heen kan worden benut (Cummins, 2008). De Onderwijsraad pleit in het adviesrapport Talige diversiteit benutten (2025) bovendien voor het waarderen en functioneel inzetten van bestaande talige kennis ter bevordering van kansengelijkheid. Binnen het Europese Horizon-onderzoeksproject Pluridentities wordt onderzocht hoe meertaligheid in het voortgezet onderwijs kan worden bevorderd en beschermd via inclusieve onderwijspraktijken, met aandacht voor de rol van digitale technologie. Om zowel de eerder geschetste kansen als bestaande onderzoeksbevindingen te kunnen vertalen naar onderwijspraktijken die aansluiten bij de leefwereld van leerlingen, is het nodig te begrijpen hoe zij zelf omgaan met meertaligheid en digitale technologie in hun taalleren en dagelijkse praktijk. In deze bijdrage staat daarom het leerlingperspectief op meertaligheid, digitale technologie en taalleermotivatie centraal. De onderzoeksvraag luidt: wat zijn de praktijken, ervaringen en behoeften van leerlingen met betrekking tot meertalige taalleerstrategieën en het gebruik van digitale technologie? De sessie biedt ruimte voor vragen en gezamenlijke reflectie met het publiek over implicaties voor het mvt-onderwijs. Paperpresentatie (30 minuten)820Stef Siepel, Radboud Docenten Academie, Nijmegen 3.016do 11:00 – 12:00 Cultuuronderwijs binnen de Moderne Vreemde Talen (MVT) wordt gezien als een belangrijk onderdeel van MVT onderwijs, mede omdat het mogelijkheden biedt om vakspecifiek vorm te geven aan de doelen van Burgerschapsonderwijs. In de MVT vakvernieuwing is ook specifiek dit domein opgenomen. Om MVT docenten in het VO optimaal voor te bereiden op het implementeren van cultuuronderwijs is het van belang om inzicht te verkrijgen in de uitdagingen en spanningen die gepaard kunnen gaan bij het lesgeven hiervan. Docenten kunnen dan bewustere keuzes maken, ook door te reflecteren op hoe zij zich tot bepaalde zaken verhouden en wat ze nog nodig hebben om cultuuronderwijs in hun lespraktijk te brengen. Modern MVT cultuuronderwijs wordt gekenmerkt door het zien van cultuur als een dynamisch concept (Baker, 2022; Meadows, 2016). Eerder onderzoek wijst uit dat binnen het MVT onderwijs cultuur als een dynamisch concept nog niet wijdverspreid geïmplementeerd wordt (Byram, 2014; Mearns & Platteel, 2021; Munezane, 2023). Echter laat eerder onderzoek zien dat er ook docenten zijn die bij cultuuronderwijs verder gaan dan kennisoverdracht (Sercu et al., 2005). Deze groep docenten kan inzicht geven in de spanningen en uitdagingen die zij bij het geven van dit soort cultuuronderwijs ervaren. In dit onderzoek zijn dertien MVT docenten geïnterviewd die cultuuronderwijs in hun lessen implementeerden waarin cultuur werd gezien als dynamisch concept. Uit die interviews zijn fragmenten geselecteerd waarin werd gesproken over een spanning of uitdaging met betrekking tot cultuuronderwijs, en deze fragmenten zijn vervolgens gecodeerd en geanalyseerd om de onderzoeksvraag te beantwoorden, namelijk welke spanningen en uitdagingen komen MVT docenten tegen bij het geven van dit soort cultuuronderwijs. In deze paper presentatie worden de resultaten van dit onderzoek gedeeld. Vragen en inzichten op basis van de gepresenteerde resultaten zijn zeer welkom, alsmede ideeën voor vervolgonderzoek of voor het leggen van de brug naar de onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)767Naomi den Besten, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Katrien De Maegd, Hogeschool Gent, Gent 3.018do 11:00 – 12:00 Basisscholen in Nederland en Vlaanderen zoeken naar manieren om gezinnen te ondersteunen zodat kinderen gelijke kansen krijgen om zichzelf te ontwikkelen. Bijvoorbeeld door ouders te helpen met het aanvragen van financiele voorzieningen, of door het gratis aanbieden van naschoolse activiteiten (Lusse & Kassenberg, 2022). Dit alles doen scholen in nauwe samenwerking met ouders, welzijnsorganisaties en lokale overheden (Mertens et al., 2021). Voorbeelden van betrokken welzijnsorganiaties zijn het jeugd-en jongerenwerk, wijkteams, voedselbanken, sport- en muziekvereningingen en bibliotheken. Mensen met een brugfunctie helpen om deze verbindingen te leggen. De rol van de school wordt op deze manier verbreed, waardoor de capaciteit om gezinnen te ondersteunen toe lijkt te nemen (Mak et al., 2024). Tegelijkertijd kunnen scholen de onderliggende problematiek meestal niet (volledig) oplossen, en vragen lokale overheden zich af hoe ze deze samenwerkingen op de lange termijn kunnen blijven financieren. In een vergelijkende casestudy onderzochten het Centre of Expertise Urban Education (Hogeschool van Amsterdam) en EQUALITY//ResearchCollective (HOGENT) bestaande vormen van samenwerking tussen onderwijs en welzijn om gezinnen te ondersteunen. Hoe komen deze samenwerkingen tot stand, hoe worden ze vormgegeven en welke factoren dragen bij aan hun impact? De opbrengsten van het onderzoek bestaan uit praktijkvoorbeelden uit Nederland en Vlaanderen evenals overkoepelende inzichten en dilemma’s voor scholen, welzijnspartners en overheden. Tijdens de sessie is ruimte om hierover in gesprek te gaan met de onderzoekers, en om mee te denken over een nog vorm te geven internationaal vergelijkend vervolgonderzoek. Bijvoorbeeld over het in kaart brengen van de impact van dergelijke samenwerkingen, en het opleiden van (toekomstige) professionals wat betreft het samenwerken in en om scholen om gezinnen beter te ondersteunen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)388Ellen Geboers, Inspectie van het Onderwijs, Utrecht, Yael Reijmer, Inspectie van het Onderwijs, Utrecht 3.018do 11:00 – 12:00 De aandacht voor vaardigheden als taal en rekenen is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Deze focus is begrijpelijk, gezien het grote belang van lees- en rekenvaardigheid voor schoolsucces en maatschappelijke participatie. Tegelijkertijd bestaat het risico dat andere leergebieden in het basisonderwijs minder aandacht krijgen, terwijl juist deze leergebieden een belangrijke bijdrage leveren aan de brede ontwikkeling van leerlingen. Mens en natuur en Mens en maatschappij dragen bij aan de ontwikkeling van basiskennis over de wereld, het begrijpen van natuurverschijnselen, historisch besef, burgerschap en oriëntatie op de samenleving. Deze kennis vormt een fundament voor latere leerprocessen, kritisch denken en het kunnen plaatsen van informatie in context. De Inspectie van het Onderwijs voert de regie over periodieke onderwijspeilingen met het programma Peil.onderwijs. Binnen het programma Peil.onderwijs worden peilingen uitgevoerd naar basisvaardigheden zoals taal en rekenen, maar ook naar de leergebieden Mens en natuur en Mens en maatschappij. In deze bijdrage presenteren we de belangrijkste resultaten van deze twee peilingsonderzoeken in het basisonderwijs. Voor deze leergebieden zijn de kerndoelen herzien en ten tijde van deze peilingen is rekening gehouden met deze transitie door uit te gaan van de nieuwe kerndoelen en domeinen, maar in het instrumentarium waar mogelijk items uit de vorige peilingen te gebruiken om trends te kunnen vaststellen. We geven antwoord op de volgende vragen 1) wat zijn de prestaties van leerlingen aan het einde van het basisonderwijs binnen deze leergebieden, 2) hoe ziet het onderwijsleerproces eruit in deze leergebieden, wat zijn de verschillen en de overeenkomsten, 3) wat is de samenhang tussen de prestaties en kenmerken van leerlingen en/of scholen binnen deze twee leergebieden? Vervolgens bespreken we wat deze belangrijkste resultaten betekenen voor een samenhangend curriculum in het basisonderwijs en hoe aandacht voor deze brede basis een bijdrage kan leveren aan de versterking van de basisvaardigheden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit jaar worden voor alle leergebieden nieuwe kerndoelen ingevoerd. De peilingsonderzoeken die wij hier presenteren onderstrepen de noodzaak van deze nieuwe kerndoelen en geven inzicht in wat er de komende jaren nog nodig is op scholen om de prestaties op deze leergebieden hoog te houden. Deze peilingen zijn uitgevoerd ten tijde van herziening van de kerndoelen en moesten dus passen bij de oude kerndoelen, en tegelijk perspectieven verschaffen in relatie tot de nieuwe kerndoelen. De resultaten van deze peilingen zijn vergeleken met vorige peilingen uit 2008 en 2015. Paperpresentatie (30 minuten)282Marie-Christine Opdenakker, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.038do 11:00 – 12:00 Geloof in eigen kunnen (i.e. geloof/vertrouwen een bepaalde taak te kunnen uitvoeren of dat eigen acties impact kunnen hebben; Bandura, 1982) is een belangrijke factor voor schoolsucces, actieve betrokkenheid op leren, (carrière)succes, veerkracht, maatschappelijke betrokkenheid en actief burgerschap (Brunton-Smith e.a., 2015; Hattie, 2012; Hoskins e.a., 2016; Solhaug, 2006). In een tijd van transitie waarin sterk beroep gedaan wordt op veerkracht/weerbaarheid, levenslang leren en actief burgerschap wordt verwacht, is geloof in eigen kunnen uitermate belangrijk. Onderzoek wijst uit dat m.n. (v)mbo-studenten en studenten met minder geprivilegieerde achtergronden vaak lager scoren op geloof in eigen kunnen, (eerder) schoolsucces en burgerparticipatie (Beaumont, 2010; Hoskins e.a., 2016; Tan e.a., 2023). Hierdoor zijn zij in het bijzonder kwetsbaar in een veranderende samenleving (Sohl & Arensmeier, 2014). Verschillen in geloof in eigen kunnen kunnen dus een belangrijke rol spelen in het voortbestaan van onderwijsgerelateerde en maatschappelijke ongelijkheden (Badou & Day, 2021; Hoskins e.a., 2016). Echter, aangezien geloof in eigen kunnen veranderbaar blijkt (Beaumont e.a., 2006; Levy, 2018), is het waardevol om interventies op dit domein te ontwikkelen. Internationaal onderzoek wijst uit dat (burgerschaps)onderwijsprogramma’s positief kunnen bijdragen aan het bevorderen van geloof in eigen kunnen en aan het vergroten van kansengelijkheid tussen studentgroepen (Beaumont, 2010; Kahne & Westheimer, 2006; Levy, 2018; Pasek e.a., 2008). Echter, dergelijke programma’s en onderzoek ernaar zijn vrijwel onbestaand in de Nederlandse (mbo-)context, doch erg gewenst (o.m. mbo-scholen). Daarom werd een (burgerschapsonderwijs)programma ontwikkeld (geïnspireerd op Beaumonts werk, 2010) en de impact ervan onderzocht (twee studies, verschillende mbo-opleidingen). Vraagstelling: Heeft het programma impact op de ontwikkeling van geloof in eigen kunnen van mbo-studenten en zo ja, in welke mate en op welke domeinen (studie, werk/beroep, burgerschap)? Is de impact van het programma gelijk voor alle mbo-studenten ongeacht hun achtergrondkenmerken? Publiek wordt uitgenodigd om oorzaken/verklaringen voor verschillen/gelijkenissen in onderzoeksresultaten tussen studies aan te dragen/te bediscussiëren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)340Kathinka van Doesum, Open Universiteit, Heerlen 3.038do 11:00 – 12:00 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie Economische beroepsopleidende leerwegen (BOL) in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) zijn populaire opleidingen maar hebben relatief hoge uitvalcijfers en een hoge studentontevredenheid (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2025). Het benaderen van beroepsonderwijs als context voor beroepsidentiteitsvorming biedt mogelijkheden om de betrokkenheid van studenten bij hun opleiding te versterken (De Bruijn, 2019). Vanuit een sociaal-cultureel perspectief wordt beroepsidentiteitsvorming opgevat als een dynamisch proces van worden, waarin studenten door betekenisgeving (meaning-making) en zingeving (sense-making) via participatie in sociale en beroepsmatige praktijken geleidelijk inzicht krijgen in, zich verhouden tot en bijdragen aan gedeelde kennis, normen en praktijken van een beroepsgemeenschap (Wenger, 1998; Ferm, 2021). BOL-studenten volgen tijdens hun opleiding onderwijs in verschillende leeromgevingen: afgebakende onderwijssettingen (bijvoorbeeld modules), die ingebed zijn in een breder opleidingsprogramma (Goodyear, 2005) Deze leeromgevingen kunnen mogelijkheden bieden om beroepsidentiteitsvorming te ondersteunen (Colley et al., 2003). Om te onderzoeken welke mogelijkheden leeromgevingen bieden voor beroepsidentiteitsvorming, lijkt de praktijknabijheid van deze leeromgevingen een relevant onderscheid. We hanteren daarom drie categorieën van praktijknabijheid; te weten: leeromgevingen met 1) lage praktijkgerichtheid, met beperkte authenticiteit en een nadruk op conceptuele kennisverwerving 2) gemiddelde praktijkgerichtheid, met meer authentieke taken in projectvorm en simulaties 3) hoge praktijkgerichtheid in stages, waar studentendeelnemen aan volledig authentieke beroepsactiviteiten samen met professionals Onderzoeksvraag Om meer inzicht te krijgen in hoe verschillende leeromgevingen kunnen bijdragen aan beroepsidentiteitsvorming, hebben we de volgende onderzoeksvraag gesteld, vanuit het perspectief van docenten en ontwerpers: Wat kenmerkt leeromgevingen die mogelijkheden bieden voor de beroepsidentiteitvorming van studenten in economisch middelbaar beroepsonderwijs? Doelstelling en interactie De doelstelling van deze bijdrage is deelnemers inzicht te geven in de onderzoeksresultaten en ruimte te bieden voor discussie over het onderzoek en de implicaties van de bevindingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De bijdrage richt zich op doorwerking en impact van onderwijsonderzoek en sluit goed aan bij het congresthema, onderwijs in transitie, omdat het laat zien hoe het middelbaar beroepsonderwijs kan bijdragen aan het opleiden van beginnend beroepsbeoefenaars in een veranderende arbeidsmarkt en samenleving. Door beroepsonderwijs te benaderen als context voor beroepsidentiteitsontwikkeling wordt zichtbaar hoe studenten leren omgaan met en zich te verhouden tot veranderende beroepspraktijken. Rondetafelgesprek (30 minuten)705Franck Blokhuis, MBO Amersfoort, Amersfoort, Erica Bouw, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Miranda Snoeren, Fontys Hogeschool, Eindhoven, Marianne Wildeman, Practoraat Leven Lang Flex (mboRijnland), Lectoraat Beroepsonderwijs (HU), Leiden, Utrecht 3.056do 11:00 – 12:00 Binnen het beroepsonderwijs worden leeromgevingen op de grens van school en werk vormgegeven waarin studenten en professionals samen werken, leren en onderzoeken. Bij de co-constructie, het gezamenlijk ontwerpen, uitvoeren en versterken van deze leeromgevingen, speelt een complex samenspel van afwegingen op strategisch, tactisch en operationeel niveau (Bouw et al., 2021a). Hoe dit samenspel precies vorm krijgt en hoe we co-constructie kunnen bevorderen, is nog onvoldoende duidelijk. Binnen het SIA RAAK-PRO project Co-constructie van responsieve leeromgevingen in het beroepsonderwijs onderzoeken wij welke mechanismen bijdragen aan co-constructie (Bouw et al., 2021b). Dit onderzoek is samen met betrokkenen uit de mbo- en hbo-context vormgegeven, passend bij onze participatieve, ontwerpgerichte benadering (Tuhkala, 2021). Daarbij hebben we diverse instrumenten ingezet tijdens een meervoudige casestudie (Yin, 2014). Een deel van de instrumenten die we tijdens het onderzoek hebben ingezet, bleek niet alleen geschikt om onderzoeksdata over interventies en mechanismen te verzamelen, maar ook om de co-constructie binnen de onderzochte cases te versterken. Zo zagen we bijvoorbeeld dat een tijdlijnsessie met de belangrijkste belanghebbenden leidde tot concrete verbetervoorstellen. Daarnaast bleek dat verschillende ‘grenselementen’ (grensgangers, grensruimtes en grensobjecten) een belangrijke rol speelden bij het bevorderen van co-constructie. Nu willen we vanuit de inzichten uit de casestudie instrumenten gaan (door)ontwikkelen die co-constructie bevorderen. Om de ontwerpcriteria voor die instrumenten scherp te krijgen, gaan zijn we nu validerende focusgroepen aan het organiseren. Met de deelnemers aan de ronde tafel willen we graag in gesprek over de inzichten uit het casestudieonderzoek en de validerende focusgroepen: Wat zeggen deze inzichten over wat werkt bij co-constructie van leeromgevingen? Hoe kunnen we die inzichten vertalen naar instrumenten voor de ondersteuning van co-constructie bij andere leeromgevingen op de grens van school en werk? In hoeverre kunnen deze instrumenten ook als onderzoeksinstrumenten dienen? Wat betekent dit voor het vervolgonderzoek? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage is relevant voor het thema Onderwijs in transitie omdat hybride leeromgevingen belangrijk zijn om onderwijs en werkpraktijk structureel te verbinden in een snel veranderende samenleving. Daarnaast richt ons onderzoek zich nadrukkelijk op de doorwerking van onderwijsonderzoek in de praktijk. We beogen niet alleen kennis te genereren, maar ook gedurende het onderzoek de onderzochte praktijken verder te helpen bij de uitdagingen die zij ervaren. Door onze inzichten te delen wensen wij bij te dragen aan meer handelingsperspectief voor professionals uit onderwijs en beroepspraktijk die worstelen met het realiseren van duurzame co-constructie tussen onderwijs en beroepspraktijk in tijden van transitie. Rondetafelgesprek (30 minuten)678Rick Damhuis, Hogeschool Windesheim, Zwolle, Anne-Margreet Pol, Hogeschool Windesheim, Zwolle 3.056do 11:00 – 12:00 Er is een structureel en groeiend tekort aan vakdocenten in het beroepsonderwijs (900-1400 fte tekort–Ministerie OCW, 2024; den Uijl et al., 2025). In sectoren zonder eigen lerarenopleiding krijgen vakdocenten alleen een algemeen Pedagogisch Didactisch Getuigschrift (PDG), waarin specifieke vakinhoud en vakdidactiek ontbreken (Inspectie van het Onderwijs, 2025). Daarnaast is er een landelijke tendens naar samenvoeging van lerarenopleidingen, waardoor specifieke beroepscontexten verdwijnen en generieke didactiek leidend wordt (e.g., Graus, 2024; Inspectie van het Onderwijs, 2025). Daardoor worden vakdocenten voor het beroepsonderwijs opgeleid zonder de beroepscontext die hun onderwijspraktijk bepaalt. Beroepsgerichte vakken worden verzorgd vanuit concepten, handelingen, attitudes krijgen waarde door de beroepsspecifieke context. Vakdidactisch redeneren en handelen worden ingekleurd door die beroepscontext. De overheid adviseert om vakdidactiek op gestructureerde wijze te verankeren (Inspectie van het Onderwijs, 2025). Klatter & van der Klink (2021) benadrukken dat dit alleen kan door in opleidingstrajecten expliciet aandacht te besteden aan beroepscontexten. Een vakdidactiek met de ‘kleur’ van specifieke beroepenvelden, zoals Lucas et al. (2012, aanduiden als ‘signature pedagogy’ ontbreekt echter nog steeds. Bij beroepsonderwijs is de beroepscontext de kern: docenten moeten handelen vanuit de attitudes, waarden en normen die in het beroepenveld gelden. De centrale vraag luidt dan ook: hoe ziet een opleidingstraject eruit dat vakdocenten opleidt op basis van een beroepscontextgedreven vakdidactiek, zodat zij hun eigen ‘signature pedagogy’ kunnen ontwikkelen? In het onderzoek ontwikkelen we een instrument waarmee opleiders in samenspraak met het beroepenveld beroepscontextgedreven vakdidactiek kunnen ontwikkelen. We gebruiken het Successive Approximation Model (Allen & Sites, 2012) waarin prototypes ontwikkeld worden voor verschillende sectoren. Het doel van deze bijdrage is om samen met deelnemers dit instrument verder in te vullen. Tijdens het rondetafelgesprek tonen we het eerste prototype en nodigen we het publiek uit om samen te reflecteren en een tweede prototype te ontwerpen, zodat de uiteindelijke ‘signature’ representatief is voor diverse beroepscontexten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage focust op de valorisatie van onderwijsonderzoek. De ontwikkeling van een instrument, in co-creatie met het beroepenveld, waarmee opleiders beroepscontextgedreven vakdidactiek inbedden in beroepsopleidingen. Zo wordt onderzoek niet abstract, maar vertaald naar concrete vernieuwing en aanpassing van opleidingspraktijk en beroepsonderwijs. Hiermee beogen we dat onderwijs daadwerkelijk verandert en beter aansluit bij beroepscontext en maatschappelijke behoeften, gestuurd door een goed onderwijsontwep, dat aansluit bij transities die in het beroepenveld spelen. Paperpresentatie (30 minuten)877Debby Weerlink, School of Health Professions Education, Maastricht 3.058do 11:00 – 12:00 Flexibele contexten in het hoger onderwijs doen een steeds groter beroep op studenten om zelf richting te geven aan hun leerproces. Van studenten wordt verwacht dat zij keuzes maken ten aanzien van leerdoelen, leeractiviteiten en leerpaden. De ontwikkeling van zelfsturingsvaardigheden wordt daarbij gezien als een kernvoorwaarde voor studiesucces. Onderzoek laat zien dat, ondanks uiteenlopende interventies, beperkt inzicht bestaat in waardoor deze bijdragen aan de ontwikkeling van zelfsturingsvaardigheden. De aandacht ligt veelal op interventies en uitkomsten, terwijl weinig aandacht wordt besteed aan de onderliggende mechanismen die verklaren hoe en waarom deze interventies bijdragen aan de ontwikkeling van zelfsturingsvaardigheden (Weerlink et al., under review). Deze bijdrage is gebaseerd op een kwalitatieve studie naar onderliggende mechanismen die een rol spelen in het bevorderen van zelfsturingsvaardigheden. De studie bouwt voort op een recente scoping review naar interventies voor bevorderen van zelfsturingsvaardigheden (Authors, under review) en verkent de impliciete redeneringen achter deze interventies. Methodologisch is gekozen voor een Interpretive Description-benadering (Thompson Burdine et al., 2021). De Context–Intervention–Mechanism–Outcome (CIMO)-logica fungeerde als structuur om relaties tussen context, interventies en veronderstelde mechanismen te verkennen (Denyer et al., 2008). Centraal in deze studie staat de vraag welke onderliggende mechanismen onderzoekers identificeren als relevant voor de ontwikkeling van zelfsturingsvaardigheden van studenten in flexibele onderwijscontexten in het hoger onderwijs. De resultaten wijzen op twee samenhangende clusters van mechanismen. Het eerste cluster betreft mechanismen die leren ondersteunen, waaronder het aanbieden van structuur, didactische begeleiding en het aanleren van ondersteunende vaardigheden die studenten in staat stellen om binnen flexibiliteit doelgericht te handelen. Het tweede cluster betreft mechanismen waarin sociale interactie, zoals dialoog, samenwerking en feedback, een rol speelt in bij de ontwikkeling van zelfsturingsvaardigheden. Deze bevindingen suggereren dat de ontwikkeling van zelfsturingsvaardigheden minder samenhangt met het maximaliseren van autonomie en meer met het zorgvuldig ontwerpen van gestructureerde leeromgevingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)333Chevy van Dorresteijn, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam, Timo Kegelaar, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam 3.058do 11:00 – 12:00 Vraagstelling van het onderzoek waarop de bijdrage gebaseerd isPer studiejaar 2025-2026 is de aanwezigheidsplicht bij werkgroepen afgeschaft voor de bachelor Pedagogische Wetenschappen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. De rationale is om zelfregulerend leren bij studenten te stimuleren door hen bewuster te maken van de nut en noodzaak om (ook) op de campus onderwijs te volgen. In de literatuur wordt zowel gewezen op de positieve impact van fysieke aanwezigheid (Credé et al., 2010; Dekker & Doornenbal, 2025) als het belang van zelfregie over het leerproces (Lipscomb & Snelling, 2010; Macfarlane, 2013). Tegelijkertijd zijn er nog veel vragen, zoals of er (sub)populaties zijn voor wie aanwezigheid minder effect heeft en in hoeverre studenten in staat zijn een gefundeerde afweging te maken welke meerwaarde aanwezigheid voor hen heeft.Doelstelling van de bijdrageIn deze bijdrage wordt de impact van de afschaffing van de aanwezigheidsplicht in kaart gebracht door te kijken naar drie typen leeruitkomsten: cognitieve (bv. prestaties), affectieve (bv. studenttevredenheid) en gedragsmatige (bv. uitval) leeruitkomsten. Het doel van de bijdrage is een genuanceerd beeld te schetsen van de gevolgen van de afschaffing en de complexiteit die ermee gepaard gaat, zowel voor de student als voor de opleiding.Dialoog/interactie met publiekHet spanningsveld tussen het bieden van structuur enerzijds en het stimuleren van autonomie anderzijds blijkt een herkenbaar vraagstuk getuige de brede interesse van collega-docenten van binnen en buiten de eigen instelling. Tijdens de sessie gaan wij graag in gesprek met het publiek om vragen en overdenkingen te bespreken. Wij zullen onze ervaringen delen met betrekking tot de onderwijskundige en organisatorische aandachtspunten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In het hoger onderwijs wordt steeds vaker de nadruk gelegd op flexibiliteit, zie bijvoorbeeld de wet op leeruitkomsten en de opkomst van flexibele leerroutes. Deze flexibiliseringstrend stelt instellingen voor een nieuwe realiteit. Met de student (meer) aan het roer dienen opleidingen anders naar onderwijs te kijken en de organisatie anders in te richten. De inzichten uit deze bijdrage kunnen gebruikt worden door opleidingen om deze transitie verantwoord vorm te geven door het maken van goed doordachte, op empirie gestoelde keuzes. Rondetafelgesprek (30 minuten)831Els Pelgrim, Koning Willem 1 College, ‘s-Hertogenbosch 3.066do 11:00 – 12:00 De overgang van voortgezet (speciaal) onderwijs naar het mbo vormt voor veel jongeren een kwetsbaar moment. Hoewel de meeste vmbo-leerlingen doorstromen, valt nog steeds een aanzienlijk deel uit in het eerste mbo-leerjaar (Onderwijsinspectie, 2024). Vooral ongediplomeerde leerlingen, leerlingen uit de basisberoepsgerichte leerweg en voormalige leerlingen uit het voortgezet speciaal onderwijs (vso) lopen verhoogd risico op uitval en behalen minder vaak een startkwalificatie (Bijman et al., 2023). Deze voortijdige uitval beperkt kansen op duurzame participatie op de arbeidsmarkt en vergroot ongelijkheid. De overgang vraagt van leerlingen aanpassing aan nieuwe verwachtingen, onderwijscultuur en begeleiding, terwijl passende ondersteuning en samenwerking tussen v(s)o en mbo niet altijd vanzelfsprekend is (Eimers et al., 2019; Baarda & Voncken, 2018). In regio Noordoost-Brabant wordt daarom gewerkt met overstapcoaches die kwetsbare jongeren uit vso, praktijkonderwijs en vmbo begeleiden richting mbo (jaarlijks >150 leerlingen). Overstapcoaches bieden maatwerk, sociaal-emotionele ondersteuning en een ‘warme overdracht’, met als doel doorstroom te bevorderen en voortijdig schoolverlaten te verminderen. Dit onderzoek richt zich op de inzet van overstapcoaches als interventie en beoogt inzicht te verkrijgen in de structuur, doelen, uitvoering en werkzame mechanismen van de aanpak. De centrale onderzoeksvraag luidt: wat is het potentiële effect van de inzet van overstapcoaches op de overgang van v(s)o naar mbo voor kwetsbare leerlingen, en hoe kan de interventie worden beschreven en onderbouwd? Methodologisch wordt gewerkt met documentanalyse, interviews en observaties bij overstapcoaches en leerlingen, aangevuld met panelsessies met onderwijsprofessionals en andere betrokkenen. In het rondetafelgesprek gaan deelnemers in dialoog over wat nodig is om overstapcoaches duurzaam te borgen en effectief te maken in verschillende regionale contexten. We bediscussiëren de onderzoeksresultaten: Welke resultaten zijn in lijn met de verwachtingen van gespreksdeelnemers, welke zijn juist verrassend? Waarna we de contextafhankelijkheid en schaalbaarheid van de resultaten te bediscussiëren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de doorwerking en impact van onderwijsonderzoek in het licht van onderwijs voor transitie. In een samenleving waarin gelijke kansen, arbeidsmarktkrapte en regionale samenwerking centraal staan, is het cruciaal dat kwetsbare jongeren duurzaam kunnen doorstromen naar het mbo en een startkwalificatie behalen. Overstapcoaching is een veelbelovende interventie om deze overgang te versterken via maatwerk, warme overdracht en sociaal-emotionele ondersteuning. Dit onderzoek levert een interventiebeschrijving en interventietheorie op die inzicht geven in werkzame mechanismen en randvoorwaarden voor borging en opschaling, en daarmee bijdraagt aan structurele verbetering van onderwijsovergangen. Rondetafelgesprek (30 minuten)833Julia Marthaler, Stichting CAOP, Den Haag, Arjan van der Meijden, Stichting CAOP, Den Haag 3.066do 11:00 – 12:00 In een door NKO gefinancierd onderzoek heeft ons consortium onderzoek gedaan naar de werking en uitkomsten van maatregelen die onderwijsinstellingen hebben genomen om studenten bij de overgang van het middelbaar beroepsonderwijs naar het hoger beroepsonderwijs te begeleiden. Het onderzoek werd gefinancierd door NKO en uitgevoerd door drie onderzoekspartners (CAOP, WUR en IVA) in samenwerking met drie onderwijspraktijkpartners (1 hbo en 2 mbo). De onderzoeksvragen hadden betrekking op de ingezette maatregelen, de onderliggende werkingsmechanismen en mogelijke verbeteringen daarvan. Om de effecten van de maatregelen te beschrijven, is gebruik gemaakt van de CIMO-logica (Context, Interventie, Mechanisme, Outcome). Er is literatuuronderzoek uitgevoerd naar maatregelen genomen om de overgang mbo-hbo te versoepelen, er zijn interviews afgenomen met docenten en andere betrokkenen, en is gebruik gemaakt van bestaande registerdata, en er is een vragenlijst ingevuld door studenten, waar mogelijk voor en na een interventie. De theoretische basis werd gevormd door het overgangsmodel van Tinto, waarin wordt gesteld dat een succesvolle overgang afhankelijk is van de mate waarin studenten integreren in de onderwijsomgeving. De onderzochte maatregelen waren gericht op verschillende domeinen van Tinto: sociale integratie, academische integratie, begeleiding en studiekeuze, of op een combinatie daarvan. Daarbij hanteerden onderwijsinstellingen uiteenlopende interpretaties, waarbij elke school in feite haar eigen aanpak ontwikkelde, zonder structureel gebruik te maken van inzichten die elders waren opgedaan. Over het algemeen bleken persoonlijke aandacht voor studenten, vroegtijdige interventie bij mogelijke problemen en de combinatie van academische en sociale ondersteuning de belangrijkste succesfactoren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)685Vicky Lehmann, Hanzehogeschool, Groningen 3.068do 11:00 – 12:00 Leren in leergemeenschappen is een onderdeel van de huidige transitie in het hoger onderwijs. Goed onderbouwd onderzoek is hiervoor cruciaal, maar de ‘juiste’ methodologieën of aanpak is niet altijd eenduidig. Bovendien was er recent felle kritiek over eerder onderzoek (bv. retrospectief, toeschrijven van leeropbrengsten aan leeromgevingen zonder verificatie (Simon et al, 2025)) wat tot veel ophef leidde. Daarom gaan we graag met jullie in gesprek over ervaringen rondom onderzoek binnen leergemeenschappen; met name over methodologieën om te meten wat (leeropbrengsten) en hoe (leeractiviteiten) mensen leren. Hoe steek je zulk onderzoek in? – Door direct te vragen ‘Wat heb je geleerd en hoe?’ of kies je bijvoorbeeld voor observaties? Dit komt neer op de cruciale vraag: Hoe meten we iets dat subjectief is en vaak ook onbewust gebeurt op een objectieve manier? Zijn er actieve werkvormen om mensen dusdanig te laten reflecteren dat dit boven water gehaald kan worden? Of hoe kunnen we tijdens observaties het verschil maken tussen het meten van iets zichtbaars (bv. feedback als onderdeel van samen werken) en iets wat tegelijkertijd minder zichtbaar gebeurt (leren)? Hoe voorkomen we hierbij bias, zoals bv. leeropbrengsten of handelingen aan iemand toeschrijven die degene niet zo ervaart? Tijdens dit rondetafelgespek zullen we eerst onze eigen ervaringen delen m.b.t. vragenlijsten, observaties, interviews en andere actieve werkvormen, zoals de ‘placemat’ (doorontwikkeld op basis van Clarke & Hollingsworth (2002), Kools & van Wessum (2020)) en het ‘Co-Design Canvas’ (Smeenk, 2023). Vervolgens willen in gesprek gaan met de aanwezigen over hun ervaringen, alternatieven en de voor- en nadelen van verschillende opties. Ten tweede zouden we ook graag willen sparren over verschillende analysemethoden van zulke rijke kwalitatieve data: Welke methoden of coderingsschema werken voor jullie en welke misschien niet? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Leren in leergemeenschappen is een onderdeel van de transitie in het hoger onderwijs. Goed gefundeerd onderzoek om deze transitie evidence-based te maken en te verduurzamen is cruciaal. Daarom willen we graag in uitwisseling gaan met collega’s om zowel onze eigen ervaringen te delen alsook het gesprek aan te gaan over ervaringen van anderen. Naast de algemene focus op transitie in het hoger onderwijs richt dit rondetafelgesprek zich vooral op het 2e accent van het congresthema: methodologische benadering. Rondetafelgesprek (30 minuten)761Jannet Doppenberg, Hanzehogeschool, Groningen, Mechteld van Kuijk, Hanzehogeschool Groningen, Lectoraat ‘Leren in de Leergemeenschap’, Groningen 3.068do 11:00 – 12:00 Leergemeenschappen, labs en/of ateliers binnen het hoger onderwijs zijn hot. Dit geldt ook voor de Hanzehogeschool waar in de onderwijsvisie ‘het opleiden van studenten binnen leergemeenschappen’ een belangrijke plek inneemt. Een leergemeenschap bij de Hanze is, volgens de definitie van Doppenberg & van Kuijk (2024), een groep mensen die samenwerkt aan een gezamenlijk doel en die van en met elkaar wil leren. Als er wordt samengewerkt in dit soort contexten betekent het niet automatisch dat er ook samen wordt geleerd; er is meer voor nodig om dit tot een succes te maken (zie bijv. Visscher-Voerman et al., 2024; Griffioen, 2023). Daarom ontwikkelt het lectoraat ‘Leren in de leergemeenschap’ samen met docenten en onderwijskundige beleidsadviseurs een handreiking, om het ontwerpen en begeleiden van verschillende typen leergemeenschappen te versterken. In deze handreiking (Doppenberg et al., in voorbereiding) worden verschillende typen leergemeenschappen onderscheiden qua samenstelling: enerzijds variërend van studenten uit dezelfde opleiding tot studenten uit verschillende opleidingen, en anderzijds variërend van enkel studenten tot studenten, docenten, onderzoekers, professionals en burgers (discipline-overstijgend). Afhankelijk van de samenstelling van de leergemeenschap, kunnen binnen het ontwerp en tijdens de uitvoering andere en/of meer interventies nodig zijn om het samenwerken en samen leren te faciliteren. In een prototype van de handreiking zijn daarom per type leergemeenschap aandachtspunten geformuleerd: inzicht in de onderlinge verschillen tussen de typen in combinatie met bijpassende didactische suggesties, kan ontwerpers/begeleiders/facilitatoren/docenten helpen om de potentie van deze leeromgevingen beter te benutten. Tijdens de rondetafel willen we graag deze onderdelen uit de handreiking aan de deelnemers voorleggen voor feedback, alsook om de bruikbaarheid en herkenbaarheid ervan voor andere onderwijsinstellingen te toetsen. Zijn de gegeven suggesties afdoende, zijn er aanvullende suggesties of juist behoeften, met als gezamenlijk doel om de inhoud van de (na publicatie: breder gedeelde) handreiking verder te kunnen versterken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Om lerenden te equiperen voor de complexe maatschappelijke vraagstukken waar zij in hun (toekomstige) werk mee te maken krijgen, is het onderwijs in transitie. Een onderdeel van deze onderwijstransitie is het anders inrichten van opleidingen zodat leren van en met de praktijk aan deze complexe vraagstukken een centrale plek inneemt. Leren in leergemeenschappen is een vorm waarmee we dit kunnen faciliteren. Om dit goed te kunnen organiseren heeft een docent handvatten nodig voor de veranderende rol. Dit is de focus van zowel de handreiking als deze rondetafel sessie. Paperpresentatie (30 minuten)76Elisabeth Klinkenberg, Hogeschool Inholland, Haarlem, Ishii Kwee, Hogeschool Inholland, Haarlem 3.070do 11:00 – 12:00 Studentenwelzijn en studiesucces staan onder druk, waardoor onderwijsinstellingen steeds vaker investeren in laagdrempelige vormen van ondersteuning die aansluiten bij de leefwereld van studenten (RIVM, 2025). Peer-to-peer supportprogramma’s nemen hierin een prominente plek in. Onderzoek laat zien dat deze programma’s positieve effecten kunnen hebben voor zowel de student die ondersteuning ontvangt als voor de student die deze biedt, onder andere op welzijn, betrokkenheid en persoonlijke ontwikkeling (Parker et al., 2015; Andreanoff, 2016). In deze presentatie verbinden we drie onderzoeksaanpakken binnen het Studentsucces Centrum (SSC) van Hogeschool Inholland. Sinds 2020 investeert Inholland in SSC’s als laagdrempelige plekken waar studenten elkaar kunnen ontmoeten, vragen kunnen stellen en ondersteuning kunnen vinden. De ambitie is om inclusieve communities te ontwikkelen waarin álle studenten zich gezien en gehoord voelen (Van Pinxteren & Linders, 2021). We presenteren resultaten uit (1) een actieonderzoek naar communityvorming binnen SSC’s, (2) een exploratief interviewonderzoek naar de beleving van studentbuddy’s en coachees, en (3) het eerste werkpakket van het project Maatjes met Impact, waarin we de betekenis, opbrengsten en mogelijke risico’s van maatjesprojecten onderzoeken voor deelnemers, vrijwilligers en de bredere onderwijscontext. Daarbij staat de driehoek onderzoek–onderwijs–praktijk centraal. Juist door deze drie perspectieven te verbinden, ontstaat inzicht in wat in de praktijk werkt en waarom. Samen laten deze drie onderzoekslijnen zien hoe peer-to-peer support een duurzame bijdrage kan leveren aan inclusieve, studentgestuurde ondersteuningsstructuren die welzijn en binding versterken. De centrale vraag is: hoe kunnen peer-supportprogramma’s zo worden ingericht dat zij maximale impact hebben op zowel studenten als de bredere community? Tijdens de presentatie gaan we met het publiek in dialoog over welke elementen van peer-support in hun context bijdragen aan verbondenheid en draagkracht. Het doel van deze dialoog is het gezamenlijk aanscherpen van bouwstenen voor peer-support, met aandacht voor succesfactoren, zwakten, kansen en risico’s. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit aan bij het thema Onderwijs voor Transitie doordat peer-to-peer support een structurele verschuiving vraagt van traditionele, formele ondersteuningsstructuren naar inclusieve, studentgestuurde communities, waarin studenten als partners deelnemen en we als onderwijsinstelling met elkaar tot cocreatie komen. De Studentsucces Centra laten zien hoe studenten, buddy’s en coördinatoren gezamenlijk nieuwe vormen van ondersteuning ontwikkelen die beter aansluiten bij diversiteit, leefwereld en behoeften van studenten. De presentatie verkent hoe onderwijsinstellingen deze transitie kunnen vormgeven en welke randvoorwaarden nodig zijn om peer-support breed en verantwoord in te zetten. Paperpresentatie (30 minuten)373Rose Leighton, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 3.070do 11:00 – 12:00 Aanleiding en achtergrondIn het hbo wordt van docenten in toenemende mate verwacht dat zij een breed scala aan studiematerialen gebruiken (Cherrstrom & Boden, 2020; Heine et al., 2023). Eerder onderzoek (Leighton et al., 2025) laat zien dat docenten veel aandacht besteden aan het zoeken en selecteren van materialen, maar dat activiteiten rondom het structureren en didactisch ondersteunen ervan minder expliciet worden benoemd. Het is onduidelijk of deze ondersteuning daadwerkelijk ontbreekt, of dat zij vooral impliciet of losstaand van de materialen wordt aangeboden.Theoretisch kader en relevantieDeze bijdrage introduceert het concept van de didactische laag: de structuur, narratieve samenhang en context die docenten als ondersteuning toevoegen aan studiematerialen.Onderzoek laat zien dat een duidelijke structuur bij het aanbieden van studiematerialen zorgt voor verbeterde leerresultaten en tevredenheid bij studenten (Konstantinidou & Nisiforou, 2022; Lonsdale et al., 2022). Narratieve samenhang, een begrip uit de wereld van game en video based leren dat ook toepasbaar is bij het delen van studiematerialen, zorgt voor verbeterde kennistransfer (Ginting et al., 2024) en meer betrokkenheid van studenten (Naul & Liu, 2020). Context tot slot gaat over het toelichten van de rationale achter de materialen. Dit zorgt ervoor dat studenten leeruitkomsten koppelen aan de praktijk en weten waarom materialen geselecteerd zijn (Bolliger & Martin, 2021; Hickey et al., 2020).Bij het delen van studiematerialen zijn alledrie deze concepten van belang – samen vormen zij de ‘didactische laag’.Vraagstelling en doelstellingDe centrale vraag is: in welke mate en waarom voegen hbo-docenten de didactische laag toe bij het delen van studiematerialen? Het doel is om inzicht te bieden in hoe docenten hun studenten structuur, narratief en context bieden, en welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen.InteractieAan de hand van enkele stellingen wordt het publiek uitgenodigd kort te reageren op wat ze herkennen in hun eigen onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De overgang naar blended learning vormt een belangrijke onderwijstransitie binnen het hbo. In deze context verschuift een deel van het leren naar digitale omgevingen, waar studiematerialen een centralere en meer zelfstandige rol krijgen. Juist dan is de didactische laag essentieel. Structuur, narratieve samenhang en context helpen studenten om hun weg te vinden in een hybride leeromgeving, verbanden te leggen tussen online en contactonderwijs en de betekenis van materialen te begrijpen. Door deze didactische ondersteuning expliciet vorm te geven, kunnen docenten blended learning doelgericht inzetten en studenten ondersteunen in het ontwikkelen van zelfstandigheid en leervermogen. Paperpresentatie (30 minuten)860Annoesjka Boersma, Lectoraat Beroepsonderwijs, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Lieke Ceelen, Lectoraat Beroepsonderwijs (Hogeschool Utrecht), Utrecht 3.072do 11:00 – 12:00 Aanleiding en theorie De jeugdzorg staat onder druk, onder meer vanwege werkdruk en verloop onder medewerkers, met directe gevolgen voor de kwaliteit van de zorg, het welzijn van professionals en hun ontwikkelmogelijkheden. Ontwikkelmogelijkheden van jeugdzorgprofessionals lijken vooral gericht op het versterken van hun handelen via scholing, richtlijnen en protocollen. Deze benadering doet onvoldoende recht aan de complexiteit van het handelen en de specifieke en veranderende omstandigheden waarin het beroep wordt uitgeoefend (Billett et al., 2018). Een benadering die er wel recht aan doet, vat kennis niet alleen op als expliciet en overdraagbaar, maar ook als tacit: als ervaring en praktisch (weten hoe), impliciet, persoonlijk, situationeel en normatief (weten waarom en waartoe) (De Bruijn, 2019). Om het handelen van jeugdzorgprofessionals te versterken is handelingskennis nodig: álle kennis die zij inzetten om tot goed handelen te komen. Handelingskennis omvat niet alleen fundamentele en toegepaste kennis, maar ook praktische wijsheid van professionals (Bulterman-Bos, 2021). Praktische wijsheid van jeugdprofessionals is gebaseerd op hun waarnemingen, inschatting van wat nodig is, intuïtie en (zelf)kennis en maakt wendbaar handelen mogelijk (Sarti et al, 2024). Er is nog maar beperkt aandacht voor hoe professionals kennis daadwerkelijk inzetten, zich eigen maken en intuïtief gebruiken in hun dagelijkse praktijk. In deze paperpresentatie staat daarom handelingskennis centraal, met speciale aandacht voor de praktische wijsheid van professionals. Vraagstelling Welke handelingskennis gebruiken jeugdzorgprofessionals in hun dagelijks handelen met jongeren en ouders? Doelstelling Het presenteren van 1) een (andere) manier van denken over kennis van professionals en 2) hoe deze handelingskennis, waaronder praktische wijsheid, zichtbaar te maken. Dialoog In gesprek met het publiek verkennen we hoe praktische wijsheid een rol speelt in het handelen van (toekomstige) professionals en hoe deze in onderwijs en jeugdzorgorganisaties kan worden ontwikkeld. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De paperpresentatie sluit aan bij het congresthema doordat wordt onderzocht hoe onderzoek kan bijdragen aan het begrijpen van het leren van professionals in steeds veranderende complexe en maatschappelijke praktijken, in dit geval de jeugdzorg. Hoe kunnen (aankomende) professionals bijdragen aan een veilige en stevige basis voor jeugdigen, en zich hierin blijven ontwikkelen? De bijdrage richt zich op de theoretische gronding en theorieontwikkeling van handelingskennis en specifiek de praktische wijsheid van professionals en beoogt doorwerking in onderwijs en professionalisering. Paperpresentatie (30 minuten)620Ellen Rusman, Open Universiteit, Heerlen 3.072do 11:00 – 12:00 Om in het jeugdveld passende zorg te kunnen blijven bieden en hulpverlening te verbeteren, is het van belang dat professionals, teams en kind- en jeugdzorgorganisaties zich blijven ontwikkelen en professionaliseren. Deze systematische literatuurreview naar empirisch onderzochte interventies om lerende organisaties te ondersteunen, stimuleren en versterken is onderdeel van het project ‘Leren beter begrepen’. Dit project, i.s.m. maatschappelijke partners uit kind- en jeugdzorg, richt zich op het versterken van lerende organisaties door bestaande én nieuwe interventies te identificeren, implementeren en evalueren. Een interventie is een theoretisch en praktisch weldoordachte aanpak of ingreep om, op basis van doelen, risico’s, problemen en ambities, van een huidige naar een gewenste situatie te komen (Caluwé, 2010). De review is een deelonderzoek binnen het project en richtte zich op de volgende vraag: Welke empirisch onderzochte interventies zijn er om het leren van organisaties op het individuele-, groeps-en organisatieniveau te bevorderen, en wat zijn de onderliggende mechanismen? Het leren van organisaties werd gedefinieerd als “de processen waarmee organisaties hun mentale modellen, regels, processen of kennis veranderen of aanpassen, met behoud van of verbetering van hun prestaties” (Chiva et al., 2014, p. 689). Het omvat activiteiten, op verschillende organisatieniveaus (individu, groep/team en organisatie), waarmee organisaties nieuwe relevante kennis creëren, vastleggen en internaliseren én vaardigheden en handelingsrepertoires ontwikkelen en uitbreiden (Cheng et al., 2014; Chiva et al., 2014). Mede om dat wat van buiten op hen afkomt om te zetten naar wijzigingen in strategieën en acties (Mierlo & Beers, 2020). In deze sessie presenteren we de achtergrond van het project ‘Leren beter begrepen’ en de doelstelling, opzet en samenvatting van de systematische literatuurreview en gevonden interventies. Vervolgens bespreken we deze interventies en achterliggende mechanismen, en vragen het publiek naar eigen ervaringen met (de implementatie van) evidence-based interventies om leren in organisaties te bevorderen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Door toenemende druk vanwege complexe hulpvragen, personeelskrapte en beleidswijzigingen, is structureel leren in het jeugdveld niet vanzelfsprekend. Deze literatuurreview naar bewezen interventies ter versterking van lerende organisaties heeft tot doel om jeugdveldpartners in het ‘Leren beter begrepen’ project te informeren over interventies die zij mogelijk in hun organisatie kunnen uitwerken, náást bestaande interventies. In het project wordt daarnaast gekeken welke leerbehoeften er vanuit de werkvloer leven, bestaande interventies voor leren in organisaties geëvalueerd, vanuit het jeugdperspectief gekeken naar hun (mogelijke) bijdrage aan een lerende organisatie en middels co-creatiesessies met de praktijk bepaald wat de best passende volgende stap kan zijn. Paperpresentatie (30 minuten)888Isabella Spaans, Universiteit Utrecht, Utrecht, Brent Theys, Universiteit Gent, Gent 3.088do 11:00 – 12:00 Rolmodellen worden in uiteenlopende professionele contexten beschreven als potentieel belangrijke bronnen voor professioneel leren, socialisatie en identiteitsontwikkeling (Gibson, 2004). Zowel in onderwijs als in de gezondheidszorg wordt frequent verwezen naar rolmodellen als richtinggevend voor professioneel handelen, normen en waarden. Tegelijk blijft onduidelijk in welke mate rolmodellen vergelijkbare functies en mechanismen vervullen overheen professionele domeinen, of juist sterk contextgebonden zijn (Cruess et al., 2008; Morgenroth et al., 2015). Deze bijdrage presenteert een conceptuele, vergelijkende analyse van rolmodellen in het professionele leren van (toekomstige) verpleegkundigen en leraren. Vertrekkend vanuit twee onafhankelijke kwalitatieve onderzoeken in beide domeinen, worden de bevindingen analytisch naast elkaar gelegd om conceptuele gelijkenissen en verschillen te identificeren. Centraal staan vragen zoals: wanneer en waarom identificeren professionals rolmodellen, welke kenmerken worden als leerzaam of richtinggevend ervaren, en welke functies vervullen rolmodellen binnen professionele leerprocessen? De analyse sluit aan bij netwerkgerichte benaderingen van professioneel leren, waarin leren wordt begrepen als een relationeel en gesitueerd proces dat vorm krijgt in sociale interactie en professionele praktijken (Billett, 2002; Wenger, 1998). Door de twee beroepscontexten systematisch te vergelijken, maken we zichtbaar hoe rolmodelleren deels domeinoverstijgende kenmerken vertoont, zoals leren via observatie en identificatie, maar tegelijk wordt gevormd door contextspecifieke factoren zoals opleidingsstructuren, hiërarchische verhoudingen en professionele culturen (Ibarra, 1999; Eraut, 2004). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In contexten van maatschappelijke en professionele transitie worden (toekomstige) professionals geconfronteerd met veranderende normen, verwachtingen en handelingskaders. Deze bijdrage laat zien hoe rolmodellen in onderwijs en zorg functioneren als relationele leerbronnen die professionals ondersteunen bij professionele socialisatie en normatieve afstemming. Door rolmodellen in beide domeinen vergelijkend te analyseren, biedt de studie inzicht in hoe leren omgaan met complexiteit, onzekerheid en professionele verantwoordelijkheid vorm krijgt binnen verschillende institutionele contexten. Daarmee draagt de bijdrage bij aan theorievorming over professioneel leren in tijden van transitie. Paperpresentatie (30 minuten)446Bertjaap van der Ploeg, Hogeschool KPZ, Zwolle 3.088do 11:00 – 12:00 PO-scholen in Nederland hebben de wettelijke taak om goed burgerschapsonderwijs te verzorgen. Dit is echter een flinke uitdaging voor scholen; meer dan de helft van de onderzochte scholen ontving in 2023-2024 een reparatie-opdracht van de inspectie betreffende hun burgerschapsonderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2025). Voor PO-leraren is het een complexe taak om uitvoering te geven aan de kerndoelen burgerschap (SLO, 2025). Het vak geschiedenis kan hierin ondersteuning bieden, met name bij het kerndoel dat gericht is op het leren omgaan met verschillende perspectieven. In het geschiedenisonderwijs maken leerlingen namelijk kennis met historische actoren en oefenen zij met het innemen van hun perspectieven (Barton & Levstik, 2004; Huijgen et al., 2017). Deze vaardigheid Historical Perspective Taking (HPT) is onderdeel van het historisch redeneren en gaat over het contextualiseren van het gedrag van historische personen (Seixas & Morton, 2013). Het is echter de vraag in hoeverre PO-leraren, die alle vakken moeten onderwijzen en niet worden opgeleid als vakexpert, toegerust zijn om deze historische vaardigheid te begeleiden en de integratie met burgerschapsdoelen vorm te geven. Daarom richtte deze studie zich op het in kaart brengen van de Pedagogical Content Knowledge van basisschoolleraren, betreffende het lesgeven in HPT. Om dit te onderzoeken zijn 14 PO-leraren (> 5 jaar werkervaring) geïnterviewd met behulp van een aangepaste interviewleidraad van Tuithof (2023), die is gebaseerd op het Content Representation format (CoRe) van Loughran et al. (2006). De interviews zijn thematisch geanalyseerd met behulp van de principes van Braun en Clarke (2006). De resultaten laten zien waar de sterke punten en de lacunes zitten in het (vak)didactische repertoire van deze PO-leraren, en geven richting voor toekomstige professionalisering. De discussie met het publiek zal zich richten op hoe PO-leraren verder kunnen professionaliseren, en welke aanpakken helpend zijn om PO-scholen te ondersteunen in hun burgerschapstaak. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De vaardigheid om te verplaatsen in andere perspectieven is essentieel voor een wereld in transitie. Juist in onze pluriforme en democratische samenleving moet het onderwijs bijdragen aan het oefenen van vaardigheden die kinderen helpt om goed samen te leven. Met de recente oplevering van nieuwe kerndoelen burgerschap (november 2025) moet het PO nieuwe wegen vinden om deze inhouden te integreren in het onderwijs. Het onderwerp van dit onderzoek sluit dus goed aan bij een wereld en onderwijs in transitie. Posterpresentatie711Dries De Weerdt, Universiteit Gent, Gent 3.090do 11:00 – 12:00 Het gebruik van data ter ondersteuning van onderwijsbeslissingen wordt wereldwijd gestimuleerd door beleidsmakers (Mandinach & Gummer, 2016; OECD, 2016). Van leraren wordt verwacht dat zij data kunnen verzamelen, analyseren, interpreteren en inzetten om hun onderwijspraktijk te verbeteren. Deze verwachting veronderstelt een hoge mate van datageletterdheid—de kennis, vaardigheden en attitudes die nodig zijn om data te gebruiken voor onderbouwde onderwijsbeslissingen (Mandinach & Gummer, 2016). Ondanks het groeiende belang van datageletterdheid binnen onderwijs, blijft het meten van deze competentie bij (student)leraren een uitdaging (Ansyari et al., 2020; Cui et al., 2023). Bestaande meetinstrumenten focussen vaak op deelvaardigheden (zoals statistische kennis) of zijn gebaseerd op zelfrapportage, waardoor ze onvoldoende inzicht bieden in het complexe en context-gebonden karakter van datagebruik binnen onderwijs (Cui et al., 2023; Kippers et al., 2019). Deze posterbijdrage is gebaseerd op onderzoek naar de ontwikkeling en validering van een vignette-gebaseerde test om datageletterdheid in kaart te brengen binnen authentieke onderwijscontexten (Skilling & Stylianides, 2020). De centrale onderzoeksvraag luidt: In welke mate kan een vignette-gebaseerd meetinstrument op een betrouwbare en valide manier de datageletterdheid van (student)leraren in kaart brengen? Het doel van deze posterpresentatie is om inzicht te bieden in een innovatieve en meer authentieke meetmethode voor datageletterdheid, waarbij empirische inzichten worden gedeeld over de kwaliteit en bruikbaarheid van het ontwikkelde instrument voor onderzoek en praktijk. Tijdens de posterpresentatie wordt actief ingezet op dialoog met het publiek. Bezoekers worden uitgenodigd om te reflecteren op de vignetten, hun eigen interpretaties te vergelijken met onderzoeksbevindingen en in gesprek te gaan over de implicaties voor (leraren)opleiding, professionalisering en toekomstig onderzoek naar data-geïnformeerd handelen in het onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Door datageletterdheid te meten via authentieke vignetten wordt een brug geslagen tussen onderzoek en onderwijspraktijk. Het ontwikkelde meetinstrument ondersteunt de transitie naar data-geïnformeerd onderwijs door zichtbaar te maken hoe leraren omgaan met data in realistische onderwijscontexten, en biedt daarmee aanknopingspunten voor professionalisering, curriculumontwikkeling (bv. binnen lerarenopleidingen) en duurzame verbetering van onderwijsbesluitvorming. Posterpresentatie721Jonas Dierickx, Universiteit Gent, Gent 3.090do 11:00 – 12:00 Introduction Although artificial intelligence (AI) dates back to the mid-1950s (Wang et al., 2024), recent developments, particularly the rise of generative AI (GenAI) tools such as ChatGPT in 2022, significantly renewed scholarly interest in the educational research field (Tan et al., 2025). There is a growing but still limited body of literature on GenAI in teacher education, addressing a notable gap in understanding how both groups perceive and use GenAI tools in educational contexts (Panday-Shukla, 2025). Theoretical Framework The research is grounded in two models of educational technology integration: the Technology Acceptance Model (TAM; Kong et al., 2024) and the Technological Pedagogical Content Knowledge (TPACK) framework (Celik, 2023). To our current knowledge, neither is extensively applied to the study of GenAI within teacher education, positioning this research as an innovative contribution to the field. Research Questions and Method The study investigates how student teachers and teacher educators in Flanders perceive and use GenAI tools in their professional practice. The following research questions guide the study: – RQ1: What are the perceptions of student teachers and teacher educators, based on the extended TAM model, regarding the use of generative AI in teacher education? – RQ2: What are student teachers and teacher educators current TPACK skills concerning GenAI use in teacher education? – RQ3: How do student teachers and teacher educators use GenAI tools in their professional practice? To address these questions, a large-scale survey is conducted within Flemish teacher education programmes. Aim and interaction with the audience This poster presentation aims to share selected state-of-the-art findings on student teachers’ and teacher educators’ perceptions of, and skills related to the use of generative artificial intelligence (GenAI) in their educational practice. Interaction with the audience is encouraged through discussion and reflection on the implications of these findings for teacher education and professional practice. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie93Steijn van der Craats, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.090do 11:00 – 12:00 Kenniswerkers zijn onmisbaar in de hedendaagse economie. Ze creëren, distribueren en passen complexe informatie toe, maar hun echte waarde schuilt in hun kritische beoordelingsvermogen. Precies dit beoordelingsvermogen komt onder druk te staan doordat Kunstmatige Intelligentie (AI) steeds meer complexe taken automatiseert. AI-geletterdheid lijkt daarom essentieel: de competenties die nodig zijn voor de kritische evaluatie, communicatie en het praktische gebruik van AI in diverse contexten (Long & Magerko, 2020). Uit recent onderzoek blijkt echter dat kenniswerkers moeite hebben te bepalen wanneer ze op AI kunnen vertrouwen en hoe ze de output moeten evalueren (Dell’Acqua et al., 2023). Er is daarom behoefte aan duidelijke richtlijnen, maar dit veronderstelt dat er een gedeeld begrip is van wat ‘AI-geletterdheid’ precies inhoudt. Hoewel er diverse competentieraamwerken bestaan, verschillen deze aanzienlijk in scope (bijv. Cetindamar et al., 2022; Pinski & Benlian, 2024), zijn ze vaak algemeen en breed in de oriëntatie (Ng et al., 2021) en missen ze de specifieke kritische dimensie die voor kenniswerkers belangrijk is. Kortom: er moet meer aandacht komen voor de kritische kant van AI-geletterdheid. Dat houdt in dat kenniswerkers niet alleen leren hoe ze de knoppen moeten bedienen, maar vooral hoe ze zich kritisch kunnen verhouden tot AI. Doel en vraagstelling Deze bijdrage presenteert de voorlopige resultaten van een scoping review met als centrale vraag: Welke competenties zijn nodig voor AI-geletterdheid voor kenniswerkers? Het doel is om in kaart te brengen hoe AI-geletterdheid wordt geconceptualiseerd, met extra oog voor de kritische dimensie. Er wordt zowel in wetenschappelijke als grijze literatuur gezocht, om zo samenhang te brengen in dit opkomende, maar gefragmenteerde veld. Interactie Tijdens de posterpresentatie nodig ik deelnemers uit om kritisch mee te kijken naar de geïdentificeerde competenties. Herkennen ze deze uit de praktijk van de werkplek? De feedback wordt gebruikt om de resultaten van de review aan te scherpen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie549Kelly Gort, Vrije Universiteit, Amsterdam 3.090do 11:00 – 12:00 Veel leerlingen in het vmbo hebben moeite om teksten te begrijpen, wat deels lijkt te liggen aan de lage leesbetrokkenheid (Guthrie et al., 2012). In dit onderzoek bekijken we of, door middel van een online leeschallenge, de leesbetrokkenheid en daardoor het tekstbegrip van vmbo-leerlingen verhoogd kan worden. Online leeschallenges zijn online leesopdrachten waarin leerlingen in een betekenisvolle context aan de slag gaan met authentieke leesfragmenten en -opdrachten die relevant voor hen zijn, in dit geval omdat ze aansluiten bij een profielrichting. We bekijken de effecten van de leeschallenge op de vaardigheden in navigeren, integreren en evalueren van verschillende teksten (Salmerón et al., 2018). In een designstudie hebben we, samen met vmbo-leerkrachten Nederlands en Dienstverlening en Producten, een leeschallenge ontwikkeld die aansluit bij de doelen van deze twee vakgebieden. In de challenge gaan leerlingen onder begeleiding van een virtuele expert aan de slag met een authentieke opdracht: ze moeten uit verschillende bronnen informatie verzamelen en daarmee een plan ontwikkelen om een sneakerstore die te kampen heeft met teruglopende verkoopcijfers weer aantrekkelijk te maken voor jongeren. Dit doen ze door teksten te lezen, vragen te beantwoorden en in schriftelijk contact te blijven met de eigenaresse van de sneakerstore. Momenteel zijn wij bezig met een experimenteel onderzoek waarin we de online leeschallenge vergelijken met een vergelijkbare papieren leeschallenge en een business-as-usual-controleconditie. Hierin onderzoeken we of de effecten van medium (online vs. papier) bijdragen aan de bevordering van leesbetrokkenheid en tekstbegrip bij leerlingen in de bovenbouw van vmbo basis en kader. Tijdens de presentatie willen we het publiek meenemen in de ontwikkeling van de challenge (designfase) en de resultaten delen van de eerste fase van het experimentele onderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit onderzoek richt zich op de toepassingen van technologie in het middelbaar onderwijs. Wij onderzoeken de effecten van deze technologische toepassingen in het leesonderwijs. We focussen ons op de impact en valorisatie van technologie in het leesonderwijs, door te kijken naar de effecten van een onderwijsaanpak in het onderwijsveld die ook in de praktijk gebruikt kan gaan worden. De onderzoeksresultaten worden gebruikt voor vervolgonderzoek en doorontwikkeling van de leeschallenge. Posterpresentatie818Sophie van Dijke, Amsterdam UMC, Amsterdam 3.090do 11:00 – 12:00 Generatieve kunstmatige intelligentie (GenAI) wordt steeds vaker toegepast als onderwijstechnologie ter ondersteuning van kerntaken binnen het onderwijs zoals feedback, tutoring en simulatie (Ma, 2025). Hoewel deze toepassingen mogelijkheden bieden voor gepersonaliseerd, interactief en schaalbaar leren, gaan zij tevens gepaard met aanzienlijke risico’s. Deze betreffen onder meer de risico’s rondom informatiekwaliteit (zoals onbetrouwbaarheid of bias van output), socio-technische vraagstukken (milieu-impact, privacy en dataveiligheid), en potentiële negatieve effecten op zowel het leerproces als de leeromgeving (Wang, 2023). In verschillende domeinen zijn raamwerken ontwikkeld voor het ontwerpen en valideren van AI-toepassingen. Binnen de zorg richten deze zich voornamelijk op veiligheid, gebruiksvriendelijkheid en ethiek (Lekadir et al., 2025), terwijl didactische en leerpsychologische dimensies, zoals zelfregulatie, scaffolding en formatieve feedback, onderbelicht blijven (Kirschner, Sweller & Clark, 2006). Daarnaast bestaan er binnen het domein van educatieve technologie (edtech) raamwerken voor ontwerp en validatie, maar deze zijn veelal gebaseerd op traditionele (deterministische) systemen en houden onvoldoende rekening met aspecten die typerend zijn voor GenAI-modellen, zoals de ethische overwegingen (Foster et al., 2023). Hierdoor ontbreekt een volledig kader voor de verantwoorde inzet van GenAI in het hoger onderwijs. Wij voerden een scoping review uit naar de ontwerp- en validatiecriteria voor GenAI-gebaseerde edtech in het hoger onderwijs. Deze criteria vormen de basis van een concept-raamwerk om onderwijsprofessionals te ondersteunen bij de verantwoorde vormgeving, implementatie en evaluatie van GenAI-toepassingen in het hoger onderwijs, met oog voor de pedagogische meerwaarde en de ethische en maatschappelijke implicaties. Tijdens de posterpresentatie gaan de deelnemers in gesprek over de voorgestelde ontwerp- en validatiecriteria, met als doel te beoordelen in hoeverre deze in het uiteindelijke raamwerk geïntegreerd dienen te worden en waar aanvullingen of verfijningen nodig zijn. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie780Justine Baert, Universiteit Gent, Gent 3.090do 11:00 – 12:00 Door toenemende databeschikbaarheid in scholen is datageletterdheid uitgegroeid tot een centraal thema in onderwijsonderzoek (Beck et al., 2025; Van Gasse et al., 2017). Vanuit de veronderstelling dat datageïnformeerde beslissingen bijdragen aan betere leerresultaten, worden leraren verwacht datageletterde professionals te zijn. Dit betekent dat zij in staat zijn om data te verzamelen, interpreteren en analyseren in functie van instructiebeslissingen. Studies tonen echter aan dat datageletterdheid van leraren beperkt blijft (Carlson et al., 2011; Kippers et al., 2018). Datageletterdheid is een complex, multidimensionaal construct, waarin zowel vaardigheden om data om te zetten in informatie en kennis (Kippers et al., 2018) als contextspecifieke expertise om data te interpreteren en te vertalen naar didactische beslissingen centraal staan (Mandinach & Gummer, 2016). Tijdens dit proces wordt verondersteld dat sociale interacties tussen leraren kunnen bijdragen aan de kwaliteit van datagebaseerde beslissingen, onder meer door gezamenlijke betekenisgeving, kennisdeling en besluitvorming. Het datagebruik verankeren binnen sociale structuren kan leiden tot doordachtere didactische veranderingen en biedt leraren kansen om van elkaar te leren (Hubers et al., 2016; Reeves & Chiang, 2019; Van Waes et al., 2016). Onderzoek naar de meerwaarde van sociale interacties blijft methodologisch uitdagend (Bertrand & Marsh, 2015; Van Gasse et al., 2017). Hoewel sociale netwerkanalyse (SNA) een krachtig kader biedt om samenwerking tussen leraren te analyseren, is het grotendeels gebaseerd op zelfgerapporteerde data. Dit geeft slechts een beperkt beeld van de feitelijke en dynamische interacties tussen leraren (Pomian et al., 2017; Van Gasse et al., 2017). Om deze beperkingen te overstijgen worden video-observaties om SNA-data te construeren gebruikt. Hiermee worden authentieke, fijnmazige interactiepatronen vastgelegd en wordt onderzocht hoe datageletterdheidsaspecten zich uiten tijdens teamgesprekken (Mandinach & Gummer, 2016; Van Gasse et al., 2017). Deze posterpresentatie beoogt inzicht te bieden in de structurele en inhoudelijke verschillen en gelijkenissen van teamdiscussies in het datageletterdheidsproces o.b.v. epistemische en sociale netwerkanalyses. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie95Thijmen van Alphen, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.094do 11:00 – 12:00 Docenten werken in een context waarin digitale systemen steeds bepalender worden voor lesgeven en schoolorganisatie. Deze digitalisering creëert kansen, maar kan ook leiden tot technostress: stress die ontstaat wanneer technologische eisen teveel worden. Het gaat daarbij niet alleen om ‘de technologie’, maar om de dagelijkse beoordeling van potentieel stressvolle situaties, bijvoorbeeld bij techniekstoringen in de les, informatie-overbelasting, voortdurende veranderingen of impliciete verwachtingen over continue bereikbaarheid.In deze bijdrage staat de vraag centraal: hoe ervaren docenten technostress in hun dagelijks werk, welke copingstrategieën gebruiken zij, en welke rol speelt veerkracht in deze processen? Met semigestructureerde interviews brengen we dagelijkse stressmomenten, emoties, contextfactoren (zoals ondersteuning door de school) en het handelingen van docenten in kaart. De eerste data van dit onderzoek wordt door middel van een poster besproken.Het doel van deze posterpresentatie is (1) zicht te geven op terugkerende technostress-triggers en hun impact op welbevinden en professioneel handelen, (2) de rol van coping en veerkracht als mogelijke beschermende factoren te verkennen. De poster-werkvorm wordt gebruikt omdat we deelnemers willen uitnodigen hun eigen ervaringen, inzichten en ideeën te delen rond het thema technostress in de klas. Deze input wordt gebruikt om de resultaten verder te interpreteren en uiteindelijk te vertalen naar de praktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De overgang naar digitaal en data-gedreven onderwijs vraagt niet alleen om technologische innovatie, maar ook om duurzame inzetbaarheid van docenten. Technostress kan de acceptatie en effectieve inzet van onderwijsinnovaties ondermijnen. Dit onderzoek maakt zichtbaar hoe men in de dagelijkse praktijk omgaat met technostress, welke hulpbronnen beschermen (coping en buoyancy), en welke vormen van ondersteuning kunnen bijdragen aan de afname van deze stresservaring Posterpresentatie221Robbe Van Avermaet, Universiteit Gent, Gent 3.094do 11:00 – 12:00 Beroepsinteresses spelen een centrale rol in de studiekeuze en verdere loopbaan van jongeren. Onderzoek bij volwassenen toont aan dat interesses doorgaans georganiseerd zijn volgens zes dimensies – Praktisch, Analytisch, Kunstzinnig, Sociaal, Ondernemend en Conventioneel (het PAKSOC- of RIASEC-model van John Holland) – die samen een relatief stabiele, circulaire interessestructuur vormen. Minder is echter bekend over hoe deze structuur zich ontwikkelt tijdens de adolescentie. Vanuit een ontwikkelingspsychologisch perspectief wordt verondersteld dat interesses in deze levensfase nog in beweging zijn, maar dat reeds vroege structurele patronen zichtbaar kunnen worden. Deze bijdrage is gebaseerd op lopend doctoraatsonderzoek naar de ontwikkeling van interessestructuur bij Vlaamse adolescenten van 11 tot en met 16 jaar. De centrale onderzoeksvragen zijn: in welke mate is er tijdens de adolescentie reeds sprake van een herkenbare interessestructuur overeenkomstig de zes PAKSOC‑interessedimensies en hoe ontwikkelt deze structuur zich over de leeftijd heen? Daarnaast wordt onderzocht welke implicaties deze ontwikkelingspatronen hebben voor studiekeuzebegeleiding op basis van beroepsinteresses. Het doel van deze bijdrage is tweeledig. Enerzijds wordt beoogd empirische evidentie te leveren voor vroege interessestructuur tijdens de adolescentie en zo bij te dragen aan het theoretisch begrip van interesseontwikkeling. Anderzijds worden de resultaten vertaald naar praktische implicaties voor studiekeuzebegeleiding, met bijzondere aandacht voor het belang van vroege interesse‑exploratie en reflectie. Deze bijdrage wordt gepresenteerd als poster en nodigt expliciet uit tot dialoog met het publiek. De interactie richt zich op de gehanteerde methoden, de interpretatie van de bevindingen en de vraag hoe inzicht in interesseontwikkeling kan bijdragen aan een betere studiekeuze(begeleiding). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich primair op de theoretische gronding en theorieontwikkeling van onderwijsonderzoek door te analyseren hoe interessestructuur zich ontwikkelt tijdens de adolescentie. Inzicht in de ontwikkeling van interesses is essentieel in het licht van Onderwijs voor Transitie, omdat interesses een fundament vormen voor duurzame studie‑ en loopbaankeuzes in een samenleving die wordt gekenmerkt door snelle maatschappelijke veranderingen en toenemende complexiteit. Door empirische evidentie te leveren voor een vroege interessestructuur verfijnt deze bijdrage bestaande theorieën over interesseontwikkeling en biedt zij conceptuele aanknopingspunten voor onderwijs dat lerenden ondersteunt in hun studiekeuze en verdere onderwijsloopbaan. Posterpresentatie743Csila de Knijff, UMC, Utrecht 3.094do 11:00 – 12:00 Aanleiding en achtergrond Hoe bereiden we toekomstige artsen voor op een veranderend zorglandschap dat inzet op welzijn en het verkleinen van gezondheidsverschillen? Het Integraal Zorgakkoord (IZA), medeondertekend door Universitair Medische Centra Nederland (UMCNL), bevat een duidelijke opdracht voor geneeskundeopleidingen om bij te dragen aan deze transitie1. Dit vereist dat geneeskundestudenten, naast klinische competenties, leren omgaan met sociale determinanten van gezondheid. Community Engaged Learning (CEL) – een ervaringsgerichte onderwijsvorm waarin studenten, docenten en maatschappelijke partners samenwerken aan complexe vraagstukken – kan hierin een sleutelrol spelen. Het Medisch Maatje is een CEL-initiatief gebaseerd op een vraagstuk uit de praktijk van het sociaal domein. Hierbij ondersteunen geneeskundestudenten cliënten met beperkte gezondheidsvaardigheden van het Buurtteam (sociale wijkteam) bij ziekenhuisafspraken. Deze doelgroep, vaak zonder sociaal netwerk, ervaart grote uitdagingen in het begrijpen en opvolgen van medische informatie met alle gevolgen van dien2. De afdeling Public Health van het UMCU voerde in 2022 en 2024 in nauwe samenwerking met het Buurtteam twee pilots uit. In totaal ondersteunden 24 geneeskundestudenten 12 cliënten. Theoretisch kader en relevantie onderzoek CEL in geneeskundeopleidingen binnen Nederlandse context is nauwelijks onderzocht3. Buddy-projecten in medisch onderwijs zijn wel eerder in literatuur beschreven, maar zijn niet in samenwerking met het sociaal domein4. Daarom is inzicht in leeropbrengsten, effecten voor cliënten en buurtteams, en uitvoeringsknelpunten van Medisch Maatje nodig voor verantwoorde implementatie. Vraagstelling en doelstelling onderzoek Dit kwalitatieve onderzoek evalueert de Medisch Maatje pilots en beantwoordt vier vragen: Welke leeropbrengsten ervaren geneeskundestudenten? Welke voordelen ervaren cliënten? Welke voordelen ervaren buurtteams? Welke knelpunten en oplossingsrichtingen komen naar voren? Bijdrage Tijdens de presentatie delen we de voorlopige resultaten. We gaan in gesprek over de kansen van Medisch Maatje en de uitdagingen in medisch onderwijs. We nodigen deelnemers uit om mee te denken over implementatiestrategieën en randvoorwaarden voor duurzame samenwerking tussen onderwijs en maatschappelijke partners. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie510Benthe van Wanrooij, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.094do 11:00 – 12:00 In Nederland zijn er diverse routes om het hoger onderwijs te bereiken. Naast de directe routes via havo en vwo, die toegang geven tot het hbo en de universiteit, is er de indirecte route via het (v)mbo, vaak aangeduid als de beroepsroute. Gemiddeld veertig procent van de mbo-4-gediplomeerden studeert door in het hoger onderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2023). Daarmee vervult het mbo een belangrijke emancipatoire functie: studenten die eerder geen toegang hadden tot het hoger onderwijs kunnen via deze route alsnog instromen. Hoewel het aandeel doorstromers de afgelopen jaren is afgenomen (Van den Broek et al., 2020), lijkt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs via het mbo op het eerste gezicht gewaarborgd. In de praktijk blijkt echter dat niet alle jongeren in gelijke mate gebruikmaken van deze route, ook wanneer zij beschikken over hetzelfde diploma. Met name studenten van wie de ouders geen hbo- of wo-diploma hebben, stromen minder vaak door naar het hoger onderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2024). Dit roept vragen op over hoe een systeem dat formeel geen onderscheid maakt tussen jongeren met verschillende achtergronden, in de praktijk toch ongelijkheden in doorstroom reproduceert. In ons onderzoek benaderen we de route naar het hoger onderwijs vanuit het perspectief van mbo-studenten in hun laatste studiejaar. Vaak worden aannames gedaan over hun beweegredenen en keuzes, en is er weinig aandacht is voor hun eigen percepties (Manski, 1993). Dit is opvallend, aangezien individuen sterk kunnen verschillen in de identificatie van keuzeopties, zelfs binnen dezelfde formele structuur (Schoon en Lyons-Amons, 2016; Voigt, 2007). Daar staan we in dit onderzoek dan ook expliciet bij stil. Wat maakt het aantrekkelijk om door te studeren naar het hoger onderwijs, en wat belemmert de studenten? Welke opties worden door verschillende groepen studenten geïdentificeerd? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie554Anouschka van Leeuwen, Utrecht University, Utrecht 3.094do 11:00 – 12:00 Docenten in het Hoger Onderwijs vervullen een cruciale rol in het ontwerpen en begeleiden van studieactiviteiten (Van Dijk et al., 2020). Om die rol te vervullen kunnen docentdashboards helpen: dit zijn visuele overzichten van de activiteiten van studenten die met bijvoorbeeld descriptieve analyses of voorspelmodellen geanalyseerd kunnen worden. Met deze informatie kunnen docenten een breder of dieper beeld krijgen van de voortgang van studenten, en op basis daarvan leeractiviteiten en begeleiding aanpassen. Dit proces heet ook wel learning analytics en wordt door steeds meer instellingen ingezet (Van Leeuwen et al., 2025). Hoewel veel studies het potentieel van docentdashboards benadrukken (Khosravi et al., 2023; Li et al., 2025) is het niet duidelijk wat de relatie is tussen de inzet van docentdashboards en studentervaringen. Sommige studenten voelen zich positief gezien (Bridge et al., 2025), terwijl anderen het ervaren als een negatief big brother effect (Han et al., 2025). In dit onderzoek gebruiken we een theoretische lens om studentervaringen bij de inzet van een docentdashboard beter te begrijpen, namelijk de zelfdeterminatietheorie (Ryan & Deci, 20217). Deze gaat ervanuit dat de basisbehoeften autonomie, competentie en relatie vervuld moeten zijn om te zorgen voor motivatie en welbevinden. De vraag is of de inzet van een docentdashboard de vervulling van de basisbehoeften versterkt, of juist negatief beïnvloedt. In een vragenlijstonderzoek hebben we in cursussen waar docenten toegang hadden tot een learning analytics dashboard studenten gevraagd naar de vervulling van deze drie behoeften, aangevuld met items omtrent hun mening over de inzet van een docentdashboards. De eerste resultaten worden tijdens de ORD gepresenteerd. Het posterformat nodigt uit om met het publiek in gesprek te gaan over de uitkomsten en implicaties daarvan. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie322Mariëtte Hingstman, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.094do 11:00 – 12:00 Het aantal thuiszitters – leerplichtige kinderen en jongeren die langdurig niet naar school gaan – is groot in Nederland. De oorzaken zijn divers en betreffen vaak een combinatie van psychische problematiek en systeemfactoren (Gubbels et al., 2019). Langdurig thuiszitten brengt meerdere risico’s met zich mee, zoals leerachterstanden, voortijdig schoolverlaten, vermindering van sociale contacten en spanningen in de thuissituatie (Allen et al., 2018). Weer ‘in beweging komen’ is niet eenvoudig en vergt inspanning van zowel de leerling als diens omgeving (Ulaş & Seçer, 2024). In dit onderzoeksproject staat de rol van de school centraal. Hoewel er good practices bestaan, ervaren veel scholen handelingsverlegenheid rondom thuiszitters (Heyne, 2021). Daarom is meer kennis nodig over kansrijke aanpakken die scholen concrete handvatten kunnen bieden. Het Aurum College, een school voor voortgezet speciaal onderwijs op havo/vwo-niveau, heeft positieve ervaringen met hun maatwerkaanpak voor thuiszitters, waarin digitaal afstandsonderwijs een belangrijke rol speelt. Andere kenmerken van de maatwerkaanpak zijn nauw contact met een vaste mentor, aandacht voor ‘leren leren’, een veilige en flexibele leeromgeving, en samenwerking met ouders en externen. Op deze manier wordt beoogd stap voor stap weer op te bouwen, vanuit vertrouwen en verbinding. De potentiële impact van deze maatwerkaanpak wordt momenteel nader onderzocht dankzij een Parels uit de praktijk-subsidie van het NKO. In deze posterpresentatie focussen we op de deelstudie die de ervaringen van leerlingen, ouders en onderwijsprofessionals in kaart brengt. De onderzoeksvragen richten zich op de belangrijkste kenmerken, werkzame elementen en verbeterpunten volgens de direct betrokkenen bij de maatwerkaanpak. In de posterpresentatie worden voorlopige resultaten gepresenteerd. Het doel van de bijdrage is het uitwisselen van kennis en inzichten met collega-onderzoekers. We delen graag over de maatwerkaanpak en het onderzoek en nodigen daarbij het publiek van harte uit om kritisch mee te denken en gezamenlijk de voorlopige resultaten te duiden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De maatwerkaanpak kan worden beschouwd als een interessant voorbeeld van onderwijs in een tijd van transitie. Hoewel digitaal afstandsonderwijs over het algemeen als minder wenselijk wordt beschouwd dan fysiek onderwijs, kan deze vorm juist voor thuiszitters kansen bieden (Suijkerbuijk et al., 2024). Hier is de afgelopen jaren meer aandacht voor gekomen, bijvoorbeeld in de vorm van het actieprogramma Digitale School 2024 van het Ministerie van OCW, waar het Aurum College tevens aan deelneemt. De geleerde lessen uit het huidige onderzoeksproject kunnen daardoor direct worden gedeeld met scholen die (willen) starten met een vergelijkbare aanpak. Posterpresentatie582Tycho Onderstijn, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.096do 11:00 – 12:00 Deze bijdrage is gebaseerd op een heranalyse van videodata uit het Curious Minds in the Classroom (CMC) interventieproject, waarin leerkrachten in het kleuteronderwijs via video-feedback coaching worden ondersteund in het stimuleren van wetenschappelijk redeneren. De studie vertrekt vanuit de opvatting dat creativiteit in onderwijs niet louter een individuele eigenschap of een eindproduct is, maar een dynamisch proces dat ontstaat in moment-tot-moment interacties tussen leerkracht en leerlingen. De data bestaan uit uitingen van leerlingen en leerkrachten uit 30 gefilmde wetenschapslessen (15 leerkrachten, vóór en na een professionaliseringsinterventie en een controlegroep). Leerlinguitspraken worden gecodeerd op twee dimensies, volgens een eerder ontwikkeld codeerschema gebaseerd op mini-c creativiteit (Amabile, 1983; Kupers et al., 2018): nieuwheid (novelty), hoe origineel de bijdrage is binnen de context van de les en passendheid (appropriateness), in hoeverre de bijdrage relevant en taakgericht is. Leerkrachtuitingen worden gecodeerd als convergent (beperkt tot één juist antwoord), divergent (open voor meerdere leerlingideeën) of neutraal. De data worden geanalyseerd met State Space Grids om de dynamiek van de interacties, de sterkte van terugkerende patronen (attractors) en de flexibiliteit van de interacties in kaart te brengen. Dit wordt aangevuld met een kwalitatieve analyse van geselecteerde interactie-episodes van hoge novelty en appropriateness om diepere inzichten te verkrijgen. Voorlopige analyses wijzen erop dat na de professionaliseringsinterventie leerlingen hogere niveaus van novelty en appropriateness laten zien. Dit suggereert dat kinderen niet alleen originelere ideeën genereren, maar deze ook beter afstemmen op de inhoud en doelen van de les. Creativiteit lijkt zich daarmee te manifesteren als een combinatie van verbeelding en taakgericht redeneren. Uit eerste descriptieve analyses lijkt leerkrachtgedrag voornamelijk convergent te zijn. Bij individuele leerkrachten die al geanalyseerd zijn lijkt divergent gedrag te zijn toegenomen. Vooral aanmoedigend leerkrachtgedrag lijkt toe te nemen na de interventie. Vervolg analyses richten zich op samenhang tussen leerkrachtstrategieën en creatief gedrag van leerlingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Creativiteit wordt gezien als een cruciale 21e-eeuwse vaardigheid. Hierbij speelt het onderwijs een sleutelrol bij het stimuleren ervan, niet alleen in kunsten, maar in alle vakken, waaronder wetenschap (Hadzigeorgiou et al., 2012). Wetenschap vraagt om creatieve hypothesenvorming en experimentontwerp, gecombineerd met logisch redeneren. Leraren zijn essentieel in het ontwikkelen van creatieve vaardigheden en opvattingen bij jonge kinderen, maar missen vaak de benodigde kennis en training (Bereczki & Kárpáti, 2021; Bolden et al., 2020). Via observatie van video’s van kleuterleraren tijdens een interventie gericht op wetenschappelijke taal, onderzoeken we hoe convergente en divergente strategieën creativiteit in het vroege wetenschapsonderwijs beïnvloeden. Posterpresentatie389Chris Witteveen, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.096do 11:00 – 12:00 De positie van STEM-vakken (Science, Technology, Engineering, and Mathematics) in het funderend onderwijs staat al geruime tijd onder druk. Een kwart van de leerlingen bereikt niet het vereiste basisniveau in STEM-vakken (Meelissen et al., 2023). Leerlingen kiezen minder vaak voor STEM-opleidingen en tonen minder motivatie voor deze vakken (Potvin & Hasni, 2014; Rijksoverheid, 2020; SLO, 2017). Daarentegen blijft er de komende jaren juist behoefte aan mensen met een STEM-profiel. Met name bij leerlingen in de leeftijd 10-15 jaar—bovenbouw primair onderwijs (po) en onderbouw voortgezet onderwijs (vo)—is het belangrijk dat motivatie voor STEM-vakken en aspiraties richting STEM-opleidingen worden ontwikkeld, aangezien percepties ten opzichte van STEM zich in deze leeftijdsfase vastzetten (Van Tuijl & Walma van der Molen, 2015).AR/VR-technologieën (Augmented en Virtual Reality) kunnen de motivatie voor en het STEM-begrip van leerlingen bevorderen (Al-Ansi et al., 2023; Cromley et al., 2023; Ottenbreit-Leftwich et al., 2010; Pellas et al., 2019). Om deze rol te kunnen vervullen moeten de randvoorwaarden voor het gebruik van AR/VR-technologie op orde zijn (bijvoorbeeld de beschikbaarheid van VR-brillen en stabiel internet). Daarnaast hebben leraren kennis nodig op het snijvlak van technologie, pedagogie en vakinhoud, zoals beschreven in het TPACK-raamwerk. Deze kennis wordt bij zittende leraren doorgaans (onder meer) ontwikkeld via professionaliseringstrajecten (Mishra & Koehler, 2006; Sanfilippo et al., 2022).Er is nog weinig zicht op de mate waarin leraren van leerlingen in de leeftijd van 10–15 jaar, beschikken over de randvoorwaarden en vereiste (TPACK-)competenties voor het gebruik van AR/VR-technologieën, en of deze aspecten verschillen tussen het po en vo. Voor gerichte professionalisering van inservice-leraren in het gebruik van AR/VR-technologieën is het noodzakelijk eerst hun huidige (TPACK-)competenties en professionaliseringsbehoeften, evenals onderlinge verschillen, te inventariseren. Deze poster geeft eerste resultaten van deze inventarisatie, met specifieke aandacht voor contextuele verschillen tussen het po en vo. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie703Liesje Vanhaecke, Universiteit Antwerpen, Antwerpen 3.096do 11:00 – 12:00 Data spelen een sleutelrol in de beslissingsprocessen van leerkrachten in hun onderwijspraktijk. Deze beslissingen zijn niet alleen van belang voor de leerontwikkeling van leerlingen, maar vervullen ook een functie in verantwoording (Brown et al., 2017). Het data-geletterdheidsmodel van Mandinach en Gummer (2016) koppelt domeinkennis van leerkrachten met data-geletterdheidsvaardigheden die zijn geordend in vijf processtappen. Eén van deze stappen betreft omzetten van data in informatie, voorafgaand aan besluitvorming op basis van informatie. Tijdens deze stap worden data door leerkrachten waargenomen en geïnterpreteerd (Goffin et al., 2022). Tijdens het omzetten van data in informatie richten leerkrachten hun visuele aandacht op de gepresenteerde data terwijl ze deze interpreteren. Om verschillen in expertiseniveaus van waarnemen en interpreteren onder leraren te ontrafelen, kan het concept van visuele expertise (Gegenfurtner et al., 2023) worden ingezet, waarbij deze expertise tot uiting komt in visuele aandachtsprioriteiten en kijkvolgorde. Naast interviews en observaties dient eye-tracking als methodologie om te onderzoeken waar, hoe vaak en in welke volgorde experts visuele aandacht besteden tijdens hun taken (Gegenfurtner et al., 2023). Eerder eye-trackingonderzoek toont aan dat visuele expertise samenhangt met verschillen in zowel aandachtsverdeling als kijkvolgorde(Gegenfurtner et al., 2011). Experts vertonen, in vergelijking met niet-experts, meer visuele aandacht aan taakrelevante informatie en minder aan taakredundante informatie. Daarnaast laat onderzoek van kijkvolgordes van leerkrachten in de klaspraktijk zien dat expert leraren andere kijkvolgordes hanteren dan leraren in opleiding (McIntyre et al., 2017). Voor zover bekend ontbreekt eye-trackingonderzoek naar visuele expertise bij de transformatie van data naar informatie door leerkrachten. Het begrijpen en beoordelen van visuele expertise tijdens dit proces biedt inzichten in data-geletterdheid bij leerkrachten en het bevorderen hiervan. Deze studie onderzoekt verschillen in visuele expertise bij leraren in het lager onderwijs, zoals zichtbaar in visuele aandacht en kijkvolgorde, en de voorspellende waarde van deze indicatoren bij het omzetten van data in informatie Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage belicht hoe onderwijsonderzoek doorwerkt in onderwijstransities met de klasleerkracht als motor, door inzicht te bieden in de sleutelrol van datageletterdheid. Door te focussen op hoe leerkrachten visueel data waarnemen en interpreteren, brengt het onderzoek visuele cognitieve processen in kaart die bepalend zijn bij data-geletterd handelen. Deze inzichten bieden richting voor lerarenopleiding en professionalisering, met het oog op het ondersteunen van duurzame en onderbouwde onderwijsbeslissingen binnen transitie. Posterpresentatie599Cynthia van Gelderen, Hogeschool Inholland, Den Haag 3.096do 11:00 – 12:00 Aanleiding: Dit onderzoek verkent ervaringen met teacher leadership bij coördinatoren digitale geletterdheid in het VO. Deze innovatie gaat met kleine stappen en het is een uitdaging om als teacher leader de leercultuur te stimuleren in kennisdeling en samenwerking binnen de organisatie, waardoor de impact nog laag is. Digitale geletterdheid is verankerd als speerpunt in het koersplan van de zeven scholen en sluit aan bij de landelijke invoering van kerndoelen en de vastgestelde tekorten in informatievaardigheden bij leerlingen. Theoretisch bouwt het onderzoek voort op literatuur over teacher leadership, gedeeld en gespreid leiderschap en de lerende organisatie, met bijzondere aandacht voor het model van Schaap et al. (2025). Hierin worden intensiteit–context–impact en leiderschapspatronen onderzocht (figuur 1). Er kunnen meerdere leiderschapspatronen ervaren worden, er kan ook tussen geswitched worden. (figuur 2). Als aanvulling hierop is het model Schott et al. (2018) aangehaald dat antecedenten en effecten van teacher leadership onderzoekt. Vraagstelling: Welke leiderschapspatronen ervaren coördinatoren met teacher leadership in hun leiderschap aan de hand van het model van interactie intensiteit – context en impact? Doelstelling: Ervaringen en onderzoeksresultaten van het praktijkonderzoek delen met de toepassing van het model en de aanvullende visualisatie. Dialoog/interactie met publiek: uitwisselen van ervaringen met teacher leadership aan de hand van ervaringen met de interactie tussen intensiteit, schoolcontext en impact en herkennen van de leiderschapspatronen. Wat kan de kennis betekenen voor het versterken van het teacher leadership van de docent en de impact in de organisatie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie794Britt Brekhof, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.096do 11:00 – 12:00 Dankzij VN-verdragen zoals het Kinderrechtenverdrag (UNCRC, 1989) staat het toewerken naar een inclusieve samenleving waarin elk kind kan meedoen hoog op de internationale agenda. Hoewel er de afgelopen jaren meer aandacht is gekomen voor inclusief onderwijs, blijft onderzoek en beleid rond inclusie in de buitenschoolse opvang (BSO) nog beperkt (College voor de Rechten van de Mens, 2021; Karlsudd, 2023). Dit is opvallend, gezien het groeiende aantal kinderen dat deelneemt aan de BSO en de mogelijkheden die deze setting biedt om inclusie te bevorderen (OECD, 2023). Voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte kan de BSO een fijne plek zijn om mee te doen binnen de buurt. Doordat de BSO niet vastzit aan een strak curriculum, is er meer ruimte voor flexibiliteit en maatwerk dan in het onderwijs (Fukkink & Boogaard, 2020). In het huidige onderzoek verkennen wij de volgende onderzoeksvraag: “Wat is het perspectief van pedagogisch professionals en ouders van kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte op bevorderende en belemmerende factoren voor het creëren van een inclusieve omgeving voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte binnen reguliere BSO’s?”. Met dit onderzoek en de posterpresentatie willen we inzicht bieden in hoe inclusie binnen de BSO momenteel vorm krijgt en welke factoren daarbij een rol spelen. Daarnaast verkennen we aanknopingspunten voor BSO-organisaties om verder te werken aan een inclusieve omgeving voor alle kinderen. Door hierin expliciet aandacht te besteden aan de aansluiting en samenwerking tussen BSO en onderwijs willen we het gesprek openen over hoe doorlopende ontwikkel- en ondersteuningslijnen kunnen worden versterkt en hoe inclusieve omgevingen kunnen worden vormgegeven op alle plekken waar kinderen zich ontwikkelen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie664Izaak Visser, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.096do 11:00 – 12:00 Het lerarentekort bedreigt de continuïteit, kwaliteit en gelijkwaardigheid van het onderwijs (Onderwijsraad, 2023). In reactie op aanhoudende tekorten worden verschillende maatregelen getroffen waarin onderlinge samenwerking tussen diverse betrokkenen, zoals schoolbesturen en (ondersteunend) personeel, een prominente rol inneemt (Draaisma et al., 2021; PO-raad, 2022). Ook binnen de literatuur over schoolverbetering is er toenemende aandacht voor samenwerking binnen en buiten scholen, waarbij de waarde van sociale netwerken wordt erkend (Hatch et al., 2023; Moolenaar, 2012). Sociaal kapitaal, in dit onderzoek opgevat als de hulpbronnen die besloten liggen in de interne en externe netwerken van scholen (Bourdieu, 1986; Lin, 1999), vormt een belangrijk concept in deze literatuur. Hulpbronnen worden bijvoorbeeld beschreven als informatie, advies of expertise, maar zijn nog niet geconceptualiseerd in de context van het lerarentekort. Het doel van dit verkennende kwalitatieve onderzoek is om te beschrijven hoe basisscholen, binnen de context van lerarentekorten, gepositioneerd zijn in een landschap van interne en externe partners en (potentiële) hulpbronnen. Vanuit dit centrale doel onderzoeken we op welke manier sociaal kapitaal en sociale netwerken scholen kunnen helpen omgaan met hun uitdagende en veranderende omgeving. In deze posterpresentatie worden de voorlopige resultaten uit dit onderzoek gepresenteerd (in de vorm van o.a. een typologie van praktijken/hulpbronnen) en verbonden aan discussievragen gericht op implicaties en verdere toepassingen van de concepten sociaal kapitaal en sociale netwerken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie559Theo van den Bogaart, Hogeschool Inholland, Haarlem, Mascha Enthoven, Hogeschool Inholland, Lectoraat De Pedagogische Opdracht, Haarlem 3.096do 11:00 – 12:00 Basisscholen in Noord- en Zuid-Holland worden in toenemende mate geconfronteerd met leerlingen die opgroeien in omstandigheden van stress, instabiliteit en psychosociale problematiek (Jeugdeducatiefonds, 2025). Deze risicofactoren beïnvloeden het leren, gedrag, het welzijn en de persoonsvorming van kinderen en stellen hoge eisen aan het pedagogisch handelen van leerkrachten. Vanuit theoretische perspectieven op veerkracht en traumasensitief onderwijs wordt benadrukt dat veiligheid, voorspelbaarheid en verbinding cruciaal zijn voor positieve ontwikkeling (Enthoven et al., 2021; Masten et al., 2021; Coppens, 2024). Tegelijkertijd is nog beperkt bekend hoe veerkrachtbevorderend handelen er in de dagelijkse onderwijspraktijk concreet uitziet en hoe deze kennis een plek kan krijgen binnen de initiële lerarenopleiding. Deze bijdrage is gebaseerd op een praktijk- en ontwerpgericht onderzoeksproject van het lectoraat De pedagogische opdracht van Hogeschool Inholland, in samenwerking met basisscholen en De Inholland Pabo (DIPA). De centrale onderzoeksvraag luidt: Hoe geven leerkrachten in het basisonderwijs vorm aan veerkrachtbevorderend handelen in complexe sociale contexten, en hoe kan deze praktijkkennis worden benut voor curriculumontwikkeling binnen de lerarenopleiding? Het doel van de bijdrage is tweeledig: (1) het delen van empirisch onderbouwde inzichten in veerkrachtbevorderend handelen zoals dat door leerkrachten wordt vormgegeven, en (2) het laten zien hoe deze praktijkkennis wordt vertaald naar vernieuwd onderwijsaanbod binnen de pabo. Tijdens de presentatie worden praktijkvoorbeelden en voorlopige analysethema’s gepresenteerd die door derdejaarsstudenten van DIPA, in samenwerking met leerkrachten in de opleidingsscholen en onderzoekers van het lectoraat De pedagogische opdracht zijn verzameld en geanalyseerd, gevolgd door dialoog met het publiek. Deelnemers worden uitgenodigd om mee te denken over de opzet van dit actieonderzoek binnen DIPA, de implicaties voor lerarenopleidingen, professionalisering en kansengelijkheid. Zo beoogt de bijdrage kennisuitwisseling te stimuleren tussen onderzoek, opleiding en onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)217Charlotte Struyve, KU Leuven, Leuven 3.100do 11:00 – 12:00 De toenemende aandacht voor de ontwikkeling van digitale vaardigheden van leerlingen in het onderwijs maakt het cruciaal te onderzoeken in welke mate leraren zelf beschikken over vakinhoudelijke kennis op het gebied van computer- en informatiegeletterdheid (CIL) en computationeel denken (CT). Leraren die over onvoldoende vakinhoudeljike kennis beschikken, missen de noodzakelijke basis om leerlingen effectief te ondersteunen bij het verwerven van deze vaardigheden (Ball et al., 2008). Vakinhoudelijke kennis alleen is echter niet voldoende om krachtige leeromgevingen te creëren. Ook de onderwijsbenaderingen die leraren hanteren zijn essentieel voor hoe leerinhouden worden aangeboden en verwerkt. In dit onderzoek worden drie onderwijsbenaderingen onderscheiden die vaak worden gehanteerd bij het onderwijzen van CIL en CT: directe instructie, probleemgestuurd leren en samenwerkend leren (Hsu et al., 2018; Salmeron & Llorens, 2019; Zendler & Klaudt, 2015). Dit onderzoek heeft als doel de relaties te verkennen tussen de vakinhoudelijke kennis van leraren, hun gehanteerde onderwijsbenaderingen en de leerprestaties van leerlingen in CIL en CT, waarbij ook diverse leraar- en schoolkenmerken worden meegenomen.Concreet wil dit onderzoek een antwoord bieden op vier onderzoeksvragen: (1) In welke mate beschikken leraren over vakinhoudelijke kennis inzake CIL en CT?, (2) Welke onderwijsbenaderingen hanteren zij bij het onderwijzen van CIL en CT?, (3) Hoe hangen de vakinhoudelijke kennis en onderwijsbenaderingen samen met diverse leraar- en schoolkenmerken én met de CIL- en CT-leerprestaties van leerlingen? en, ten slotte, (4) Welke directe en indirecte verbanden bestaan tussen schoolkenmerken, vakinhoudelijke kennis, onderwijsbenaderingen en leerprestaties van leerlingen?Deze bijdrage bespreekt de implicaties van de vakinhoudelijke kennis van leraren en de gehanteerde onderwijsbenaderingen voor de ontwikkeling van digitale vaardigheden bij leerlingen en nodigt het publiek uit tot dialoog over beleids- en praktijkinterventies die de effectiviteit van CIL- en CT-onderwijs kunnen versterken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De samenleving is in transitie, gedreven door technologische ontwikkelingen, waardoor digitale vaardigheden essentieel zijn voor volwaardige participatie. Onderwijs speelt hierin een belangrijke rol: zo ondersteunt technologie niet alleen het lesgeven, maar wordt ook de ontwikkeling van digitale vaardigheden voorop gesteld als inhoudelijk leerdoel. Deze studie onderzoekt hoe de ontwikkeling van digitale vaardigheden, en meer specifiek computer- en informatiegeletterdheid en computationeel denken, samenhangt met diverse leraar- en schoolkenmerken en identificeert bijgevolg welke kenmerken bijdragen aan krachtige leeromgevingen. De resultaten bieden aanknopingspunten om het onderwijzen van digitale vaardigheden te versterken. Paperpresentatie (30 minuten)861Manon Joosten, Inholland, Amsterdam, Rutger Kappe, Hogeschool Inholland, Haarlem 5.052do 11:00 – 12:00 Het hoger onderwijs staat voor ingrijpende transities, onder meer op het gebied van studiesucces en de toekomstbestendigheid van curricula. Student-als-partner (SaP) in curriculumontwerp wordt steeds meer gezien als een veelbelovende benadering om het hoger onderwijs democratischer, meer betrokken en responsiever te maken (Allen,2023; Lubicz-Nawrocka,2018; Wilson-Mah & McLean,2024). Desondanks gaat de invulling van SaP in curriculumontwerp vaak niet verder dan feedback geven. Partnerschap met studenten in curriculumontwikkeling wordt zelfs als radicaal en risicovol beschouwd (Bovill,2013; Cook-Sather,2014). Terwijl onderzoek aantoont dat wanneer studenten en medewerkers gezamenlijk curricula ontwerpen, zij een diepere betrokkenheid, een sterker gevoel van eigenaarschap en vernieuwde institutionele leerculturen rapporteren (Bovill et al.,2011; Healey et al.,2014). Echter de condities waaronder partnerschap duurzaam kan worden ingebed, met name bij grootschalige curriculumvernieuwing zijn onderbelicht. Deze paper presenteert een kwalitatieve casestudy van een Nederlandse pabo-opleiding waarin studenten structureel zijn ingezet als curriculumco-ontwerpers tijdens een omvangrijke curriculumherziening. Zeventien multidisciplinaire ontwikkelteams, bestaande uit docenten, werkveldprofessionals en studenten, werkten gezamenlijk gedurende twintig ontwikkeldagen verspreid over twee jaar aan het herontwerp van 240 EC’s. De theoretische onderlegger van dit paper zijn de SaP-dimensies van Healey et al. (2014) betrokkenheid, gelijkwaardigheid, reflectie en eigenaarschap, literatuur rondom evidence-informed co-design proces (Steen,2013) en Deep Democracy (Kramer,2019). De centrale onderzoeksvraag: welke condities maken het mogelijk om Students as Partners duurzaam te verankeren tijdens curriculumvernieuwing in het hoger onderwijs? De bijdrage laat zien hoe structurele, relationele en organisatorische voorwaarden samenhangen met ervaren gelijkwaardigheid, wederzijds leren en institutionele verankering van partnerschap. Het doel van deze bijdrage is inzicht bieden in wat het vraagt en oplevert als studenten een ontwerpende rol in curriculumvernieuwing krijgen en welk transformerend effect dit kan hebben op zowel het curriculum(proces) als de stakeholders. Het publiek wordt actief betrokken tijdens de presentatie via reflectieve vragen over herkenbare spanningen en zij krijgen handvatten hoe studentpartnerschap in curriculumontwikkeling zelf vorm te geven. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage benadert Students as Partners als een transformatieve onderwijspraktijk die bijdraagt aan de transitie van het hoger onderwijs zelf. Door studenten en docenten gezamenlijk verantwoordelijkheid te geven voor curriculumvernieuwing, worden samenwerkingsvormen geoefend die essentieel zijn in een context van maatschappelijke transities, zoals gedeeld eigenaarschap, reflectieve professionaliteit en omgaan met onzekerheid. Het onderzoek laat zien hoe partnerschap, theoretisch verankerd en institutioneel ondersteund, kan bijdragen aan duurzame verandering van onderwijs- en samenwerkingsculturen binnen het hoger onderwijs. Daarmee richt de bijdrage zich primair op de doorwerking en impact van dit onderwijsonderzoek. Paperpresentatie (30 minuten)557Emma Strating, Hogeschool Utrecht, Utrecht 5.052do 11:00 – 12:00 Aanleiding: Student voice neemt toe in populariteit zowel in de praktijk als in het onderzoek als een veelbelovende manier om leerling motivatie te versterken (Conner et al., 2022; Strating et al., 2025). Echter, onduidelijkheden over wat het is en hoe het toegepast kan worden, maken het moeilijk voor leraren om de vertaalslag te maken naar het klaslokaal. Bovendien is er geen perfecte aanpak die in alle contexten werkt, immers, elke context is anders. Theoretisch kader: Wij definiëren student voice als het concept en de praktijken waarbij leerlingen de mogelijkheden hebben om hun ‘stem’ te uiten en invloed uit te oefenen op hun eigen onderwijs (Strating et al., 2025). Eerdere typologieën onderscheiden student voice aanpakken op basis van de mate van inspraak (den Otter et al., 2018; Toshalis & Nakkula, 2012). Ons onderzoek toont aan dat aanpakken ook variëren op waarop leerlingen inspraak hebben, wat de vraag oproept of er meer onderscheidende karakteristieken zijn (Strating et al., 2025). Wanneer student voice vergroot wordt, veranderen de traditionele machtsverhoudingen tussen leraar en leerling (Cook-Sather, 2020). Echter, zijn deze diep geworteld in de prestatiegerichte onderwijscontext, waarin leraren druk voelen om te voldoen aan curriculum eisen en normen (Nelson & Charteris, 2021). Leerlingen kunnen zich verzetten wanneer een aanpak een vooringenomen agenda lijkt te hebben, wat leraren kan demotiveren om student voice aanpakken te continueren (Papadopoulou & Sidorenko, 2022). Vraagstelling: Welke karakteristieken onderscheiden student voice aanpakken op klasniveau en welke condities beïnvloeden deze aanpakken? Doelstelling: Door de resultaten van drie onderzoeken te synthetiseren wordt een genuanceerd en praktisch beeld gepresenteerd over student voice aanpakken en de condities.. Dialoog: We gaan met het publiek in dialoog over hun ervaringen met student voice, door deze te spiegelen aan de gepresenteerde typologie van aanpakken en condities. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In een tijd van complexe maatschappelijke vraagstukken zijn leerlingen ervaringsdeskundigen die unieke, waardevolle inzichten kunnen geven. Echter, wordt er vaak gesproken over leerlingen of voor leerlingen maar minder vaak met leerlingen. Deze presentatie geeft praktische handvatten aan onderwijsprofessionals voor het effectief en duurzaam betrekken van leerlingen bij het ontwerpen van het onderwijs. Daarnaast draagt deze presentatie bij aan theorieontwikkeling en een onderzoeksagenda. Paperpresentatie (30 minuten)906Esther Zeedijk, Hogeschool Utrecht, Utrecht 7.002do 11:00 – 12:00 Het oplossen van complexe informatieproblemen is een kernvaardigheid in het hoger onderwijs en vraagt van studenten dat zij kritisch omgaan met digitale informatie (Brand-Gruwel et al., 2009). De opkomst van Generatieve Artificiële Intelligentie (GenAI) in het hoger onderwijs verandert de manier waarop deze vaardigheid ontwikkelen. Hoewel GenAI kansen biedt voor ondersteuning bij zoeken, begrijpen, en structureren van informatie, roept het gebruik ervan ook vragen op over overreliance en academische integriteit (Darvishi et al., 2024; Kim et al., 2024). Bestaand onderzoek richt zich vooral op algemene houding of intenties ten aanzien van GenAI, terwijl weinig bekend is over wanneer en waarom studenten GenAI wel of niet inzetten binnen specifieke fasen van het leerproces van informatievaardigheden. Deze studie onderzoekt de beweegredenen van masterstudenten om GenAI-tools te gebruiken tijdens het oplossen van een complexe, authentieke informatietaak. Het theoretisch kader is gebaseerd op het Information Problem Solving using Internet (IPS-I) model van Boetje et al. (2024), dat zes fasen onderscheidt: probleemdefinitie, zoeken, selecteren, verwerken, synthetiseren en creëren. De centrale onderzoeksvraag luidt: wat zijn de belangrijkste drivers voor masterstudenten om GenAI-tools wel of niet te gebruiken tijdens de verschillende fasen van het IPS-proces? Het doel is inzicht te bieden in hoe studenten beslissen GenAI in te zetten, zodat docenten gerichtere ondersteuning kunnen bieden bij het effectief en ethisch gebruik van deze technologie. Door drivers expliciet te koppelen aan IPS-fasen laat deze studie zijn dat GenAI-gebruik geen uniforme strategie is, maar een dynamisch en contextgevoelig proces. Tijdens de presentatie worden de resultaten besproken en worden deelnemers uitgenodigd te reflecteren op de mate waarin zij deze patronen herkennen in hun eigen onderwijspraktijk en beleid. Deze bijdrage biedt concrete aanknopingspunten voor fase-sensitieve ondersteuning bij verantwoord en effectief gebruik van GenAI in het hoger onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de theoretische gronding van onderwijsonderzoek in een context van digitale transitie. Door GenAI-gebruik te analyseren als fase-afhankelijke beslissing binnen informatievaardigheden, verschuift de focus van generieke GenAI regels naar fijnmazige ondersteuning van het leerproces. Daarmee draagt het onderzoek bij aan onderwijs voor transitie, waarin studenten meer ondersteund en getoetst worden op het proces in plaats van de uitkomst. Paperpresentatie (30 minuten)287Inayah Hodžić, Amsterdam UMC, locatie AMC, Amsterdam, Sarah Otto, Amsterdam UMC, locatie AMC, Amsterdam 7.002do 11:00 – 12:00 AanleidingJaarlijks moeten er nieuwe toetsvragen worden opgesteld door docenten. Het opstellen van meerkeuze toetsvragen vereist expertise, tijd en moeite. Ondertussen wordt het hoger onderwijs geconfronteerd met bezuinigingen en een stijgende werkdruk. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat Large Language Models (LLMs) meerkeuzevragen van hoge kwaliteit kunnen genereren voor het medisch onderwijs (Artsi et al., 2024). Generatieve AI (GenAI) kan docenten mogelijk ondersteunen bij het formuleren van toetsvragen door de efficiëntie en consistentie te verhogen (Law et al., 2025). Daarnaast kan GenAI nieuwe perspectieven bieden en de tijd die wordt besteed aan het formuleren van vragen verminderen. Eerder onderzoek heeft de potentie van LLMs vooral aangetoond door psychometrische evaluatie van de gegenereerde toetsvragen. Er is echter weinig aandacht besteed aan de samenhang tussen het ontwikkelen van een AI-tool, de objectieve kwaliteitsbeoordeling en psychometrische kwaliteit van de items, en de implementatiemogelijkheden binnen het medisch onderwijs. Deze studie biedt nieuwe inzichten in zowel de ontwikkeling, uitkomsten en praktische toepassing van een AI-toetsvraaggenerator in het medisch hoger onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het onderzoek richt zich op de ontwikkeling, psychometrische analyse en implementatie van een AI-toetsvraaggenerator in het hoger onderwijs. De resultaten van het onderzoek zijn verkregen uit een realistische praktijksetting en bieden nieuwe perspectieven voor de inzet van GenAI in het hoger onderwijs. Papersymposium (90 minuten)897Illa Carrión Braakman, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Erik Fleur, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag, Liz van der Kamp, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag, Merlijn Karssen, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Anne van Leest, Universiteit Utrecht, Utrecht, Claire Leprêtre, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Kim Luijken, Umc Utrecht, Utrecht, Janneke van de Pol, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Ineke van der Veen, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Pomme van de Weerd, Universiteit Utrecht, Utrecht, Pomme van de Weerd (voorzitter), Marieke van Geel (discussiant) 0.043do 14:30 – 16:00 Wetenschappelijke betekenis Het Nederlandse onderwijssysteem kenmerkt zich, in vergelijking met veel andere landen, door vroege selectie, sterke stratificatie en beperkte doorstroommogelijkheden in het voortgezet onderwijs, wat onderwijsongelijkheid veroorzaakt en versterkt (van der Steeg et al., 2011). Ondanks bewijs voor de negatieve gevolgen hiervan (Francis et al., 2020) en herhaalde oproepen tot hervorming van onder meer de Onderwijsraad (2021), po-raad (2023) en vo-raad (2024), blijven structurele beleidsveranderingen uit. In dit debat worden vooral kansen gezien in heterogene en verlengde brugperiodes, waarin leerlingen met verschillende onderwijsniveaus meerdere jaren gezamenlijk onderwijs volgen voordat definitieve niveaubepaling plaatsvindt. Hoewel naar sterk homogene systemen relatief veel onderzoek is gedaan, is onderzoek naar heterogeen onderwijs schaars, zeker binnen de Nederlandse context. Dit symposium draagt bij aan kennisverbreding en -verdieping ten aanzien van heterogeen onderwijs, wat noodzakelijk is (Muskens et al. 2024) om scholen te ondersteunen bij het invoeren en optimaliseren van heterogeen onderwijs. Overzicht van de presentaties 1. Leren in heterogene klassen: Een mixed-methods casestudy naar leerervaringen en onderwijsprestaties, waarin data van een grote heterogene vo-school worden vergeleken met een homogene referentieschool en landelijke data. 2. Differentiatie door docenten in de (brede) brugperiode door de ogen van zichzelf en hun leerlingen: een kwantitatieve studie naar de relatie tussen ervaren differentiatie in de klas en de mate van heterogeniteit. 3. Determinatievergaderingen in heterogene en verlengde brugklassen: een kwalitatief onderzoek naar determinatieprocedures en -vergaderingen op heterogene scholen. Doelstellingen van de sessie Door deze thema’s vanuit zowel docent- als leerlingperspectief als verschillende onderzoeksmethodes samen te brengen, beoogt het symposium inzicht te bieden in ervaringen, praktijken en mogelijkheden van heterogeen onderwijs. Structuur van de sessie De sessie start met een inleiding door de voorzitter (10 minuten), gevolgd door drie paperpresentaties met korte inhoudelijke vragenrondes (elk 15+5 minuten). De sessie wordt afgesloten met gezamenlijke discussie onder leiding van de discussant (30 minuten). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich primair op de doorwerking en impact van onderwijsonderzoek in het licht van maatschappelijke transities. Heterogene en verlengde brugklassen worden onderzocht als mogelijke structurele antwoorden op vraagstukken rond kansengelijkheid, inclusie en sociale cohesie. Door empirisch inzicht te bieden in leerervaringen, docentpraktijken en determinatieprocessen laat het symposium zien hoe heterogene onderwijssystemen kunnen bijdragen aan het versterken van ontwikkelkansen voor alle leerlingen. Daarmee verbindt het onderzoek onderwijsinhoudelijke keuzes aan bredere maatschappelijke uitdagingen waarvoor het onderwijsveld staat. Individuele bijdrage 1 Titel Leren in heterogene klassen: Een mixed-methods casestudy naar leerervaringen en onderwijsprestaties Relevantie Dit onderzoek vergroot de kennis over effecten van heterogene onderwijssystemen door resultaten te analyseren van een middelbare school in een grote Nederlandse stad met 2-3 jaar heterogene klassen (vmbo-t t/m vwo). Onderwijsprestaties en ervaringen van leerlingen zijn vergeleken met die van leerlingen in een homogeen systeem. Vraagstelling Hoe verhouden de onderwijsprestaties van leerlingen in een heterogeen onderwijssysteem en een homogeen onderwijssysteem zich tot elkaar, en tov landelijke statistieken?Hoe ervaren leerlingen en docenten het leren en lesgeven binnen heterogene klassen? Methode Deze mixed-methods case study biedt inzicht in zowel de meetbare onderwijsresultaten als de sociale en culturele dynamiek binnen de school. De kwantitatieve data zijn verzameld en geanalyseerd door DUO. De kwalitatieve data, waaronder interviews, focusgroepen en observaties, zijn verzameld gedurende vier jaar etnografisch veldwerk. Resultaten Het lijkt erop dat padafhankelijkheid binnen de onderzoeksschool minder vaak voorkomt dan bij de referentieschool en gemiddeld in Nederland. Met name leerlingen met een vmbo-t-advies slagen er binnen de heterogene school vaker in om een havodiploma te halen. Tegelijkertijd kwam het bij de heterogene school relatief vaker voor dat leerlingen ongediplomeerd naar mbo-niveau 3/4 doorgaan. Wat betreft zittenblijven en stapelen waren er geen verschillen. De meeste leerlingen gaven aan dat ze niet merkten dat ze in een heterogene klas zaten, muv de toetsperiodes. Voordelen van heterogene klassen die leerlingen noemden, waren oa samenwerkende leermogelijkheden en opdrachten van een ander niveau uitproberen. Discussie De beperkte waarneming van leerlingen over verschillen tussen niveaus kan aan twee factoren worden toegeschreven: Heterogeen onderwijs was vertrouwd voor deze leerlingen. Pedagogische bedoeling: docenten werkten hard om materialen te integreren en de kloof tussen verschillende niveaus te verkleinen door aanzienlijk tijd te investeren in het identificeren van overlappende leerdoelen en inhoud tussen de niveaus. Individuele bijdrage 2 Titel Differentiatie door docenten in de brede brugperiode (vo) door de ogen van zichzelf en hun leerlingen Relevantie Differentiatie (inspelen op niveauverschillen) is essentieel in alle onderwijsvormen (Onderwijsraad, 2021), maar zeker ook in heterogene/verlengde brugklassen waar leerlingen van verschillende niveaus samenkomen (Tomlinson, 1999). Voor vo-scholen zijn nauwelijks handreikingen voor het vormgeven van differentiatie, waarbij vo-docenten differentiëren veelal niet gewend zijn (Deunk et al., 2015). In Nederland is betrekkelijk weinig onderzoek naar effecten van heterogene/verlengde brugklassen op differentiatie in de klas. Vraagstelling In hoeverre wordt er door docenten gedifferentieerd in de brugperiode op heterogene en homogene scholen, volgens leerlingen en docenten? Methode Bij 9 scholen (4 heterogene, 5 homogene) zijn vragenlijsten afgenomen onder 1111 leerlingen en 122 docenten. We hebben beschrijvende statistieken uitgevoerd. Resultaten Leerlingen op heterogene scholen vinden vaker dan leerlingen op homogene scholen dat docenten hun voortgang monitoren en instructie en verwerking onderling afstemmen. Binnen heterogene scholen ervaren leerlingen zowel in een driejarige brugperiode als in klassen met drie schooltypen meer uitdaging en stimulatie van zelfregulatie dan leerlingen in een één-/tweejarige brugperiode en/of klassen met minder schooltypen. Docenten op homogene en heterogene scholen verschillen niet in hun oordeel over de mate waarin zij differentiëren. Binnen heterogene scholen met een driejarige brugperiode en/of klassen met drie schooltypen passen docenten meer differentiatiestrategieën toe bij lesstofverwerking en evaluatie van proces/voortgang, en hechten ze meer waarde aan gedifferentieerde instructie dan docenten op een school met een éénjarige brugperiode en/of klassen met twee schooltypen. Discussie en conclusie Leerlingen in heterogene scholen ervaren in sterkere mate differentiatie door hun docent dan leerlingen in homogene scholen, terwijl dit verschil in differentiatie tussen heterogene en homogene scholen vanuit docentperspectief niet gevonden is. Verder: hoe heterogener de heterogene school, hoe meer er sprake is van differentiatie volgens leerlingen en docenten. Individuele bijdrage 3 Titel Determinatievergaderingen in heterogene en verlengde brugklassen Relevantie Docenten op heterogene scholen staan voor de uitdaging aan het einde van de brugperiode het niveau van leerlingen te bepalen (determinatie): een beslissend moment in hun verdere (school)loopbaan (Onderwijsraad, 2021). Er zijn echter nauwelijks richtlijnen en handreikingen de vormgeving van determinatie(processen). Daarnaast is onduidelijk waar zulke beslissingen op gebaseerd moeten worden en hoe docenten gezamenlijk tot niveaubepaling kunnen komen in determinatievergaderingen (De Winter-Koçak et al., 2022). Vraagstelling Hoe wordt er gedetermineerd op scholen met heterogene en verlengde brugklassen? Methode Er is gebruikgemaakt van documentanalyse en video-observaties van determinatieprocessen/-vergaderingen van zeven heterogene scholen, gebaseerd op een bestaand codeerschema (Sleenhof, 2023). Resultaten Volgens de beleidsdocumenten baseren zes scholen zich voornamelijk op cijfernormen, die tussen scholen verschillen. Bij twijfel o.b.v. het cijferbeeld nemen scholen ook zachtere gegevens mee, zoals inzet, motivatie en zelfstandigheid. Op vijf scholen bepalen determinatievergaderingen het vervolgniveau; docenten geven vooraf een individuele niveau-indicatie en stemmen er tijdens de vergadering over. De determinatievergaderingen waren respectvol en de uiteindelijke beslissing werd meestal geaccepteerd, maar er werd amper gecontroleerd of er overeenstemming was tussen de gegeven argumenten en de beslissing. Docenten waren betrokken, deelden hun perspectief, werden hiertoe ook uitgenodigd, maar er werd zelden gecontroleerd of argumenten de capaciteiten van de leerling weerspiegelen. Scholen verschilden in de mate waarin de uiteindelijke beslissing expliciet werd geaccepteerd door het docententeam, waarin men werd uitgenodigd om verschillende argumenten in te brengen en te onderbouwen, en waarin de gespreksleider zorgde voor het naleven van de richtlijnen en toewijzingscriteria. Binnen scholen waren geen verschillen. Discussie en conclusie Scholen verschilden onderling in de mate van aanvaardbaarheid, eerlijkheid en transparantie tijdens determinatievergaderingen; het is de vraag of dit wenselijk is want het zou niet uit moeten maken naar welke school een leerling gaat. Papersymposium (90 minuten)542Abdel Abdellaoui, Amsterdam UMC, locatie AMC, Amsterdam, Elsje van Bergen, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam, Marjolijn Das, CBS, Rijswijk, Louise Elffers, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Hans Luyten, Universiteit Twente, Enschede 0.055do 14:30 – 16:00 Doel Het doel van dit symposium is om collega-onderzoekers beter bekend te maken met relevante inzichten uit genetisch onderzoek. Erfelijke factoren blijken een grote rol te spelen in de leerprestaties en het verloop van schoolloopbanen. Deze factoren verklaren grotendeels de samenhang tussen de sociaaleconomische status (SES) van ouders en het succes op school van hun kinderen. Overzicht van de presentaties Genetische factoren bij intergenerationele overdracht van opleidingsniveau: twee adoptiestudies (Marjolein Das, CBS/Erasmus Universiteit Rotterdam) Samenhang tussen opleiding ouders en leerprestaties uitsplitst in bijdragen van de gezinsomgeving, de meer uitgebreide familieomgeving en genetische factoren (Elsje van Bergen, Vrije Universiteit Amsterdam) Wat genetische effecten op onderwijsprestaties onthullen over sociale ongelijkheid en populatiestructuur (Abdel Abdellaoui , UMC Amsterdam) Wetenschappelijke betekenis In onderzoek naar sociale ongelijkheid in het onderwijs blijft de rol van genetische factoren onderbelicht. Recente onderzoeksresultaten leveren echter overtuigend bewijs voor de belangrijke rol van erfelijkheid als het gaat om leerprestaties en. Deze inzichten vragen om nadere reflectie op de interpretatie van de samenhang tussen SES van de ouders en succes op school. Het lijkt niet realistisch dat deze correlatie volledig gecompenseerd kan worden dankzij het onderwijs. Een belangrijke vraag is dan wat wel een realistische en/of aanvaardbare samenhang kan zijn en in hoeverre de situatie in het Nederlandse onderwijs hiervan afwijkt. Structuur van de sessie In dit symposium worden drie papers gepresenteerd die betrekking hebben op erfelijkheid en onderwijsongelijkheid. Louise Elffers (Universiteit van Amsterdam; Voorzitter Onderwijsraad) treedt op als discussiant. Na haar kritische bespreking is er gelegenheid tot nadere discussie met de deelnemers en toehoorders. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie Het opleidingsniveau van ouders en kinderen vertoont gewoonlijk grote samenhang: ‘intergenerationele overdracht’. Vaak wordt de verklaring hiervoor gezocht in de gezinsomstandigheden, waaronder de financiële positie en het ‘cultureel kapitaal’ van de ouders (Bourdieu, 1986). Echter, intelligentie en cognitieve capaciteiten zijn ook gedeeltelijk erfelijk. Voor het effectief inzetten van beleidsinterventies is het essentieel om deze erfelijke invloeden te scheiden van omgevingsinvloeden. Vraagstelling Dit onderzoek vergelijkt adoptiegezinnen met gezinnen met biologische kinderen. Dit geeft inzicht in de rol van genen -adoptiekinderen zijn genetisch niet verwant aan hun adoptieouders. De vraagstelling luidt: in welke mate is er samenhang tussen de opleidingsniveaus van adoptieouders en hun adoptiekinderen, en (hoe) verschilt dit van biologische ouder-kind-paren? Methode Met CBS-registerdata en de survey Interlandelijke Adoptie 2021 (een representatieve survey onder volwassen adoptie- en biologische kinderen) zijn twee studies uitgevoerd naar geadopteerde en niet-geadopteerde kinderen en hun ouders. De beide studies gebruikten vergelijkbare regressieanalyses. Studie 1 onderzocht complete geboortecohorten 1995-1998 op 15-jarige leeftijd (N=436.720) en studie 2 onderzocht volwassen surveyrespondenten uit geboortecohorten 1970-1999 (N=3.167). Resultaten Beide studies vinden bij biologische ouder-kind-paren een sterke samenhang tussen hun opleidingsniveaus. Bij 15-jarige adoptiekinderen werd in studie 1 geen samenhang gevonden met het opleidingsniveau van hun adoptieouders. Studie 2 vond zo’n samenhang wel op volwassen leeftijd, maar veel zwakker dan bij niet-geadopteerde kinderen. Discussie en conclusie De resultaten suggereren dat de correlatie tussen opleidingsniveau van kinderen en hun (biologische) ouders in Nederland een grote genetische component heeft, in lijn met bevindingen uit tweelingonderzoek (bijv. De Zeeuw & Boomsma, 2017). Recent longitudinaal Nederlands tweelingonderzoek duidt er bovendien op dat kansenongelijkheid in het onderwijs in de onderzochte cohorten is afgenomen (Das & Nollet, geaccepteerd). Gelijkheid in kansen betekent echter niet automatisch ook gelijkheid in uitkomsten. Meer gedifferentieerde interventies en maatwerk kunnen helpen om ongelijkheid in onderwijsuitkomsten te verkleinen. Individuele bijdrage 2 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie De schoolprestaties van kinderen hangen samen met het opleidingsniveau van hun ouders. Deze samenhang wordt vaak geïnterpreteerd als invloeden van de ouders, zoals steun en financiële mogelijkheden thuis. Ouders geven echter ook genen door en kinderen delen ook omgevingsinvloeden met andere familieleden. Genetisch geïnformeerde familieonderzoeken kunnen daarom helpen om causale omgevingsinvloeden te onderscheiden van genetische overeenkomsten. Vraagstelling Waarom is opleidingsniveau van ouders een goede voorspeller van schoolprestaties van kinderen? Methode We analyseerden landelijke Noorse registerdata van 569.035 kinderen in de leeftijd van 10 tot 14 jaar, gekoppeld aan het Noorse Tweelingenregister. Hierdoor konden uitgebreide families worden geïdentificeerd, bestaande uit tweelingen en broers/zussen in de oudergeneratie, en hun kinderen. We gebruikten een “indirect assortative mating–children-of-twins-model (iAM-COTS)” om de correlatie tussen ouderlijk opleidingsniveau en schoolprestaties van kinderen te ontleden in genetische en omgevingspaden. Schoolprestaties waren toetsscores op begrijpend lezen, Engels, en wiskunde. Resultaten De correlatie tussen ouderlijk opleidingsniveau en kinderen hun schoolprestaties bedroeg r = .31, vergelijkbaar met schattingen uit de VS en andere Westerse landen. Van deze intergenerationele samenhang werd (1) 68% verklaard door genetische overdracht, (2) 12% door omgevingsinvloeden van het opleidingsniveau van ouders (ouderlijke transmissie) en (3) 20% door omgevingsinvloeden die gedeeld worden met de bredere familie (zoals tantes en neefjes). De invloed van de bredere familie weerspiegelt omgevingsinvloeden buiten het gezin, zoals cultureel, sociaal of economisch kapitaal dat door familieleden wordt gedeeld, en sluit aan bij recente DNA-gebaseerde bevindingen die indirecte genetische effecten laten zien die verder reiken dan ouders alleen. Discussie en Conclusie De intergenerationele overdracht van onderwijs loopt via meerdere verweven paden: voor het grootste deel via (1) genetische overdracht, en verder via (2) omgevingsinvloeden van het (gerealiseerde) opleidingsniveau van ouders, en (3) bredere familiale omgevingsinvloeden. Dit suggereert dat ouder-kind correlaties maar deels komen door opvoedingsinvloeden. Individuele bijdrage 3 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie De samenhang tussen sociaaleconomische status (SES) en schoolsucces is robuust en universeel. In onderwijsonderzoek wordt deze relatie doorgaans verklaard vanuit gezins-, school- en buurtcontexten. Recente grootschalige genetische studies laten echter zien dat genetische effecten gemeten via opleidingsuitkomsten kunnen fungeren als brede proxies voor SES. Deze genetische signalen overlappen sterk met genetische effecten op inkomen, beroep en leefomstandigheden, maar zijn gebaseerd op aanzienlijk grotere datasets dan genetisch onderzoek naar andere SES-indicatoren. Daardoor zijn zij bijzonder geschikt om de relatie tussen sociale ongelijkheid en genetica te bestuderen. Deze studies maken zichtbaar dat sociale ongelijkheid niet alleen samenhangt met genetische verschillen, maar hier ook actief op inwerkt. Via processen als migratie en partnerkeuze beïnvloedt sociale stratificatie de genetische samenstelling van populaties. Dit theoretische kader beschouwt SES daarmee als een dynamisch sociaal construct waarin genetische en omgevingsinvloeden structureel met elkaar verweven zijn. Vraagstelling Hoe kunnen genetische signalen die geassocieerd zijn met onderwijs worden gebruikt om sociale ongelijkheid te bestuderen, en wat laten zij zien over de wederkerige relatie tussen sociale stratificatie, genetische clustering en gen–omgevingscorrelaties? Methode Deze bijdrage syntheseert empirische bevindingen uit grote internationale biobanken (onder meer UK Biobank, Estland en Noorwegen), waarin genotypegegevens, polygenetische scores voor onderwijs, geografische informatie en demografische data zijn gecombineerd. Met populatie-, familie- en regiogebaseerde analyses is onderzocht hoe genetische effecten clusteren langs sociaaleconomische lijnen. Resultaten Genetische effecten gemeten via onderwijs clusteren sterk binnen families en regio’s en hangen nauw samen met SES-verschillen. Een substantieel deel weerspiegelt gen–omgevingscorrelaties en indirecte effecten, terwijl sociale ongelijkheid via selectie, migratie en partnerkeuze deze clustering versterkt. Discussie en conclusie Genetische effecten gemeten via onderwijs en sociale ongelijkheid ontwikkelen zich gezamenlijk. Dit onderstreept de complexiteit van het onderscheiden van genetische en omgevingsinvloeden in onderzoek naar onderwijs en SES. Papersymposium (90 minuten)716Hannah Bijlsma, Radboud Universiteit, Nijmegen, Dries D’Haese, Thomas More Hogeschool, Antwerpen, Milou de Smet, Thomas More Hogeschool, Antwerpen, Tim Surma (voorzitter), Daniel Muijs (discussiant) 1.022do 14:30 – 16:00 Effectieve didactiek vormt de schakel tussen wat we uit onderzoek weten over leren en wat er dagelijks in klaslokalen gebeurt. Toch blijft die schakel in veel onderwijscontexten kwetsbaar. Didactische aanbevelingen voor leraren, de inhoud van lerarenopleidingen en de instrumenten waarmee effectieve didactiek wordt geobserveerd en verbeterd, zijn vaak onvoldoende op elkaar afgestemd. Dit symposium vertrekt vanuit de ambitie om effectieve didactiek te positioneren als een gedeelde, evidence-informed kern die deze aspecten met elkaar verbindt. In de eerste bijdrage staat de onderwijspraktijk centraal. Vanuit inzichten uit de cognitieve psychologie en het leraareffectiviteitsonderzoek zijn samenhangende didactische principes beschreven die bijdragen aan duurzaam leren in het voortgezet onderwijs. Deze principes zijn vertaald naar concrete, vakoverstijgende aanbevelingen die laten zien dat effectieve didactiek een coherent geheel is van doordachte keuzes, vanuit een diep begrip van hoe leren werkt. De tweede bijdrage verlegt de focus naar de initiële lerarenopleiding. Met behulp van een gemodificeerde Delphi-studie met een internationaal expertpanel werd onderzocht over welke kennis- en vaardigheidsdoelen consensus bestaat binnen het opleidingsonderdeel ‘didactiek’. Dit resulteerde in een evidence-informed kernraamwerk dat beschrijft wat startende leraren minimaal moeten kennen en kunnen om didactisch goed onderlegd te zijn. In de derde bijdrage wordt effectieve didactiek zichtbaar en meetbaar gemaakt in de klaspraktijk. Door theoretische inzichten uit de cognitieve psychologie en leraareffectiviteitsonderzoek te combineren en te vertalen naar observeerbaar gedrag, is een Vlaams-Nederlands lesobservatie-instrument ontwikkeld dat leraren en scholen ondersteunt bij het systematisch observeren en verbeteren van didactisch handelen. Samen tonen de bijdragen hoe effectieve didactiek een gemeenschappelijke, evidence-informed kern heeft die coherentie aanbrengt tussen onderwijspraktijk, lerarenopleiding en observaties. Dat is een belangrijke voorwaarde voor verbetering van didactisch handelen van leraren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Aanbevelingen voor effectieve didactiek in het voortgezet onderwijs De kwaliteit van het didactisch handelen van docenten is een cruciale factor voor het leren van leerlingen. Het is daarom belangrijk dat docenten op een toegankelijke en onderbouwde manier inzicht krijgen in effectieve didactische aanpakken, en waarom en wanneer deze het best werken. Deze bijdrage is gebaseerd op het onderzoek en ontwikkelwerk dat ten grondslag ligt aan de Leidraad Effectieve Didactiek, waarin wetenschappelijke inzichten zijn samengebracht tot samenhangende, vakoverstijgende aanbevelingen voor het voortgezet onderwijs. Het theoretisch kader is geworteld in de cognitieve psychologie, met nadruk op hoe leren werkt, aangevuld met inzichten uit leraareffectiviteitsonderzoek. De relevantie ligt in het vertalen van robuuste onderzoeksevidentie naar toepasbare didactische principes. De vraagstelling luidt: welke didactische principes dragen bij aan duurzaam leren van leerlingen in het voortgezet onderwijs, en hoe kunnen docenten deze principes effectief toepassen in hun praktijk? Bestaande academische reviews (systematische reviewstudies en meta-analyses) vormden het startpunt van dit onderzoek, aangevuld met expertconsultaties en sneeuwbalzoeken. Dit resulteerde in een robuust en breed gedragen overzicht van relevante wetenschappelijke inzichten. De vertaling van deze inzichten naar didactische aanbevelingen vond plaats via een iteratief ontwikkelproces, waarin bevindingen herhaaldelijk zijn getoetst en aangescherpt in samenwerking met experts en gebruikers, en verrijkt met praktijkvoorbeelden. De resultaten zijn samengebracht in zes samenhangende aanbevelingen: 1. Weet hoe leren werkt en wat dat betekent voor lesgeven; 2. Leg nieuwe leerstof duidelijk en gestructureerd uit; 3. Laat alle leerlingen veelvuldig en gericht nadenken over de leerstof; 4. Achterhaal begrip en stuur bij; 5. Geef leerlingen zelfstandige oefenkansen om de leerstof vast te zetten; 6. Verdiep en verbreed het leren verder. In deze bijdrage wordt benadrukt dat effectieve didactiek geen verzameling losse technieken is, maar een coherent geheel van principes dat vraagt om doordachte keuzes en grondige kennis van hoe mensen leren. Individuele bijdrage 2 Evidence-informed kerninhouden voor effectieve didactiek binnen lerarenopleidingen Onderzoek toont al decennialang aan dat de kwaliteit van leraren en hun didactisch handelen een van de sterkste voorspellers is van leerprestaties van leerlingen (Good, 2024). Een krachtige initiële lerarenopleiding is dan ook cruciaal. Toch geven beginnende leraren vaak aan zich onvoldoende voorbereid te voelen op de complexiteit van de klaspraktijk na afronding van hun lerarenopleiding (Amitai & Van Houtte, 2022). Tegelijk blijven curricula van lerarenopleidingen onderhevig aan kritiek (o.a. Pomerance et al., 2016). Hoewel er een rijke onderzoekstraditie bestaat rond effectief leraarschap en effectieve instructiestrategieën, ontbreekt consensus over welke kennis en vaardigheden essentieel zijn om startbekwaam te zijn (Perry et al., 2019; Surma et al., 2025). Het ontbreken van een gedeelde, evidence-informed kern vertaalt zich in aanzienlijke variatie tussen lerarenopleidingen en in een beperkte opname van best-evidence onderzoek in opleidingsprogramma’s. De onderzoeksvraag luidt: Over welke kennis– en vaardigheidsdoelen is consensus binnen een opleidingsonderdeel ‘didactiek’ om startbekwame leraren op te leiden? In deze studie werd een gemodificeerd Delphi-proces in drie ronden toegepast (Hsu & Sandford, 2007). Een internationaal expertpanel (n=44) beoordeelde in de eerste twee rondes 155 inhoudsitems op een 4-punts Likert-schaal. Consensus werd bepaald met de modus en de interkwartielafstand (IQR), waarbij een modus van 4 en IQR ≤1 consensus aanduidden (von der Gracht, 2012). Feedback en suggesties voor aanvullende items werden systematisch gecodeerd. In de derde ronde werden outlier-items aan een expertpanel voorgelegd om dieper inzicht te verkrijgen. Het resultaat is een kernraamwerk met 157 items (kennis en vaardigheden), geordend rond tien instructiestrategieën. Dit raamwerk vormt een gedeelde en empirisch onderbouwde kern voor didactiek in de initiële lerarenopleiding. De hoge mate van specificiteit faciliteert de dialoog tussen verschillende actoren, ondersteunt coherentie tussen lerarenopleidingen, inductie en professionalisering, en creëert voorwaarden voor consistenter curriculumontwerp én sterker effectonderzoek naar de kwaliteit van lerarenopleidingen. Individuele bijdrage 3 Een lesobservatie-instrument voor effectieve didactiek in de Vlaams-Nederlandse context Onderzoek toont aan dat leraren gemiddeld 15% van de variantie in leerlingresultaten verklaren (Hattie, 2009; Nye et al., 2004). Tegelijkertijd bestaan er aanzienlijke verschillen in leskwaliteit tussen leraren (Maulana et al., 2014; Muijs & Reynolds, 2017), die bijdragen aan ongelijkheden in leerlinguitkomsten. Een gerichte verbetering van leskwaliteit vereist een systematische meting. Lesobservaties gelden daarbij als meest genuanceerde en objectieve methode (Senden et al., 2021), maar een breed gedragen en gevalideerd lesobservatie-instrument voor effectieve didactiek ontbreekt voor de Vlaams-Nederlandse context. Het theoretisch kader van dit onderzoek combineert inzichten uit twee wetenschapsvelden. Effectieve leskenmerken en leraargedragingen worden in leraareffectiviteitsonderzoeken samengevat tot een veilig en stimulerend leerklimaat, adequaat klasmanagement en effectieve didactiek (Muijs et al., 2014; Muijs & Reynolds, 2020). De cognitieve psychologie levert aanvullende inzichten in didactische principes die leren ondersteunen, zoals voorkennis activeren, modelleren en scaffolden (Creemers & Kyriakides, 2008; Rosenshine, 2012). Deze inzichten bieden een solide basis voor het meten van effectieve didactiek. Twee onderzoeksvragen staan centraal: Welke observeerbare indicatoren van effectieve didactiek kunnen worden geïdentificeerd? Hoe kunnen deze worden geïntegreerd in een betrouwbaar en valide lesobservatie-instrument voor de Vlaams-Nederlandse context? Om deze vragen te beantwoorden wordt een zesstappenplan gevolgd: identificatie van kenmerken van effectieve didactiek, inventarisatie en analyse van bestaande lesobservatie-instrumenten, ontwikkeling en iteratieve optimalisatie van een Vlaams-Nederlands lesobservatie-instrument via expertfeedback en pilootobservaties, en psychometrische validatie bij een representatieve steekproef. De resultaten omvatten twaalf kenmerken van effectieve didactiek (Tabel 1), een inventarisatie van bestaande lesobservatie-instrumenten (Figuur 1) waarvan 27 instrumenten geselecteerd (Tabel 2) voor diepgaande analyse en de ontwikkeling van een Vlaams-Nederlands observatie-instrument (Figuur 2). Dit onderzoek resulteert in een theoretisch en empirisch onderbouwd instrument dat onderwijsprofessionals ondersteunt bij het systematisch observeren en verbeteren van didactisch handelen en bijdraagt aan een gedeelde taal over leskwaliteit in Vlaanderen en Nederland. Papersymposium (90 minuten)434Anouke Bakx, Fontys Hogeschool, Tilburg, Kim Lijbers, ATO-scholenkring, ‘s-Hertogenbosch, Kim Smeets, Fontys Hogeschool, Tilburg, Gerritsen Suzanne, Oberon BV, Utrecht, Anouke Bakx (voorzitter), Lisette Hornstra (discussiant) 1.050do 14:30 – 16:00 Doelstellingen van de sessie Deze sessie heeft als doel inzicht te bieden in de rol van cognitief talent (geoperationaliseerd als intelligentie) binnen de leeromgeving, benaderd over het volledige intelligentiecontinuüm en vanuit meerdere perspectieven. Door drie complementaire studies samen te brengen, beoogt de sessie bij te dragen aan een beter begrip van hoe intelligentie samenhangt met welzijn, sociale relaties en beoordelingsprocessen in het onderwijs. Daarbij staat centraal hoe deze processen gezamenlijk bijdragen aan het creëren van een optimale leeromgeving voor alle leerlingen. De drie studies zijn uitgevoerd binnen de context van de POINT-werkplaatsen in het basisonderwijs (www.point013.nl). Overzicht van de presentatie De sessie bestaat uit drie empirische studies waarin cognitief talent, in de vorm van intelligentie, centraal staat. In de eerste twee studies fungeert intelligentie als onafhankelijke variabele en wordt er onderzocht hoe intelligentie samenhangt met respectievelijk leerling-welzijn en sociaal zelfbeeld (studie 1), en de leerling-leerkrachtrelatie en leerkrachtoordelen (studie 2). In de derde studie is intelligentie de afhankelijke variabele en wordt onderzocht in hoeverre een dyslexielabel samenhangt met percepties van cognitieve vaardigheden door leerkrachten en ouders. Wetenschappelijke betekenis De wetenschappelijke bijdrage van deze sessie ligt in het integreren van cognitieve, relationele en perceptuele processen binnen één samenhangend kader. Hierin wordt het volledige intelligentiecontinuüm meegenomen. De inhoud van het symposium sluit aan bij actuele discussies over contextgevoelige en relationele benaderingen van leren en ontwikkelen. Daarnaast levert de combinatie van leerling-, leerkracht- en ouderperspectieven nieuwe inzichten op in onder andere mogelijke mechanismen van labelling-bias en beoordelingsprocessen.Structuur van de sessie Na een korte opening volgen drie presentaties die logisch op elkaar voortbouwen: van het leerlingperspectief en peerrelaties, via de leerling–leerkrachtrelatie, naar percepties van leerkrachten en ouders. De sessie wordt afgesloten met een geïntegreerde discussie waarin de bevindingen in samenhang worden geduid. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 De mediërende rol van internaliserend en externaliserend gedrag in de relatie tussen intelligentie, welzijn en sociaal zelfbeeld bij basisschoolleerlingen Intelligentie is een centrale factor onderliggend aan individuele verschillen in psychosociale ontwikkeling bij kinderen (10). Eerdere onderzoeken wijzen in verschillende richtingen betreffende de rol van intelligentie in het vormen van psychosociale uitkomsten. Zo wordt hogere intelligentie geassocieerd met hoger welzijn, gezondheid en geluk (1,7), terwijl andere studies laten zien dat hogere intelligentie geassocieerd wordt met lager welzijn of sociale zelfbeelden (2,4). Tegelijkertijd lopen kinderen met een lagere intelligentie een verhoogd risico op angsten, eenzaamheid of moeilijkheden met leeftijdsgenoten (3,8). Deze inconsistenties suggereren dat een hogere intelligentie niet eenduidig psychosociale ontwikkeling bevordert, maar bijvoorbeeld interacteert met individuele en contextuele factoren. Het ontwikkelingspsychopathologie perspectief biedt een waardevol kader om inzicht te krijgen in waarom intelligentie soms een beschermende/risicofactor kan zijn. Het perspectief benadrukt dat zowel hogere als lagere intelligentie kan resulteren in positieve en negatieve uitkomsten, afhankelijk van mediërende processen (5,6,9). Ons onderzoek betreft de rol van internaliserend en externaliserend gedrag als mediatoren tussen intelligentie enerzijds en welzijn en sociaal zelfbeeld anderzijds. Er is ook gekeken naar geslacht als moderator. 403 basisschoolleerlingen uit groep 5 t/m 8 deel participeerden in het onderzoek, waarin de ZOOV+ (een intelligentietest), een geluksvragenlijst over welzijn en de SDQI over sociaal zelfbeeld zijn meegenomen. Leerkrachten scoorden het internaliserend en externaliserend leerlinggedrag op een schaal van 1 tot 10. Enkel internaliserend gedrag bleek de relatie tussen intelligentie en welzijn en tussen intelligentie en sociaal zelfbeeld te mediëren. Een directie kwadratische relatie is gevonden tussen intelligentie en sociaal zelfbeeld: kinderen met een lagere óf een hogere intelligentie rapporteerden een hoger sociaal zelfbeeld (geen verschil voor geslacht). Deze bevindingen onderstrepen het belang van het onderzoeken van psychosociale factoren over het gehele spectrum van intelligentie in relatie tot internaliserend en externaliserend gedrag. Individuele bijdrage 2 De interactie tussen de intelligentie van leerlingen, de leerling-leraar relatie en leraar inschattingen over de intelligentie van leerlingen De relatie tussen een leerling en leraar heeft een grote invloed op de ontwikkeling van leerlingen (bijv. Roorda et al., 2017). Deze relatie kan echter verschillen tussen (groepen) leerlingen (McGrath & van Bergen, 2015). Omdat deze relatie zo’n belangrijke rol speelt, is het relevant te onderzoeken welke leerlingkenmerken hierop van invloed zijn. Een mogelijk kenmerk is intelligentie (Weyns et al., 2021). Het onderzoeken van dit leerlingkenmerk draagt bij aan inzichten die belangrijk zijn voor het creëren van eerlijke, inclusieve en ondersteunende onderwijsomgevingen die positieve relaties voor alle leerlingen bevorderen (McGrath & van Bergen, 2015). Daarnaast kan de kwaliteit van de leerling-leraarrelatie een rol spelen in de inschattingen die leraren maken over de intelligentie van leerlingen. Deze inschattingen beïnvloeden op hun beurt de ontwikkeling van leerlingen. Het is daarom relevant om deze factoren in samenhang te onderzoeken, omdat dit mogelijke (impliciete) vooroordelen kan blootleggen. Ons onderzoek richtte zich daarom op de relatie tussen intelligentie van leerlingen van het basisonderwijs en de kwaliteit van de leerling-leraarrelatie zoals ervaren door leerlingen. Daarnaast onderzochten we of deze relatie de inschattingen van leraren over intelligentie beïnvloedt, gecontroleerd voor gemeten intelligentie. Bij 1082 leerlingen is een cognitieve vaardighedentest en een vragenlijst over ervaren nabijheid en conflict in de relatie met hun leraar afgenomen. Leraren vulden een vragenlijst in over hun inschattingen van de intelligentie van leerlingen. Multilevelanalyses toonden aan dat ‘laag intelligente’ leerlingen meer conflict ervoeren dan ‘gemiddeld intelligente’ leerlingen. Voor nabijheid werden geen verschillen gevonden. De ervaren leerling-leraar relatie had geen effect op de inschattingen van leraren over de intelligentie van leerlingen. De bevindingen suggereren dat intelligentie een beperkte rol speelt in het vormen van leerling-leraar relaties. Individuele bijdrage 3 Een evaluatie van het effect van gediagnosticeerde dyslexie op de beoordeling van cognitieve vaardigheden van kinderen door ouders en leerkrachten. Dyslexie is een specifieke leerstoornis die zich uit in ernstige, hardnekkige problemen met het accuraat en/of vlot lezen en/of spellen van woorden, ondanks adequaat onderwijs en een normale cognitieve ontwikkeling (IQ > 70) (3). Hoewel dyslexie voorkomt bij kinderen van verschillende intelligentieniveaus, is weinig bekend over de eventuele invloed van dyslexie op de cognitieve capaciteiten van kinderen met dyslexie in vergelijking met kinderen zonder dyslexie. Daarnaast is onduidelijk in hoeverre het label ‘dyslexie’ de inschatting van deze capaciteiten door ouders en leerkrachten beïnvloedt. Het onderzoeken van een potentiële ‘labelling bias’ is belangrijk omdat een realistische en onbevooroordeelde perceptie van de cognitieve capaciteiten essentieel is voor een goede afstemming op onderwijsbehoeften en ondersteuning van kinderen in het bereiken van hun potentieel (1,2,4). Deze studie richt zich op twee vragen: In hoeverre verschillen kinderen met en zonder dyslexie op het gebied van gekristalliseerde intelligentie (Gc), fluïde intelligentie (Gf), en visuele informatieverwerking (Gv)? Hoe evalueren ouders en leerkrachten de cognitieve capaciteiten van kinderen met en zonder dyslexie, terwijl er gecontroleerd wordt voor de daadwerkelijke cognitieve capaciteiten? Bij 1036 basisschool kinderen (groep 6-7-8; 95 met dyslexie, 941 zonder) is een cognitieve vaardigheidstest afgenomen (COVAT-3). Ouders en leerkrachten beoordeelden daarnaast de cognitieve vaardigheden van kinderen via stellingen. Multi-levelanalyses tonen dat kinderen met dyslexie vooral lager scoren op gekristalliseerde intelligentie, maar ook op fluïde intelligentie. Verder blijkt er een labelling-bias: het label ‘dyslexie’ beïnvloedt inschattingen van ouders én leerkrachten voor visuele informatieverwerking en van alleen leerkrachten voor fluïde intelligentie, ook wanneer feitelijke capaciteiten van kinderen gelijk zijn. Resultaten laten zien dat kinderen met dyslexie als groep lager scoren op verbale capaciteiten, maar dat het effect van het dyslexie-label vooral speelt bij de non-verbale capaciteiten. Papersymposium (90 minuten)910Jorn ten Brink, Radboud Docenten Academie, Nijmegen, Milan van Can, Radboud Docenten Academie, Nijmegen, Julia van Leeuwen, Radboud Docenten Academie, Nijmegen, Milan van Can (voorzitter), Melissa Tuytens (discussiant) 1.054do 14:30 – 16:00 Doelstellingen van de sessie Het doel van dit symposium is om verschillende invalshoeken samen te brengen om meer zicht te krijgen op de werkbeleving van leraren. Centraal staat de interactie tussen de drijfveren van leraren in hun werk enerzijds en de mogelijkheden en belemmeringen in de organisatiecontext van het onderwijs anderzijds. Inzichten in deze interactie kunnen bijdragen aan behoud van leraren en hun bevlogenheid voor het onderwijs, wat cruciaal is in het licht van de aanhoudende lerarentekorten. Overzicht van de presentaties Bijdrage 1: commitment(profielen) van leraren in het po, vo en mboBijdrage 2: professionele identiteitsspanningen van leraren in het po, vo en mboBijdrage 3: innovatief professioneel potentieel van startende leraren in vo Wetenschappelijke betekenis Het onderwijs kampt wereldwijd met aanhoudende lerarentekorten (UNESCO, 2024). Dat startende en ervaren leraren het beroep verlaten, heeft onder meer negatieve gevolgen voor leerlingresultaten (Gibbons et al., 2021). Onderzoek richt zich op de redenen voor uitval (Pressley et al., 2026), maar het is juist óók van belang om inzicht te krijgen in de redenen die leraren hebben om te blijven (Gundlach et al., 2024) en hoe deze leraren bevlogen blijven (in plaats van gedesillusioneerd raken; Bartlett et al., 2024). De studies in dit symposium brengen daarom verschillende perspectieven op de werkbeleving van startende en ervaren leraren in kaart. Structuur van de sessie De sessie wordt ingeleid door een contextschets van het lerarentekort en uitvalredenen in het po, vo en mbo. De presentaties belichten vervolgens vanuit drie verschillende invalshoeken de werkbeleving van de leraar. Ten slotte zal de discussiant ingaan op de vraag hoe de gepresenteerde uitkomsten bezien kunnen worden in het licht van (HRM-)beleid op scholen, en kritisch reflecteren op (de beperkingen van) HRM in de context van blijvend behoud van leraren én hun bevlogenheid in het onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Leraren die het beroep verlaten benoemen dat dit komt doordat ze te weinig steun ervaren in wat ze willen bijdragen aan hun school (Pressley et al., 2026). Om die steun te bieden is inzicht nodig in hoe leraren zich committeren aan hun werk en hoe dat samenhangt met hun neiging tot professionele ontwikkeling en innovatie (i.e., werkgedrag) en hun uitstroomintentie. Commitment is een gevoel van verantwoordelijkheid en toewijding tot een onderdeel van het werk (Klein et al., 2012). Dit heeft iedere leraar in verschillende mate voor verschillende onderdelen, waarin patronen bestaan tussen leraren (i.e., commitmentprofielen; Meyer et al., 2025). Deze studie onderzoekt de relatie tussen deze profielen en het werkgedrag en de uitstroomintenties van leraren. 544 leraren in po, vo en mbo hebben hiervoor een vragenlijst ingevuld. Hierin rapporteerden ze hun mate van commitment voor 14 verschillende onderdelen van hun werk (onder andere de leerlingen en het schoolbestuur) en als uitkomstvariabelen hoeveel innovatief werkgedrag, continue professionele ontwikkeling (CPD) ze vertonen en hoeveel uitstroomintentie ze hebben. Een latente profielanalyse in R (pakket: tidyLPA) is uitgevoerd om commitment profielen te identificeren. Vervolgens zijn drie one-way ANOVA’s met pairwise comparisons uitgevoerd om te kijken welke profielen van elkaar verschillen in de uitkomstvariabelen. De resultaten laten zien dat er vijf verschillende commitmentprofielen te onderscheiden zijn: een (1) hoog-, (2) gematigd- en (3) laag-gecommitteerd profiel, een (4) lokaal-georiënteerd-profiel en een (5) individualistisch profiel. Leraren in het individualistische en lage commitmentprofiel hebben de meeste uitstroomintentie terwijl innovatief werkgedrag in het individualistische profiel overeenkomt met het hoge commitmentprofiel. Kortom, verschillen tussen commitmentprofielen zitten in de mate van commitment voor het werk in het algemeen én onderdelen van de school. Verder lijken leraren met meer focus op het onderwijs dan op de collega’s en de school minder gebonden aan de plek dan aan het werk. Individuele bijdrage 2 Men spreekt over professionele identiteitsspanningen als de interne strijd van leraren om de actuele werksituatie te verzoenen met wat zij prefereren of nastreven (Pillen, Beijaard & Den Brok, 2013), wat kan resulteren in gevoelens van onbehagen, frustratie of andere emoties (van der Wal et al, 2019). Deze spanningen kunnen bij leraren leiden tot een vertrek uit het onderwijs of het met tegenzin blijven, zogenaamde ‘reluctant stayers’ (Bartlett et al., 2024; Santoro, 2018). Door longitudinaal onderzoek te doen naar professionele identiteitsspanningen willen we bijdragen aan het versterken van lerarenwelzijn en het voorkomen van ongewenste uitval. Om identiteitsspanningen van zowel startende als ervaren leraren in het PO, VO en MBO te onderzoeken, kiezen wij voor de ontwikkeling van een nieuw instrument. Het proces van instrumentontwikkeling staat centraal in deze paperpresentatie en is gebaseerd op bestaand instrumentarium (Pillen, 2013), een participatief ontwerpproces met leraren, leidinggevenden en HR-experts uit verschillende onderwijssectoren en kwantitatieve data uit een pilot-studie. We baseren het instrument op de self-discrepantietheorie (Higgins, 1987), die eerder is toegepast op professionele identiteit van leraren (Lauriala & Kukkonen, 2005). Binnen de self-discrepancy benadering worden discrepanties onderscheiden tussen het actual-self, het ideal-self (eigen aspiraties) en het ought-self (externe verwachtingen). Het participatieve ontwerpproces bestaat uit 5 ontwerpsessies waarin eerst ideal-self- en ought-self-statements zijn gegenereerd en vervolgens geverifieerd, geselecteerd en aangescherpt. Dit resulteert in 15 ideal-self- en 15 ought-self-statements die worden getoetst in een pilot-studie. Per statement beantwoorden respondenten twee vragen: (1) in hoeverre zij hier in de praktijk aan kunnen voldoen en (2) hoeveel spanning dit oplevert. Het in co-design ontwikkelde instrument zal vanaf eind 2026 worden ingezet in een longitudinale studie onder circa 600 leraren in PO, VO en MBO, met als doel het verloop van identiteitsspanningen te onderzoeken. In deze paperpresentatie worden de resultaten van de instrumentontwikkeling gepresenteerd evenals de achterliggende methodologische keuzes. Individuele bijdrage 3 Startende leraren komen het onderwijs binnen met een frisse blik op het onderwijs, en willen bijdragen aan onderwijsontwikkeling (Correa et al., 2015; März & Kelchtermans, 2020); zij beschikken over innovatief professioneel potentieel (IPP, Van Leeuwen et al., 2024). IPP komt tot uiting in de interactie tussen werkervaringen van startende leraren, en de context waarin deze ervaringen plaatsvinden (Van Leeuwen et al., 2024). Uitval onder starters is echter relatief hoog (Noordzij & van der Grift, 2020), waardoor mogelijk een deel van dit potentieel verloren gaat. Het erkennen van het potentieel van starters, en dit zien als een resource voor het onderwijs, lijkt van belang om starters te behouden voor het beroep (Kelchtermans, 2018). Om dit IPP te benutten, blijkt voor starters vooral de interactie tussen henzelf, docent-collega’s en schoolleiders van belang (van Leeuwen et al., 2024). De centrale vraag van dit paper was daarom: hoe hangen de interacties in IPP-ervaringen over tijd samen met de overwegingen van starters om het onderwijs te verlaten of juist te blijven? 19 starters uit het voortgezet onderwijs hebben deelgenomen aan semi-gestructureerde retrospectieve tijdlijninterviews, waarmee IPP-ervaringen in kaart zijn gebracht. In de analyse zijn eerst de losse interacties in IPP-ervaringen kwalitatief getypeerd, gevolgd door de optelsom hiervan over tijd. Verder is gekeken naar de samenhang tussen de optelsom van interacties en overwegingen van starters om het onderwijs te verlaten. Drie groepen starters werden zichtbaar: blijvers, twijfelaars, en vertrekkers. Vertrekkers ervaarden in de interacties een gebrek aan (bespreekbaarheid van) mogelijkheden voor professionele ontwikkeling. Voor de andere twee groepen bleek een ‘voortgaande dialoog’ over IPP het belangrijkst om niet te vertrekken. Voortgaande dialoog kenmerkt zich door terugkerendheid (gesprekken op meerdere momenten) en wederkerigheid (ruimte voor ieders perspectief). Het waarborgen van voortgaande dialoog in de begeleiding van starters lijkt een mogelijkheid om starters duurzaam aan het onderwijs te verbinden. Papersymposium (90 minuten)597Maxime Bultheel, Thomas More Hogeschool, Antwerpen, Esther Gheyssens, Odisee Hogeschool, Brussel, Helena Taelman, Odisee Hogeschool, Brussel, Claudio Vanhees, Thomas More Hogeschool, Antwerpen, Michiel Wils, Thomas More Hogeschool, Antwerpen, Claudio Vanhees (voorzitter), Paul Leseman (discussiant) 1.056do 14:30 – 16:00 Dit symposium beoogt te analyseren hoe kennisrijk onderwijs van in de kleuterklas kan bijdragen aan het bevorderen van eerlijke onderwijskansen in een diverse samenleving, met bijzondere aandacht voor de rol van taal. Vertrekkend vanuit de vaststelling dat maatschappelijke ongelijkheid zich vroeg manifesteert in onderwijsloopbanen, beoogt het symposium inzicht te bieden in hoe curriculumkeuzes, instructie en taalondersteuning kunnen functioneren als structurele hefbomen voor eerlijke onderwijskansen vanop jonge leeftijd. Het symposium brengt drie praktijkgerichte onderzoeksprojecten samen die een complementair perspectief bieden op hoe kennisrijk onderwijs kansrijk kan zijn voor alle jonge kinderen. De eerste bijdrage bespreekt het OBPWO-onderzoeksproject ‘Kleuters Leergierig Aan de Schoolstart (KLAS)’, dat in kaart brengt hoe een systematisch opgebouwd, kennisrijk curriculum in de basisschool kan bijdragen aan leerwinst en eerlijke onderwijskansen van in de kleuterschool. In dit project wordt onderzocht hoe een kennisrijk kleutercurriculum optimaal vormgegeven en geïmplementeerd kan worden met het oog op latere onderwijsloopbanen en eerlijke onderwijskansen. De tweede bijdrage focust op het implementatieproject ‘Effectieve Leerstart in Antwerpse Scholen (ELIAS)’, waarin de schoolteams van drie Antwerpse kleuterscholen ondersteund werden op vlak van voorbereidende taal- en leesdidactiek en curriculumbewustzijn binnen een kennisrijk curriculum op schoolniveau, met bijzondere aandacht voor leerlingen uit sociaal kwetsbare contexten. De derde bijdrage belicht het project ‘Taalactief tijdens de stille periode’, dat zich richt op jonge startende meertalige kinderen. Dit ontwerponderzoek ontwikkelt een leerlijn en digitale toolkit om leerkrachten te ondersteunen bij doelgerichte taal- en kennisontwikkeling tijdens de eerste maanden in het onderwijs. Het project toont hoe gerichte interactie, taalondersteuning en oudergerichte communicatie cruciaal zijn om alle kinderen toegang te geven tot het curriculum en zo vroege ongelijkheid preventief tegen te gaan. De bijdragen verleggen de focus van individuele tekorten naar structurele onderwijskeuzes en leveren empirisch onderbouwde inzichten in de rol van kennisrijke curricula, instructie en taalontwikkeling met het oog op eerlijke onderwijskansen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit symposium past binnen het congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ door te analyseren hoe kleuteronderwijs kan bijdragen aan eerlijke onderwijskansen en meer sociale rechtvaardigheid. De bijdragen onderzoeken hoe kennisrijk onderwijs een cruciale rol kan spelen in het doorbreken van hardnekkige kansenongelijkheid en in het versterken van kansrijk onderwijs voor alle kinderen in een steeds diversere samenleving. Individuele bijdrage 1 Het OBPWO-onderzoeksproject KLAS brengt de kenmerken en mogelijke effecten van een systematisch opgebouwd kennisrijk curriculum vanaf jonge leeftijd in kaart. De zwakke leerprestaties van een belangrijke groep leerlingen uit het leerplichtonderwijs is het resultaat van een cumulatief proces (Adlof et al., 2010; McGee et al., 2002; Ritchie & Bates, 2013). Leerachterstanden worden vaak al vroeg in de ontwikkeling gevormd, wat de noodzaak onderstreept om kleuters kwalitatief hoogstaand onderwijs te bieden (Hoff, 2013; Passaretta et al., 2022). Naast een goede voorbereidende taal-, lees- en rekenvaardigheid en concentratievermogen (Duncan et al., 2007) is ook wereldse kennis en de bijbehorende woordenschat een sterke voorspeller van latere leeruitkomsten (Grissmer et al., 2010). Een gebalanceerde systematische opbouw van een solide kennisbasis over een langere periode heeft positieve effecten op taalontwikkeling, rekenvaardigheden en sociaal-emotionele vaardigheden (Chambers et al., 2016; Jenkins et al., 2018). Kwaliteitsvol kleuteronderwijs en gerichte curriculuminterventies kunnen zo bijdragen aan het verkleinen van verschillen tussen kinderen met diverse sociaal-economische achtergronden. In dit project worden de curriculumkenmerken, -effecten en implementatievoorwaarden op de leeruitkomsten en onderwijskansen onderzocht op macro-, meso-, micro- en nanoniveau (Priestley et al., 2021). De centrale onderzoeksvragen zijn: – Welke impact heeft curriculum op de leeruitkomsten van leerlingen in het basisonderwijs? – Welke curriculumkenmerken hangen het sterkst samen met een positieve impact op leeruitkomsten en eerlijke onderwijskansen (Kyriakides et al., 2018)? – Welke implementatievoorwaarden kunnen we onderscheiden op de verschillende curriculaire niveaus? – Welke randvoorwaarden faciliteren de effectieve implementatie van een kennisrijk kleutercurriculum? – Hoe kunnen de randvoorwaarden die de effectieve implementatie van een kennisrijk kleutercurriculum faciliteren inhoudelijk en structureel vormgegeven worden binnen de Vlaamse onderwijscontext? Het onderzoeksproject omvat drie luiken: een systematische literatuurstudie, empirisch onderzoek en de vertaalslag ervan naar de Vlaamse onderwijscontext. De resultaten beogen beleidsmakers en curriculumontwerpers, leraren en scholen gericht te ondersteunen bij het ontwerpen en implementeren van curricula. Individuele bijdrage 2 Achtergrondkennis en woordenschat zijn cruciaal voor leer- en leesprocessen, maar niet alle kinderen starten met dezelfde kansen aan het kleuteronderwijs. Kleuters uit sociaal kwetsbare contexten starten vaak met minder bagage, wat kan leiden tot een kansenkloof met andere kleuters. Echter, recente studies tonen dat het inzetten op een kennisrijk curriculum vanaf de kleuterklas een kansrijke kennisbasis kan leggen voor alle kinderen (Grissmer et al., 2024; Vanhees et al., 2025). Kennisrijke curricula worden geconceptualiseerd als een plan voor leren dat focust op krachtige gestructureerde kennis die logisch opbouwt doorheen de tijd en gekenmerkt door drie principes: inhoudelijke rijkdom, coherentie en helderheid (Surma et al., 2025). Ze onderscheiden zich van een informatierijk curriculum, waar feiten centraal staan en er weinig samenhang is, wat het moeilijker maakt om tot diepgaand begrip te komen. In deze case-study werden de schoolteams van drie Antwerpse kleuterscholen tijdens een driejarig professionaliseringstraject ondersteund op vlak van voorbereidende taal- en leesdidactiek en curriculumbewustzijn binnen een kennisrijk curriculum op schoolniveau (ELIAS), met bijzondere aandacht voor leerlingen uit sociaal kwetsbare contexten. Het doel was om de leerkrachten te versterken in effectieve onderwijspraktijken en hun curriculumbewustzijn te vergroten m.b.v. een blended programma, dat een onlinetraining combineerde met live vormingssessies en lerende netwerken. Data werden verzameld via focusgroepsgesprekken en diepte-interviews. De resultaten tonen dat de inzichten met betrekking tot een kennisrijk curriculum zich onderscheiden van de eerdere aanpak in curriculumontwikkeling, waar de leefwereld van het kind voornamelijk fungeerde als startpunt en er weinig aandacht voor coherentie was. De deelnemers ervaarden het professionaliseringstraject als zeer waardevol. Zo werd gerapporteerd dat de focus op coherentie leidde tot meer know-how, maar dat het tegelijk uitdagend is om thema’s goed af te bakenen. De deelnemers wezen ook op enkele belangrijke uitdagingen, waaronder het arbeidsintensieve karakter van curriculumontwikkeling op schoolniveau en bredere implementatie (Wils et al., 2025). Individuele bijdrage 3 Een groeiende groep jonge kinderen start het onderwijs met weinig of geen kennis van het Nederlands. Voor een voorspoedige schoolloopbaan is het essentieel dat deze jonge startende meertaalleerders (2,5 tot 4 jaar) vanaf de start toegang krijgen tot kwaliteitsvolle taal- en kennisontwikkeling (Bisschop et al., 2022; Geudens et al., 2021). In de eerste maanden van hun schoolloopbaan doorlopen zij vaak een zogenaamde stille periode, waarin zij weinig of niet spreken in de onderwijstaal. Deze term leidt echter tot hardnekkige misverstanden, alsof taalontwikkeling in deze fase stil zou staan. Onderzoek toont aan dat taalbegrip en vroege taalproductie zich in deze periode actief ontwikkelen en dat communicatieve interacties daarbij cruciaal zijn (Roberts, 2014; Kan et al., 2024). Toch krijgen jonge meertalige kinderen in de praktijk vaak minder taalstimulerende interacties en spreekkansen dan hun leeftijdsgenoten (Mohr et al., 2007; Peleman et al., 2020). Het Taalactief-project richt zich op het ondersteunen van leerkrachten en kinderverzorgers bij de begeleiding van deze doelgroep tijdens de eerste maanden in het Nederlandstalig onderwijs. De centrale onderzoeksvraag luidt welke noden leerkrachten en jonge startende meertaalleerders ervaren in de huidige klaspraktijk en hoe inzichten uit de internationale onderzoeksliteratuur richting kunnen geven aan een doelgerichte onderwijsaanpak. Methodologisch wordt gewerkt vanuit ontwerponderzoek, met een combinatie van literatuurstudie en een nodenanalyse in kleuterklassen. Via klasobservaties en interviews met leerkrachten worden sterktes en verbeterpunten in de huidige taalondersteuning in kaart gebracht. Deze analyse vormt de basis voor het ontwerp van een toolbox met leerlijnen voor interactie, taalattitude en woordenschat, ingebed in herkenbare klascontexten zoals onthaal, spel en voorlezen. De bijdrage toont hoe de opgebouwde leerlijnen, gebaseerd op de uitgevoerde nodenanalyse en internationale onderzoeksinzichten (Weiland et al., 2018; Taelman et al., 2024), kunnen dienen als theoretisch en didactisch kader voor taalondersteuning in de vroege schoolfase. Papersymposium (90 minuten)842Rita Kennis, KBA Nijmegen, Nijmegen, Petra Poelmans, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam, Mariska Roelofs, KBA Nijmegen, Nijmegen, Marijn Vleeskens, Oberon onderzoek en advies, Utrecht, Ton Klein (voorzitter), Pauline van Eck (discussiant) 1.074do 14:30 – 16:00 Kinderen hebben op basis van het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties, maar ook op basis van de Nederlandse Grondwet (artikel 23) recht op onderwijs. Het onderwijs heeft de opdracht ervoor te zorgen dat zij zich kunnen ontwikkelen en deelnemen aan de samenleving. Voor sommige kinderen en jongeren is het niet goed mogelijk om onderwijs op een school te volgen. Bovendien zien we dat door allerlei (maatschappelijke) ontwikkelingen het aantal thuiszittende leerlingen toeneemt. Volgens cijfers van Balans (2020) moet er rekening mee worden gehouden dat circa 15.000 leerlingen thuiszitten zonder onderwijsprogramma en zonder uitzicht op snelle terugkeer naar de eigen, fysieke school. In dit symposium presenteren we drie papers over thuiszitters. Het onderzoek van KBA Nijmegen (Roelofs et. al, 2025), dat is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van OCW, gaat over beter zicht op verzuim: hoe groot is de groep thuiszittende kinderen en jongeren nu werkelijk, wat zijn de oorzaken, en welke categorieën zijn er te onderscheiden? De onderzoekers doen een voorstel voor een nieuwe definitie en de gevolgen daarvan voor registratie, melding en telling. Het tweede paper gaat over eerste resultaten van het onderzoek naar De Digitale School (Klein et al., 2025): een subsidieregeling van OCW waarmee 16 coalities in Nederland afstandsonderwijs kunnen aanbieden aan thuiszittende leerlingen. In dit onderzoek presenteren we welke factoren er van belang zijn in afstandsonderwijs om een leerling succesvol te laten terugkeren naar het onderwijs en praktijk. Tenslotte presenteren we in het derde paper de resultaten van één van de coalities: De Opmaat in Zeeland. Hoe hebben zij afstandsonderwijs aan thuiszitters vormgegeven en lukt het hen om leerlingen weer succesvol te laten terugkeren naar de maatschappij? De discussiant reflecteert op de drie bijdragen en vervolgens gaan we met de aanwezigen in gesprek over de uitkomsten van de onderzoeken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Om ook thuiszittende leerlingen een stevige basis te bieden om deel te nemen aan de maatschappij moeten we met het onderwijs maatwerk bieden. Eén van de manieren is om de geleerde lessen op gebied van digitaal afstandsonderwijs toe te passen op deze groep leerlingen. In dit symposium schetsen we hoe groot het probleem van thuiszittende leerlingen is en hoe digitaal afstandsonderwijs, maar ook onderwijsprofessionals en ouders, een bijdrage kunnen leveren om leerlingen deze gewenste basis te bieden. Individuele bijdrage 1 Ieder jaar leveren alle gemeenten cijfers aan de minister over de schoolgang van leerlingen via de leerplichttelling. Deze leerplichttelling leidt zowel qua uitkomsten als qua informatiewaarde tot zorgen: 1) uit de leerplichttelling blijkt dat (te) veel leerlingen langdurig geen onderwijs volgen, 2) de leerplichttelling biedt onvoldoende zicht op wat er werkelijk speelt. Enerzijds geeft het geen actueel beeld (het omvat cijfers van het vorige schooljaar). Anderzijds geeft het ook geen volledig en adequaat beeld van het schoolverzuim, omdat het aantal leerlingen dat langdurig geoorloofd verzuimt ontbreekt. De leerplichttelling beperkt zich tot de jongeren die ongeoorloofd afwezig zijn geweest. Daarmee blijft een grote groep jongeren die langdurig geen tot weinig onderwijs volgde buiten beeld van de landelijke overheid. Het onderzoek had tot doel om de volgende vragen te beantwoorden: hoe groot is de groep thuiszittende kinderen en jongeren daadwerkelijk, wat zijn de oorzaken, welke categorieën thuiszittende kinderen/jongeren zijn met de huidige definitie niet in beeld zijn en wat is een betere definitie. De uitkomsten van het onderzoek zijn gebaseerd op: 1) deskresearch, 2) interviews, 3) vragenlijstonderzoek bij scholen voor po/vo/go/mbo, bij afdelingen Leerplicht van gemeenten en bij samenwerkingsverbanden po en vo, 4) reflectie-/validatiebijeenkomst. Het onderzoek maakt onder andere duidelijk dat: met name het geschatte aantal kinderen dat met een schoolinschrijving langdurig niet aanwezig is, fors hoger is dan uit de nu bestaande landelijke (leerplicht)telling blijkt; in praktijk vaak meerdere oorzaken een rol spelen, er sprake is van een wisselwerking tussen verschillende factoren en de beoordeling van de oorzaak van het thuiszitten (sterk) afhankelijk is van de partij aan wie dit wordt gevraagd; de huidige definitie van thuiszitters geen volledig en foutloos beeld geeft van het werkelijke aantal kinderen dat langdurig afwezig is van school en dat aanpassing van de definitie (= afbakening) wenselijk én noodzakelijk wordt geacht. Individuele bijdrage 2 Voor leerlingen die gedeeltelijk of helemaal niet meer naar school gaan, kan digitaal afstandsonderwijs een (tijdelijke) oplossing bieden (Suijkerbuijk et al., 2024). Van ‘digitaal afstandsonderwijs’ is sprake wanneer onderwijs niet op school maar online op afstand wordt verzorgd, zonder fysieke aanwezigheid van een leraar in de nabijheid van een leerling (OCW, 2022). Omdat er nog veel onbekend over wanneer en voor wie digitaal afstandsonderwijs wel en niet werkt, loopt er parallel aan het subsidieprogramma Digitale School (OCW, Kennisnet) een opbrengstgericht onderzoek. Daaraan nemen zestien coalities deel, die elk op een eigen manier invulling geven aan digitaal afstandsonderwijs. Tussen 2025 en 2028 volgt een onderzoeksteam (Oberon, O21, Dialogic) de coalities en brengen zij via interviews, documentanalyse (plannen van aanpak, OPP’s) en vragenlijsten in kaart hoe invulling wordt gegeven aan digitaal afstandsonderwijs, hoe de implementatie verloopt en wat opbrengsten zijn. De analyse van de plannen van aanpak en gesprekken met coalities laat een sterke variatie in de doelen, activiteiten en aanpak van digitaal afstandsonderwijs zien. Een onderdeel van het onderzoek is backward mapping, waarmee in het voorjaar van 2026 aan de hand van casussen in kaart wordt gebracht hoe digitaal afstandsonderwijs bijdraagt aan betekenisvolle ontwikkeling bij leerlingen die eerder thuiszaten en geen passend fysiek onderwijs konden volgen. De inzichten uit deze fase vormen input voor de verdere onderzoeksopzet, kennisopbouw over wat werkt, voor wie en onder welke omstandigheden en bieden de basis voor instrumentontwikkeling in de vervolgfase van het onderzoek. In de sessie beschrijven we de verschillende manieren waarop invulling wordt gegeven aan digitaal afstandsonderwijs en presenteren we de methode en resultaten van de backward mapping-studie. We gaan in op wat er is veranderd voor leerlingen, waarom de aanpak werkte en onder welke omstandigheden digitaal afstandsonderwijs hierbij een rol speelde. Individuele bijdrage 3 In Nederland en Vlaanderen kennen we de leerplicht. Ondanks deze regel zijn er kwalificatie- of leerplichtige jongeren die meer dan drie maanden verzuimen. Wat opvalt in relevante literatuur en ontwikkeling van aanpakken aangaande thuiszitters is dat er vooral óver en veel minder mét de thuisblijvers wordt gesproken. Binnen het onderzoek dat gepresenteerd wordt, staat het perspectief van de thuiszitters wél centraal. Wie beter dan de leerlingen kunnen immers aangeven wat er nodig is, en zoals Van Binsbergen et al. (2019, p27) het uitdrukken: ‘de weg wijzen naar verschillende routes en maatwerkoplossingen’. Centrale vraag in het onderzoek is dan ook: wat hebben leerlingen die beschouwd (kunnen) worden als thuiszitters nodig om weer te leren en weer naar school te komen? Op basis van semi gestructureerde interviews waarbinnen aandacht is voor motivatie, sociale en persoonlijke weerbaarheid en omgevingsfactoren, met leerlingen, met hun ouders/voogd en met docenten worden succesfactoren en belemmerende factoren achterhaald. Deze factoren dragen direct bij aan de inrichting van De OpMaat, een plek waar weer tot leren en ontwikkelen komen de kern is. De OpMaat waar een veilig en krachtig pedagogisch leerklimaat centraal staat door onder meer aandacht te schenken aan competentie, autonomie en (vooral) verbondenheid, drie basisbehoeften voor groei (Vansteenkisten et al (2021); Poelmans, 2023), kan zo een opstap vormen naar een andere vorm van onderwijs. Om dit voor elkaar te krijgen wordt er gewerkt aan en in zowel een fysieke als een digitale leeromgeving. Tijdens de presentatie wordt er ingegaan op de resultaten van het onderzoek en de vertaling daarvan naar De OpMaat. Paperpresentatie (30 minuten)208Marjolein Dobber, Vrije Universiteit, Amsterdam 1.078do 14:30 – 16:00 Aanleiding #Book is een bibliotherapeutische interventie (Polleck, 2024; Tijms et al., 2018), die in dit onderzoek wordt ingezet bij leerlingen in cluster 4 van het voortgezet speciaal onderwijs (VSO). Gedurende de interventie lezen leerlingen in groepjes een boek dat aansluit op hun belevingswereld en gaan ze de tekst onder begeleiding van een trainer interpreteren, bediscussiëren en verbinden met hun dagelijks leven. We verwachten dat #Book een rol kan spelen in de ontwikkeling van zowel de leesvaardigheid en leesmotivatie van leerlingen, als op hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Vraagstelling We onderzoeken de volgende vragen: Wat is de implementatiegetrouwheid van #Book in Cluster 4 van het VSO, met betrekking tot overdracht, receptie en de ervaringen van leerlingen? Wat zijn de effecten van #Book in Cluster 4 van het VSO op (a) burgerschapscompetenties en sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen; (b) de leesmotivatie, leesattitude en het leesgedrag van leerlingen; en (c) het begrijpend lezen van leerlingen? Zijn de effecten onder (2) afhankelijk van (a) relevante kenmerken van leerlingen (zoals leeftijd, sekse/gender en aard van de problematiek) en van (b) de overdracht en receptie van de interventie (zie 1)? Doelstelling van de bijdrage We willen in deze presentatie de resultaten van het onderzoek bespreken en ingaan op de implicaties die dit heeft voor de praktijk en het onderzoek. We willen daarbij reflecteren op de methode van onderzoek en op de gevonden resultaten. Dialoog/interactie met publiek We willen het publiek uitnodigen om mee te denken over drie vragen: Is de gekozen methode van onderzoek (combinatie van interviews, observaties en vragenlijsten) geschikt om een goed beeld te krijgen van de implementatie en uitkomsten van een interventie?Welke implicaties heeft dit onderzoek voor de praktijk? Wat kunnen we scholen meegeven vanuit de resultaten? Wat leert dit ons over (onderzoek naar) onderwijsinterventies in het algemeen? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze studie geeft zicht op de doorwerking en impact van een onderwijsinterventie die gericht is op het VSO, waarbij we ook aandacht willen besteden aan de methodologische benadering die we in het onderzoek gekozen hebben. We sluiten aan bij het thema zoals dat door de divisie ‘leren en instructie’ wordt ingevuld: met een onderzoek naar een interventie die is gericht op dialoog, inclusie en innovatie. Paperpresentatie (30 minuten)313Eric Robbers, Radboud Universiteit PWO, Nijmegen 1.078do 14:30 – 16:00 Aanleiding, achtergrond en theoretisch kader. Internationale vergelijkingen, zoals PISA, laten al geruime tijd een structurele daling zien in lees- en rekenprestaties in Nederland en andere West-Europese landen. Onderwijsbeleid richt zich vooral op curriculum en instructie, terwijl relatief weinig aandacht uitgaat naar hoe leerlingen zélf naar het leerproces kijken. Opvattingen van leerlingen over leren zoals ideeën, overtuigingen en verwachtingen staan ook bekend als leerconcepties welke zijn gerelateerd aan leerstrategieën, leermotivatie en leeruitkomsten (Peterson et al., 2010; Robbers et al., 2015; Vermunt, 2005). De huidige studie is gericht op de ontwikkeling van een vragenlijst die de leerconcepties van leerlingen in de brugklas op betrouwbare en valide wijze in kaart brengt. Hiermee bouwt deze studie voort op fenomenografisch en metacognitief onderzoek naar leerconcepties (o.a. Klatter et al., 2001; Purdie & Hattie, 2001; Säljö, 1997; Vermunt & Donche, 2017). Vraagstelling Kunnen dimensies binnen de oorspronkelijke Learning Conceptions Questionnaire (Klatter et al., 2001) betrouwbaar en valide worden geïdentificeerd met behulp van moderne methodologische benaderingen en hoe verhouden deze geïdentificeerde factoren zich tot bestaande multidimensionale leerconceptiemodellen in de onderwijskundige literatuur (Tabel 1)? Doelstelling van de bijdrage Het doel van deze bijdrage is tweeledig: (1) het ontwikkelen van een verkorte, psychometrisch robuuste vragenlijst om leerconcepties van brugklasleerlingen in kaart te brengen, en (2) het bieden van een praktisch bruikbaar instrument dat scholen ondersteunt bij het afstemmen van onderwijs en begeleiding op verschillen in hoe leerlingen leren en leren begrijpen. Dialoog en interactie met publiek Tijdens de presentatie worden deelnemers actief betrokken bij de interpretatie van de vijf gevonden leerconcepties (diep leren, leren als plicht, negatieve oriëntatie, sociale leeroriëntatie en externe regulatie). Het publiek wordt uitgenodigd te reflecteren op herkenning in de eigen onderwijspraktijk en te verkennen hoe inzicht in leerconcepties kan bijdragen aan motivatie, differentiatie en onderwijskwaliteit in de brugklas. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage positioneert leerconcepties als een cruciale schakel in de transitie van primair naar voortgezet onderwijs. Door voort te bouwen op de leerconceptielijst van Klatter et al. (2001) en deze methodologisch te herijken voor het eerste leerjaar van het voortgezet onderwijs, maakt de studie zichtbaar hoe leerlingen hun leren opnieuw conceptualiseren in een nieuwe onderwijscontext. De bijdrage richt zich primair op de methodologische benadering van onderwijsonderzoek, met implicaties voor doorwerking en valorisatie: het instrument ondersteunt scholen bij begeleiding van leerlingen in deze overgang, bij het afstemmen van onderwijs op veranderende leeropvattingen en mogelijk bij het verklaren van resulaten bij basisvaardigheden. Paperpresentatie (30 minuten)899Oeds van Middelkoop, Hermann Wesselink College, Amstelveen 1.078do 14:30 – 16:00 In mijn promotieonderzoek (2025) ontwikkelde en testte ik een didactiek voor de VWO-bovenbouw, waarin leerlingen zelfstandig onderzoek doen in de lessen Nederlandse literatuurgeschiedenis. In onderzoek van Jansen (2009) bleken leerlinggestuurde vragen de leesmotivatie te verhogen. Ik onderzocht vooral of zo’n aanpak leidt tot rijkere en beter onderbouwde interpretaties van literairhistorische teksten. Welke leerwinst ontstaat als leerlingen zelf onderzoeksvragen formuleren en uitwerken, rond herkenbare thema’s die aansluiten bij het burgerschapsonderwijs? Aanleiding voor mijn onderzoek was het feit dat veel leerlingen literatuurgeschiedenis ervaren als moeilijk. Oudere teksten zijn taalkundig en contextueel moeilijk toegankelijk en zonder voldoende historisch besef blijft inleving in personages beperkt. Hertalingen helpen, maar blijken onvoldoende om teksten betekenisvol te maken. In een tijd van ontlezing vraagt die situatie om didactiek die leerlingen activeert en eigenaarschap geeft. Dat gebeurt als leerlingen zelfstandig literairhistorische teksten onderzoeken en vergelijken met historische en moderne spiegelteksten. Zij verkennen dan niet alleen de historische context, maar reflecteren ook op veranderende ideeën over de tekst, en op de lezer als betekenisgever. In vier lessenseries onderzochten leerlingen de denk- en leefwereld van personages. Ze bestudeerden multiculturele verhoudingen in Floris ende Blancefloer, machtskwesties in 17e-eeuwse toneelteksten, gender in Sara Burgerhart en (anti-)koloniaal gedachtegoed in Max Havelaar. Ik vergeleek de resultaten van experimentgroepen, die onderzoek deden, met controlegroepen, die docentgestuurde vragen maakten. Beide groepen bereikten hetzelfde kennisniveau, maar experimentgroepen werkten autonomer en ontwikkelden sterker samenhangende tekstinterpretaties. Zij formuleerden een persoonlijke, kritisch en historisch onderbouwde visie op de teksten. De controlegroepen beantwoordden slechts bestaande vragen. Deze didactiek en lessenseries sluiten aan bij eindterm 19 van de nieuwe kerndoelen en bieden docenten handvatten om literatuurgeschiedenis te verbinden met burgerschapsonderwijs. Met het publiek wordt gereflecteerd op deze aanpak, bijvoorbeeld over de mate van keuzeruimte in onderzoeksvragen, de omgang met de culturele bagage van leerlingen en de balans tussen literariteit, contextualisering en burgerschapsvorming. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Eenzijdige focus op literatuur dicht bij de belevingswereld van leerlingen sluit literairhistorische teksten uit en belemmert de literaire ontwikkeling, ook al gebeurt dit vanuit leesbevorderingsoogmerk. Deze praktijk staat haaks op de diversiteitsparagraaf van de burgerschapsdoelstellingen, waarin oriëntatie op de ander centraal staat. Literatuurgeschiedenisonderwijs ‘in transitie’ biedt mogelijkheden voor inclusief onderwijs en internationale oriëntatie. Als leerlingen in pre-academisch onderzoek ideeën over gender en gelijkheid in literatuurhistorische teksten bestuderen vanuit historische en actuele perspectieven, en bijvoorbeeld Floris ende Blancefloer lezen naast het middeleeuws-Perzische Varqa & Golšhāh, of Max Havelaar naast Wij slaven van Suriname, dan vergroot dat de relevantie van literairhistorische teksten. Vrije vorm (90 minuten)883Nynke Bos, Hogeschool Inholland, Alkmaar, Sharon Calor, Vrije Universiteit, Amsterdam, Chevy van Dorresteijn, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam, Marga Sikkema-de Jong, Universiteit Leiden, Leiden, Anne Fleur Kortekaas-Rijlaarsdam, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam, Monique Leijgraaf, Hogeschool IPABO, Amsterdam, Remco Pijpers, Kennisnet, Zoetermeer, Esther van den Stappen, Avans Hogeschool, Breda 1.080do 14:30 – 16:00 In november 2025 leverde SLO de nieuwe kerndoelen op voor het funderend onderwijs, waaronder die voor het leergebied digitale geletterdheid. De implementatie van deze nieuwe kerndoelen vraagt nieuwe kennis en kunde van leraren en hun schoolteams. Universiteiten en hogescholen werken de komende jaren samen aan een herziening van curricula van lerarenopleidingen en het professionaliseringsaanbod om leraren zo goed mogelijk toe te rusten voor deze transitie. In deze bijdrage staat de vraag centraal wat leraren moeten kennen en kunnen om leerlingen voldoende digitaal geletterd te maken. Tijdens een interactieve paneldiscussie met gerenommeerde onderzoekers* op dit terrein bespreken we deze vraag aan de hand van stellingen vanuit verschillende (kritische) perspectieven op digitalisering in relatie tot onderwijs en de taken en verantwoordelijkheden van de leraar. De sessie bestaat uit een presentatie met thema-introductie (15 minuten), drie gespreksronden (20 minuten/ronde, incl. publieksvragen) en een integratieve afsluiting (15 minuten). Kernthema’s van de drie ronden zijn respectievelijk: (1) pedagogische impact van onderwijstechnologie en digitale geletterdheid als pedagogische opgave in de lerarenopleiding; (2) de rol van lerarenopleidingen in het ontwikkelen van kritisch, ethisch en verantwoord technologiegebruik; (3) positionering van digitale geletterdheid en het leren van leraren: in curriculum en nascholing. Stellingen worden opgesteld door de betrokken onderzoekers i.s.m. scholen en schoolopleiders. Daarnaast wordt het publiek gevraagd stellingen in te brengen. De sessie wordt geleid door dr. Chevy van Dorresteijn (o.a. projectleider digitale geletterdheid in de lerarenopleidingen) en dr. Anne Fleur Kortekaas-Rijlaarsdam (o.a. opleidingsdirecteur Educatieve Master Primair Onderwijs), beiden verbonden aan de VU Amsterdam en gezamenlijk landelijk vertegenwoordigers van de universitaire lerarenopleidingen primair onderwijs. * Het panel bestaat uit: dr. Nynke Bos (Inholland), dr. Sharon Calor (Hogeschool van Amsterdam/Universiteit van Amsterdam/VU Amsterdam), dr. Monique Leygraaf (IPABO), dr. Remco Pijpers (Kennisnet/VU Amsterdam), prof. dr. Marga Sikkema-De Jong (Universiteit Leiden) en dr. Esther van den Stappen (Avans Hogeschool) Vrije vorm (90 minuten)801Korrie Hoekstra, Hogeschool Van Hall Larenstein, Leeuwarden 1.086do 14:30 – 16:00 Onze maatschappij vraagt om afgestudeerden die niet alleen beschikken over kennis, maar ook in staat zijn om door handelen betekenisvolle verandering te creëren. Deze sessie verkent hoe onderwijsontwerp gericht op transformatieve agency niet alleen waardevol is voor leren, maar ook een rijke bron vormt voor onderwijskundig onderzoek en curriculumontwikkeling. De bijdrage toont hoe uitwerkingen van onderwijsopdrachten kunnen worden gebruikt als kwalitatieve data om inzicht te krijgen in hoe studenten bij kunnen dragen aan maatschappelijke opgaven. De theoretische basis ligt in onderzoek naar transformatieve agency en reflexieve analysebenaderingen in het hoger onderwijs. De centrale vraag luidt: Hoe kunnen door studenten uitgewerkte onderwijsopdrachten worden ingezet als bruikbare data voor onderzoek dat bijdraagt aan toekomstbestendig curriculumontwerp? Deelnemers voeren in kleine groepen een korte data-genererende onderwijsactiviteit uit. Daarna analyseren ze elkaars output met een light versie van reflexieve thematische analyse. Hierdoor ontstaat interactie over de interpretatie en de vertaling daarvan naar ontwerpprincipes voor curriculumvernieuwing. Het maximaal aantal deelnemers is 16. De sessie is sterk ervaringsgericht: deelnemers ontwerpen, analyseren, interpreteren en reflecteren samen. De opbrengst bestaat uit voorlopige thema’s, concrete ontwerpimplicaties en praktische methodieken om dagelijkse onderwijspraktijken te benutten als bron voor onderwijsonderzoek en onderwijsinnovatie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op doorwerking en impact van onderwijsonderzoek in het licht van maatschappelijke transities. Door data te genereren binnen onderwijsactiviteiten zelf, ontstaat een directe verbinding tussen leren, onderzoek en verandering. De sessie biedt een methodologische aanpak waarmee docenten, onderzoekers en curriculumteams cyclisch en evidence-informed kunnen werken aan toekomstbestendig onderwijs. Daarmee ondersteunt de werkvorm zowel de transitie van het hoger onderwijs als de voorbereiding van studenten op maatschappelijke opgaven. Vrije vorm (90 minuten)544Stijn Dhert, KU Leuven, Leuven 1.092do 14:30 – 16:00 Het TE_REG-project (Teacher Education Regenerated: Beyond Competencies. Rethinking and Redesigning Teacher Education Curricula in the GenAI Era) is een Erasmus+-samenwerking tussen zes Europese lerarenopleidingen (https://te-reg.eu/), allemaal lid van het wereldwijde UNESCO Associated Schools Network (https://www.unesco.org/en/aspnet). Het project bouwt voort op twee samenhangende uitdagingen voor de lerarenopleiding: extern is er de opkomst van GenAI; intern blijken op competenties gebaseerde lerarenstandaarden in de praktijk vaak te resulteren in fragmentatie en proceduralisering. In vijf verschillende Europese landen werden rond deze twee thema’s literatuurstudies uitgevoerd en focusgroepen georganiseerd met lerarenopleiders, (student-)leraren, beleidsactoren en onderzoekers. Uit deze data blijkt dat GenAI lerarenopleidingen confronteert met vragen die verder reiken dan de integratie van nieuwe tools: GenAI creëert een nieuw terrein. Daarnaast is er nood aan conceptuele kaders die het leraarschap in GenAI-tijden adequater kunnen vatten dan de huidige conceptualisering in termen van lerarencompetenties. De bespreking van deze geaggregeerde inzichten vormt de basis voor het TE_REG Manifesto, waarin het idee van een ‘regeneratieve lerarenopleiding’ wordt geïntroduceerd. Regenerativiteit verwijst naar het actief versterken en herijken van onderwijspraktijken en naar het zoeken naar nieuwe evenwichten in veranderende contexten. Centraal staat een dispositionele benadering van het leraarschap, geïnspireerd op het werk van Perkins et al. (2000). Verder beschrijft het Manifesto basiskenmerken van en voorwaarden voor het realiseren van een regeneratieve lerarenopleiding, met nadruk op coherentie tussen een onderbouwde visie, curriculum en opleidingspraktijken (https://te-reg.eu/results/manifesto/). Het TE_REG Manifesto fungeert als een ‘theory-informed boundary object’ (Star & Griesemer, 1989): een gedeeld referentiekader dat theoretisch is onderbouwd en tegelijk uitnodigt tot gesprek, interpretatie, contextualisering en verdere uitwerking. Tijdens deze workshop onderzoeken we in interactie met deelnemers hoe het TE_REG Manifesto, als ‘boundary object’, kan bijdragen aan het ‘regeneratief’ herdenken en onderbouwen van visie, curriculum en opleidingspraktijken in lerarenopleidingen in GenAI-tijden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In een context van GenAI, maatschappelijke complexiteit en druk op bestaande standaarden verkent de workshop hoe theorievorming, empirisch onderzoek en professionele dialoog samen kunnen bijdragen aan positionering en herontwerp van lerarenopleidingen. Het TE_REG Manifesto fungeert daarbij als ‘theory-informed boundary object’ dat onderzoek inzet als gedeeld referentiekader voor betekenisgeving, contextualisering en doorwerking, en zo bijdraagt aan de transitie van het onderwijs zelf. Papersymposium (90 minuten)429Peter de Vries, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Dorien Havelaar-Petri, Hanzehogeschool, Groningen, Ria Goedhart, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Eddie Denessen, Radboud Universiteit (voorzitter), Sofie Lorijn, Hanze Groningen (discussiant) 1.096do 14:30 – 16:00 De toenemende diversiteit stelt scholen voor nieuwe vraagstukken rond kansengelijkheid. Het primair onderwijs biedt kansen om ongelijkheid vroegtijdig te verkleinen, waarbij samenwerking met ouders cruciaal maar complex is. Ouderbetrokkenheid bevordert het schoolsucces van leerlingen (Epstein, 1986). Tegelijkertijd ervaren leerkrachten moeite in de samenwerking met ouders met een andere culturele achtergrond (Gaikhorst, 2017). Deze problematiek wordt mede versterkt doordat in de huidige pabo-opleidingen beperkt aandacht is voor interculturele competenties en samenwerken met ouders (Willemse & De Bruïne, 2018). We verkennen de samenhang tussen diversiteit, kansengelijkheid, ouderbetrokkenheid, en professionele bekwaamheid van leraren, met als doel inzicht te bieden in hoe onderwijs en lerarenopleidingen beter kunnen bijdragen aan gelijke onderwijskansen. Doelstellingen In de sessie concretiseren we de professionele vaardigheden die leerkrachten nodig hebben om effectief samen te werken met ouders met diverse achtergronden, en verbinden we deze vaardigheden aan het bevorderen van kansengelijkheid in het basisonderwijs. Overzicht De eerste presentatie biedt een breder perspectief op de kennis en vaardigheden die leerkrachten nodig hebben om ouderbetrokkenheid te versterken in uiteenlopende onderwijscontexten. In de tweede presentatie worden de resultaten van twee studies naar samenwerking tussen leraren en ouders in een meertalige context met elkaar vergeleken. In de derde presentatie wordt er ingezoomd op de klas en onderzoekt hoe leerkrachten de culturele kennis van leerlingen doelgricht benutten in de lespraktijk. Wetenschappelijke betekenis Onderzoek toont aan dat samenwerking tussen leraren en ouders kansengelijkheid kan vergroten. Tegelijkertijd is nog onvoldoende bekend hoe leraren dit vormgeven met ouders met diverse culturele achtergronden en hoe zij culturele kennis van leerlingen benutten. Deze bijdrage biedt inzicht in benodigde professionele bekwaamheden en handelingsstrategieën waarmee leerkrachten zowel in de samenwerking met ouders als in de klas kunnen werken aan kansengelijkheid. Structuur Inleiding 5 minuten Presentatie 1 20 minuten Presentatie 2 20 minuten Presentatie 3 20 minuten Reactie referent 10 minuten Discussie 15 minuten Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de doorwerking en impact van onderwijsonderzoek in de onderwijspraktijk. Uit onderzoek blijkt dat samenwerking tussen leraren en ouders kan bijdragen aan het vergroten van kansengelijkheid, maar dat leerkrachten hierbij handelingsverlegenheid ervaren in diverse contexten. Door theoretische inzichten te verbinden aan empirisch onderzoek biedt deze bijdrage concrete aanknopingspunten voor professionele bekwaamheden en handelingsstrategieën in samenwerking met ouders en in de klas. Daarmee ondersteunt het onderzoek leerkrachten en lerarenopleidingen bij het werken aan kansengelijkheid in een diverse samenleving. Individuele bijdrage 1 Naar een breder perspectief op de specifieke vaardigheden en kennis die leerkrachten moeten bezitten om de betrokkenheid van ouders te vergroten Aanleiding De betrokkenheid van ouders bij het onderwijs van hun kinderen wordt algemeen gezien als een belangrijke factor voor schoolsucces. Tegelijkertijd kan ouderbetrokkenheid verschillende vormen aannemen, die samenhangen met uiteenlopende opvattingen over onderwijs en curriculum. Dit onderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in de specifieke kennis en vaardigheden die leerkrachten nodig hebben om ouderbetrokkenheid te vergroten in verschillende onderwijscontexten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ouderbetrokkenheid thuis en op school (Hussain, Khurshid & Amin, 2018). Het theoretisch kader wordt gevormd door het model van Epstein (2009), dat verschillende vormen van ouderbetrokkenheid onderscheidt, en de curriculumtypologie van Schiro (2013), die inzicht biedt in uiteenlopende onderwijsvisies en de implicaties daarvan voor het handelen van leerkrachten. De relevantie van dit onderzoek ligt in het expliciteren van contextafhankelijke professionele bekwaamheden van leerkrachten.VraagstellingWelke competenties hebben leerkrachten nodig om ouderbetrokkenheid te vergroten binnen verschillende onderwijscontexten en curriculumopvattingen?MethodeIn dit onderzoek is gebruikgemaakt van een kwalitatieve systematische review van veertig studies. Deze methode maakte het mogelijk om relevante wetenschappelijke literatuur systematisch te selecteren, analyseren en vergelijken, en om patronen en verschillen in perspectieven te identificeren (Dickson, Boland, & Cherry, 2017).ResultatenOp basis van de analyse van veertig studies ontstaat een gedifferentieerd beeld van de competenties die leerkrachten nodig hebben om effectief samen te werken met ouders. De resultaten laten zien dat deze competenties verschillen afhankelijk van de vorm van ouderbetrokkenheid en de onderliggende curriculumideologie. Een visie waarin effectiviteit van onderwijs centraal staat vraagt bijvoorbeeld andere competenties dan een visie gericht op de brede ontwikkeling van leerlingen.Discussie en conclusieDe bevindingen onderstrepen dat ouderbetrokkenheid geen eenduidig concept is en dat van leerkrachten verschillende professionele vaardigheden worden gevraagd, afhankelijk van onderwijscontext en onderwijsvisie. Dit onderzoek draagt bij aan een beter begrip van de complexiteit van ouderbetrokkenheid en biedt aanknopingspunten voor professionalisering en lerarenopleiding. Individuele bijdrage 2 Perspectieven van leraren en ouders in het onderwijs aan nieuwkomers op educatief partnerschap Inleiding Het bouwen aan educatief partnerschap vereist specifieke aandacht en scholing (Epstein & Sanders 2006; Willemse 2017). Van leraren wordt verwacht dat zij een positieve houding en effectieve communicatieve vaardigheden ontwikkelen (Bartels & Eskow, 2010). Leraren in het onderwijs aan nieuwkomers worden geconfronteerd met specifieke uitdagingen bij het opzetten van een educatieve partnerschappen, zoals de aanwezigheid van verschillen talen, verschillende schoolsystemen en verschillende rolpercepties (Antony-Newman, 2019). Volgens onderzoek vereisen deze uitdagingen een cultuurresponsieve aanpak (Bakker et al., 2013; Kayzer et al., 2021). Wat betekent deze aanpak voor de houding en communicatie van leraren en hoe kunnen we leraren en lerarenopleidingen hierin ondersteunen? Methodologie In 2021-2024 werden twee interpretatieve studies uitgevoerd op basisscholen voor nieuwkomers in Nederland. Tien ervaren leraren deelden succesvolle ervaringsverhalen over samenwerking met ouders; twaalf Syrische, Eritrese en Oekraïense ouders deelden hun ervaringen en verwachtingen met betrekking tot hun samenwerking met leraren. Een thematische analyse van de interviews (Verhoeven, 2020) en memberchecks (Birt et al., 2016) werden gebruikt om relevante aspecten van de houding en communicatie van leraren te beschrijven. De interviews en memberchecks met ouders zijn uitgevoerd in met hulp van tolken. Resultaten Leraren en ouders delen het belang van een uitnodigende en begripvolle houding, responsief taalgebruik en toegankelijke communicatiekanalen, maar verschillen vaker dan zij overeenkomen in wat samenwerking bevordert. Discussie Een cultuurresponsieve aanpak vraagt om voortdurende dialoog met ouders, die wordt beïnvloed door tijdsdruk en machtsafstand. Leraren in het nieuwkomersonderwijs hebben ondersteuning nodig bij het samenwerken met ouders met een andere thuistaal, kennis van andere schoolsystemen en andere opvattingen over wederzijdse verantwoordelijkheden. Individuele bijdrage 3 Culturele verschillen in de klas; hoe kun je ze inzetten in je les? Inleiding Het onderwijs wordt steeds diverser. Wanneer scholen onvoldoende inspelen op culturele verschillen, kan dit leiden tot kansenongelijkheid. Om gelijke kansen te bieden, zijn benaderingen nodig die recht doen aan diversiteit. Een onderwijsbenadering is cultureel responsief lesgeven (CRL) (Gay, 2010). CRL benut culturele achtergronden van leerlingen om betrokkenheid en leerprestaties te vergroten (Banks et al., 2005). CRL vereist kennis van leerkrachten van leerlingen, hun ouders en de buurt waar ze wonen. Dit vraagt om communicatie van leerkrachten met leerlingen en ouders. Sterk educatief partnerschap kan CRL versterken. Hoewel CRL theoretisch is onderbouwd, ontbreekt inzicht in hoe leerkrachten dit in de praktijk toepassen. Dit kan verklaren waarom leerkrachten moeite ervaren bij het benutten van culturele kennis (Brown et al., 2018; Samuels, 2018). Deze studie onderzoekt hoe leerkrachten culturele kennis doelgericht integreren in hun onderwijs. Methodologie We hebben semi-gestructureerde interviews afgenomen bij 28 leerkrachten van zeventien basisscholen in Nederland (schooljaar 2024-2025). De twaalf kennisdomeinen van culturele kennis volgens Petri et al. (2025) dienden als leidraad. Leerkrachten gaven concrete voorbeelden van hoe, en met welk doel, zij gebruik maken van deze kennisdomeinen in de klas. Resultaten Voorlopige resultaten tonen dat leerkrachten de culturele achtergrond van leerlingen actief benutten om hun onderwijs af te stemmen, een welkom gevoel te creëren, positieve relaties op te bouwen en motivatie te vergroten. Tegelijkertijd ervaren leerkrachten uitdagingen bij de integratie van culturele kennis in bestaande methodes en waardeverschillen met ouders, wat de samenwerking bemoeilijkt. Dit is een aandachtspunt omdat samenwerken met ouders essentieel is voor een veilige en inclusieve schoolomgeving. Discussie De kennisdomeinen komen op verschillende manieren en met verschillende intenties terug in de klas. Wel hebben leerkrachten behoefte aan praktische handvatten en voorbeelden om CRL verder te concretiseren. Vrije vorm (90 minuten)387Corina Breukink, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Jop Schaap, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Vuslat Seker, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.016do 14:30 – 16:00 In deze workshop van 90 minuten maken lerarenopleiders en onderzoekers kennis met het gebruik van eyetracking-vignettes als instrument voor leraren om antwoorden van leerlingen te interpreteren en leerlingen verder te begeleiden. Met behulp van oogbewegingsdata bekijken we in de workshop hoe leerlingen diagrammen, zoals histogrammen en case-value plots, interpreteren en hoe deze het redeneerproces van leerlingen zichtbaar kunnen maken, zodat docenten betere didactische keuzes in het onderwijs kunnen maken. Na een korte introductie van het Eye Teach Stats-project en de basisprincipes van eye-trackingonderzoek, gaan de deelnemers aan de slag met een voorbeeldvignette. In kleine groepen analyseren ze een combinatie van antwoorden, uitleg en oogbewegingsdata van leerlingen. De deelnemers zoeken naar patronen in het redeneringsproces van leerlingen en mogelijke onderliggende conceptuele misvattingen, en denken na over de implicaties van deze patronen voor het onderwijs. De workshop laat zien hoe deze vignetten momenteel worden gebruikt in de lerarenopleiding en nascholingen. In plaats van eye-tracking te behandelen als een technologische instrument om data te verzamelen, zetten we het in als een didactisch hulpmiddel dat een professionele blik, diagnostisch redeneren en discussie over het denken van leerlingen bevordert. Tijdens de workshop verbinden deelnemers de ervaringen van de vignette met hun eigen context in het onderwijs, de lerarenopleiding, curriculumontwerp of professionele ontwikkeling. Ook bediscussieren we de toepassingen van dit type vignettes buiten de lerarenopleiding. Aan het einde van de workshop zullen de deelnemers (a) begrijpen wat eye-tracking-vignetten zijn en hoe ze zijn opgebouwd, (b) ervaring hebben opgedaan met het analyseren van het redeneren van leerlingen aan de hand van multimodale gegevens, en (c) concrete ideeën hebben opgedaan voor het gebruik van oogbewegings vignetten in hun eigen onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze workshop sluit aan bij het thema Onderwijs voor Transitie door in te gaan op hoe lerarenopleidingen zich kunnen aanpassen op veranderende onderwijseisen. Met behulp van eye-tracking vignetten onderzoeken we hoe digitale onderzoekstools kunnen worden gebruikt als didactische hulpmiddelen die een reflectieve praktijk, een professionele blik en research-informed beslissen ondersteunen. De workshop geeft een voorbeeld van een verschuiving van productgerichte beoordeling naar procesgericht begrip van het leren door leerlingen, wat bijdraagt aan een meer responsieve en adaptieve vorm van onderwijs. Vrije vorm (90 minuten)829Janina den Hertog, Hogeschool Saxion, Deventer, Wietske Kuijer, Hogeschool Arnhem Nijmegen, Nijmegen, Nienke Nieveen, Technische Universiteit Eindhoven, Eindhoven, Klaasjan Visscher, Universiteit Twente, Enschede, Irene Visscher-Voerman, Hogeschool Saxion, Deventer 3.018do 14:30 – 16:00 In het hoger onderwijs groeit de aandacht voor het opleiden van studenten tot changemakers die kunnen bijdragen aan maatschappelijke transities. Co‑leren over disciplines en praktijken heen is daarbij essentieel en vormt de kern van transdisciplinair onderwijs. Hoewel deze vorm van onderwijs veelbelovend is, blijkt duurzame inbedding ervan in curricula uitdagend. Het roept vragen op als: hoe realiseer je co‑leren tussen studenten, docenten en stakeholders, en hoe stimuleer en begeleid je dit proces? Hoe kan transdisciplinair leren duurzaam worden ingebed in curricula, en welke vormen van organisatorische ondersteuning zijn daarvoor nodig? Een NKO-gefinancierd consortium van elf Nederlandse hogescholen en universiteiten onderzoekt hoe transdisciplinair onderwijs effectief kan worden vormgegeven. Binnen het project worden diverse transdisciplinaire onderwijscontexten bestudeerd. Bevindingen worden vertaald naar evidence‑informed ontwerpprincipes. Deze ontwerpprincipes bieden concrete handvatten en tools, met oog voor de specifieke context waarin het onderwijs plaatsvindt. In deze workshop vormen enkele voorlopige ontwerpprincipes het vertrekpunt. Door vanuit deze ontwerpprincipes op een systematische en begeleide manier met elkaar in gesprek te gaan, worden ervaringen van afzonderlijke deelnemers expliciet zichtbaar en gebundeld. Dit bevordert wederzijds leren over transdisciplinair onderwijs en levert waardevolle input op voor het consortium voor verdere verfijning en validering van de ontwerpprincipes. We presenteren eerst kort het onderzoek en de voorlopige ontwerpprincipes. Daarna gaan kleine groepen aan de slag met één principe, bekeken vanuit twee perspectieven: theoretische inzichten en empirische voorbeelden. Deelnemers formuleren individueel -op basis van hun ervaring en expertise- theoretische onderbouwing of nuancering van het principe, en/of praktijkvoorbeelden en aandachtspunten. Vervolgens worden de uitkomsten in de groepen besproken en uiteindelijk samengebracht in een plenaire terugkoppeling, waarin de besproken principes worden verrijkt en gecontextualiseerd. Op deze manier krijgen enerzijds deelnemers diepgaand inzicht in het vormgeven van transdisciplinair onderwijs en leveren zij anderzijds een waardevolle bijdrage aan het valideren en aanscherpen van de ontwerpprincipes. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit direct aan bij het congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ doordat het onderzoek zich richt op het ontwikkelen van ontwerpprincipes voor duurzame transdisciplinaire onderwijsconfiguraties die co‑leren tussen studenten, docenten en maatschappelijke partners mogelijk maken. Transdisciplinair onderwijs is essentieel voor het omgaan met complexe maatschappelijke vraagstukken, maar vraagt om nieuwe vormen van (co-)leren, ondersteuning en curriculaire inbedding. Middels een ontwerpgerichte onderzoeksaanpak met elf hogeronderwijsinstellingen, biedt dit onderzoek inzicht in werkzame mechanismen en randvoorwaarden voor onderwijs dat daadwerkelijk bijdraagt aan maatschappelijke transities en daarmee aan de vernieuwing van het hoger onderwijs. Papersymposium (90 minuten)297Edith Hooge, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Tim de Leeuw, TIAS School for Busines and Society, Tilburg University, Tilburg, Henno Theisens, Haagse Hogeschool, Den Haag, Margriet van der Sluis (voorzitter), Anko van Hoepen (discussiant) 3.038do 14:30 – 16:00 De doelstellingen van de sessie Het doel van dit papersymposium is tweeledig. Ten eerste het delen van onderzoeksmethodologische resultaten: deconstructie van nieuwe, valide en betrouwbare meetinstrumenten om netwerkeffectiveit te meten als ook het bespreken van de gebruikte multi-level analysemethoden. Ten tweede het presenteren en bediscussiëren van inhoudelijke resultaten van ons meerjaars empirisch mixed methods onderzoek naar 29 Nederlandse regionale sturingsnetwerken in het onderwijs, en deze te vertalen voor de praktijk van onderwijsbestuurders, netwerkcoördinatoren en beleidsmakers. Een overzicht van de presentatie In de eerste presentatie komen de constructie, validering en betrouwbaarheidstoetsing van de meetinstrumenten aan bod waarmee de bestuurlijke prestaties en de impact van regionale sturingsnetwerken in het onderwijs empirisch zijn onderzocht. In de tweede presentatie wordt uitgediept hoe een gedeelde visie binnen het netwerk – als onderdeel van bestuurlijk vermogen – van belang is voor de bestuurlijke prestaties (netwerkeffectiviteit). In de derde presentatie wordt ingegaan op hoe de begrenzing en overlap tussen regionale sturingsnetwerken in het onderwijs de opbouw van hun bestuurlijk vermogen beïnvloedt. De wetenschappelijke betekenis De wetenschappelijk bijdrage van dit onderzoek ligt: ten eerste in de rijke empirische analyses van 29 regionale sturingsnetwerken in het onderwijs en in de ontwikkeling van nieuwe meetinstrumenten (208 enquêtes en 38 interviews). en ten tweede in de theorievorming over de spatial turn in de sociale wetenschappen (Waslander, 2016; Massey, 2005) en over ‘organisatie sociaal kapitaal’ (Hooge et al, 2019; Cross and Parker, 2004; Adler and Kwon, 2002; Nahapiet & Ghoshal, 1998) als vruchtbaar concept om bestuurlijk vermogen te onderzoeken; De structuur van de sessie Na een korte introductie van de voorzitter (een wetenschapper met expertise in netwerkonderzoek), worden de drie papers gepresenteerd. Daarna houdt de discussiant (een onderwijsbestuurder met ervaring met regionale sturingsnetwerken) een kritische beschouwing, waarna ruimte is voor verder discussie en vragen in de zaal, gemodereerd door de voorzitter. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek Dit paper gaat over hoe de effectiviteit van regionale sturingsnetwerken kan worden geoperationaliseerd en betrouwbaar en valide worden gemeten. Theoretisch wordt aangesloten bij een onderscheid tussen 1) effectiviteit als procesopbrengsten op het niveau van het netwerk, en 2) effectiviteit als inhoudelijke opbrengsten voor een doelgroep of burgers waar het netwerk zich op richt (George et al., 2024; Klijn, Steijn & Edelenbos, 2010). Het eerste conceptualiseren we als bestuurlijke prestaties (de mate waarin netwerkleden tot gezamenlijk bestuurlijk handelen komen); het tweede als impact genereren in de onderwijspraktijk (zoals door netwerkleden zelf gepercipiëerd (George et al., 2024)). Vraagstelling van het onderzoek Hoe kunnen de bestuurlijke prestaties en de impact van regionale sturingsnetwerken in het onderwijs worden geoperationaliseerd en betrouwbaar en valide gemeten? Methode Met (input voor) items uit de onderzoeksliteratuur en zelfontworpen items zijn nieuwe meetinstrumenten ontworpen. Eerst is een pre-test uitgevoerd met een enquête onder 137 onderwijsbestuurders (response-rate 59%). De (betrouwbaarheid en validiteit van de) instrumenten zijn verbeterd m.b.v. reductietechnieken (o.a. schaal- en factoranalyse), face-validity, betrouwbaarheidsanalyse, en Inter-Item Correlaties. De verbeterde meetinstrumenten zijn opgenomen in de enquête onder alle coördinatoren/leden van 29 regionale sturingsnetwerken en opnieuw verbeterd m.b.v. bovengenoemde technieken. De non-respons is geadresseerd met inter rater reliability d.m.v. de intraclass correlatiecoëfficiënt (ICC) (Shrout and Fleiss, 1979). Er is grote overeenstemming tussen de verschillende respondenten (ICC’s blijken allen groter dan 0,90), hetgeen wijst op een goede betrouwbaarheid (Koo & Li, 2016). Resultaten De bijlagen laten de uiteindelijke resultaten zien: betrouwbare en valide meetinstrumenten om de bestuurlijke prestaties en de impact van regionale sturingsnetwerken in het onderwijs te kunnen meten. Meervoudige OLS-regressieanalyses, Generelized Structural Equation Modelling en robuustheidanalyses, die antecedenten van de effectiviteit van regionale sturingsnetwerken analyseren, laten opmerkelijk veel overeenstemming in resultaten zien, hetgeen een aanwijzing is voor betrouwbare meting van de concepten. Individuele bijdrage 2 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek Gedeelde visie, als element van bestuurlijk vermogen, speelt een belangrijke rol voor de effectiviteit van regionale sturingsnetwerken in het onderwijs. In deze bijdrage wordt uitgediept wat gedeelde visie precies behelst en hoe het bijdraagt aan de bestuurlijke prestaties van sturingsnetwerken (netwerkeffectiviteit). Vraagstelling van het onderzoek Welke functie heeft gedeelde visie voor het bestuurlijk vermogen van regionale sturingsnetwerken in het onderwijs en hoe beïnvloedt het hun bestuurlijke prestaties? Methode De data van de enquête onder alle coördinatoren en leden van 29 regionale sturingsnetwerken zijn geanalyseerd met meervoudige OLS-regressieanalyse gevolgd door Generelized Structural Equation Modelling, met de Netwerkid als m-level controle variabele, en zijn interviewdata systematische geanalyseerd (mixed methods). Om de resultaten over gedeelde visie inhoudelijk nader te duiden is theorie en onderzoeksliteratuur geraadpleegd. Resultaten De enquête-resultaten bevestigen dat gedeelde visie een positief samenhangt met de bestuurlijke prestaties van regionale sturingsnetwerken (zie de bijlage). Tegelijkertijd blijkt uit de interviewdata en netwerkdocumentenanalyse dat de gedeelde visie vaak ‘vrij vaag’ is, en meestal zo globaal opgesteld dat ‘niemand het ermee oneens kan zijn’. Theorie over ‘boundary objects’ (Star & Griesemer, 1989; Star, 2010) en ‘empty signifiers’ (o.a. Sørensen & Torfing, 2005) wijst uit dat juist een vage/globale gedeelde visie netwerkleden verbindt en hen ruimte biedt voor een eigen vertaling/invulling. Onderzoeksliteratuur over (effectieve) netwerken (Provan & Lemaire, 2012) en over organisatie-sociaal-kapitaal (zie bv.: Russel et al., 2025; Sedgwick, et al., 2022; Hooge et al., 2019), geeft inhoudelijke duiding aan het positieve effect van gedeelde visie op netwerkeffectiviteit. Discussie en conclusie Gedeelde visie blijkt een belangrijk element van bestuurlijk vermogen. Om als sturingsnetwerk effectief te zijn, biedt een vage en/of globale gedeelde visie netwerkleden juist ruimte en verbindt het hen. Netwerkleden hoeven niet volledig op 1 lijn te zitten, om effectief te kunnen samenwerken aan een groter goed. Individuele bijdrage 3 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek Regionale sturingsnetwerken hebben een ruimtelijke component (Larsen & Beech, 2014; Robertson, 2009) die locatie-gebonden, gelaagd en specifieke geconfigureerd is. De ruimtelijke configuraties beïnvloeden hun functioneren en effectiviteit (Cox et al., 2020; Cox, Arnold & Thomás, 2010; Ostrom, 1990, 2000). We conceptualiseren ruimtelijke configuratie aan de hand van: begrenzing: natuurlijke, sociaal-culturele (Scott, 2009; Massey, 2005; Paasi, 2003), reputationele en bestuurlijke (Allen, et al., 1998; Harrison, et al., 2017, 2016; Harrison, 2013); overlap in samenstelling (Harrison & Growe, 2014; Harrison, et al., 2016, 2017; Metzger, 2013; Brenner, 2009));overlap in inhoud (Metzger, 2013; Marres, 2005). Vraagstelling van het onderzoek (Hoe) Beïnvloeden begrenzing en overlap tussen regionale sturingsnetwerken in het onderwijs hun bestuurlijk vermogen? Methode De data van de enquête onder alle coördinatoren/leden van 29 regionale sturingsnetwerken zijn geanalyseerd met meervoudige OLS-regressieanalyse (vanwege mogelijke curvi-lineaire relaties ook met gekwadrateerde varianten van variabelen, zie: Lind en Mehlum, 2010), gevolgd door Generelized Structural Equation Modelling, met de Netwerkid als m-level controle variabele. Om de resultaten inhoudelijk te duiden/valideren zijn interviewdata systematische geanalyseerd (mixed methods). Resultaten Begrenzing en overlap tussen regionale sturingsnetwerken beïnvloeden hun bestuurlijk vermogen, maar deze invloed is niet altijd lineair, noch altijd positief, zie de bijlage. Interviewdata wijzen uit dat binnen netwerken een permanente zoektocht gaande is om te bepalen wat men op welke tafel, in welk netwerk, met wie, kan of moet bespreken. Netwerkcoördinatoren hanteren heel verschillende strategieën voor begrenzing en overlap. Onze bevindingen duiden op drie typen ruimtelijke configuratie met elk hun eigen invloed op bestuurlijk vermogen. Conclusie en discussie Ruimtelijke configuratie doet ertoe, omdat het van invloed is op de opbouw van bestuurlijk vermogen en daarmee op de effectiviteit en impact van regionale sturingsnetwerken in het onderwijs. De relaties tussen (elementen van) ruimtelijke configuratie en bestuurlijk vermogen blijken complex, zie de bijlagen. Papersymposium (90 minuten)606Elisa Kupers, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Hannah Odink, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Christy Tenback, Regionaal Expertisecentrum Noord (RENN4), Groningen, Christy Tenback (voorzitter), Henderien Steenbeek (discussiant) 3.058do 14:30 – 16:00 Externaliserend gedrag is een groeiend probleem in het onderwijs (Boer et al., 2022). Externaliserend gedrag is gerelateerd aan welzijn en academische prestaties van leerlingen (Kjeldsen et al., 2016) en is een stressor voor leraren, wat mogelijk kan leiden tot burn-out en uitval (Harmsen et al., 2018). Dit onderstreept het belang van gerichte professionalisering van docenten. In dit symposium wordt vanuit verschillende onderzoeken bijgedragen aan inzicht in professionalisering rondom externaliserend gedrag. De eerste bijdrage biedt een systematisch overzicht van bestaande literatuur en hiaten in interventieonderzoek. De tweede bijdrage onderzoekt de implementatie van een professionaliseringsinterventie. De derde bijdrage richt zich op samenwerking tussen voortgezet onderwijs (vo) en voortgezet speciaal onderwijs (vso) in gezamenlijke professionalisering. Het doel van dit symposium is het delen van wetenschappelijk onderbouwde kennis en ‘good practices’ die het handelingsrepertoire van leraren versterken. Professionalisering van leraren voor inclusie van leerlingen met externaliserend gedrag: inzichten uit literatuuronderzoek.Easy as ABC: inzet en borging van een professionaliseringsinterventie bij externaliserend gedrag. Hier wordt ingegaan op bevorderende en belemmerende factoren bij duurzame implementatie van de ABC-methodiek.Van handelingsverlegenheid naar gezamenlijk leren: professionalisering rond externaliserend gedrag. Deze bijdrage richt zich op het delen van inzichten uit een onderzoek naar het ontwikkelen van vaardigheden en attitudes van docenten in het V(S)O rond omgaan met externaliserend gedrag. De gepresenteerde onderzoeken bieden hierbij niet alleen inzicht in óf, maar met name hóe een specifieke professionaliseringsinterventie werkt, met aandacht voor interacties tussen leraren en leerlingen en in de inbedding van een interventie in de organisatie. De structuur van de sessie is als volgt: Na opening en inleiding door de voorzitter (5 min.) volgen drie presentaties (elk 20 min. inclusief ruimte voor vragen). De sessie eindigt met een gezamenlijke discussie over de implicaties voor onderzoek en praktijk onder leiding van een discussiant (25 min.). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De transitie naar een inclusieve leeromgeving vraagt meer dan beleidsambities; zij vraagt om onderzoek dat daadwerkelijk doorwerkt in de onderwijspraktijk. In dit symposium laten we zien hoe onderwijsonderzoek kan bijdragen aan deze transitie door literatuur, onderzoek en praktijk met elkaar te verbinden. Centraal staat de doorwerking en impact van praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek naar gezamenlijke professionalisering. Door co-creatie, kennisdeling en praktische expertise uit het gespecialiseerd onderwijs versterken we het handelingsrepertoire van leraren en geven we de transitie naar een inclusieve leeromgeving concreet vorm. Individuele bijdrage 1 Review externaliserend gedrag Omgaan met opstandig en onrustig gedrag van leerlingen is een grote uitdaging voor leraren, in het bijzonder in het voortgezet onderwijs (Arbuckle & Little, 2004). Externaliserend gedrag is een complex probleem. Dat verklaart wellicht waarom het probleem nog steeds bestaat terwijl er al veel wetenschappelijk onderbouwde interventies zijn (e.g. Aldabbagh et al., 2024). Voor blijvende gedragsverandering is het nodig dat leraren goed begeleid en geprofessionaliseerd worden (Hingstmann et al., 2023). Het doel van deze overzichtsstudie was professionalisering binnen interventies gericht op externaliserend gedrag in het V(S)O nader te onderzoeken. Onderzoeksvraag 1: Hoe wordt professionalisering van leraren vormgegeven binnen deze interventies? Onderzoeksvraag 2: Wat zijn werkzame factoren in de professionalisering binnen deze interventies voor het bevorderen van attitudes, kennis, en vaardigheden van leraren? We analyseerden 51 wetenschappelijke artikelen aan de hand van literatuur over het MTSS en werkzame professionalisering. We vonden in bijna de helft van de studies professionaliseringsactiviteiten van beperkte duur waarbij de docent beperkt actief betrokken was. De professionalisering was daarbij weinig toegesneden op de lespraktijk en het niveau van bekwaamheid van de leraar. De leraar was in deze studies meer ‘uitvoerder’ van de (door onderzoekers bedachte) interventie dan onderwijsprofessional. Dit type ‘smalle’ professionalisering kwam vaak voor bij kortdurende interventies die zich op 1 specifieke vaardigheid richtten. Bij zogenaamde ‘multitiered’ en tier-3 interventies zagen we vaker ‘brede’ professionalisering. (waarbij leraren langduriger gecoacht werden bij de implementatie en waarbij er meerdere professionaliseringsactiviteiten gecombineerd werden). De tweede onderzoeksvraag was moeilijker eenduidig te beantwoorden, omdat attitudes, kennis en vaardigheden van leraren maar beperkt meegenomen worden als uitkomstmaat van de interventie; meestal is alleen het gedrag van leerlingen de uitkomstvariabele. Voor toekomstig onderzoek adviseren we daarom om niet alleen naar het gedrag van de leerling, maar ook naar veranderingen in attitudes, kennis en vaardigheden van leraren te kijken. Individuele bijdrage 2 Implementatie ABC-methodiek Om leraren te ondersteunen in de omgang met externaliserend gedrag heeft RENN4 de ABC-methodiek doorontwikkeld en geïmplementeerd: een professionaliseringsinterventie gericht op preventie en de-escalatie. In dit onderzoek worden de sociale validiteit (Wolf, 1978) en belemmerende en bevorderende factoren (Durlak & DuPre, 2008) in implementatie van de ABC-methodiek onderzocht, met aandacht voor thema’s als cultuur en visie, samenwerking en communicatie, personeelsbeleid en schoolleiderschap. De volgende vragen zijn daarbij leidend: ‘Hoe wordt de ABC-methodiek geïmplementeerd op scholen van RENN4?’ en ‘Hoe hangt de implementatie van de ABC-methodiek samen met sociale veiligheid, incidenten, en absentie en verloop in het schoolteam?’ Allereerst is een survey verspreid onder 17 scholen, waarbij implementatietrouw van de ABC-methodiek in kaart is gebracht. Vervolgens zijn op 10 scholen verdiepende interviews afgenomen bij de schoolleider, gedragsdeskundige of intern begeleider en leerkrachten (N = 35), om sociale validiteit en bevorderende en belemmerende factoren in kaart te brengen. Implementatie op schoolniveau is door middel van kwantitatieve analyses gekoppeld aan schoolgegevens over incidenten, sociale veiligheid, absentie en verloop in het team. Voorlopige resultaten tonen aan dat de ABC-methodiek een sociaal valide interventie is die door leerkrachten als waardevol en noodzakelijk wordt ervaren. Leerkrachten geven aan dat randvoorwaarden zoals voldoende tijd, fysieke ruimte en structurele ondersteuning essentieel zijn voor een duurzame implementatie, evenals training en intervisie. Op schoolniveau zijn verscheidene bevorderende factoren gevonden, zoals het aanwijzen van een aandachtsfunctionaris als kartrekker van de methodiek en actief en verbindend leiderschap. Voorbeelden van belemmerende factoren zijn gebrek aan structurele tijd voor nabesprekingen van incidenten. Samenhang met sociale veiligheid, incidenten, en absentie en verloop kunnen ten tijde van de ORD 2026 gerapporteerd worden. Hoewel de ABC-methodiek als sociaal valide wordt ervaren, valt er wat betreft duurzame implementatie nog winst te behalen. Praktische aanbevelingen voor versterking van implementatie van deze en soortgelijke professionaliseringsinterventies zullen besproken worden. Individuele bijdrage 3 Samenwerken aan professionalisering Externaliserende gedragsproblematiek vormt een grote uitdaging in het voortgezet onderwijs (Arbuckle & Little, 2004). Ondanks bestaande kennis over effectieve interventies ervaren leraren vaak handelingsverlegenheid in de dagelijkse onderwijspraktijk, wat het leren en welzijn van leerlingen belemmert en de realisatie van inclusief onderwijs onder druk zet. Eerder onderzoek benadrukt het belang van professionalisering, maar laat zien dat deze vaak onvoldoende aansluit bij de schoolcontext en leraren vooral positioneert als uitvoerders van interventies (Kupers et al., 2025). Bovendien is er beperkt onderzoek naar gezamenlijke professionalisering en samenwerking tussen regulier voortgezet onderwijs (vo) en voortgezet speciaal onderwijs (vso), waardoor weinig bekend is over de potentiële meerwaarde hiervan. Dit onderzoek richt zich op de vraag hoe gezamenlijke professionalisering van leraren uit het vo en vso rondom externaliserend gedrag kan worden vormgegeven en welke opbrengsten dit heeft voor leraren en leerlingen. Daarbij wordt gekeken naar het samenwerkingsproces binnen professionele leergemeenschappen, veranderingen in kennis, attitude en vaardigheden van leraren, en veranderingen in gedrag, leren en het gevoel van inclusie van leerlingen. Het onderzoek is opgezet als een multiple case study binnen vier bovenschoolse professionele leergemeenschappen waarin leraren uit het vo en vso samenwerken. De professionaliseringsinterventie bestaat uit drie samenhangende componenten: (1) collectieve scholing, (2) samenwerking in professionele leergemeenschappen, en (3) individuele coaching naar behoefte. Data worden verzameld via vragenlijsten, observaties, interviews en leerlinggegevens op meerdere meetmomenten gedurende drie jaar. Het onderzoek beoogt inzicht te bieden in hoe gezamenlijke professionalisering vorm krijgt en hoe deze bijdraagt aan het verminderen van handelingsverlegenheid van leraren en aan inclusiever onderwijs. Ten tijde van de ORD 2026 zijn eerste resultaten beschikbaar. Het onderzoek levert praktijkgerichte en wetenschappelijke kennis op over adaptieve professionalisering, samenwerking tussen vo en vso en het verminderen van handelingsverlegenheid van leraren, als bijdrage aan het ontwikkelen van een inclusieve leeromgeving. Postersymposium (90 minuten)852Jet Bierman, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Marije Eradus, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Svenne Groeneweg, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Nynke van Ketel-de Wit, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Monique Volman (voorzitter), Max Kusters (discussiant) 3.060do 14:30 – 16:00 Doelstelling van de sessie In deze sessie delen en bediscussiëren we voorbeelden van onderzoek naar onderwijs binnen de eigen hoger-onderwijsinstelling, vanuit een Centre for Teaching and Learning (CTL). We delen daarbij inzichten over factoren die bijdragen aan de leerervaring van studenten, de professionele ontwikkeling van docenten en onderwijsinnovaties, en die CTL’s kunnen helpen een ondersteunende rol te vervullen. Een overzicht van de presentatie Dit postersymposium brengt vier studies bijeen die vanuit verschillende perspectieven inzicht bieden in onderwijsvernieuwing en professionele ontwikkeling van docenten in het hoger onderwijs. De vier studies richten zich respectievelijk op 1. het opschalen van bottom-up onderwijsinnovaties, 2. het gebruik van active learning spaces door studenten, 3. de rol van professionele netwerken van docenten in praktijkgericht onderzoek naar het eigen onderwijs, en 4. het leren van startende docenten van spanningen in hun onderwijspraktijk. Samen bieden zij aanknopingspunten voor hoe CTL’s deze processen op verschillende niveaus kunnen ondersteunen en versterken. De wetenschappelijke betekenis Het CTL vormt de verbindende schakel tussen onderwijsvisie en onderwijspraktijk door de organisatie en docenten te ondersteunen bij het realiseren van onderwijsvernieuwing en professionele ontwikkeling. Om deze vertaalslag effectief en doelgericht te maken, is een evidence-informed werkwijze noodzakelijk. Door theoretisch gefundeerd onderwijsonderzoek naar de praktijk ontstaat inzicht in wat werkt, onder welke condities en waarom. Deze kennis stelt het CTL in staat om onderwijsinnovaties gericht te begeleiden en keuzes rondom onderwijsstrategieën te onderbouwen. Evidence-informed werken fungeert daarmee niet als doel op zich, maar als fundament voor kwalitatief hoogstaand, consistent en duurzaam onderwijs. De structuur van de sessie Na een korte toelichting van iedere bijdrage aan de hand van een poster volgt een interactief deel waarin deelnemers vragen kunnen stellen en van gedachten kunnen wisselen met de onderzoekers. De discussiant stimuleert de gezamenlijke reflectie en discussie door de individuele bijdragen te duiden en aan elkaar te verbinden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Het samenspel van factoren in het opschalingsproces van bottom-up innovaties in het hoger onderwijs Onderwijsinstellingen zoals universiteiten profiteren van onderwijsinnovaties die van onderaf ontstaan, bijvoorbeeld gestimuleerd via onderwijsbeurzen, omdat deze aansluiten bij lokale behoeften. Het opschalen van deze innovaties kan de impact van succesvolle praktijken vergroten, maar is een ingewikkeld en uitdagend proces. Opschalen omvat het verspreiden en verduurzamen van een innovatie, waarbij de innovatie het onderwijs verdiept en meerdere mensen zich eigenaar voelen (Coburn, 2003). Hoewel er wat onderzoek is gedaan naar factoren die het verspreiden dan wel verduurzamen van een innovatie beïnvloeden, is dit vooral in de context van het primair onderwijs en blijven de andere twee dimensies onderbelicht (Liu et al., 2020). Verder is er beperkt onderzoek naar hoe factoren met elkaar samenhangen. Inzicht in deze samenhang is belangrijk om gerichte ondersteuning te bieden. Het doel van deze studie is te onderzoeken welke samenhang van factoren het opschalen van een bottom-up innovatie in het hoger onderwijs over tijd beïnvloedt, en hoe deze factoren met de opschalingsdimensies interacteren. Daartoe is een diepgaande casestudie uitgevoerd (cf. Yin, 2009) naar een bottom-up innovatie die institutioneel werd geïmplementeerd aan een Nederlandse universiteit. Op basis van diepte-interviews (N = 8) met stakeholders (zoals projectleider, innovatiecoördinator) en documenten (zoals projectrapporten, N = 50) is een narratief casusportret ontwikkeld Rodríguez-Dorans, 2020). Resultaten laten onder andere zien dat opschaling begint met verdieping en verspreiding, gevolgd door verduurzaming, waarna de dimensies elkaar afwisselen. Daarbij speelt eigenaarschap een sleutelrol bij het verspreiden van de innovatie. Binnen elke dimensie werkt een eigen samenhang van factoren op organisatieniveau (infrastructuur, capaciteit), innovatieniveau (ervaren noodzaak) en individueel niveau (expertise) op elkaar in. Het onderzoek kan beleidsmedewerkers helpen om het opschalen van innovaties beter te ondersteunen. Individuele bijdrage 2 Het gebruik van active learning spaces door studentenOp veel universiteiten vindt een verschuiving plaats van docentgericht onderwijs naar studentgericht onderwijs. Onderzoek laat zien dat studenten beter leren wanneer zij een actieve rol hebben (Deslauries et al., 2019). Daarom ontwikkelen universiteiten steeds vaker active learning classrooms (ALCs): fysieke onderwijsruimtes waarin inrichting en technologie participatie en samenwerking tussen studenten ondersteunen. De term actief leren verwijst naar een verscheidenheid aan studentgerichte onderwijsmethoden die studenten stimuleren om te participeren, om betrokken te zijn en om te reflecteren (Whittaker & Charles, 2020). Groepsactiviteiten zijn lastig uit te voeren in traditionele zalen met vast meubilair in rijen, maar gaan eenvoudiger in ALCs. In ALCs werken studenten in groepen van vier tot acht, met flexibel meubilair waardoor zij elkaar kunnen aankijken en makkelijk kunnen samenwerken. Vaak is er voor elke groep een LCD‑scherm of whiteboard beschikbaar. Onderzoek suggereert dat ALCs het leren van studenten kunnen bevorderen, maar er is nog weinig bekend over hoe dat precies gebeurt (Ellis & Goodyear, 2016). Deze studie richt zich op ervaringen van studenten om het leren binnen ALCs beter te begrijpen. Dit helpt de complexe relaties tussen onderwijsmethode, ruimte en technologie te verduidelijken. Centrale vragen zijn: Hoe gebruiken studenten ruimte en technologie die zijn ontworpen voor actief leren? Op welke wijze ervaren studenten de fysieke kenmerken van onderwijsruimtes als ondersteunend of belemmerend voor hun leerproces? Het onderzoek is een multiple case study van vier ALCs van Nederlandse universiteiten. Studenten zijn geobserveerd tijdens drie lessen per ALC en per les zijn twee à drie studenten geïnterviewd over hun gebruik van fysieke en digitale aspecten van de ALC. Voorlopige resultaten laten zien dat studenten ALCs waarderen, vooral omdat deze samenwerking ondersteunen. Nabijheid en elkaar kunnen aankijken worden genoemd als cruciale factoren, die ook het sociale leerproces versterken. Individuele bijdrage 3 De rol van professionele netwerken van docenten in praktijkgericht onderzoek naar het eigen onderwijs Scholarship of Teaching and Learning (SoTL) verwijst naar systematisch en praktijkgericht onderzoek door docenten gericht op het verbeteren van hun eigen onderwijs (Boyer, 1990). De aandacht voor SoTL als strategie voor professionele ontwikkeling en onderwijsverbetering is recent sterk toegenomen (Tight, 2017). Waar eerder onderzoek zich vooral richtte op individuele effecten, benadrukken nieuwere studies het potentieel van SoTL voor teams, opleidingen en instellingen (Kensington-Miller et al., 2025; Williams et al., 2013). Professionele docentnetwerken kunnen een sleutelrol spelen in het realiseren van dit potentieel (Kezar, 2014). Dit onderzoek bouwt voort op de sociale netwerktheorie (Borgatti et al., 2018). De centrale onderzoeksvragen zijn: (1) hoe betrekken docenten hun professionele netwerken tijdens SoTL-projecten, en (2) hoe beïnvloeden sociale interacties binnen deze netwerken kennisdeling, onderwijspraktijken, onderwijsvisies en houdingen ten opzichte van SoTL? De studie is gebaseerd op twee rondes semigestructureerde interviews met veertien docenten die deelnamen aan een door CTL gefaciliteerd SoTL-programma. Daarnaast zijn, op basis van maximum variation sampling, vier docentnetwerken geselecteerd waarin in totaal 23 netwerkleden zijn geïnterviewd. De interviewdata zijn thematisch geanalyseerd. De resultaten laten aanzienlijke variatie zien in de omvang, samenstelling en strategische inzet van sociale netwerken. Netwerkinteracties richtten zich voornamelijk op het delen van kennis over SoTL als academische werkwijze en minder op de verspreiding of toepassing van concrete projectresultaten. Een jaar na afronding van het SoTL-programma bleek de directe impact op de onderwijspraktijken van collega’s daardoor beperkt. Wel lijkt een positieve houding ten opzichte van SoTL te ontstaan, met name binnen netwerken met sterke interpersoonlijke relaties en minder hiërarchie. Deze studie illustreert hoe deelname aan SoTL professionaliseringsprogramma’s kan doorwerken in houdingen en werkwijzen binnen netwerken en biedt aanknopingspunten voor universiteiten om gerichte netwerkinterventies te ontwerpen om effecten van dergelijke professionaliseringsinitiatieven verder te verspreiden en verduurzamen. Individuele bijdrage 4 Wanneer en hoe leren startende docenten op de universiteit van spanningen Startende docenten beginnen doorgaans met lesgeven zonder formele opleiding, wat betekent dat zij competenties ontwikkelen via dagelijkse onderwijservaringen. Deze nieuwe, onbekende ervaringen kunnen spanningen met zich meebrengen. Hoewel spanningen vaak als negatief of uitdagend ervaren worden, bevatten ze juist veel leerpotentieel (Lehne & Koelsch, 2015). Onderzoek in het voortgezet onderwijs suggereert dat spanningen bijdragen aan professionele groei (Pillen et al., 2013). Er is echter weinig bekend over hoe dit leerproces eruitziet. Het doel van dit onderzoek is om te verkennen wanneer en hoe de spanningen die startende docenten ervaren leiden tot leren, waarmee het theorieën over spanningen en werkplekleren samenbrengt. Spanningen zijn situaties geassocieerd met gevoelens van conflict, dissonantie, instabiliteit of onzekerheid, waarin het individu de situatie wil stabiliseren (Lehne & Koelsch, 2015). Theorieën over werkplekleren bieden handvatten om het leren van spanningen beter te begrijpen, door inzicht te geven in de manieren waarop docenten leren en de antecedenten die dit leren beïnvloeden (individuele-, werkgerelateerde kenmerken, organizationele context; Kyndt et al., 2016). Dit onderzoek is een longitudinale, meervoudige casestudie (Yin, 2018). Data is verzameld via semigestructureerde interviews aan het begin en het eind van het academische jaar 2023-2024, en 8 tussentijdse dagboeken. Een within- en cross-case analyse is uitgevoerd op een steekproef van 8 participanten middels thematische analyse (Braun & Clarke, 2006). De resultaten laten zien dat leren van spanningen vooral zichtbaar is als docenten positieve gevoelens en agency ervaren, of als zij bewuste leeractiviteiten ondernemen. Bovendien stimuleren validatie door anderen, emotionele veiligheid en ondersteuning door collega’s het leren, terwijl (hoge) werkdruk en een ervaren gebrek aan ondersteuning het leren bemoeilijkt. Ook spelen kenmerken van de spanning zelf een rol. Zo leren docenten vooral als spanningen intens (maar niet te intens), nieuw zijn of herhaaldelijk worden ervaren. Vrije vorm (90 minuten)637Angela de Jong, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Anje Ros, Fontys Hogeschool, Tilburg, Piety Runhaar, Wageningen Universiteit, Wageningen, Els Tanghe, Universiteit Antwerpen, Antwerpen, Loes van Wessum, Hogeschool Windesheim, Zwolle 3.070do 14:30 – 16:00 Doelstelling van de sessie Een groep onderwijsonderzoekers naar leiderschap in het onderwijs heeft zich verenigd en gezamenlijk een kennisagenda opgesteld, die leidend is om praktijkgericht onderzoek te doen en om inzichten en op kennis gebaseerde handvatten voor schoolleiders en opleiders te ontwikkelen en te verspreiden. Op die wijze wil zij een bijdrage leveren aan onderzoek naar leiderschap en aan schoolleiders zodat zij beter geëquipeerd zijn transities in het onderwijs te realiseren. Overzicht van de presentatie In deze bijdrage delen we eerst de vier onderzoekslijnen. We presenteren vervolgens twee voorbeelden uit de onderzoekslijnen. Het eerste voorbeeld is een presentatie van een scoping review naar leiderschapsstrategieën om om te gaan met complexe vraagstukken (Schreurs & Sleegers, 2024). De focus ligt daarbij op hoe schoolleiders omgaan met deze vraagstukken en op welke wijze ze het team daarbij betrekken. TALIS-onderzoek (Buisman e.a., 2025) laat zien dat een derde van de schoolleiders in het primair en voortgezet onderwijs vindt dat ze te weinig toekomen aan onderwijskundig leiderschap. Als belangrijk onderdeel zien wij het leiding geven aan het leren van het team (Grissom e.a, 2021; Leithwood, 2021). In het tweede voorbeeld presenteren we een geïntegreerde, evidence-informed leidraad als praktische handreiking die schoolleiders ondersteunt in hun leiderschap rond de professionele ontwikkeling van teams in onderwijs in transitie. Structuur van de sessie Na de inleiding op de kennisagenda en de twee presentaties, geeft de discussiant een korte reflectie. We nemen ruime tijd om in interactieve groepen te spreken over de kennisagenda met als doel deze te concretiseren. Wetenschappelijke betekenis We verzamelen input om de onderzoekslijnen verder uit te werken. Welke aanvullingen en suggesties komen uit de gesprekken naar voren? Zijn er lacunes in de kennisagenda? Op welke wijze kan onderzoek bijdragen aan het versterken van leiderschap in tijden van transitie? Individuele bijdrage 1 Inleidende bijdrage Kennisagenda Platform leiderschap in het onderwijs Het platform leiderschap in het onderwijs heeft thema’s onderscheiden van een kennisagenda die tot doel heeft onderzoek naar leiderschap in het onderwijs te verbinden met praktijkonderzoek om zo op kennis gebaseerde handvatten en tools voor schoolleiders en opleiders te ontwikkelen en te verspreiden. De kennisagenda in bestaat in opzet uit de volgende vier thema’ 1. Samenwerking en samenspel: Verantwoordelijkheden in leiderschap en team bekeken vanuit de functies en rollen van schoolleider, bestuur/staf en leraren Onderzoek naar de implementatie van gespreid leiderschap in scholen, waarbij (expert)leraren effectief samenwerken en eigenaarschap nemen over schoolbrede onderwijskwaliteit en innovatie; de samenwerking tussen scholen met schoolbesturen en stafafdelingen en de balans tussen autonomie en collectieve verantwoordelijkheid 2. Professionele ontwikkeling van schoolleiders Onderzoek naar kenmerken van (succesvolle) vormen van professionalisering van schoolleiders, thema’s voor professionalisering en de impact van professionele ontwikkeling van schoolleiders 3. Leiderschap in organisatieverandering en innovatie Onderzoek naar de wijze waarop schoolleiders systematisch en evidence-informed onderwijsverbetering kunnen bevorderen en op een efficiënte en effectieve manier kunnen innoveren, gebruik makend van de expertise binnen en buiten de school. 4. Omgaan met maatschappelijke opdracht in je leiderschap Onderzoek naar de positionering van de school door de schoolleider ten aanzien van maatschappelijke vraagstukken, zoals ten aanzien van inclusie en polarisatie. Het gaat hierbij om vragen als: wat is de opdracht van school en welke waarden van de schoolleider zelf, van het team en van stakeholders spelen hierin een rol? Individuele bijdrage 2 Leiderschap in een complexe maatschappelijke context: een scoping review naar effectieve leiderschapsstrategieën in het funderend onderwijs Zoals de inleiding beschreef, wordt de rol van schoolleiders in het funderend onderwijs steeds complexer. Dat geldt voor de randvoorwaarden waarbinnen schoolleiders functioneren (denk aan personeelstekorten, waaronder die onder schoolleiders zelf) en voor maatschappelijke ontwikkelingen en onrust vanwege allerlei globale problemen (bijv. klimaatcrisis en oorlogen) die de scholen binnenkomen (Schreurs & Sleegers, 2023; Runhaar, 2024). De complexiteit waar scholen mee te maken hebben wordt bepaald door factoren en processen die zich op verschillende niveaus binnen en buiten de onderwijssector afspelen en aan elkaar gelinkt zijn (Vermeeren, 2025). Het is aan schoolleiders om voortdurend te balanceren tussen wat zij moeten doen vanuit beleid en maatschappelijke druk, wat zij willen doen vanuit visie en overtuiging, wat zij kunnen doen gezien hun middelen en context en wat zij uiteindelijk doen in de praktijk (Onderwijsraad, 2008). Vraagstelling Welke leiderschapsstrategieën binnen formeel leiderschap in het funderend onderwijs worden beschreven in de bestaande literatuur en hoe deze zich verhouden tot maatschappelijke ontwikkelingen? Deze vraag staat centraal bij de uitkomsten van een review van wetenschappelijke en praktijkgerichte literatuur van de afgelopen 10 jaar, in opdracht van het nationaal regieorgaan onderwijsonderzoek (NKO). Omdat het onderwerp van studie breed, complex en multifactoriëel van aard is, is gekozen om via een ‘scoping review’, het onderzoeksveld in zijn geheel te verkennen, overzicht te creëren in beschikbare literatuur en hiaten in onderzoek te identificeren (Peters et al., 2020). Om focus aan te brengen in het brede probleem van omgaan met complexe maatschappelijke vraagstukken zal de review, in lijn met literatuur over complexe vraagstukken (bijv. Wielkiewicz & Stelzner, 2005; Head & Alford, 2015), inzoomen op leiderschapsprakijken die (interdisciplinaire) samenwerking op verschillende niveaus beogen te stimuleren. Denk aan samenwerking tussen verschillende actoren, scholen en andere organisaties. Individuele bijdrage 3 Een geïntegreerde leidraad als richtinggevend kompas voor professionele ontwikkeling in het onderwijs Aanleiding, achtergrond en theorie Onderwijs bevindt zich in transitie. Maatschappelijke uitdagingen zoals digitalisering, arbeidsmarktkrapte, inclusie, polarisatie en de opkomst van artificiële intelligentie vragen om een fundamentele herziening van hoe we leren, samenwerken en inzetten op professionele ontwikkeling. Schoolleiders en schoolteams moeten zich aanpassen aan deze veranderingen en ook actief bijdragen aan duurzame oplossingen. Professionele ontwikkeling vormt daarbij een cruciale hefboom. Toch ervaren Vlaamse schoolteams bestaande richtlijnen en kaders voor professionele ontwikkeling en een professionaliseringsbeleid als versnipperd, wat leidt tot complexiteit en onzekerheid bij implementatie. Daarnaast is het aanbod aan professionaliseringsinitiatieven uitgebreid en weten schoolteam te weinig wat kan werken. Binnen de overheidsopdracht Leidraad Professionalisering (Leerpunt) werden twee evidence-informed leidraden van de Education Endowment Foundation (‘Effective professional development’ en ‘School’s guide to implementation) geïntegreerd en hertaald naar de Vlaamse context. Theoretisch sluit deze leidraad aan bij onderzoek naar effectieve professionele ontwikkeling, collectief leren en strategisch schoolbeleid. Relevantie De geïntegreerde leidraad biedt scholen een samenhangend en toegankelijk kader om professionele ontwikkeling doelgericht en duurzaam vorm te geven. Ze helpt overlap tussen bestaande modellen te reduceren en vertaalt wetenschappelijke evidentie naar bruikbare handvatten die aansluiten bij Vlaamse beleidskaders en schoolrealiteit. Verdieping De leidraad is ideaaltypisch: geen blauwdruk, maar een richtinggevend kompas dat scholen ondersteunt bij het ontwerpen, uitvoeren en evalueren van professionaliseringstrajecten. Naast de leidraad werd ondersteunend valorisatiemateriaal ontwikkeld, zoals implementatiechecklists en praktijkvoorbeelden. In de sessie wordt ingegaan op de opbouw, kernprincipes en logica van de leidraad, evenals op het proces van hertaling en contextualisering naar Vlaanderen. Conclusie Door professionele ontwikkeling te benaderen als een strategisch, collectief en beleidsmatig verankerd proces draagt de leidraad bij aan onderwijs voor transitie. Ze versterkt scholen in hun vermogen om schoolteams duurzaam te professionaliseren en zo actief vorm te geven aan toekomstbestendig onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In het congresthema staat de vraag centraal hoe onderwijs bijdraagt aan een maatschappij in transitie, waarin complexe vraagstukken spelen. De bijdrage focust op de vraag hoe schoolleiders hieraan leiding kunnen geven. Inzichten uit een scoping review van wetenschappelijke en praktijkgerichte literatuur en een praktische leidraad voor professionele ontwikkeling geven een context die de basis vormt voor een doorontwikkeling van de onderzoeksagenda van het Platform leiderschap in het onderwijs. In deze agenda krijgt toekomstig onderzoek naar leiderschap vorm waarin een lerende cultuur, innovatie en adaptiviteit een centrale rol spelen. De input van het publiek uit deze sessie verrijkt deze agenda. Vrije vorm (90 minuten)593Josien Boetje, Open Universiteit, Heerlen, Suzan van Brussel, Avans Hogeschool, Breda, Tjark Huizinga, Hogeschool Saxion, Deventer, Wang Qiyun, National Institute of Education, Singapore, Kim Schildkamp, Universiteit Twente, Enschede, Hanneke Theelen, Zuyd Hogeschool, Heerlen, Suzan van Brussel (voorzitter), Vanesse Evers (discussiant) 3.072do 14:30 – 16:00 Chairs: Tjark Huizinga, Suzan van Brussel Presenting authors: Hanneke Theelen, Kim Schildkamp, Josien Boetje, Wang Qiyun Discussant/ referent: Prof. Dr. Vanessa Evers (Chief Science Advisor Ministry of Education – The Netherlands) Introduction by the VOR Division Chairs Dr. Tjark Huizinga (Saxion Hogeschool) & Dr. Suzan van Brussel (Avans Hogeschool) Join us, VOR Divisions Curriculum and ICT, for a thought-provoking symposium that explores the future of curriculum design in the age of AI. The session opens with an inspiring keynote by Dr. Wang Qiyun from the National Institute of Education (NIE), Singapore, setting the stage for critical dialogue on technology-driven educational transformation. This will be followed by two cutting-edge presentations introducing empirically grounded models and frameworks designed to make curricula future-proof. Our discussant, Prof. Dr. Vanesse Evers, Chief Science Advisor AI at the Ministry of Education in the Netherlands, will reflect on our session, sharing her perspective and starting an interactive debate. The chairs will facilitate this interactive part of the session. If you are interested in how generative AI reshapes learning and teaching, and how theory can translate into actionable strategies, this session is not to be missed. Bijdrage 1 How Artificial Intelligence affects curricula in vocational and higher education. Keynote by Dr. Wang Qiyun (National Institute of Education (NIE), Singapore)Artificial intelligence (AI), particularly generative AI (GenAI), is transforming curricula in vocational and higher education. This presentation gives an overview of how AI is embedded into the school curriculum, digital learning platforms, instructional design, policy frameworks, and capacity building in Singapore. It starts with an overview of national initiatives like Singapore National AI Strategy 2.0, and the EdTech Plan 2030 led by the Ministry of Education (MOE). More specifically, this presentation shares how AI influences curriculum design and implementation in Singapore’s post-secondary and tertiary education sectors, where education is closely aligned with workforce development and industry needs. In higher education, AI has driven the integration of AI literacy, ethics, and critical use of generative tools across disciplines. Universities are redesigning curricula to emphasize higher-order competencies such as critical thinking, problem-solving, interdisciplinary collaboration, and responsible AI use, while introducing clear guidelines for transparency and academic integrity. Assessment practices are gradually shifting from a sole focus on outputs to greater attention to learning processes and students’ engagement. In vocational education, AI is shaping more applied, industry-relevant curricula. Specialist diplomas, applied degree programmes, and work-study pathways increasingly focus on hands-on experience with AI technologies, real-world problem solving, and close collaboration with industry partners. AI-enabled learning platforms support personalized skill development, competency tracking, and flexible learning pathways, particularly for adult learners and mid-career professionals. AI is prompting a reconceptualization of curricula as dynamic, skills-oriented, and ethically grounded systems. While AI offers opportunities to enhance relevance, personalization, and efficiency, it also raises challenges related to equity, overreliance on automation, assessment validity, and changing educator roles. The presentation stresses balancing technological innovation with human agency for sustainable curriculum transformation. Bijdrage 2 The DIPS Model: Integrating GenAI in Digital Information Problem Solving by Josien Boetje(Hogeschool Utrecht)Higher education expects students to master Information Problem Solving (IPS): searching, evaluating, and synthesising digital sources (Brand-Gruwel et al., 2009). Generative AI tools such as ChatGPT disrupt this process by streamlining or bypassing IPS phases (Federiakin et al., 2024). While offering efficiency, they raise concerns about overreliance and uncritical acceptance of biased outputs (Bishop, 2023). Existing IPS models, designed for human-led tasks, no longer fully capture AI-supported practices. We examined how generative AI transforms the cognitive processes involved in IPS leading to the Digital-IPS (DIPS)model. We addressed two questions: (1) How can authentic IPS activities using generative AI be characterised? (2) How does AI use differ between novices and experts during IPS? Method Data were collected through screen recordings, think-aloud protocols, and retrospective interviews (n=26). Two independent researchers coded 10% of the data, achieving inter-rater reliability of Krippendorff’s α > 0.70. Thematic analysis revealed patterns in AI-use strategies. Results Findings led to the development of the DIPS-model, comprising 25 cognitive activities across six interconnected phases: Define, Search, Select, Process, Synthesise, and Create, with Regulate as a central metacognitive component. Compared to the IPS-I model, three new activities emerged (adapt input, compare & verify output, consider ethics), and four existing activities were adapted to integrate AI use. Discussion and Conclusion Experts and novices differed in three dimensions: (1) time allocation per phase (experts distributed time more evenly), (2) AI integration (experts used AI strategically across all phases; novices concentrated use in Search and Create), and (3) process flow (experts demonstrated more iterative regulation). Generative AI shifts IPS from a linear to an iterative process, repositioning the human role from executor to supervisor. The DIPS model provides an empirical foundation for redefining IPS competence, learning outcomes, and assessment. Bijdrage 3 AI-GO Framework: Dr. Hanneke Theelen (Hogeschool Zuyd) en Prof. dr. Kim Schildkamp (Universiteit Twente)Rationale The rise of (generative) AI is reshaping teaching, learning, and assessment in vocational and higher education. Teachers and students are expected to engage with AI not only technically, but also critically, pedagogically, and ethically. Although AI literacy is widely recognised, many existing frameworks lack a systematic, evidence-informed foundation. To address this gap, the AI-GO framework was developed as an evidence-informed, education-specific framework (Renkema et al., submitted; Renkema et al., 2025). It conceptualises AI literacy as an integrated construct of knowledge, skills, attitudes, and ethics, embedded in pedagogical-didactic practice and shaped by individual, team, organisational, and policy-level factors. Research question How can AI literacy in vocational and higher education be conceptualised and operationalised in an evidence-informed and applicable way? Method AI-GO is grounded in an umbrellareview of international review studies on AI literacy (2016–2024), complemented by World Café sessions with educational professionals and students. To support implementation, the framework was translated into AI-GO in Action, a practical guide with eight iterative steps for curriculum design, professional development, and organisational embedding. Results The framework defines AI literacy as the dynamic interplay of knowledge, skills, and attitudes, with ethics as its foundational dimension. The accompanying guide provides concrete design principles and actions that support institutions and teams in moving beyond tool-driven approaches towards purposeful and responsible integration of AI in education. Discussion and conclusion AI-GO frames AI literacy as a pedagogical and collective challenge rather than an individual technical skill. The combination of a theoretically grounded framework and a practical, cyclical guide enables context-sensitive and sustainable development of AI literacy in vocational and higher education. In the ORD presentation, the framework will be introduced, with emphasis on its conceptual foundations and relevance for educational design and teacher professional development. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (90 minuten)305Renée Hendriks, Hogeschool Inholland, Haarlem 3.088do 14:30 – 16:00 In het hoger onderwijs is een beweging gaande richting flexibel en zelfgestuurd leren. Studenten krijgen meer keuzevrijheid in hoe, wat, waar en wanneer zij leren, en opleidingen zoeken naar manieren om deze diversiteit te ondersteunen. Tegelijkertijd blijkt dat flexibilisering alleen werkt wanneer het wordt ingebed in een veilige balans tussen structuur en autonomie. Onderzoek toont het belang van autonome motivatie, zelfeffectiviteit, duidelijke verwachtingen, scaffolding en een stapsgewijze overdracht van verantwoordelijkheid1-5. Een te grote mate van vrijheid kan leiden tot studievertraging of zelfs uitval, terwijl te veel structuur de ontwikkeling van student-agency belemmert. Uit praktijkgesprekken weten we bovendien dat taalgebruik, kwaliteitsborging en organiseerbaarheid voor verschillende zelfsturingsniveaus belangrijke aandachtspunten zijn. Binnen het door NKO-gesubsidieerde project Ontwerpen voor Zelfgestuurd en Flexibel leren (OZoFLEX6) ontwikkelen we een werkwijze om deze balans hanteerbaar te maken. In het project, uitgevoerd binnen de Inholland pabo, ontwikkelen we het FLEXweb, een ontwerptool die studenten en docenten ondersteunt bij het zichtbaar maken van flexibiliteit in het curriculum en het herkennen van passende zelfstandigheidsniveaus. Het web combineert principes uit het curriculaire spinnenweb7 en het denken rond Entrustable Professional Activities8. In deze workshop nemen we deelnemers mee in deze werkwijze en verkennen we hoe het FLEXweb hen kan ondersteunen bij ontwerp- en begeleidingsvragen. De workshop van 90 minuten start met het verschil tussen zelfregulerend en zelfsturend leren en een introductie tot het FLEXweb. Vervolgens oefenen deelnemers met het herkennen van zelfstandigheidsniveaus via een kaartjesspel. Daarna passen zij het FLEXweb toe op hun eigen onderwijssituatie. Tot slot verkennen we hoe het FLEXweb kan worden ingezet in de begeleiding van studenten en met een casus gericht op passende begeleidingsvragen en -acties. De workshop biedt concrete handvatten om flexibel, steeds meer zelfsturend onderwijs te ontwerpen en te begeleiden, direct toepasbaar in uiteenlopende opleidingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het hoger onderwijs bevindt zich in een transitie naar effectief, betekenisvol en werkbaar flexibel onderwijs waarin studenten steeds meer regie krijgen over hun leerroute. Deze beweging vraagt om nieuwe ontwerpprincipes, professionalisering en gedeelde taal. Het FLEXweb en de bijbehorende werkwijze zijn producten die hieraan bijdragen uit een ontwerpgericht onderzoek dat nog loopt tot 2027. De workshop laat zien hoe inzichten uit ons project direct toepasbaar worden in curriculumontwikkeling en begeleiding. Daarmee draagt de bijdrage bij aan duurzame impact op onderwijspraktijken en aan het realiseren van effectief flexibel en steeds meer zelfsturend onderwijs. Postersymposium (90 minuten)191Paulien Buist-Brink, Vrije Universiteit, Amsterdam, Maaike Radix, Vrije Universiteit, Amsterdam, Brittney Root, Vrije Universiteit, Amsterdam, Koen Rosema, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Maaike Radix (voorzitter), Anke de Boer (discussiant) 3.090do 14:30 – 16:00 De doelstellingen van de sessie Ondanks de ambitie en de toenemende inspanningen voor het creëren van inclusief onderwijs kunnen leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften niet altijd een passende vorm van onderwijs volgen. Momenteel bestaan er in Nederland nauwe samenwerkingen tussen onderwijs- en zorgprofessionals om onderwijs voor deze leerlingen te realiseren (Rijksoverheid, z.d.). In dit symposium bespreken we inzichten vanuit de samenwerking tussen onderwijs en zorg op verschillende niveaus. Een overzicht van de presentatie Het symposium begint met onderzoek naar risico- en beschermende factoren voor schooluitval en -verzuim onder basisschoolleerlingen, gevolgd door onderzoek naar kenmerkende karakteristieken van leerlingen in het landelijke Experiment Onderwijs-zorgarrangementen. Ten derde zal een kosten-batenanalyse worden gepresenteerd in een Amsterdamse context (SJSO) waarin jeugdhulp direct beschikbaar is op school. Tot slot zal ingezoomd worden op het niveau van de klas en dyadische interactie tussen de onderwijs-zorg professional en de leerling betreffende feedback op het gedrag en leerprestaties. De wetenschappelijke betekenis Het aantal kinderen dat uit het onderwijs valt en thuis komt te zitten neemt toe, vaak omdat zij specifieke ondersteuningsbehoeften hebben (Inspectie van het Onderwijs, 2024; Unesco, 2023). Het uitvallen van kinderen kan onder andere gevolgen hebben voor de gezondheid (Henderson et al., 2014) en de reken- en taalvaardigheden van het individu (Ansari & Gottfried, 2014), en de maatschappij (Belfield & Levin, 2007). Daarnaast kan het (externaliserende) leerlinggedrag invloed hebben op het welzijn van de leerkracht (van den Brink, & Tick, 2020). De structuur van de sessie In dit symposium, bestaande uit vier bijdragen, worden ten eerste inzichten uit recent onderzoek gepresenteerd. Bovendien biedt dit symposium ruimte voor dialoog en discussie over hetgeen er nodig zou moeten zijn voor succesvolle samenwerkingen tussen onderwijs en zorg, om voor elk kind leer- en ontwikkel kansen te creëren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Ondanks de ambities voor het creëren van inclusieve onderwijscontexten in de onderwijspraktijk, beleid en onderzoek, ontvangt een grote groep leerlingen met (specifieke) ondersteuningsbehoeften niet altijd een passende vorm van onderwijs. Samenwerkingen tussen onderwijsorganisaties en jeugdzorgorganisaties, zoals een onderwijs-zorgarrangement, bieden mogelijk een passende plek. Om de transitie naar inclusief en passend onderwijs te maken is het belangrijk om meer inzicht te krijgen in beschermende en risicofactoren (1), welke leerlingen in deze samenwerkingen terecht komen (2), of de kosten van zulke initiatieven op wegen tegen de baten (3) en hoe onderwijs-zorgprofessionals leerlingen met (intensieve) ondersteuningsbehoeften helpen ontwikkelen (4). Individuele bijdrage 1 Inleiding Inclusief onderwijs heeft onder andere als doel ervoor te zorgen dat alle leerlingen participeren in onderwijs (OCW, 2024). Ondanks deze ambitie en de inspanningen voor het creëren van inclusief onderwijs, komen schoolverzuim en -uitval nog steeds voor onder jonge kinderen (Gubbels et al., 2017; Ingrado, 2010; LOB, 2024). Naast dat het lastig is om exact in kaart te brengen hoeveel basisschoolleerlingen thuiszitten (LOB, 2024), ontbreekt eveneens een uitgebreid overzicht van factoren die verband houden met schoolverzuim- en uitval bij basisschoolleerlingen. Bestaande systematic reviews combineren de factoren voor basisschoolleerlingen doorgaans met andere onderwijsniveaus (Gubbels et al., 2019). Dit bemoeilijkt het isoleren van factoren die specifiek gerelateerd zijn aan basisschoolleerlingen, terwijl eerder onderzoek uitwijst dat er verschillen bestaan tussen factoren voor basisschoolleerlingen en middelbare scholieren (Gubbels et al., 2019; Simic & Krstic, 2017). Het doel van deze systematic review is om antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen: Wat zijn risico- en beschermende factoren voor schooluitval onder basisschoolleerlingen? Wat zijn risico- en beschermende factoren voor schoolverzuim onder basisschoolleerlingen? Methode Er zal een systematic review worden uitgevoerd op basis van beschikbare empirische studies over schooluitval- en verzuim onder basisschoolleerlingen (4-12 jaar). Resultaten Op het moment van aanvragen moet de systematic review nog worden uitgevoerd. Tijdens het symposium wordt een overzicht gepresenteerd met risico- en beschermende factoren voor schooluitval en –verzuim onder basisschoolleerlingen, verdeeld in kenmerken van het kind, de familie, de school en de bredere omgeving. Discussie en conclusie Een overzicht van risico- en beschermende factoren voor schooluitval- en verzuim biedt waardevolle handvatten voor het vormgeven van onderwijs en het verminderen en voorkomen van uitval en verzuim onder basisschoolleerlingen. De discussie en conclusie zullen gepresenteerd worden tijdens het symposium, omdat de systematic review nog moet worden uitgevoerd tijdens de aanvraag. Individuele bijdrage 2 Inleiding Een grote groep leerlingen gaat niet naar school (Inspectie van het Onderwijs, 2024; UNESCO, 2023). Schoolafwezigheid kan gevolgen hebben voor individuele kinderen, zoals het missen van fundamentele kennis, vaardigheden en kwalificaties (Gottfried, 2014), maar ook voor de maatschappij, zoals gezondheidsproblemen, crimineel gedrag of depressie (Gubbels et al., 2019). Schoolafwezigheid kan veroorzaakt zijn door gedeeltelijk of volledig exclusie door disciplinaire maatregelen, onvermogen van scholen om aan te sluiten bij de ondersteuningsbehoefte van kinderen en demotivatie voor school (Heyne et al., 2019). Onderwijszorgarrangementen – gespecialiseerde onderwijsomgevingen die aansluiten bij de ondersteuningsbehoefte van de leerlingen – zijn samenwerkingen tussen scholen en jeugdzorginstellingen om school afwezigheid te verminderen. Onderzoeksvragen (1) Wat zijn kenmerkende karakteristieken van leerlingen in een onderwijszorgarrangement en hoe zijn deze karakteristieken verschillend van leerlingen in het regulier- en gespecialiseerd onderwijs? (2) Zijn er verschillende groepen leerlingen met soortgelijke kenmerkende karakteristieken in onderwijszorgarrangementen te onderscheiden? Methode In dit onderzoek wordt administratieve onderwijs, jeugdzorg, gezondheidszorg en persoonsgegevens van leerlingen in het regulier onderwijs, gespecialiseerd onderwijs en leerlingen in onderwijszorgarrangementen verkregen van CBS, Vektis, DUO & BRP. Dit is een deelonderzoek en valt onder een groter longitudinaal onderzoek van arrangeren tot includeren (NKO-Project: 40.5.23944.002). Deze studie is geregistreerd op het Online Science Framework (Rosema et al., 2025). Om antwoord te geven om de eerste onderzoeksvraag worden Chi-Sqaured testen en ANOVA’s uitgevoerd. Om antwoord te geven op de tweede onderzoeksvraag wordt een Latent Class Analyse (LCA) gedaan. Resultaten Op het moment van de aanvraag moeten de analyses nog worden uitgevoerd. Tijdens het symposium worden resultaten van de chi-sqaured testen, anova’s en latent class analyses gepresenteerd. Conclusie & Discussie Op het moment van aanvraag moeten de analyses nog worden uitgevoerd. De discussie en conclusie worden op het symposium gepresenteerd. Individuele bijdrage 3 Inleiding Veel leerlingen in het Nederlandse speciaal onderwijs (SO) hebben regelmatig behoefte aan jeugdhulp (Bakker et al., 2019). In Amsterdam bestaan wachttijden van drie tot zeven maanden (bijv. Arkin Jeugd & Gezin, 2025; Levvel, 2025), wat het risico op onderwijsuitval vergroot. Als reactie lanceerde de gemeente Amsterdam het programma Specialistische Jeugdhulp in het Speciaal Onderwijs (SJSO), waarin jeugdhulp direct op school wordt aangeboden. Hoewel dergelijke programma’s pedagogisch wenselijk zijn, kunnen ze kostbaar zijn: extra ondersteuning voor SO-scholen in Nederland kost naar schatting €700 miljoen per jaar (DSP Groep & Oberon, 2022). Daarom is het belangrijk te evalueren of het onderwijszorgarrangement (OZA) kostenneutraal kan zijn. Professionals geven aan dat zonder OZA meer dan de helft van deze leerlingen in een zorgsetting terecht zou komen (Root et al., ingediend), wat doorgaans duurder is dan onderwijs. Vraagstelling van het Onderzoek Wegen de baten van OZA onder SJSO op tegen de kosten op de lange termijn? Methode We voerden een kosten-batenanalyse uit met de Ingredients Method (Levin & McEwan, 2002) en handvatten van het Cost Analysis in Practice Project (Hollands et al., 2024). We berekenden de huidige programmakosten, schatten lange termijnkosten in alternatieve scenario’s en bepaalden het break-evenpunt- het punt waarbij baten en kosten in evenwicht zijn. Resultaten Zorgplaatsingen zijn aanzienlijk duurder dan (V)SO-plaatsingen. Het OZA onder SJSO is kostenneutraal wanneer ongeveer 15% van de leerlingen dankzij het OZA niet in een zorgplaatsing terechtkomt (professionals schatten in dat OZA ruim boven het break-even punt presteert). Discussie en Conclusie Wanneer circa 15% of meer van de deelnemende leerlingen zonder SJSO in een zorgsetting zou zijn geplaatst, overstijgen de baten van het OZA de kosten (kostenneutraal). Deze bevinding onderstreept het potentieel van SJSO om middelen efficiënter in te zetten binnen het speciaal onderwijs en laat de beleidswaarde van kosten-batenanalyses zien. Individuele bijdrage 4 Inleiding Elk kind heeft recht om zich zo volledig mogelijk te ontplooien (art. 29 lid 1 Verdrag inzake de rechten van het kind, 1989). Tegelijkertijd neemt de vraag naar specialistische ondersteuning toe (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), 2024). Dit vergt van leerkrachten benodigde vaardigheden en kennis in het lesgeven aan leerlingen met speciale onderwijsbehoeften (SEN) (Nelson et al., 2022). Kwalitatief goede leerkrachtfeedback evenals het verbeteren van de feedback kwaliteit heeft veel impact op het leren en ontwikkelen van leerlingen (Educational Endowment Foundation, 2018; Hattie & Timperley, 2007; Wisniewski et al., 2020). In dit onderzoek wordt feedback geconceptualiseerd als dynamisch en dyadisch proces (Panadero, 2023; Radix et al., in prep), waarbij gefocust wordt op (proactieve) verwerking van feedback (Winstone et al., 2017). Huidig onderzoek Dit onderzoek beoogt inzicht te krijgen in werkzame processen en factoren bij het geven van feedback op leerlinggedrag en leeruitkomsten (cognitief) aan SEN leerlingen met autisme (ASS), ADHD, verstandelijke beperking en/of externaliserend probleemgedrag. Bovendien onderzoeken we hoe kunnen onderwijsprofessionals feedback kunnen geven op zo’n wijze dat het de proactieve verwerking door SEN leerlingen stimuleert. Methode Vijftien onderwijs- en zorgprofessionals uit Nederlandse cluster 3, 4 scholen en/of een combinatie van onderwijs-zorgsetting namen in 2025 deel aan zes semi-gestructureerde online (groeps)interviews. Een combinatie van inductieve en deductieve aanpak is gebruikt voor de kwalitatieve analyse van deze data in Atlas.ti. Voorafgaand aan de analyse heeft een proces plaatsgevonden waarin de eerste twee onderzoekers consensus en overeenstemming hebben bereikt over de daadwerkelijke codes. Resultaten en conclusie Op basis van eerste inzichten zijn factoren geïdentificeerd zoals onvoorwaardelijk begeleiden en ondersteunende communicatie (e.g. pictogrammen). In het begin van 2026 worden zowel de analyse en synthese afgerond. Tijdens dit symposium zullen deze voorlopige resultaten en een voorlopige conclusie van dit onderzoek worden gepresenteerd. Postersymposium (90 minuten)701Else van den Berg, Landstede Groep, Zwolle, Marjanne Hagedoorn, Landstede Groep, Zwolle, Ceciel Korsmit, Landstede Groep, Zwolle, Karin Messelink, Landstede Groep, Zwolle, Maarten Wolfsen, Landstede Groep, Zwolle, Remco Coppoolse (voorzitter), Petra Poelmans (discussiant) 3.094do 14:30 – 16:00 Doelstelling Docenten in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) werken in een dynamische omgeving waarin ontwikkelingen in de beroepspraktijk en onderwijs het handelen van docenten voortdurend beïnvloeden. Docenten moeten zich verhouden tot deze ontwikkelingen. Dit vraagt continue professionele ontwikkeling van mbo-docenten (Bükki & Fehérvári, 2024). In dit postersymposium adresseren we actuele ontwikkelingen en uitdagingen in de mbo en verkennen we wat zij betekenen voor het docentschap en het leren van docenten. Vijf onderzoeken worden gepresenteerd, die voor, door enmet mbo-docenten zijn uitgevoerd. Doel van de sessie is om per poster de specifieke onderzoeksdilemma’s te bespreken én overkoepelend te reflecteren op hoe deze onderzoeken kunnen bijdragen aan verdere professionele ontwikkeling van docenten. De onderzoekers willen bijdragen aan het versterken van de stem van het mbo in onderwijsonderzoek (De Bruijn, 2019) en aan de ontwikkeling van professionaliseringspraktijken binnen scholen. Presentatieoverzicht Een participatief actieonderzoek naar hoeen wat mbo-docenten leren in multi-stakeholder samenwerkingen binnen ICT-opleidingen. Een onderzoek naar factoren die bijdragen aan het ontwikkelen van innoverend vermogen in de context van professionele leergemeenschappen. Een observatiestudie naar Lesson Study in het mbo als middel voor het ontwikkelen van beroepsgerichte didactiek. Een onderzoek naar wat Leven Lang Ontwikkelen betekent voor hetdocentschap en welke spanningen docenten ervaren in relatie tot hun huidige Een interviewstudie naar welke life changing events mbo-docenten ervaren en hoe deze events hun professionele identiteit beïnvloedt. Wetenschappelijke betekenis De vijf onderzoeken in dit symposium dragen bij aan meer inzicht over professionele ontwikkeling van docenten in relatie tot actuele ontwikkelingen in het mbo, een onderbelichte onderzoekscontext. Structuur De sessie start met een inleiding door de voorzitter, gevolgd door korte pitches van de vijf posters. Tijdens een posterwandeling gaat het publiek in dialoog met de presentatoren. De sessie wordt afgesloten met een plenaire discussie onder leiding van een referent. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het mbo is continu in beweging, wat wendbaarheid en adaptief vermogen van onderwijsprofessionals vraagt. Dit postersymposium richt zich op een onderbelichte onderzoekscontext, namelijk die van het mbo: een belangrijke sector dat een groot deel van de beroepsbevolking voorbereidt op cruciale beroepen. De gepresenteerde onderzoeken richten zich op de actuele vraagstukken uit het mbo, zoals transities en ontwikkelingen in de beroepspraktijk en onderwijs, die op hun beurt van invloed zijn op het docentschap en de professionele ontwikkeling van mbo-docenten. De inzichten uit deze onderzoeken kunnen scholen ondersteunen bij evidence-informed keuzes maken voor docentprofessionalisering. Individuele bijdrage 1 Navigeren in complexiteit: het leren van ICT-docenten in multi-stakeholder samenwerkingen Inleiding Het mbo werkt samen met bedrijven, studenten en regionale partners om beroepsonderwijs en praktijkvraagstukken gezamenlijk te adresseren (Ritzen, 2020). Binnen de ICT-sector verbinden onderwijs en beroepspraktijk regionale praktijkvraagstukken. Dit vraagt van mbo-docenten dat zij belangen en verwachtingen balanceren, terwijl zij co-creëren met uiteenlopende partijen en de onderwijskwaliteit bewaken. Vanuit de lens van boundary crossing (Akkerman & Bakker, 2011) wordt in dit praktijkonderzoek verkend hoe en wat mbo-docenten leren in deze multi-stakeholder samenwerkingen en hoe dit leren bijdraagt aan beroepsonderwijs. Dit onderzoek draagt bij aan (1) kennisontwikkeling over multi-stakeholder samenwerking en (2) innovatieve onderwijsontwikkeling in het mbo. Vraagstelling Hoe en wat leren mbo-docenten in multi-stakeholder samenwerkingen binnen de ICT-sector en hoe draagt dit leren bij aan onderwijsontwikkeling in het mbo? Methode Het onderzoek is participatief: de praktijkonderzoeker neemt deel aan MBO-Sync en houdt observatiedagboeken bij om ervaringen en het handelen van docenten vast te leggen (Eelderink, 2024). In interviews wordt hierop gereflecteerd vanuit het kijkkader boundary crossing (Akkerman & Bakker, 2011). Data worden besproken met medeonderzoekers voor navolgbaarheid en transparantie. Door de dubbele rol van docent en onderzoeker ontstaat een rijk beeld van leren in de praktijk (Migchelbrink, 2016). Voorlopige resultaten De analyse wordt dit voorjaar afgerond. Voorlopige resultaten tonen dat mbo-docenten bewuster worden van verschillen tussen onderwijs en praktijk. Ze leren belangen van verschillende partijen te herkennen en benoemen. Een docent vertelt: “Ik dacht altijd dat bedrijven vooral vakkennis wilden … ze zoeken juist begeleiding in sociale vaardigheden.” Discussie en conclusie Tijdens de sessie wordt besproken hoe de dubbele rol van docent en praktijkonderzoeker uitdagingen en kansen biedt. Kernvraag voor discussie is: Welke condities zijn nodig om deze gecombineerde rol effectief te maken in multi-stakeholder samenwerkingen? Inzicht hierin biedt kansen voor participatief praktijkonderzoek in het mbo. Individuele bijdrage 2 Factoren die bijdragen aan ontwikkeling van innoverend vermogen binnen professionele leergemeenschappen in het mbo Inleiding Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) heeft te maken met complexe vraagstukken en de snel veranderende beroepspraktijk. In het mbo wordt volop geïnnoveerd om daarbij aan te sluiten. Deze onderwijsinnovaties worden ook in professionele leergemeenschappen (PLG) opgepakt. Binnen deze PLG’s hebben mbo-docenten een cruciale rol. Dit vraagt innoverend vermogen (Lambriex e.a., 2020). Innoverend vermogen bevat een rijk palet kenmerken zoals co-creëren, onderzoekend werken en innovatieprocessen initiëren (Korsmit e.a., 2025). PLG’s zijn een broedplaats voor het ontwikkelen van het innoverend vermogen (Hagedoorn, 2021), echter is er nog weinig zicht op welke factoren hieraan bijdragen. Vraagstelling Welke factoren dragen bij aan het stimuleren van de ontwikkeling van innoverend vermogen van mbo-docenten binnen een PLG? Methode Binnen twee PLG’s is data verzameld volgens de critical incident technique (Flanagan, 1954), waarbij mbo-docenten werd gevraagd naar betekenisvolle momenten voor ontwikkeling van innoverend vermogen en wat volgens hen daaraan bijgedragen heeft. Data zijn, deels met collega-onderzoekers, gecodeerd gebaseerd op de CIMO-logica (Denyer e.a., 2008). Resultaten De resultaten laten zien dat ‘kansen en ruimte krijgen binnen een PLG’, ‘gezamenlijk onderzoeksactiviteiten uitvoeren’ en ‘proces- en denkstappen expliciteren’, van betekenis zijn voor het stimuleren van innoverend vermogen. Factoren die hieraan bijdragen zijn het ‘elan van de (bege)leider’, de ‘collectieve interactie’, ‘reflectie’ en de ‘kennis van een expert’. Mbo-docenten benoemen dat zij hierdoor leren gezamenlijk vraagstukken methodisch aan te pakken. Discussie Een PLG lijkt een rijke broedplaats voor ontwikkeling van het innoverend vermogen van mbo-docenten. We zien dat factoren gerelateerd aan structuur en de ander belangrijk zijn. Deze inzichten dragen bij aan de dialoog over de werkende mechanismen voor ontwikkeling van innoverend vermogen binnen PLG’s. Deelnemers van de sessie wordt gevraagd mee te denken over wat deze inzichten kunnen betekenen voor de onderwijspraktijk van het mbo. Individuele bijdrage 3 De plek van beroepsgerichte didactiek binnen Lesson Study in het mbo Inleiding De specifieke uitdagingen van het mbo vragen om onderbouwde keuzes in docentprofessionalisering (Hagedoorn e.a., 2023). De beproefde docentprofessionaliseringsaanpak van Lesson Study (LS) (Khaled et al., 2021), uit het primair en voortgezet onderwijs, heeft zijn weg gevonden naar het mbo. LS heeft de potentie om bij te dragen aan professionele ontwikkeling, specifiek aan het ontwikkelen van beroepsgerichte didactiek. Beroepsgerichte didactiek kent drie aspecten, namelijk beroepsbekwaamheid, beroepsidentiteit en samenwerking met het werkveld (Hoeve et al., 2021). Hoewel docenten enthousiast zijn over de eerste ervaringen met LS (zie NKO onderzoeksvoorstel), ontbreekt inzicht in waarom LS werkt, welke elementen effectief zijn en hoe dit samenhangt met het ontwikkelen van beroepsgerichte didactiek. Deze posterpresentatie richt zich specifiek op hoe LS eruitziet. Vraagstelling van het onderzoek Welke aspecten van beroepsgerichte didactiek komen aan de orde tijdens de lesson study cyclus in het mbo? Methode Met vijf casestudies, binnen zowel de pdg-opleiding als opleidingsteams, creëren we een beeld van LS-praktijken in het mbo (Yin, 2018). Middels observaties, documentenanalyse en de effectenarena’s richten we ons op het in kaart brengen van beroepsgerichte didactiek. Voorlopige resultaten Een eerste verkenning van de observatiedata laat zien dat er verschillen zijn tussen de pdg-opleiding en opleidingsteams. Resultaten laten zien dat beroepsgerichte didactiek in mindere mate onderdeel lijkt te zijn van de LS-cyclus in vergelijking tot de ervaren docenten binnen de opleidingsteams. Discussie en conclusie De docenten-in-opleiding bevinden zich in een fase waarbij zij lerend zijn en aan de start van het ingroeien in een nieuw beroep. De wetenschappelijke onderbouwing die volgt uit het onderzoek biedt mogelijk een stevig fundament voor ontwikkeling van LS in opleidings- en professionaliseringspraktijken in het mbo. We bespreken de waarde van dit onderzoek en de voorlopige resultaten met het publiek. Het betreft een NKO-gefinancierd project. Individuele bijdrage 4 Spanningen in transitie: de betekenis van Leven Lang Ontwikkelen voor mbo-docenten Inleiding Het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) opereert in een snel veranderend arbeidsmarktlandschap waarin transities de noodzaak van Leven Lang Ontwikkelen (LLO) versterken. Het mbo wordt gepositioneerd als een sleutelspeler in regionale ecosystemen waarin onderwijsinstellingen en andere stakeholders gezamenlijk ontwikkeltrajecten vormgeven (Ministerie van OCW, 2023; Van Amersfoort et al., 2021). Het mbo moet een actieve partner in regionale innovatie en arbeidsmarktontwikkeling zijn (Thunnissen, 2025). LLO vraagt om flexibeler en vraaggerichter onderwijs. Dit vraagt anders handelen van mbo-docenten, zoals vormgeven van maatwerktrajecten met stakeholders en skillsgerichte benaderingen (Van Schoonhoven, 2025). Dit vraagt tijd en ruimte (Van der Meulen et al., 2023). Kennis over wat LLO betekent voor het docentschap en welke spanningen dit oplevert in relatie tot bestaande opvattingen over het beroep, is echter beperkt. Meer inzicht hierin geeft richting aan dialoog en professionaliseringsprogramma’s binnen scholen. Vraagstelling Wat betekent LLO voor het docentschap in het mbo en welke spanningen ervaren mbo-docenten in relatie tot hun huidige docentschap? Methode Data worden verzameld via semi-gestructureerde interviews (Bryman, 2016) met mbo-docenten, teamleiders en externe stakeholders, en via focusgroepen (Krueger & Casey, 2015) met opleidingsteams binnen vijf sectoren (zorg, welzijn, sport, techniek en veiligheid). In een overkoepelende focusgroep worden resultaten gevalideerd en verschillen tussen sectoren geduid. Deelnemers van de sessie wordt gevraagd mee te denken over een passend analysekader voor de verkregen data. Voorlopige resultaten De dataverzameling wordt in het voorjaar afgerond. Een eerste verkenning laat zien dat mbo-docenten LLO verschillend interpreteren en dat de ervaren impact op het docentschap varieert per sector: van fundamentele verandering tot een intensivering van bestaande praktijken. Discussie De variatie in betekenisgeving en ervaren spanningen, in relatie tot het meer ‘commerciële doel’ van LLO, onderstreept het belang van dialoog binnen mbo-scholen en van op maat professionalisering (Hagedoorn et al., 2025). Individuele bijdrage 5 Hoe versterken life changing events de professionele identiteit van mbo-docenten? Inleiding Professionele identiteit is een belangrijk aspect van het docentschap, ook in het mbo (Beijaard e.a., 2022; Zhao, 2022). Mbo-docenten werken in een dynamische en veeleisende context. Een sterke professionele identiteit helpt mbo-docenten omgaan met de onzekerheid en spanningen in deze context (Pillen, 2013). Deze identiteit wordt gevormd door beroep, achtergrond en persoonlijke eigenschappen (Ruijters & Simons, 2020). Daarnaast spelen ingrijpende life changing events een belangrijke rol, omdat gebeurtenissen zoals ouderschap of mantelzorg, professionals kunnen aanzetten tot herbezinning op hun rollen, prioriteiten en waarden (Meijers & Hermans, 2018). Hoewel professionele identiteit aandacht krijgt in onderwijsonderzoeken, is er nog weinig bekend over hoe life changing events de professionele identiteit van mbo-docenten beïnvloeden. Onderzoeksvraag: Welke life changing events ervaren mbo-docenten en hoe beïnvloedt dit hun professionele identiteit? Methode Mbo-docenten die recent (<2 jaar) een life changing event meemaakten zijn geïnterviewd middels storyline-methode (Bell, 1999) gecombineerd met photovoice (Wang & Burris, 1997). Dataverzameling wordt in het voorjaar afgerond. Voorlopige resultaten
Vooronderzoek laat zien dat ouderschap en het volgen van een opleiding als life changing events worden aangemerkt. Docenten noemen leren prioriteren, perspectiefverbreding en netwerkverrijking als elementen die hun professionele identiteit hebben veranderd.
Discussie en conclusie
Dit onderzoek biedt inzicht in hoe life changing events van invloed zijn op hoe docenten zichzelf zien als docent en welke spanningen èn kansen zij ervaren. De eerste resultaten laten zien dat docenten bijvoorbeeld nieuwe perspectieven kunnen ontwikkelen op rol als docent. De inzichten stimuleren de dialoog over de relatie tussen persoonlijke gebeurtenissen en professionele ontwikkeling. Tijdens de presentatie wordt het publiek geïntroduceerd in het begrip life changing events en wordt het analysekader voor identiteitsontwikkeling toegelicht. De discussie richt zich op de vraag of het gekozen analysekader passend is voor data-analyse, of dat alternatieve kaders beter aansluiten.
Postersymposium (90 minuten)459Elske Brouwer, Hogeschool Viaa, Zwolle, Annemieke Epema, Hogeschool Inholland, Den Haag, Henriëtte Hoogenkamp, Marnix Academie, Utrecht, Wouter Schenke, HAN University of Applied Sciences, Nijmegen, Laura Staman, Hogeschool Viaa, Zwolle, Bert van Velthooven, Marnix Academie, Utrecht, Corinne Vorwerk, Christelijke Hogeschool Ede, Ede, Laura Staman (voorzitter), Wouter Schenke (discussiant) 3.096do 14:30 – 16:00 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek waarop de bijdrage gebaseerd is We leven in tijden van maatschappelijke onrust waarin tegenstellingen vergroot worden. Er zijn zorgen of mensen nog wel bereidheid zijn om te luisteren naar elkaar, zeker als je in je eigen bubbel leeft (Brandsma, 2016). Maatschappelijke vraagstukken zoals polarisatie komen ook de school in, waarbij collega’s en leerlingen verschillen van mening. Niet iedereen voelt zich thuis in zo’n omgeving. Zo ervaren kinderen met extra ondersteuningsbehoeften bijvoorbeeld minder sociale acceptatie. Hoe ga je met dit soort uitdagingen in de school om? Op welke manier zorg je (weer) voor verbinding en hoe kan een waardengerichte benadering daar een bijdrage aan leveren? (Schenke & Van der Vloed, 2026). Vraagstelling van het onderzoek waarop de bijdrage gebaseerd is Welke rol speelt een waardengerichte benadering in het beter afstemmen van de perspectieven van schoolleiders, leraren en ouders met het oog op toewerken naar een inclusieve school? Doelstelling van de bijdrage Het doel van de bijdrage is inzichten delen en een kritische gedachtewisseling over waardengericht werken, waarbij we ons richten op de maatschappelijke vraagstukken van polarisatie en maatschappelijke ongelijkheid en hoe een inclusieve school en leeromgeving werkzame principes opleveren om als school beter met deze vraagstukken om te gaan. Hierin staat het perspectief van de ander centraal. Dialoog/interactie met publiek Na een opening en pitches van de vijf posters kiezen de deelnemers voor twee posters waar ze zich in gaan verdiepen en in gesprek gaan met de auteurs van de betreffende posters. In de discussie ligt de nadruk op de werkzame principes van waardengericht werken in het licht van een inclusieve school. Tot slot voeren we een waardengericht gesprek met de deelnemers, waarbij onderliggende waarden boven tafel komen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit postersymposium richt zich op de impact van onderwijsonderzoek, door de nadruk op de praktische relevantie voor schoolleiders en leraren. Het biedt inkijken in hoe leiderschap en leraarschap nodig is in het omgaan met transitie. De turbulente tijden waarin tegenstellingen in de samenleving worden verscherpt door polarisatie, vragen van schoolleiders en leraren dat zij anticiperen op deze veranderingen. Het handelingsvermogen wordt via een waardengerichte benadering vergroot, zodat afstemming en verbinding voorop komen te staan. Individuele bijdrage 1 Van polarisatie naar verbinding – Achtergrond Polarisatie in de samenleving vergroot tegenstellingen, ook in scholen, en stelt schoolleiders en leraren voor de vraag hoe zij hier op een goede manier op kunnen ingaan (Brandsma, 2016). Naast alle praktische adviezen die er verschijnen, is het van belang om te onderzoeken hoe waardengerichtheid kan bijdragen aan verbinding als de tegenstellingen te groot lijken te worden (Lozano Parra, 2023; Den Herder et al. 2024). – Vraagstelling In hoeverre leidt de waardengerichte benadering tot verbinding in concrete schoolsituaties waar polarisatie speelt? – Methode Na interviews met negen schoolleiders over polarisatie op school in voorjaar 2025, werden in najaar 2025 twee co-creatielabs gehouden over de vraag hoe de waardengerichte aanpak kan verbinden wanneer polarisatie speelt. Tien schoolleiders (po, vo, mbo) namen deel. In de eerste bijeenkomst onderzochten deelnemers wat de waardengerichte aanpak zou kunnen betekenen en daarna probeerden zij dit uit in hun school. Daarvan deden zij verslag in de tweede bijeenkomst. De uitspraken van de deelnemers over hun ervaringen in de concrete polarisatie-situaties zijn getranscribeerd. In analyse lag de nadruk op de waardengerichte aspecten van het handelen en waar dat toe leidde. – Resultaten De waardengerichte aanpak maakte dat schoolleiders als het ware gingen vertragen en niet direct tot actie overgingen. Eerst bekeken ze zelf en met teamleden welke waarden in deze situatie van belang waren. Daardoor konden ze stappen zetten om (opnieuw) het contact aan te gaan, zochten ze wat er achter het gedrag lag, kregen meer begrip voor elkaar. – Discussie en conclusie De vertraging en bezinning die de waardengerichte aanpak teweegbracht, liet de schoolleiders stilstaan bij hun waarden en bij hun professionele identiteit (Ruijters, 2019). In vervolgonderzoek zou ook de perceptie van de andere betrokkenen onderzocht kunnen worden; polarisatie gaat om meerdere perspectieven/meningen. Individuele bijdrage 2 Schoolwaarden als kompas – Achtergrond In de dagelijkse schoolpraktijk krijgen schoolleiders te maken met verschillende vormen van ongelijkheid op vier terreinen, namelijk economisch, sociaal en cultureel en ten aanzien van de persoon (Vrooman et al., 2023). Deze situaties vragen vaak om lastige keuzes. Hoe kunnen schoolleiders op basis van schoolwaarden koers houden in situaties van maatschappelijke ongelijkheid, zodat ieder kind gelijke kansen krijgt (Schenke, 2023). – Vraagstelling Centraal staat de vraag wat schoolleiders in het primair onderwijs nodig hebben om de schoolwaarden als kompas in te zetten bij vraagstukken rondom maatschappelijke ongelijkheid. Daarom is eerst gekeken welke vraagstukken rondom ongelijkheid schoolleiders tegenkomen. Daarna zijn praktijkvoorbeelden onderzocht van schoolleiders die bewust werken vanuit hun schoolwaarden en deze inzetten als kompas bij dit soort vraagstukken. Dit gaf inzicht in wat in de praktijk goed werkt. Op basis daarvan is gekeken wat we kunnen leren van deze praktijkvoorbeelden. – Methode Aan de hand van narratieve interviews met vijf schoolleiders is in kaart gebracht welke vraagstukken rondom ongelijkheid schoolleiders in het primair onderwijs tegenkomen en hoe zij in deze situaties handelen vanuit hun schoolwaarden. De resultaten zijn thematisch geanalyseerd. – Resultaten en conclusie Op basis van de narratieve interviews komen er vijf inzichten naar voren hoe schoolleiders waardengericht handelen in situaties van maatschappelijke ongelijkheid. Op de momenten dat waardengericht handelen bij maatschappelijke ongelijkheid lukt doen ze dit door krachtig te communiceren, creatief te verbinden, te staan voor hun waarden, bestaande normen te bevragen en bewust terug te kijken om hiervan te leren. Momenten waarop waardengericht handelen bij maatschappelijke ongelijkheid als lastig wordt ervaren zijn de momenten waarop ze niet weten, niet kunnen of normconflict ervaren. Schoolwaarden fungeren dus alleen als kompas als schoolleiders ze bewust inzetten en zich handelingsbekwaam voelen. Individuele bijdrage 3 From me to we: All in for belonging? Lerarenzelfeffectiviteit en het gevoel van erbij horen in inclusieve klaslokalen Achtergrond Inclusief onderwijs, zoals omschreven in het VN-Verdrag over de rechten van personen met een handicap (UNCRPD, 2006) en de Salamanca-verklaring (1994), benadrukt diversiteit als een verrijking en bevestigt het recht van alle leerlingen op participatie en erbij horen. Dagelijkse interacties dragen bij aan het gevoel van erbij horen als leerling, namelijk in de relatie tussen leraar en kind, maar ook tussen leeftijdsgenoten (Allen et al., 2018; Florian & Spratt, 2014). Nederland streeft naar volledige inclusie in 2035. Echter, leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften rapporteren vaak lagere niveaus van acceptatie door leeftijdsgenoten en participatie (Koster et al., 2010; Nepi et al., 2013). Doel Onderzoeken hoe leraren het gevoel van erbij horen bevorderen via individuele (Teacher Self-Efficacy, TSE) en collectieve zelfeffectiviteit (Collective Teacher Efficacy, CTE). Onderzoeksvragen: – Welke uitdagingen ervaren leraren bij het ondersteunen van leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften? – Hoe beoordelen zij hun individuele en collectieve zelfeffectiviteit? – Welke achtergrond- en contextfactoren beïnvloeden deze percepties? – Welke factoren versterken volgens leraren hun zelfeffectiviteit? Methode Studie 1: Kwantitatieve survey onder 200 basisschoolleraren met schalen voor sociale zelfeffectiviteit, participatie en collectieve overtuigingen. Studie 2: Kwalitatieve focusgroepen om ervaringen, overtuigingen en teamdynamiek te verkennen. Zelfeffectiviteit wordt gezien als sociaal geconstrueerd door interactie en gedeelde normen. Verwachte resultaten Inzicht in de huidige niveaus van TSE en CTE van de leraren en factoren die deze versterken. Praktische strategieën voor inclusief leraargedrag en het bevorderen van sense of belonging van leerlingen. Discussie Het versterken van TSE en CTE draagt bij aan inclusieve klaslokalen waarin alle leerlingen zich erkend en verbonden voelen. Bevindingen zullen professionalisering, schoolontwikkeling en beleid ondersteunen richting de inclusiedoelen van 2035. Individuele bijdrage 4 Toewerken naar inclusieve leeromgevingen – Achtergrond De laatste jaren zit het werken aan inclusief onderwijs in Nederland in een stroomversnelling en wordt het beeld ervan concreter. De ambitie is door het ministerie van OCW nader uitgewerkt. Volgens OCW staat inclusief onderwijs voor: “onderwijs, waarbij alle kinderen en jongeren dicht bij huis, volwaardig en gelijkwaardig toegang hebben tot een inclusieve leeromgeving waarin zij zich samen ontwikkelen en samen leren en participeren’ (OCW, 2024, p. 6). Dit onderzoek kijkt naar hoe een verdergaande samenwerking tussen leerlingen, ouders, schoolteams en externen bijdraagt aan het flexibiliseren van de inclusieve leeromgeving. – Vraagstelling Op welke manier kunnen leerkrachten, teams en schoolorganisaties komen tot het collectief ontwikkelen van inclusief onderwijs? – Methode Dit onderzoek vertrekt vanuit een sociaal constructionistische benadering met focus op het betekenis geven aan gebeurtenissen door dialoog en multidisciplinaire samenwerking. Als methode wordt Appreciative Inquiry (Cooperrider, 2008) ingezet dat het ontwikkelen en toepassen van strategieën voor inclusief onderwijs faciliteert. Binnen de deelnemende schoolorganisaties wordt gewerkt met een ‘Community of Learners’ (CoP). – Resultaten De eerste resultaten laten zien dat er bij het werken aan inclusief onderwijs veel losse initiatieven zijn. De vorming van CoP bevordert participatie en reflectie, en verbindt zo de professionele ontwikkeling van leerkrachten met de schoolontwikkeling. Door beelden en ideeën uit te wisselen, ontstaan plannen voor betere samenwerking voor een inclusieve leeromgeving. Een resultaat is de wens om de ouderbetrokkenheid te vergroten; dit werd door leerkrachten gekoppeld aan de schoolwaarde ‘diversiteit’. Een volgend doel is het hechter samenwerken van professionals uit verschillende organisaties. – Discussie en conclusie Een voorlopige conclusie is dat het normaliseren van verschillende initiatieven bijdraagt aan het realiseren van een inclusieve leeromgeving. Het betrekken van diverse perspectieven, met name van professionals uit organisaties die normaal gesproken weinig samenwerken, is hierin een cruciale stap. Individuele bijdrage 5 Teamwaarden geven richting Achtergrond In een context van toenemende polarisatie is het voor onderwijsteams essentieel om het gesprek te voeren over waarden, juist wanneer uitspraken botsen met persoonlijke overtuigingen of waarden van een schoolorganisatie. Een waardengerichte aanpak ondersteunt het expliciteren van persoonlijke en collectieve waarden en verdiept dialogen in teams, waarbij je ook het perspectief van de ander in ogenschouw neemt (Schenke & Van der Vloed, 2026). De waardengerichte dialoog vormt hiervoor een krachtig instrument (Den Herder et al., 2024). Binnen de schoolleidersopleiding wordt via participatief actieonderzoek onderzocht hoe deze waardengerichte dialoog toegepast kan worden in onderwijsteams en kan bijdragen aan teamontwikkeling en onderwijskwaliteit. Onderzoeksvraag Op welke manier kan waardengericht werken bijdragen aan het versterken van onderwijskwaliteit binnen onderwijsteams? Methode Aan een tweejarig participatief actieonderzoek namen twee onderwijsteams –met ieder vijf docenten– deel. Het traject startte met het voeren van een waardengerichte dialoog om te komen van persoonlijke waarden (zoals verantwoordelijkheid, creativiteit) naar collectieve waarden in het team. Vervolgens werd de PDCA-cyclus (Deming, 1986) aan deze teamwaarden gekoppeld, zodat plannen, uitvoering en evaluatie van het curriculum een waardengerichte lading krijgen. Voorlopige resultaten De eerste onderzoeksfase (2024-2025) laat zien dat de waardengerichte dialoog in teams: – het eigenaarschap en de betrokkenheid van docenten vergroot op het curriculum en op hun teamdeelname; – leidt tot betekenisvolle teambijeenkomsten vanuit intrinsieke motivatie; – resulteert in herkenbare en richtinggevende teamwaarden die ondersteunend zijn in communicatie met studenten, ouders en andere betrokkenen. In de tweede onderzoeksfase (2025-2026) wordt de onderzoekscyclus herhaald en het traject met de onderwijsteams verder verdiept. Dit levert medio 2026 aanvullende onderzoeksresultaten op. Conclusie Waardengerichte dialogen bieden een vernieuwende en relevante aanpak voor teamontwikkeling en onderwijskwaliteit. Door vanuit waarden verbinding te creëren en tijd te nemen voor verdieping, ontstaan betrokken, veerkrachtige onderwijsteams. Dit blijkt juist in tijden van polarisatie van grote betekenis. Postersymposium (90 minuten)269Sylvia van Borkulo, Freudental Instituut, Universiteit Utrecht, Utrecht, Gesa van den Broek, Utrecht University, Utrecht, Laura van der Lubbe, Freudental Instituut, Universiteit Utrecht, Utrecht, Marijn van der Meer, Metis Montessori Lyceum, Amsterdam, Susanne de Mooij, Radboud Universiteit, Nijmegen, Eva van de Sande, Nationaal Onderwijslab AI, Radboud Universiteit, Nijmegen, Maarten van der Velde, MemoryLab, Groningen, Sanne van Wetten, ROA – Maastricht University, Maastricht, Eva van de Sande (voorzitter), Eva van de Sande (discussiant) 3.100do 14:30 – 16:00 De doelstellingen van de sessie In dit postersymposium delen we recente inzichten uit een viertal co-creatieprojecten binnen het Nationaal onderwijslab AI (NOLAI), die de mogelijke rol van AI in het onderwijs in Nederland verkennen. Daarnaast reflecteren we gezamenlijk met deelnemers op de kansen en belemmeringen van (onderzoek naar) AI in het onderwijs en welke rol co-creatie hierbij speelt. Overzicht van de presentatie Vragen die aan bod komen zijn onder andere: Op welke manier kan AI behulpzaam zijn bij de ondersteuning van leerkrachten in het bepalen van het meest passende niveau van leerlingen? Wat kan AI betekenen voor de zelfregulatie van leerlingen of als slimme ondersteuning voor leerlingen om ze te helpen leren bij het vak Informatica? Hoe kan AI helpen bij het voorbereiden op, of zelfs vervangen van kennistoetsen? Wat is de rol van co-creatie in het beantwoorden van deze vragen? Wetenschappelijke betekenis AI kan van grote waarde zijn binnen het onderwijs. Echter, het is onduidelijk op welke manier AI het onderwijs precies kan ondersteunen en onder welke voorwaarden je AI zou kunnen en willen inzetten. Het is daarom essentieel om gezamelijk met onderwijs, wetenschap en bedrijfsleven op te trekken in het beantwoorden van deze vragen. De co-creatiemethodiek van de betreffende projecten biedt inzichten hoe dit aan te pakken. Structuur van de sessie In het eerste deel starten we met een inleiding waarin we de doelstellingen en de werkwijze van NOLAI verder toelichten. Dit wordt gevolgd door een presentatie van de inzichten en ervaringen met co-creatie die zijn opgedaan in vier door NOLAI gefinancierde projecten. Hierbij gaan we gezamenlijk in discussie over de rol van co-creatie in AI-onderzoek en de kansen en belemmeringen in het onderzoek naar AI in het onderwijs. In het tweede deel kunnen deelnemers verder in gesprek met de onderzoekers van de gepresenteerde projecten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor Transitie door de nadruk te leggen op de doorwerking, impact en valorisatie van onderwijsonderzoek naar AI. De gepresenteerde projecten richten zich op de gezamenlijke ontwikkeling, validatie en verantwoorde inzet van AI-toepassingen in de onderwijspraktijk, waarbij co-creatie met leraren, leerlingen, onderzoekers en ontwikkelaars centraal staat. Deze methodologische benadering maakt het mogelijk om technologische innovaties te verbinden aan pedagogisch-didactische doelen, ethische afwegingen en professionalisering. Daarmee draagt de bijdrage bij aan duurzame transities in onderwijspraktijken, waarin onderzoek niet alleen kennis genereert, maar ook daadwerkelijk richting geeft aan verantwoorde onderwijsvernieuwing. Individuele bijdrage 1 Kansrijke determinatie met behulp van een dashboard Aanleiding De overgang van de basisschool naar de middelbare school is voor veel leerlingen een kwetsbaar schakelmoment. Onderzoek laat zien dat de transitie negatieve gevolgen kan hebben voor de schoolprestaties, welzijn en motivatie van leerlingen op het vo en tot grotere kansenongelijkheid kan leiden. Een goede determinatie na de brugklas in het vo is daarom cruciaal voor leerlingen. In dit project onderzoeken Stichting Limburgs Voortgezet Onderwijs (LVO), Universiteit Maastricht en Radboud Docenten Academie gezamenlijk op welke manier AI behulpzaam kan zijn in het bepalen van de juiste determinatie van leerlingen. Het hoofddoel van het project is het ontwikkelen van een AI-ondersteund dashboard dat docenten helpt bij het combineren, structureren en analyseren van diverse relevante databronnen om een passend voorlopig en definitief schooladvies te geven. Vraagstelling van het onderzoek Hoe kan AI docenten ondersteunen bij het combineren, structureren en analyseren van verschillende relevante datastromen ten behoeve van de voorlopige/definitieve determinatie gedurende de verlengde tweejarige brugklas, waarbij de relevante informatie gepresenteerd wordt in een dashboard? Methode De ontwikkeling van het dashboard vindt plaats volgens een design-based research aanpak in een conceptfase, een ontwikkelfase en een validatiefase. Het project heeft de eerste fase doorlopen waarin focusgroepen en interviews zijn georganiseerd en literatuuronderzoek heeft plaatsgevonden. Resultaten Er is zicht op welke factoren een rol zouden moeten spelen bij de determinatie van leerlingen volgens docenten en literatuur, hoe een dashboard eruit zou kunnen zien, welke data opgehaald en gecombineerd zou moeten worden en hoe dit het beste gedaan kan worden. Ethische overwegingen die in co-creatie zijn vormgegeven spelen een grote rol in de basis en in de voortgang van het project. Discussie en conclusie De voorlopige resultaten van het project onderstrepen het belang co-creatie en van ethische overwegingen als basis voor verantwoorde ontwikkeling van AI voor het onderwijs. Individuele bijdrage 2 Zelfregulatie tijdens het schrijven Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie Docenten signaleren dat veel leerlingen onder niveau schrijven; dit sluit aan bij recent peilingsonderzoek. Om leerlingen beter te ondersteunen bij zelfregulatie (ZRL) is een prototype ontwikkeld (lessenserie, leerlingendashboard, AI‑labeling van logdata). We willen weten of het werkt. Daarom staat nu de validatie centraal. Vraagstelling Hoe valideer je een AI‑prototype in onderwijs systematisch en verantwoord? En, toegepast op Zelfregulatie: werkt het prototype zoals beoogd? Methode Validatie volgt het NOLAI-validatiekader (Figuur 1): Fundament: verantwoord gebruik (ethiek, privacy, data‑infrastructuur). Pilaren: (1) leren & onderwijzen, (2) bruikbaarheid in de klaspraktijk, (3) AI‑model. Dak: het geïntegreerde prototype. De vijf lessen (training; twee schrijfopdrachten; twee reflectiemomenten via het dashboard) leveren proces‑ en productdata (Bistolfi et al., 2026). Resultaten (verwacht/voorlopig) Fundament: aandachtspunten liggen bij structurele ethische reflectie en robuuste EU‑data‑borging. Leren & onderwijzen: een quasi-experiment (met vs zonder AI-tools) is gepland. Bruikbaarheid: focusgropen laten zien dat docenten en leerlingen waarderen inzicht in het leerproces; verbetersuggesties richten zich op gebruikte terminologie. AI‑model: sluit aan op eerder gevalideerde logdata-labeling (Fan et al., 2022). Discussie en conclusie Het NOLAI‑validatiekader biedt een transparante, overdraagbare route om AI‑prototypes in onderwijs te beoordelen, van fundament tot dak. Toegepast op Zelfregulatie maakt het kader expliciet wat we valideren, hoe we dat doen en welke beslissingen volgen. De quasi‑experimentele uitkomsten zullen tonen in welke mate het prototype het schrijfonderwijs daadwerkelijk vooruithelpt. Referenties Bistolfi, I., de Mooij, S., Molenaar, I. & van der Graaf, J. (2026). Co-designing a dashboard promoting SRL for secondary education. HCI International 2026. Fan, Y., van der Graaf, J., Lim, L. et al. (2022). Towards investigating the validity of measurement of self-regulated learning based on trace data. Metacognition & Learning. https://doi.org/10.1007/s11409-022-09291-1 Individuele bijdrage 3 Adaptief leren en toetsen van kennis Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek Beheersing van feitenkennis, zoals vocabulaire of topografie, vormt een basis voor verdere vaardigheden. Traditionele kennistoetsen geven echter alleen een momentopname, verhogen toetsstress en vragen veel tijd van docenten. Stampen op de avond voor een toets kan hoge cijfers opleveren, maar weinig duurzame kennis. Onderzoek laat zien dat actief ophalen (testeffect) en gespreide herhaling (spreidingseffect) duurzame beheersing bevorderen. MemoryLab past deze principes toe in de vorm van retrieval practice met continue, adaptieve kennistoetsing, gebaseerd op een cognitief geheugenmodel. Dit onderzoek verkent de rol van dergelijke procesgerichte kennismodellering bij het aanvullen of vervangen van traditionele kennistoetsen. Vraagstelling van het onderzoek Hoe nauwkeurig kan MemoryLab tijdens het oefenen vaststellen of een leerling feitenkennis beheerst, als voorbereiding op of vervanging van een kennistoets? Hoe ervaren leerlingen en docenten deze werkwijze? Methode Gedurende drie jaar is onderzoek uitgevoerd op meerdere middelbare scholen. Leerlingen oefenden feitenkennis met MemoryLab, doorgaans gespreid over meerdere dagen, tot de software hun kennisniveau als voldoende inschatte. Daarnaast werd het systeem in meerdere vakken ingezet voor beoordeling, en zijn ervaringen van leerlingen en docenten verzameld via enquêtes en focusgesprekken. Resultaten Leerlingen die na het leren met MemoryLab een verrassingstoets kregen, behaalden resultaten in lijn met de ingeschatte beheersing. MemoryLab bleek ook effectief als voorbereiding op een aangekondigde toets: leerlingen behaalden op korte en lange termijn betere toetsscores dan met hun gebruikelijke strategieën. 81% prefereerde MemoryLab boven een schriftelijke toets, vanwege minder stress en meer plezier. Ontevredenheid hing vooral samen met de geschiktheid van lessen of zorgen over fraude. Discussie en conclusie Een modelmatige inschatting van kennisbeheersing tijdens het leren kan bijdragen aan het effectief voorbereiden op of vervangen van traditionele toetsen. De in co-creatie ontwikkelde methode ondersteunt duurzame kennisopbouw, stimuleert zelfregulatie en draagt bij aan effectievere toetsing. Individuele bijdrage 4 Informaticaonderwijs Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek Het vak Informatica kampt met een groot lerarentekort, terwijl digitale vaardigheden steeds essentiëler worden. Initiatieven zoals Co-Teach Informatica maken het mogelijk om onderwijs te verzorgen zonder vakinhoudelijk docent, maar vragen om sterke ondersteuning van zelfstandig leren. Leerlingen verschillen sterk in voorkennis en niveau, terwijl het beschikbare lesmateriaal grotendeels lineair is. Dit project bouwt voort op inzichten uit onderzoek naar zelfregulerend leren, feedback en studentmodellen. Open studentmodellen en leerdoelgerichte aanbevelingen bieden kansen om leerlingen inzicht te geven in hun voortgang en hen te ondersteunen bij het maken van passende leerkeuzes. Het onderzoek is relevant omdat het laat zien hoe AI-ondersteuning kan bijdragen aan kwalitatief goed en schaalbaar informaticaonderwijs, ook in contexten met beperkte docentexpertise. Vraagstelling van het onderzoek Hoe kunnen open studentmodellen en leerdoelgerichte aanbevelingen worden ontworpen en ingezet om leerlingen in het voortgezet informaticaonderwijs passend te ondersteunen, en wat zijn de effecten daarvan op hun leerproces en voortgang? Methode Het onderzoek volgt een design-based research aanpak met drie fasen: (1) conceptontwikkeling van leerdoelengrafen en aanbevelingslogica, (2) iteratieve ontwikkeling en pilots in de onderwijspraktijk, en (3) validatie via kwantitatieve leerdata en kwalitatieve data (interviews en focusgroepen met leerlingen en docenten). Resultaten In fase 1 en 2 is een werkend prototype van een leerplatform met leerdoelengraaf en leerdoelgerichte aanbevelingen opgeleverd. De leerlingen ontvangen gepersonaliseerde suggesties voor leeractiviteiten, terwijl docenten beter zicht krijgen op de voortgang en hiaten. Discussie en conclusie Op dit moment bevindt het project zich in de validatiefase. De voorlopige resultaten laten zien dat open studentmodellen en aanbevelingen het zelfstandig leren kunnen versterken. Tegelijk vraagt verantwoorde inzet om duidelijke didactische en ethische richtlijnen. Uit dit project blijkt dat leerdoelgestuurde AI-ondersteuning een veelbelovende aanvulling is op het informaticaonderwijs, met potentieel voor opschaling naar andere vakken. Vrije vorm (90 minuten)494Ina Cijvat, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Ditte Lockhorst, ROC Midden , Utrecht, Leonie Middelbeek, Oberon onderzoek en advies, Utrecht, Marco Snoek, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Bregje de Vries, Vrije Universiteit, Amsterdam, Daphne Wiersema, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 5.052do 14:30 – 16:00 Veel onderwijsvraagstukken zijn complexe vraagstukken die zich ongestructureerd gedragen en waarbij veel verschillende belanghebbenden betrokken zijn. Onderwijstransitie is een proces waarin pedagogie en onderwijskunde, organisatie- en veranderkunde, en cultuur- en (leer)psychologische factoren samen komen. Terwijl gebruikelijke methodes uit de onderwijswetenschappen zoals (quasi-)experimenten, vragenlijsten en observaties van waarde zijn, lijken ze tekort te schieten in het bereiken van doorbraken in complexe vraagstukken. Dat roept de vraag op hoe onderwijsonderzoek nog op andere manieren kan bijdragen aan onderwijstransities. In het onderzoeksproject REFRAME (Reframing Education Fundamentally through Research and Art: a Methodological Exploration), verkennen we deze vraag. In het onderzoek verkennen we hoe principes van Social Design de rol van onderwijsonderzoek bij transities in het onderwijs kunnen verrijken door meer ruimte te maken voor participatie, dialoog, creativiteit en transdisciplinariteit. In Social Design worden door dialoog tussen verschillende groepen betrokkenen betrokkenen perspectieven en onderliggende patronen en structuren geïdentificeerd en vindt verbeelding van mogelijke alternatieve toekomsten plaats (e.g., Resnick (Ed.), 2019). We werken vanuit een specifieke social design benadering – Frame Innovation (Dorst, 2015) – met betrokkenen aan het reframen van een verandervraagstuk en nieuwe oplossingsrichtingen. In casussen verzamelen we data over wat een dergelijke aanpak betekent voor het onderzoeksproces, voor onze rol als onderzoeker, voor de uitkomsten van onderzoek en voor de criteria voor kwaliteit en impact van onderwijsonderzoek. De eerste fase van dit driejarige onderzoeksproject confronteert ons met fundamentele vragen die betrekking hebben op de definitie van onderzoek (‘wat maakt dit proces tot ‘onderzoek?’) en op onze rol als onderzoekers (‘Welke nieuwe kwaliteiten en houdingen vraagt het van ons als onderzoekers?’). In deze sessie verkennen we deze vragen met elkaar aan de hand van een eerste casus. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onderwijs gericht op het realiseren en ondersteunen van transitie in de samenleving vraagt zelf ook om een transitie van onderwijs. Dat roept de vraag op hoe en welk soort onderzoek kan bijdragen aan een transitie van onderwijs. In deze bijdrage verkennen we of onderzoeksaanpakken die geïnspireerd zijn op social design kunnen bijdragen aan duurzame verandering van de vormgeving van onderwijs, en daarmee aan transities van scholen, met als doel om bij te dragen aan transities in de samenleving. Papersymposium (90 minuten)99John Exalto, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Anders Schinkel, Vrije Universiteit, Amsterdam, Lynne Wolbert, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Anders Schinkel (voorzitter), Anouk Zuurmond (discussiant) 7.002do 14:30 – 16:00 Doelstelling Het doel van deze sessie is het belang van filosofisch en historisch onderwijsonderzoek voor het voetlicht te brengen. Wanneer we in ons persoonlijke leven in een crisis belanden of ons voor grote problemen of veranderingen gesteld zien, maken we een pas op de plaats en vragen we hoe we hier gekomen zijn, wat er nu precies aan de hand is en wat eigenlijk onze handelingsopties zijn. Op maatschappelijk niveau zou het niet anders moeten zijn. In ‘tijden van transitie’ is er op onderwijsgebied bij uitstek een rol weggelegd voor de historische en wijsgerige pedagogiek, die ons kunnen helpen onze situatie te begrijpen en ons conceptueel en normatief te oriënteren. Overzicht van de presentatie Na een korte inleiding volgen drie presentaties: Het belang van onderwijsfilosofie in tijden van transitie: een theoretische reflectieHet belang van onderwijsfilosofie in tijden van transitie: een illustratie aan de hand van het thema ‘duurzaamheid’Het belang van onderwijshistorisch onderzoek in tijden van transitie Wetenschappelijke betekenis In deze sessie worden argumenten voor het belang van de wijsgerige en historische pedagogiek gepresenteerd in het licht van het congresthema ‘Onderwijs in transitie’. De waarde hiervan ligt enerzijds, voor de disciplines zelf, in de hernieuwde formulering van die argumenten, en anderzijds, voor andere disciplines in het onderwijsonderzoek, in een heldere en overtuigende presentatie van het belang van wijsgerig en historisch onderzoek voor het onderwijsonderzoek in het algemeen. Structuur van de sessie InleidingDrie paperpresentaties (zie ‘overzicht van de presentatie’)Discussie met publiek geleid door discussiant Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit symposium legt het accent op de methodologische benadering waar het thema ‘Onderwijs in transitie’ om vraagt. In deze tijd, waarin we voor grote maatschappelijke problemen staan (denk aan de ecologische problematiek, o.a. klimaatverandering) en met potentieel ingrijpende veranderingen (zoals de komst van generatieve AI), dringen zich conceptuele en normatieve vragen op en willen we onze handelingsopties verhelderd krijgen. Daartoe zijn de wijsgerige en historische pedagogiek bijzonder geëigend, en om die reden vestigt dit symposium de aandacht op het belang van deze disciplines binnen het bredere veld van onderwijsonderzoek. Individuele bijdrage 1 Het belang van onderwijsfilosofie in tijden van transitie: een theoretische reflectie Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie Zowel maatschappelijk als in het onderwijs staan we voor grote uitdagingen: conflicten en spanningen tussen landen en binnen ons land, de ecologische- en klimaatproblematiek, rechtvaardigheidsvraagstukken, tekorten in essentiële beroepsgroepen (zoals dat van leraar), de implicaties van AI voor onderwijs en samenleving, enzovoorts. Zulke crisismomenten zijn momenten waarop fundamentele bezinning geëigend en noodzakelijk is. Op onderwijsgebied is deze in Nederland bovenal door Gert Biesta aangezwengeld met vragen over de doelen van onderwijs. Toch staan onderwijsfilosofie en empirisch onderwijsonderzoek nog grotendeels naast elkaar, zonder elkaar te raken. Het is daarom juist op deze plek, de ORD, zinvol om de vraag naar het belang van onderwijsfilosofie te stellen. Vraagstelling van het onderzoek Wat is het belang van onderwijsfilosofie in tijden van transitie? Methode Filosofische reflectie en argumentatie, gebruikmakend van voorbeelden om te illustreren hoe onderwijsfilosofie verheldering, oriëntatie en nieuwe perspectieven kan bieden. Resultaten Het belang van onderwijsfilosofie in tijden van transitie is ten minste drieledig: het kan conceptuele verheldering bieden, normatieve oriëntatiepunten, en een nieuw perspectief. De filosofie helpt de onderwijspraktijk om waardevolle handelingsmogelijkheden in kaart te brengen, en ander onderwijsonderzoek om waardevolle onderzoeksmogelijkheden in beeld te brengen. Net zo belangrijk als wat wij met filosofie kunnen doen, is wat filosofie met ons doet. Discussie en conclusie De vraag is nu hoe de waarde van onderwijsfilosofie beter benut kan worden, hoe onderwijsfilosofie en andere vormen van onderwijsonderzoek werkelijk met elkaar in gesprek kunnen raken en elkaar versterken. Van onderwijsfilosofen mag een oriëntatie op reële problemen in en met het onderwijs gevraagd worden, van empirische onderzoekers wellicht meer aandacht voor de fundamentele vooronderstellingen van hun werk. Individuele bijdrage 2 Het belang van onderwijsfilosofie in tijden van transitie: een illustratie aan de hand van het thema ‘duurzaamheid’ Aanleiding & relevantie Eén van de belangrijkste onderwijsvraagstukken van deze tijd is wat de rol van onderwijs is, of zou moeten zijn, in het omgaan met de ecologische crises waarin we ons bevinden. Het wordt steeds duidelijker dat we deze crises niet gaan bedwingen door op school te stoppen met het gebruiken van wegwerpbekers en een themaweek ‘recycling’ te organiseren. Een visie op duurzaamheid is echter op scholen geen gemeengoed. En als die er wel is, worden weinig capaciteit en middelen beschikbaar gemaakt om deze visie ten uitvoer te brengen. Dit wordt onderstreept door de recent gepubliceerde nieuwe kerndoelen voor het PO en VO. Ook hierin is (te) weinig expliciete aandacht voor het thema duurzaamheid. Vraagstelling Waar is school eigenlijk wel en niet voor? Zouden leerkrachten aandacht moeten besteden aan duurzaamheidsvraagstukken? Een dergelijke vraag kan niet (uitsluitend) empirisch beantwoord worden, maar gaat in zekere zin vooraf aan het handelen in empirisch onderzoek en in de praktijk. Methode Een onderwijsfilosofisch of wijsgerig pedagogisch perspectief kan bijdragen aan dit vraagstuk door normatieve (waardengeladen) en fundamentele vragen te stellen en met argumenten te onderzoeken of het gerechtvaardigd is dat leraren tijd besteden aan duurzaamheidsvraagstukken. Resultaten, discussie en conclusie In deze bijdrage wordt betoogd dat een diepgaande duurzaamheidstransitie om niet minder vraagt dan een verandering van mens- en wereldbeeld. Het is wenselijk en nodig om onderwijsvisies en -praktijken te hervormen vanuit een ecologisch mens- en wereldbeeld, in plaats van het nu dominante antropocentrische wereldbeeld. Een ecologisch mens- en wereldbeeld zet het duurzaam voortbestaan van onze planeet en de kwaliteit van leven van al haar bewoners (mens en niet-mens) centraal en streeft het ideaal van ‘wederkerig floreren’ na. Vanuit dit principe kan tijd voor duurzaamheidsvraagstukken gerechtvaardigd worden. Individuele bijdrage 3 Het belang van onderwijshistorisch onderzoek in tijden van transitie Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie De onderwijsgeschiedenis biedt inzicht in de wijze waarop school en onderwijs in het verleden hebben gereageerd op maatschappelijke, culturele en institutionele transities. Zulk inzicht draagt bij aan een beter begrip van de langetermijnontwikkeling van het onderwijs en maakt een gefundeerde stellingname mogelijk. Hoewel de onderwijsgeschiedenis geen pasklare oplossingen aanreikt voor actuele onderwijsproblemen, levert zij wel een belangrijke bijdrage aan de reflectie op de richting die onderwijs in tijden van transitie zou kunnen inslaan, met het oog op de toekomstige maatschappelijke participatie van kinderen en jongeren. Vraagstelling van het onderzoek Wat is het belang van onderwijshistorisch onderzoek in tijden van transitie? Methode Het onderzoek maakt gebruik van historische en filosofische argumentatie. Aan de hand van enkele relevante casussen wordt het belang van een langetermijnperspectief op school en onderwijs geïllustreerd en onderbouwd. Resultaten Onderwijshistorisch onderzoek draagt op drie manieren bij aan reflectie op onderwijs in tijden van transitie. Het levert in de eerste plaats inzicht op in de langetermijnontwikkeling van het onderwijs en problematiseert daarmee niet alleen het onderwijs, maar ook de aard en betekenis van de transitie(s) waarin het onderwijs zich bevindt. In de tweede plaats maakt het zichtbaar welke richtingen in eerdere perioden van transitie zijn verkend en beproefd. In de derde plaats biedt de onderwijsgeschiedenis een rijk repertoire aan casussen die uitnodigen tot het doordenken van alternatieven die soms buiten de geijkte paden liggen. Discussie en conclusie De onderwijsgeschiedenis en de onderwijsfilosofie staan voor de gezamenlijke uitdaging om hun bijdrage aan het bredere onderwijsonderzoek beter zichtbaar te maken. Met deze bijdrage wordt beoogd de relevantie van onderwijshistorisch onderzoek voor andere domeinen binnen het onderwijsonderzoek voor het voetlicht te brengen en zo bij te dragen aan een meer reflexieve benadering van onderwijs in tijden van transitie. Paperpresentatie (30 minuten)439Josien Boetje, Open Universiteit, Heerlen 0.043do 16:30 – 17:30 Aanleiding en achtergrond Studenten in het hoger onderwijs krijgen steeds vaker opdrachten waarbij ze complexe informatieproblemen moeten oplossen door diverse bronnen te integreren. Generatieve AI-tools zoals ChatGPT kunnen dit proces ondersteunen, maar brengen ook risico’s met zich mee: studenten kunnen essentiële cognitieve processen uitbesteden, AI-output onkritisch overnemen, of hun eigen agency verliezen. Bestaande rubrics voor informatievaardigheden zijn ontwikkeld in voor de komst van AI en richten zich voornamelijk op het eindproduct, waardoor ze beperkt inzicht bieden in hóe studenten AI gebruiken tijdens het proces. Theoretisch kader Dit onderzoek combineert het Digital Information Problem Solving (DIPS) model (Boetje et al. 2026, in prep.) met de theorie van human-AI agency (Molenaar, 2022). Het DIPS-model onderscheidt zes fasen: Define, Search, Select, Process, Synthesize en Create. Human-AI agency wordt geconceptualiseerd langs een continuüm van vervanging (AI neemt cognitief werk over), aanvulling (gedeelde verantwoordelijkheid), tot verrijking (AI verdiept menselijk denken). Vraagstelling Hoe kan het niveau van human agency in het GenAI-gebruik van studenten worden gekarakteriseerd per IPS-fase? Welke patronen in human-AI agency ontstaan over de zes IPS-fasen? Relevantie Deze bijdrage presenteert de ontwikkeling en validatie van een procesgerichte reflectierubric georganiseerd per informatievaardighedenfase en agencyniveau. De rubric is zowel theoretisch gefundeerd als empirisch gegrond is in authentiek studentgedrag. De rubric maakt AI-gebruik zichtbaar voor formatieve doeleinden en biedt studenten en docenten een gemeenschappelijk kader voor reflectie en feedback op verantwoord AI-gebruik. We nodigen het publiek uit om mee te denken over mogelijke toepassingen in de eigen onderwijscontext en ethische dilemma’s rond het evalueren van AI-gebruik. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op valorisatie en impact van onderwijsonderzoek door een direct toepasbaar instrument te bieden voor formatieve toetsing in AI-rijke leeromgevingen. De rubric overbrugt de kloof tussen theorie en praktijk: docenten kunnen hiermee direct aan de slag om studenten te begeleiden naar verantwoord en kritisch AI-gebruik. Tegelijkertijd draagt het bij aan theorieontwikkeling door human-AI agency te operationaliseren binnen het DIPS-model en empirisch te valideren. Dit legt een fundament voor vervolgonderzoek naar effectieve pedagogische strategieën voor AI-geletterdheid in het hoger onderwijs. Paperpresentatie (30 minuten)667Siem Buseyne, Universiteit Antwerpen, Antwerpen 0.043do 16:30 – 17:30 Artificiële intelligentie (AI) wordt steeds vaker ingezet in het onderwijs. De huidige aandacht richt zich daarbij voornamelijk op generatieve AI-systemen, terwijl in de nabije toekomst ook andere vormen van AI nog meer aan belang zullen winnen (e.g., machine learning, deep learning) om bijvoorbeeld voorspellingen te maken, beslissingen te nemen en/of clusters te herkennen. Vanuit sociaal-wetenschappelijk oogpunt, benadrukken verschillende studies dat in de ontwerpfase van AI-systemen de verdeling van autonomie en verantwoordelijkheid tussen mens en AI een belangrijke ontwerpdimensie vormt. Tot op heden ontbreekt echter empirisch onderzoek dat systematisch in kaart brengt hoe verschillende niveaus van systeemautonomie (e.g., volledige control vs. geen enkele controle) door leerkrachten wordt gepercipieerd en hoe het, bijvoorbeeld, de acceptatie van AI-ondersteuning bij leraren kan beïnvloeden. Deze studie onderzoekt daarom hoe verschillende niveaus van autonomie in een AI-systeem de percepties van leraren beïnvloeden, en met name de ervaren autonomie, het gebruiksgemak, de bruikbaarheid, de attitude, het vertrouwen en de intentie tot gebruik. Via een within-subjects vignette-studie evalueerden leraren uit meerdere Europese landen vier configuraties van een eye-tracking-gebaseerd AI-systeem ter ondersteuning van leesbegrip. De configuraties varieerden van een observatie-dashboard tot een hoog-autonoom systeem dat zelfstandig leerpaden aanpast. De resultaten tonen aan dat leraren de beoogde verschillen in systeemautonomie duidelijk onderscheiden. Systemen waarin AI beperkte interventies uitvoert maar de leerkracht een groot deel van de autonomie behoudt, worden zowel het meest vertrouwd als het hoogst gerankt qua gebruiksintentie. Tegelijkertijd blijkt dat toenemende systeemautonomie gepaard gaat met afnemend vertrouwen, terwijl gebruiksintentie en vertrouwen verschillende voorkeurspatronen vertonen. Deze bevindingen benadrukken dat het ontwerp van hybride-intelligente onderwijssystemen vraagt om een zorgvuldige afstemming van autonomie, controle en transparantie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage draagt bij aan het congresthema Onderwijs voor Transitie door empirisch inzicht te bieden in hoe AI-systemen zo ontworpen kunnen worden dat zij leraren versterken. De resultaten tonen het belang aan van hybride intelligentie waarin professionele autonomie van de leerkracht behouden blijft. Daarmee levert de studie theoretische en ontwerpgerichte handvatten voor verantwoorde digitalisering in onderwijscontexten. Paperpresentatie (30 minuten)765Shirine Bousaid, Hogeschool KPZ, Zwolle, Marian Ooms, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 0.055do 16:30 – 17:30 Achtergrond Internationaal groeit de aandacht voor integraal werken rondom jonge kinderen om kansen gelijkheid en inclusiviteit in basisonderwijs en kinderopvang te bevorderen (Lazzari et al., 2020). Ook in Nederland wordt steeds vaker integraal gewerkt tussen deze partijen (AEF, 2025; van Grinten, 2019). Dit integraal werken vereist interprofessionele samenwerking (IPS) tussen professionals uit kinderopvang, basisonderwijs en jeugdhulp. IPS is echter niet vanzelfsprekend; het blijkt een complex en multidimensionaal proces te zijn (Verheijen-Tiemstra et al., 2020). Ook zijn in Nederland door het ‘split’ system de verantwoordelijkheden versnipperd over verschillende ministeries (Eurydice, 2025). Vraagstelling Onderzoek naar IPS in Nederland richt zich vooral op innovatieve pilots (Ooms et al., 2025). Hieruit blijkt dat professionals na een ontwikkeltraject meer wederzijdse afhankelijkheid ervaren en deze afhankelijkheid de ervaren teameffectiviteit voorspelt (Fukkink & Van Verseveld, 2020). Het is echter onduidelijk hoe de houding van professionals ten aanzien van interprofessioneel samenwerken samenhangt met de mate van integraal samenwerken op locatie niveau. In deze bijdrage zullen dan ook de volgende onderzoeksvragen beantwoord worden: Hebben professionals, werkend in een kindcentrum waar meer integraal gewerkt wordt op organisatieniveau, een positievere houding, meer vertrouwen in eigen kunnen en ervaren ze een hogere team effectiviteit ten aanzien van IPS dan professionals op locaties waar in mindere mate integraal gewerkt wordt? Is er naast bovengenoemde relatie een relatie met individuele demografische kenmerken (bijvoorbeeld leeftijd, jaren werkzaam op locatie, of onderwijsniveau)? Doelstelling bijdrage Het doel van deze bijdrage is om op basis van de onderzoeksresultaten samen met het publiek de resultaten te duiden; wat betekenen de uitkomsten voor de manier waarop wij kindcentrumontwikkeling vorm geven binnen Nederland en de scholing van de professionals uit kinderopvang en basisonderwijs? Dialoog/interactie met publiek Na een presentatie over het onderzoek en de resultaten zal met het publiek een discussie gevoerd worden over de hierboven genoemde vraag. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)550Wilke van Beest, Hoggeschool Utrecht, Utrecht, Evelien Ketelaar, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Jantje Timmerman, Hogeschool Utrecht, Utrecht 0.055do 16:30 – 17:30 In het beroepsonderwijs worden hybride leeromgevingen – waarin studenten, professionals, docenten en evt. onderzoekers gezamenlijk werken, leren en innoveren – vaak in co-constructie met diverse stakeholders ontworpen, uitgevoerd en doorontwikkeld (Bouw et al., 2021). Co-constructie van leeromgevingen speelt zich af op en over grenzen van praktijken, wat kan leiden tot spanningen, bijvoorbeeld rond het doel van de leeromgeving. Dit kan het co-constructie proces bemoeilijken en verduurzaming van leeromgevingen onder druk zetten. Er is nog weinig bekend over wanneer grenzen als problematisch worden ervaren in het proces van co-constructie en wat bijdraagt aan robuuste hybride leeromgevingen. In dit onderzoek is in het bijzonder gekeken naar de rol van grensgangers, grensruimtes en grensobjecten in het proces van co-constructie van hybride leeromgevingen in het mbo en hbo. Grensgangers zijn personen die actief deelnemen aan meerdere praktijken, zoals onderwijs en beroepspraktijk, en daarin een verbindende rol vervullen. Zij brengen perspectieven en kennis van de ene context over naar de andere en dragen zo bij aan vertrouwen, wederzijds begrip en samenwerking (Bakker & Akkerman, 2019). Grensruimtes zijn fysieke, sociale of conceptuele omgevingen waarin verschillende praktijken elkaar ontmoeten en waarin samenwerking, onderhandeling en wederzijds leren mogelijk worden (Akkerman & Bakker, 2011). Grensobjecten worden gedefinieerd als artefacten, concepten of praktijken die worden gebruikt door meerdere sociale werelden, maar die elk op een eigen manier worden geïnterpreteerd (Star & Griesemer, 1989). In deze bijdrage delen we inzichten vanuit participatief casestudieonderzoek naar co-constructie tussen beroepsonderwijs en werkveld bij vijf mbo- en hbo-casussen. Aan de hand van deze casussen gaan we de dialoog aan over de rol van grensgangers, grensruimtes en grensobjecten in het proces van co-constructie. Hierbij nodigen we het publiek uit deze inzichten te vertalen naar eigen praktijken waarin diverse betrokkenen in co-constructie samenwerken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit aan bij het thema Onderwijs in Transitie omdat hybride leeromgevingen als doel hebben responsief te zijn ten opzichte van maatschappelijke en professionele ontwikkelingen., bijvoorbeeld door leren en ontwikkelen bij zowel studenten als professionals aan te wakkeren. We richten ons op doorwerking gedurende het onderzoek, door de onderzochte praktijken verder te helpen bij de uitdagingen die zij ervaren in het gezamenlijk vormgeven van betekenisvolle leeromgevingen en delen kennis om leeromgevingen buiten het onderzoek te inspireren. Concreet laat het onderzoek zien hoe co-constructie van onderwijs voor transitie duurzaam kan worden vormgegeven. Paperpresentatie (30 minuten)258Milou Munsters, Universiteit Utrecht, Utrecht, Monique Verhoeven, Universiteit Utrecht, Utrecht 1.022do 16:30 – 17:30 Zowel in Nederland als wereldwijd is er sprake van een lerarentekort in het voortgezet onderwijs (vo; Adriaens et al., 2024; UNESCO, 2025). Veel leraren ervaren hierdoor een hoge werkdruk (OECD, 2012), waardoor de onderwijskwaliteit in het gedrang kan komen (Frenzel et al., 2018). Het lerarentekort in het eerstegraadsgebied wordt onder andere veroorzaakt door een beperkte instroom van studenten in universitaire lerarenopleidingen (ULO’s; Ministerie van OCW, 2026). Bestaand onderzoek naar die instroom is doorgaans gegrond in de expectancy-value theorie (Wigfield & Eccles, 2000). Dat onderzoek richt zich vooral op studenten die al in de lerarenopleiding begonnen zijn (Heinz, 2015). Wat overige studenten drijft om al dan niet docent in het vo te worden is onduidelijk. Dit beperkt het zicht op effectieve interventies om de ULO-instroom te vergroten. Bovendien wordt in de expectancy-value theorie de rol van de sociale omgeving in de totstandkoming van beroepskeuzes weliswaar erkend, maar blijft deze onderbelicht in empirisch onderzoek (Fray & Gore, 2018). Om deze twee redenen hebben we via een vergelijkende casestudie (Gerring, 2007) onder zes bachelorprogramma’s de volgende vraag onderzocht: ‘Hoe kijken studenten en docenten van verschillende bachelorprogramma’s aan de universiteit naar het docentschap binnen het vo als beroepsperspectief in vergelijking met alternatieve carrièrepaden?’ Met dit onderzoek bieden wij inzicht in 1) welke overwegingen studenten van verschillende bachelorprogramma’s hebben om via ULO’s wel of geen leraar te worden en 2) hoe deze overwegingen vorm krijgen in relatie tot belangrijke peers en rolmodellen ten aanzien van hun carrièreverloop, namelijk hun medestudenten en bachelordocenten (Glutsch & König, 2019). We willen op de ORD in dialoog gaan over wat de inzichten kunnen betekenen voor 1) de inrichting van bachelorprogramma’s, 2) mogelijke interventies richting de docenten en studenten en, 3) de verdere conceptualisering van de expectancy-value theorie. Zo hopen wij bij te dragen aan het terugdringen van het lerarentekort. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)649Yasamin Modhej, Sardes, Utrecht, Isabel Voets, Stichting CAOP, Den Haag 1.022do 16:30 – 17:30 In een steeds diversere samenleving heeft het onderwijs de maatschappelijke opdracht leerlingen te leren samenleven in verschil, met respect, begrip en gelijkwaardigheid. Diversiteit in en rond de school is daarbij van grote waarde. Vaak ligt de focus op diversiteit in het onderwijs bij leerlingen: hoe leren zij omgaan met verschillende achtergronden, normen en waarden, en actief burgerschap? Representatie en ontmoeting gelden hierbij als essentiële voorwaarden. Wat vaak nog onderbelicht blijft, is diversiteit binnen het onderwijspersoneel zelf. Terwijl de leerlingpopulatie in het primair onderwijs diverser wordt, blijft het lerarenbestand – en daarmee de lerarenteams – grotendeels homogeen. (Ook) leraren van kleur zijn structureel ondervertegenwoordigd in de sector, en zij verlaten deze bovendien relatief vaak vroegtijdig. Tijdens deze presentatie bespreken we resultaten uit een onderzoek naar leraren van kleur in het po. Aan de hand van diepte-interviews met (oud-)leraren van kleur, schoolleiders, lerarenopleiders en deskundigen is gekeken naar verklaringen voor de ondervertegenwoordiging van deze groep in het po, en effectieve (beleids)maatregelen om deze ondervertegenwoordiging te verminderen. De opgedane inzichten, in het bijzonder de ervaringen van leraren van kleur, vormen de basis voor concrete aanbevelingen aan verschillende actoren in de onderwijspraktijk. Aan het eind van de presentatie is er ruimte voor gesprek over ervaringen van aanwezigen en de kansen en uitdagingen bij het aantrekken en behouden van (meer) leraren van kleur in het po. Deze presentatie heeft de volgende doelen: – Zichtbaar maken wat de meerwaarde is van leraren van kleur voor het onderwijs, zowel voor leerlingen, als ook voor medewerkers, teams en de school(organisatie). – Duiden van de structurele ondervertegenwoordiging van leraren van kleur als structureel maatschappelijk vraagstuk. – Inzicht geven in de ervaringen van leraren van kleur en de belangrijkste uitdagingen die uit het onderzoek naar voren komen, en deze vertalen naar handelingsperspectief met concrete aanbevelingen op school-, organisatie- en sectorniveau. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit aan bij onderwijs in transitie door te laten zien hoe scholen kunnen werken aan toekomstbestendig onderwijs: inclusief, veerkrachtig en gericht op gelijke kansen voor leerlingen én medewerkers. Door diversiteit in het onderwijspersoneel te versterken en inclusieve schoolculturen te bevorderen, kunnen leerlingen opgroeien in een omgeving die verschillen waardeert en benut, terwijl leraren zich ondersteund en gewaardeerd voelen. Dit draagt bij aan kwalitatief goed onderwijs dat aansluit bij de maatschappelijke uitdagingen van een steeds diversere samenleving. Vrije vorm (60 minuten)775Annelies Pieterman-Bos, UMC, Utrecht 1.050do 16:30 – 17:30 Open Science als manier van denken en werken in de wetenschap wordt door steeds meer hoger onderwijsinstellingen omarmd als een beoogde kerncompetentie van hun afgestudeerden [1]. Daarvoor moet in alle verschillende opleidingen onderwijs ontwikkeld worden dat studenten opleidt voor Open Science binnen hun discipline. Hieraan gelieerd is ook de beweging naar Open Education, waarbij de Open Science-gedachte wordt toegepast op onderwijs, en docenten onderwijsmaterialen beschikbaar maken voor hergebruik door anderen [2]. Wij onderzoeken hoe een Open Education aanpak docenten kan helpen om van elkaars expertise en inspanning gebruik te maken in de uitdaging van het ontwikkelen van disciplinespeciek Open Science onderwijs. We onderzoeken hoe gemeenschappelijke grond tussen verschillende academische disciplines kan worden vertaald naar concrete Open Science-onderwijsactiviteiten die aansluiten bij disciplinespecifieke praktijken en waarden. Daarbij onderzoeken we ook welke aspecten van Open Science onderwijs interdisciplinair zijn en wellicht minder aanpassing vragen ten behoeve van overdraagbaarheid. Het doel is het ontwikkelen van didactische richtlijnen en een kwaliteitsmodel voor het ontwerpen van overdraagbare Open Science Open Educational Resources (OER) [3]. Onze onderzoeksvraag is: Wat maakt Open Science-onderwijsmaterialen overdraagbaar naar nieuwe contexten? We beantwoorden die vraag met think-aloud-sessies en interviews rondom een OER-kwaliteitsmodel, met experts en een bredere docentengroep, om tot een consensus te komen over: 1) welke criteria essentieel zijn voor overdraagbaarheid en welke wenselijk zijn, en 2) hoeveel kwaliteitscriteria het model kan bevatten om het voor docenten haalbaar te houden om OER te ontwikkelen. Tijdens de workshop leggen we de op dat moment recentste versie van het kwaliteitsmodel voor aan de deelnemers. We gaan in gesprek om de twee bovenstaande vragen te beantwoorden. Hoewel onze eigen focus ligt op Open Science onderwijs willen we meer algemeen ingaan op het overdraagbaar maken van onderwijs gericht op vaardigheden die disciplineoverstijgend zijn maar wel moeten aansluiten op disciplinespecifieke praktijken waarden (onderzoeksvaardigheden, wetenschappelijk schrijven, etc.). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Open Science en Open Education dragen bij aan onderwijs voor transitie doordat zij studenten en docenten toerusten om transparant, interdisciplinair en responsief te werken aan maatschappelijke vraagstukken [1]. In ons onderzoek staat de vraag centraal hoe Open Science-onderwijs zo kan worden ontworpen dat het overdraagbaar is tussen disciplines, terwijl het blijft aansluiten bij disciplinespecifieke praktijken en waarden. Door middel van een kwaliteitsmodel voor overdraagbare Open Educational Resources ondersteunen we docenten bij het ontwikkelen en hergebruiken van onderwijs voor open, interdisciplinaire onderzoeksvaardigheden. Daarmee dragen we bij aan onderwijs dat professionals voorbereidt om met een open houding maatschappelijke uitdagingen aan te pakken. Vrije vorm (60 minuten)286Martijn Peters, Hogeschool Arnhem Nijmegen, Nijmegen 1.054do 16:30 – 17:30 Het formuleren van een schooladvies in groep 8 is een complex proces waarin leerkrachten verschillende soorten data combineren om tot een weloverwogen beslissing te komen. In het advies Later selecteren, beter differentiëren pleit de Onderwijsraad (2021) voor een zorgvuldiger en meer datagestuurde advisering, door ‘toetsing onderdeel te maken van doorlopende leerlijnen, en gestandaardiseerde toetsing te combineren met een breed spectrum aan informatie’. Deze benadering sluit aan bij inzichten uit onderzoek naar Data‑Informed en Data‑Driven Decision Making (DIDM, Vanlommel & Schildkamp, 2019), waarin besluitvorming wordt opgevat als een proces van het wegen en duiden van uiteenlopende data in professionele contexten. Tegen deze achtergrond heeft de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN), in opdracht van het College voor Toetsen en Examens, onderzoek gedaan naar de wijze waarop leerkrachten in het primair onderwijs informatie gebruiken bij het formuleren van pre‑adviezen, voorlopige en definitieve schooladviezen. De vraagstelling van het onderzoek was ‘Op welke wijze worden data uit verschillende informatiebronnen door leerkrachten gebruikt bij het formuleren van het schooladvies?’ In deze sessie worden de resultaten van dit onderzoek gedeeld. Het doel van deze sessie is om de resultaten met de deelnemers te bespreken en de implicaties van het onderzoek voor beleid en praktijk te verkennen. Dit willen wij doen in een interactieve sessie, waarin de deelnemers worden uitgenodigd om hier actief over mee te denken. We kiezen hierbij voor een debat aan de hand van een aantal vooraf bedachte stellingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (60 minuten)107Sofia van Santen, Hogeschool Leiden, Leiden 1.056do 16:30 – 17:30 Hardnekkige ongelijkheden in leren en ontwikkelen hangen samen met sociaal-economische achtergrond, migratiegeschiedenis en leefomgeving. Tegelijkertijd groeit het besef dat scholen deze ongelijkheden niet zelfstandig kunnen verkleinen (Elffers, 2023; Gaikhorst, 2025; Mijs, 2016). Dit heeft geleid tot een toenemende belangstelling voor leerecosystemen: benaderingen die uitgaan van een holistische kijk op leren en ontwikkelen, waarin verbindingen tussen formeel, non-formeel en informeel leren doelgericht worden georganiseerd (Akiva et al., 2020; Hecht & Crowley, 2019). Leerecosystemen worden vaak gepresenteerd als oplossing, maar het is nog onduidelijk onder welke voorwaarden zij leiden tot meer sociale rechtvaardigheid. Deze sessie is gebaseerd op een literatuurreview van empirische studies naar leerecosystemen, aangevuld met voorlopige inzichten uit praktijkonderzoek. In deze studies zijn kenmerken geïdentificeerd van leerecosystemen die bijdragen aan sociale rechtvaardigheid. Het theoretisch kader van onze studies combineert inzichten uit de leerecosysteemtheorie (Hecht & Crowley, 2019) en theorieën over sociale rechtvaardigheid (Dawson, 2019; Fraser, 2003). Dit heeft geleid tot een geïntegreerd model, waarmee systematisch kan worden onderzocht hoe ongelijkheden in leren en ontwikkelen binnen samenwerkingen tussen partners binnen en buiten de school worden versterkt of juist verminderd. Onze centrale onderzoeksvraag luidt: Welke kenmerken van leerecosystemen dragen bij aan sociale rechtvaardigheid in het leren en ontwikkelen van jongeren? De workshop verbindt theoretische verdieping met beleidsmatige reflectie. We introduceren ons theoretisch model en de geïdentificeerde kenmerken van sociaal rechtvaardige leerecosystemen. Vervolgens verleggen we de focus naar de doorwerking: welke beleidskeuzes zijn nodig om samenwerking tussen onderwijs, buitenschools educatief aanbod, sociaal werk en gemeenten zó te organiseren dat sociale rechtvaardigheid daadwerkelijk wordt bevorderd? Aan de hand van een casus bevragen deelnemers beleidskeuzen, wegen zij dilemma’s af en ontwikkelen we gezamenlijk nieuwe perspectieven. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onze bijdrage laat zien waarom leerecosystemen kunnen bijdragen aan kansengelijkheid, doordat leerkansen ook buiten de school ontstaan. Door gehele leerecosystemen te onderzoeken (waarin formele, non-formele en informele leercontexten verbonden zijn), kunnen ongelijkheden in leren en ontwikkelen zichtbaar worden. Met een geïntegreerd theoretisch model, waarin leerecosysteemtheorie (Hecht & Crowley, 2019) wordt verbonden met sociaalrechtvaardigheidstheorie (Dawson, 2019; Fraser, 2003), leveren wij theoretische verdieping. Centraal in de workshop staat de vraag hoe inzichten uit literatuur en praktijk kunnen worden benut om beleidskeuzes van scholen, educatieve aanbieders, sociaal werk en gemeenten te versterken. Paperpresentatie851Patrick Sins, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam 1.074do 16:30 – 17:30 Aanleiding en relevantie van het onderzoek Rotterdamse scholen constateerden tijdens de coronapandemie dat er bij hun leerlingen extra achterstanden ontstonden op rekenen en taal. Daarom kwamen de Gemeente Rotterdam, het Rotterdams hoger onderwijs, maatschappelijke partners en het primair, voortgezet en speciaal onderwijs in Rotterdam gezamenlijk in actie. In 2021-2022 is een pilot uitgevoerd, waarbij studenten, als betaalde bijbaan, als tutoren zijn ingezet om deze achterstanden op de scholen te verminderen. Hieruit kwam het programma Studenttutoren010 (ST010) voort. In de twee daaropvolgende schooljaren is ST010 uitgevoerd. De tutoring binnen ST010 was gebaseerd op inzichten uit High Dosage Tutoring. Studenttutoren gaven intensieve begeleiding aan leerlingen door twee keer per week op de school tutoring te bieden. Scholen zagen positieve effecten, maar het aantal leerlingen dat via tutoring werd bereikt lag om organisatorische redenen veel lager dan gehoopt, waardoor het project minder succesvol was dan beoogd. Vraagstelling van het onderzoek In dit onderzoek stond twee vragen centraal: 1) Wat waren de knelpunten met de huidige vorm van tutoring? en 2) Wat zijn mogelijke alternatieve vormen van tutoring, die in ieder geval voldoen aan deze vier voorwaardes: – effectief in het verminderen van reken- en taalachterstanden; – organisatorisch goed inpasbaar; – voorziet in behoeftes van leerlingen, tutoren en leerkrachten; – kan op draagkracht rekenen binnen scholen. Alternatieve vormen die uit ons onderzoek naar voren kwamen zijn peer tutoring, AI-gebaseerde tutoringvormen, blended tutoring, en tutoring binnen een mentoring structuur. We gebruikten een combinatie van literatuurstudie en focusgroep gesprekken. Met name peer tutoring en tutoring binnen mentoring structuren werden als kansrijk gezien. Doelstelling van de bijdrage Het doel van deze presentatie is om de uitkomsten van ons onderzoek te bespreken, en aan het einde kort in gesprek te gaan met de deelnemers over de voor- en nadelen van deze verschillende vormen van tutoring in verschillende contexten. Paperpresentatie (30 minuten)661Irene Eegdeman, ROC van Amsterdam-Flevoland, Amsterdam, Daniël Elzas, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag, Erik Fleur, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag, Marcel Willemsen, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag 1.074do 16:30 – 17:30 Sinds 2024 bestaat een (pilot) oriëntatieprogramma dat is bedoeld voor mbo-studenten die nog geen studiekeuze hebben gemaakt en zich algemeen willen oriënteren. Doel van deze pilot is om uitval en studieswitch tegen te gaan (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2024). Daar ligt de aanname aan ten grondslag dat studieswitch altijd negatief is. Dit hoeft echter niet zo te zijn als de student na instroom in de studie overstapt naar een andere opleiding die beter aansluit bij de interesses en leidt tot verder loopbaanontwikkeling met bijvoorbeeld een diploma. Dit onderzoek richt zich op switchen in de breedst mogelijke zin en welke factoren daarmee samenhangen. Eerder onderzoek, dat zich vooral richtte op het hoger onderwijs, laat zien dat verschillende mechanismen kunnen bijdragen aan het switchen van opleiding: samenhang van motivatie en binding met de studie (Vulperhorst, Van der Rijst, Holmegaard & Akkerman, 2021), sociale integratie en institutionele ondersteuning (Coertjens, Brahm, Trautwein & Lindblom Ylänne, 2016); gevoel van verbondenheid met de onderwijsinstelling en met medestudenten (Turnquest et al., 2024). Daarnaast blijkt dat bredere contextuele omstandigheden, waaronder financiële situatie en arbeidsmarktperspectieven (Daemen & Leoni, 2025), eveneens een rol spelen. In dit onderzoek staan deze verklarende mechanismen echter niet centraal. Wij richten ons juist op de gevolgen van switchgedrag, specifiek binnen de mbo-context. Daarbij onderzoeken we in hoeverre contextuele factoren (zoals studentkenmerken en opleidingskenmerken) samenhangen met switchgedrag onder mbo-studenten, en in welke mate een switch succesvol dan wel niet-succesvol is geweest voor hun verdere studie- en loopbaanontwikkeling. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)128Guus Lambert, Zuyd Hogeschool, Heerlen 1.078do 16:30 – 17:30 In het hoger onderwijs groeit de aandacht voor het creëren van desirable difficulties, leeruitdagingen die cognitieve inspanning vereisen, maar uiteindelijk leiden tot duurzamer en dieper leren. Voorbeelden hiervan zijn retrieval practice, spaced practice en interleaved practice. Hoewel deze aanpakken in onderzoek effectief blijken, is nog beperkt bekend in hoeverre docenten in het hoger onderwijs bekend zijn met deze strategieën, hoe effectief zij deze inschatten, in welke mate zij deze toepassen of willen toepassen in hun onderwijs en in hoeverre zij zich bekwaam achten om deze strategieën doelgericht te integreren.In deze bijdrage presenteren wij een nieuw ontwikkelde vragenlijst met vignetten waarin uiteenlopende lessituaties rond het toepassen van desirable difficulties worden beschreven. Docenten geven per situatie aan hoe effectief zij deze inschatten voor leren, in welke mate zij vergelijkbare leeruitdagingen toepassen in hun eigen onderwijs, en hoe bekwaam zij zich achten om deze doelgericht vorm te geven. Hiermee ontstaat inzicht in hoe docenten omgaan met desirable difficulties en waar kansen en knelpunten liggen voor verdere professionalisering.Tijdens het rondetafelgesprek richten we ons op de volgende vragen:- Wat kunnen we opmaken uit de resultaten van de vragenlijst voor de professionalisering van docenten?- Hoe kunnen HO-instellingen docenten ondersteunen bij het ontwerpen en verzorgen van onderwijs waarin desirable difficulties effectief worden benut?- Welke vervolgstappen zijn nodig om zowel het instrument als de professionaliseringspraktijk verder te versterken?Deelnemers worden uitgenodigd om ervaringen te delen, drempels en kansen te benoemen, en gezamenlijk na te denken over ontwerpprincipes voor professionalisering die docenten helpen om uitdagend, activerend en duurzaam leren te bevorderen binnen hun eigen context. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)759Dorien Doornebos-Klarenbeek, Fontys Educatie, Tilburg, Sander de Kock, Yonder, Tilburg 1.078do 16:30 – 17:30 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie Sinds 2021 plaatst een lerarenopleider regelmatig berichten op LinkedIn onder de titel “Waarom vind ik mijn werk als lerarenopleider waardevol?”. Deze berichten bieden een unieke kans om samen met de lerarenopleider te onderzoeken hoe professionele identiteit van een lerarenopleider zich manifesteert in een publieke online context Het manifesten in de publieke online context zorgt ervoor dat wat eerst onzichtbaar is wordt geëxpliciteerd. Om deze stap te zetten is reflectie belangrijk (Buijs, et al (2025). Het theoretisch kader combineert inzichten uit onderzoek naar teacher identity en het TIL-model (Graus & Van de Broek, 2022), waarin persoonlijke en professionele zelf, praktijkervaringen en theoretische kennis samenkomen. Methode Het concept professionele identiteit ofwel teacher identity is uitgebreid beschreven in literatuur (o.a. Barkhuizen, 2019; Korthagen, 2004) en benadrukt dat lesgeven een geïntegreerd, contextueel en sociaal proces is (Akkerman & Meijer, 2010). Zicht krijgen op hoe de docentonderzoeker de professionele identiteit weergeeft is minder uitgebreid beschreven in literatuur. Aan de hand van reflectieve analyse stappen is samen met de auteur van de LinkedIn post teruggekeken en gereflecteerd op het schooljaar 2024-2025. Het onderzoek draagt bij aan inzicht in hoe lerarenopleiders hun identiteit construeren en hierover communiceren. Vraagstelling Hoe wordt teacher identity geconstrueerd in LinkedIn-berichten van een lerarenopleider gedurende een langere periode? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)629Loth Van Den Ouweland, Karel de Grote Hogeschool, Antwerpen 1.080do 16:30 – 17:30 Het Vlaamse onderwijs kampt het een schoolleiderstekort (Departement Onderwijs & Vorming, 2023; VDAB, 2024). Het beroep van schoolleider is omvattend, complex en uitdagend. Met name in het Vlaamse basisonderwijs, waar schoolleiders vaak alleen aan het roer staan, kan de werkdruk en eenzaamheid van de job een impact hebben op de instroom en retentie van schoolleiders in het beroep (Anderson et al., 2011; Devos et al., 2018). We onderzochten daarom of co-leiderschap, waarbij 2 of meerdere co-leiders samen het formele leiderschap delen, het potentieel heeft om de werkbaarheid van de job te verbeteren, en zo ook de instroom en retentie van schoolleiders te bevorderen (Döös & Wilhelmson, 2021; Gibeau et al., 2016). Uit onderzoek uit andere sectoren en andere onderwijscontexten blijkt immers dat co-leiderschap het overwegen waard is op dit vlak, en voordelen kan opleveren voor zowel schoolleiders, het schoolteam als de leiderschapskwaliteit en schoolorganisatie (Slater-Sanchez, 2020; Eckman & Kelber, 2010). Tegelijkertijd toont eerder onderzoek aan dat het geen vanzelfsprekende succesformule is. Co-leiderschap dient doordacht te worden vormgeven, en er dient aan een aantal relationele, structurele en contextuele randvoorwaarden voldaan te worden om de potentiële meerwaarde ervan te realiseren (Döös & Wilhelmson, 2020; Eckman, 2018; Hunter et al., 2017). Omdat schoolbesturen een centrale rol spelen in het bovenschoolse HR-beleid en de werving en ondersteuning van schoolleiders, gingen we in een verkennend onderzoek op zoek naar een antwoord op de volgende vragen: (1) Welke voor- en nadelen van co-leiderschap zien bestuurders voor het Vlaamse basisonderwijs? (2) Welke randvoorwaarden moeten volgens bestuurders vervuld zijn om co-leiderschap succesvol te kunnen implementeren? Met deze bijdrage willen we het debat openen over co-leiderschap als een (deel)oplossing voor het directeurstekort in het Vlaamse basisonderwijs, en bediscussiëren welke ondersteuning schoolbestuurders en co-leiders nodig hebben om co-leiderschap succesvol te implementeren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)654Melissa Tuytens, Universiteit Gent, Gent 1.080do 16:30 – 17:30 Schoolleiders spelen een cruciale rol in het waarborgen van de kwaliteit van ons onderwijs. De verantwoordelijkheden van schoolleiders zijn dan ook complex. Ze worden geconfronteerd met hoge verwachtingen en moeten rekening houden met talloze factoren en actoren bij het uitoefenen van hun functie (Fosco, 2022). De uitval bij schoolleiders is dan ook hoog en dit brengt ook een hogere uitval van leraren met zich mee ( DeMatthews et al., 2022). Het is cruciaal dat we begrijpen welke factoren schoolleiders als belastend en energiegevend ervaren binnen hun job om uitval te kunnen voorkomen. We voerden dan ook een kwantitatieve studie uit bij 383 secundaire schoolleiders in Vlaanderen gebaseerd op het JD-R model dat vooropstelt dat jobkenmerken en persoonlijke kenmerken een invloed uitoefenen op stress en welbevinden van individuen (Demerouti et al., 2001). De data werden geanalyseerd aan de hand van beschrijvende, regressie- en anova-analyses. Resultaten tonen dat schoolleiders een hoog jobenthousiasme ervaren en het gevoel hebben om van betekenis te zijn voor hun leerlingen. Slechts een kleine groep vertoont een intentie om het beroep te verlaten. De werk-privébalans wordt echter wel als problematisch ervaren. Deze uitkomstvariabelen worden beïnvloed door verschillende job demands (bvb. administratieve taken en overheidseisen) en job resources (bvb. relatie met het leidinggevend team en relatie met leerlingen). Personal resources (bvb. self efficacy) spelen ook een rol in deze relatie. Resultaten benadrukken ook het belang van professionele ontwikkeling voor schoolleiders, zowel pre- als in-service. Uit de resultaten kunnen verschillende aanbevelingen afgeleid worden die kunnen bijdragen aan de retentie van schoolleiders in het beroep en waarover met het publiek in interactie wordt gegaan: 1) investeren in het professionaliseringsaanbod voor schoolleiders (zeker ook voor beginners), 2) inzetten op goede relaties binnen leidinggevend en schoolteam, 3) aandacht voor planlast en 4) aandacht voor zelfzorg bij directies om hun personal resources te versterken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Schoolleiders zijn cruciale actoren om de transities in onderwijs en scholen in goede banen te leiden. Het is cruciaal dat we deze actor en hun welbevinden niet uit het oog verliezen. Onderzoek heeft aangetoond dat zij een belangrijke impact hebben voor het behouden van en ondersteunen van leraren in hun job. Deze bijdrage belicht deze belangrijke actor en schuift aanbevelingen naar voren die kunnen bijdragen aan sterker schoolleiderschap in onze scholen. Vrije vorm (60 minuten)346Susan Beckers, -, Renate van Keulen, Radboud Universiteit, Nijmegen 1.086do 16:30 – 17:30 In een tijd van transitie waarin digitalisering, polarisatie en de opkomst van generatieve AI de manier waarop jongeren informatie verwerken ingrijpend veranderen, wordt het ontwikkelen van oordeelsvermogen steeds belangrijker. Veel vo‑docenten ervaren echter handelingsverlegenheid bij het ondersteunen van leerlingen in het kritisch lezen, interpreteren en evalueren van soms tegenstrijdige bronnen binnen hun eigen vakgebied. Tegelijkertijd laat onderzoek van Van den Broek et al. (2021) zien dat bij leerlingen in het proces van oordeelsvorming de vaardigheden evalueren en reflecteren onvoldoende ontwikkeld zijn. Ook het PISA-2022 rapport toont een daling van leesvaardigheid en redeneervaardigheden aan. In een vierjarig NKO‑project ontwikkelen en onderzoeken we daarom in Professionele Leergemeenschappen (PLG’s) onderwijs dat leerlingen stimuleert kritisch met bronnen om te gaan en deze in te zetten bij evenwichtige oordeelsvorming. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan het gebruik van generatieve AI als bron. In de PLG’s werken eerstegraads en tweedegraads leraren van diverse schoolvakken samen met lerarenopleiders/vakdidactici. Het project hanteert een Lesson Study aanpak waarbij het ontwikkelen van vakgerichte onderwijsmaterialen samengaat met het versterken van de expertise van docenten in het ontwerpen, onderzoeken en verbeteren van hun eigen onderwijs. Het onderzoek richt zich op innovatieve vakdidactische strategieën die leraren kunnen gebruiken om oordeelsvorming bij leerlingen te bevorderen, hoe zij deze strategieën toepassen in de praktijk en hoe dit bijdraagt aan de ontwikkeling van oordeelsvorming bij leerlingen. In deze workshop presenteren we de opzet en de eerste bevindingen van de PLG’s en analyseren we vervolgens samen met de deelnemers fragmenten uit een lesopname. Deze bespreken we aan de hand van de teacher noticing-methode die we in het onderzoek gebruiken. Deelnemers maken op een actieve manier kennis met het onderzoek: ze ervaren hoe de ontwikkelde didactiek voor oordeelsvorming werkt en op welke manier wij binnen dit project de professionele ontwikkeling van leraren stimuleren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Kritisch denken en oordeelsvorming over maatschappelijke vraagstukken zijn belangrijke doelen in het voortgezet onderwijs, waarbij leerlingen voorbereid worden op hun rol als actieve en betrokken burgers in een wereld in transitie. Dit project laat zien hoe leraren de transitie binnen hun onderwijs actief vormgeven en expertise ontwikkelen door onderzoeksmatig samen onderwijs te ontwerpen en te testen dat aansluit bij de uitdagingen van deze tijd. De PLG‑structuur en Lesson Study‑aanpak vormen een duurzaam model voor regionale innovatie, waarin scholen en lerarenopleidingen gezamenlijk bouwen aan toekomstgericht onderwijs. Paperpresentatie (30 minuten)417Emmy Stevens, Tilburg University, Tilburg 1.092do 16:30 – 17:30 De afgelopen jaren heeft generatieve AI (GenAI) een grote impact gehad op het onderwijs. Dat geldt ook voor het schoolvak Nederlands in het voortgezet onderwijs, waar onderwijs in lees- en schrijfvaardigheid onder druk is komen te staan (Li et al., 2025). Tegelijkertijd kan het schoolvak Nederlands studenten een middel bieden om kritisch na te denken over de manier waarop we communiceren met GenAI (Bender, 2024; Wang & Wang, 2025). Nadenken over de implicaties van GenAI voor het schoolvak Nederlands komt op een uitgelezen moment, aangezien het schoolvak Nederlands momenteel een curriculumhervorming doormaakt (SLO, 2025b). In het hernieuwde curriculum zal redeneren over taal, literatuur en communicatie een belangrijke plaats innemen (Bax et al., 2021) en vanwege het talige aspect van GenAI past het bespreken van deze technologie dan ook heel goed bij het nieuw curriculum. Tegelijkertijd worden er ook voor het vakoverstijgende domein digitale geletterdheid kerndoelen ontwikkeld worden, die vragen om een goede integratie met de verschillende schoolvakken (SLO, 2025a). Bij de uitwerking van een nieuw ontwikkeld curriculum is de docent aan zet. Het is dan ook van groot belang om te begrijpen wat de visie van docenten Nederlands is op het gebruik van GenAI in het onderwijs en in het schoolvak Nederlands in het bijzonder. Opvattingen van docenten beïnvloeden immers de lespraktijk (Borg, 2017). Ons onderzoek naar de opvattingen van docenten Nederlands (vragenlijst gevolgd door focusgroepinterviews) ten aanzien van GenAI bevraagt vanuit verschillende perspectieven hoe deze docenten aankijken tegen de integratie van AI-geletterdheid in het schoolvak Nederlands. Tijdens de presentatie zullen de resultaten uit het onderzoek besproken worden en zal er een dialoog plaatsvinden over hoe we digitale geletterdheid zo vorm kunnen geven dat we leerlingen weerbaar maken in een wereld waarin technologie een vanzelfsprekendheid is geworden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In deze congresbijdrage zal het onderwerp ‘transitie’ vanuit meerdere perspectieven belicht worden. Door de komst van GenAI zijn we genoodzaakt na te denken over hoe we ons onderwijs vorm willen geven nu leerlingen deze technologie voor allerlei onderwijstaken kunnen gebruiken. Dit roept allerlei vragen op, zeker voor schoolvakken waar lezen en schrijven een zeer grote rol spelen. Het schoolvak Nederlands is zo’n schoolvak, dat ook nog eens in transitie is door een curriculumherziening die momenteel wordt uitgevoerd. Hoe gaan docenten Nederlands om met al deze veranderingen en hoe kunnen zij leerlingen opleiden tot kritische gebruikers van GenAI? Paperpresentatie (30 minuten)909Esther Zeedijk, Hogeschool Utrecht, Utrecht 1.092do 16:30 – 17:30 informatieproblemen op te lossen door digitale informatie te zoeken, evalueren en synthetiseren tot betekenisvolle kennisproducten (Brand-Gruwel et al., 2009). Generatieve AI-tools zoals ChatGPT bieden nieuwe mogelijkheden voor het zoeken, verwerken en creëren van informatie, maar onkritisch gebruik kan de ontwikkeling van Information Problem Solving (IPS) competentie belemmeren en leiden tot het accepteren van bevooroordeelde of onjuiste informatie (Bishop, 2023; Darvishi et al., 2024). Bestaande IPS-modellen zijn ontwikkeld voor menselijk-geleide informatietaken en weerspiegelen mogelijk niet meer hoe studenten informatieproblemen oplossen met GenAI (Federiakin et al., 2024). Ondanks groeiende consensus over de noodzaak om AI-geletterdheid te integreren in het IPS-curriculum (Bond et al., 2024), ontbreekt een heldere, evidence-based, pedagogische strategie. Empirische studies naar de impact van GenAI op IPS-competentie in het hoger onderwijs zijn in opkomst maar nog niet systematisch gesynthetiseerd. Een recente systematische review (Boetje et al., 2025) toonde aan dat effectieve instructie voor IPS essentieel is, maar liet de vraag open welke specifieke leeromgevingfactoren van belang zijn wanneer GenAI geïntegreerd wordt in het IPS-proces. Deze systematische literatuurreview synthetiseert het beschikbare empirische bewijs over de invloed van generatieve AI op het leren van digitale IPS-competentie in het hoger onderwijs. Centrale vragen zijn: Welke studentkenmerken en leeromgevingfactoren dragen bij aan effectieve AI-ondersteunde IPS? Hoe beïnvloedt GenAI de leerprocessen van studenten? Deze bijdrage presenteert de voorlopige resultaten van een systematische review van 48 empirische studies (2022-2025). We introduceren een vernieuwd Presage-Process-Product model (Biggs, 1993) dat de rol van GenAI in IPS expliciteert. We nodigen het publiek uit om mee te denken over: Hoe kunnen de gevonden leeromgevingfactoren (zoals begeleide reflectie op AI-gebruik en collaboratieve AI-interactie) worden vertaald naar concrete didactische interventies? Welke uitdagingen ervaren deelnemers in hun eigen praktijk bij het begeleiden van studenten in verantwoord AI-gebruik binnen IPS-taken? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de doorwerking en impact van onderwijsonderzoek door empirisch bewijs te synthetiseren tot concrete handvatten voor onderwijspraktijk. De transitie naar AI-geïntegreerd onderwijs vereist evidence-based pedagogische strategieën. Door systematisch internationale empirische studies te analyseren, bieden we docenten en beleidsmakers een gefundeerde basis voor curriculumaanpassingen. We verbinden onderzoeksresultaten direct met praktische implicaties: hoe kunnen we van verbod naar begeleiding bewegen? Welke specifieke leeromgevingfactoren maken het verschil? Dit sluit aan bij de ORD-missie om de kloof tussen onderzoek en praktijk te overbruggen. Paperpresentatie (30 minuten)560Kirsten Foumani-Luijendijk, Hanzehogeschool, Groningen, Annelies Kassenberg, Hanzehogeschool, Groningen 1.096do 16:30 – 17:30 Recentelijk is in Nederland, de functie van brugfunctionaris ingevoerd en zijn er ruim 1000 brugfunctionarissen in het basis-, voortgezet en speciaal onderwijs werkzaam. De brugfunctionaris slaat een brug tussen school, kind en gezin en zorgt ervoor dat kinderen in kwetsbare omstandigheden mee kunnen blijven doen en hun talenten kunnen ontwikkelen. Door vroegtijdig problemen in de thuissituatie (bijvoorbeeld armoede) te signaleren en daar wat aan te doen, werkt de brugfunctionaris preventief en draagt het bij aan gelijke kansen voor ieder kind. Dat voorkomt onnodige zorg en het medicaliseren van problemen en ontlast de leraren. De functie is bottom-up ontwikkeld en wordt door zowel onderwijs- als sociale professionals ingevuld. Het ontbreekt echter aan een theoretische onderbouwing van de functie en concrete handvatten voor professionals hoe zij hun werk kunnen uitvoeren. In dit onderzoek staat daarom de vraag centraal: 1) In hoeverre kan de functie van brugfunctionaris onderbouwd worden vanuit een sociaal inclusieve visie op kinderen en 2) welke behoeften hebben brugfunctionarissen bij het uitvoeren van hun werk? Om deze vragen te beantwoorden is aan de hand van de dimensies van het Medical Model en Social Model (Mason & Rieser, 1994) een contentanalyse uitgevoerd op de methodiekbeschrijving van de brugfunctionaris. Daarnaast is in een survey-onderzoek 350 brugfunctionarissen gevraagd welke behoeften zijn hebben in de uitvoering van hun werk en welke tools zij daarvoor nodig hebben. De resultaten laten zien dat de functie van brugfunctionaris, meer dan andere welzijnsfuncties, grotendeels te onderbouwen is vanuit het Social Model (Mason & Rieser, 1994). Brugfunctionarissen geven aan het meest behoefte te hebben aan een duidelijke positionering binnen de school, praktische functieomschrijving, praktische invulling van hun taken en inzicht in de mogelijkheden om ouders (in armoede) te kunnen ondersteunen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor transitie door de brugfunctionaris in het onderwijs te positioneren als een sleutelrol in het verkleinen van sociale verschillen en het bevorderen van kansengelijkheid. De brugfunctionaris werkt vanuit een gelijkwaardige driehoeksverhouding tussen kind, ouder en leerkracht, gericht op de optimale cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen en jongeren. In een context van groeiende sociale ongelijkheid en diversiteit laat dit onderzoek zien dat de functie theoretisch kan worden onderbouwd vanuit een sociaal-inclusieve visie op kinderen. Dit biedt aanknopingspunten voor doorontwikkeling van de functie en draagt bij aan onderwijs dat recht doet aan diversiteit. Paperpresentatie (30 minuten)575Erica Kamphorst, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 1.096do 16:30 – 17:30 Gelijke toegang tot onderwijs is cruciaal voor kansengelijkheid en sociale participatie van kinderen met extra ondersteuningsbehoeften (Ledoux & Waslander, 2020; Onderwijsraad, 2020). Scholen worstelen met de scheiding tussen regulier en speciaal onderwijs (De Boer, 2020) en het aantal leerlingen in het speciaal onderwijs groeit (CBS, 2024). Beperkte middelen en een tekort aan expertise bemoeilijken de realisatie van inclusief onderwijs (Ledoux & Waslander, 2020; Onderwijsraad, 2020). In deze context zijn in Zuid-Limburg de Startklassen ontstaan: kleinschalige groepen waarin onderwijs- en jeugdzorgprofessionals samenwerken aan een zorgvuldige overgang van voorschool naar regulier basisonderwijs (Kersemaekers et al., 2021). Hoewel praktijkbeschrijvingen wijzen op positieve effecten, ontbreekt systematisch inzicht in de aannames en ervaringen van professionals over deze aanpak. Om te onderzoeken of praktijkinitiatieven zoals de Startklassen daadwerkelijk bijdragen aan inclusie is een eerste belangrijke stap om de onderliggende aannames, doelen en werkende mechanismen inzichtelijk te maken. Hiervoor biedt de Interventietheorie van Van Yperen, Veerman en Bijl (2007) een bruikbaar raamwerk. Het toepassen van dit raamwerk biedt inzicht in waarom een bepaalde aanpak, voor een specifieke doelgroep en binnen een bepaalde context, zou moeten leiden tot gewenste uitkomsten. De centrale onderzoeksvraag luidt: “Welke aannames verbinden professionals, vanuit hun praktijkervaring, aan de werking en de onderliggende mechanismen van de Startklassen?” De bevindingen van het onderzoek kunnen bijdragen aan verdere onderbouwing, verbetering en verantwoorde implementatie van deze interventie, evenals aan de ontwikkeling van vergelijkbare initiatieven elders. Daarmee sluit het huidige onderzoek aan bij de landelijke ambitie om uiterlijk in 2035 een inclusief onderwijssysteem te realiseren (Wiersma, 2023). De bevindingen vormen het startpunt voor een gesprek over wat inclusie in de vroege schoolloopbaan vraagt van professionals en organisaties. In hoeverre slaan Startklassen een brug tussen voorschool, regulier onderwijs en jeugdzorg? Wat leert dit onderzoek ons over de spanning tussen inclusieve idealen en de dagelijkse realiteit in scholen? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)713Rene Glastra van Loon, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.016do 16:30 – 17:30 Aanleiding en relevantie Nu er steeds meer aandacht is voor de kwaliteit van universitair onderwijs, kunnen docentontwikkeltrajecten een belangrijke rol spelen bij het verbeteren van universitair docenten hun onderwijs (Patfield et al., 2025). Hoewel het belang van een evidence‑informed benadering (‘scholarly teaching’) groeit, blijft de verbinding tussen onderwijsonderzoek en dagelijks handelen in de universitaire onderwijspraktijk echter beperkt (Geertsema, 2016). Scholarly teaching verwijst naar docenten die onderwijsonderzoek benutten om hun onderwijs en het leren van studenten te verbeteren (Potter & Kustra, 2011). Deze studie onderzoekt hoe universitair docenten scholarly teaching percipiëren en welke factoren hun betrokkenheid bij onderwijsonderzoek kunnen stimuleren of belemmeren. Theoretisch kader Onderzoek laat zien dat integratie van onderwijsonderzoek de leerervaring van studenten kan versterken (Goradia et al., 2023), maar dat de doorvoering van dergelijke praktijken vaak niet duurzaam is (Jollands et al., 2023). Dat wijst op hardnekkige barrières. Deze kunnen liggen in negatieve of ambivalente houdingen, beperkte onderzoeksvaardigheden en tekorten aan tijd en institutionele ondersteuning (Georgiou et al., 2023; Shepard et al., 2020). Als universitaire docentontwikkeling inzet op het bevorderen van het gebruik van onderwijsonderzoek om de onderwijskwaliteit te versterken, is inzicht in het perspectief van universitair docenten cruciaal. We conceptualiseren de perceptie van docenten met het kader van ‘researchly disposition’ (Tack et al., 2023), bestaande uit drie dimensies: affectief (houding), cognitief (waargenomen uitdagingen) en gedragsmatig (betrokkenheid). Vraagstelling De onderzoeksvragen zijn: (1) Hoe percipiëren universitair docenten scholarly teaching? (2) Welke belemmerende en stimulerende factoren ervaren zij rond het gebruik van onderwijsonderzoek? (3) Hoe verschillen docenten met uiteenlopende onderwijservaring in hun houding, ervaren uitdagingen en gebruik van onderwijsonderzoek? Dialoog Aan het einde van de paperpresentatie formuleer ik een gerichte vraag en nodig ik enkele reacties uit. Deze vraag richt zich op herkenning van de gevonden factoren in de eigen instelling en op implicaties voor de inrichting van universitaire docentontwikkeling. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)419Emma Van Malderen, Vrije Universiteit Brussel, Brussel 3.016do 16:30 – 17:30 Teacher leadership wordt steeds vaker erkend als een belangrijke hefboom voor schoolontwikkeling (York-Barr & Duke, 2004; Wenner & Campbell, 2017), maar de rol ervan binnen school–universiteitspartnerschappen (SUPs) blijft onduidelijk. Hoewel deze partnerschappen historisch sterk gericht waren op lerarenopleiding en onderzoek (Smith, 2021), worden ze steeds vaker gezien als contexten waarin leraren actief leiderschap opnemen in veranderingsprocessen. Tegelijk ontbreekt systematisch inzicht in hoe teacher leadership binnen SUPs wordt geconceptualiseerd en welke voorwaarden het ontstaan en versterken ervan ondersteunen of belemmeren. Deze bijdrage is gebaseerd op een systematische review van 52 empirische studies naar teacher leadership in school–universiteitspartnerschappen, verspreid over verschillende landen, partnerschapsmodellen en onderwijsniveaus. De review richt zich op drie onderzoeksvragen: (1) Hoe wordt teacher leadership geconceptualiseerd in onderzoek naar SUPs? (2) Hoe beïnvloeden teacher leaders teamprocessen en schoolontwikkeling binnen deze partnerschappen? (3) Welke condities faciliteren of inhiberen het ontstaan en versterken van teacher leadership? Hoewel alle drie de vragen aan bod komen, ligt de nadruk op de derde onderzoeksvraag. De resultaten tonen aan dat teacher leadership binnen SUPs zich manifesteert op meerdere niveaus, van klaspraktijk tot schoolorganisatie en samenwerking met externe partners, en vooral vorm krijgt via processen van samenwerking en capaciteitsopbouw (Darling-Hammond et al., 1995; Harris, 2005). Op basis van thematische analyse onderscheiden we drie samenhangende categorieën van condities die teacher leadership beïnvloeden: structurele, relationele en individuele factoren. De bijdrage nodigt het publiek uit om deze bevindingen te verbinden met eigen onderzoek en partnerschapspraktijken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor transitie door te laten zien hoe teacher leadership binnen school–universiteitspartnerschappen kan bijdragen aan duurzame schoolontwikkeling. In een context van maatschappelijke transities vraagt onderwijs om professionals die samen leren, verantwoordelijkheid opnemen en verandering dragen. De resultaten van deze systematische review tonen dat teacher leadership in partnerschappen ontstaat via samenwerking, capaciteitsopbouw en gedeeld eigenaarschap, en zich manifesteert op meerdere niveaus van het onderwijssysteem. Daarmee biedt deze bijdrage inzicht in hoe scholen en universiteiten samen condities kunnen creëren die leraren versterken als actieve actoren in onderwijsvernieuwing en transitieprocessen. Vrije vorm (60 minuten)139Lotte Mensink, Hogeschool KPZ, Zwolle, Annemarie Regeling, Hogeschool KPZ, Zwolle 3.018do 16:30 – 17:30 Nederland is een taaldivers land. Het gesproken Nederlands kent verschillende (erkende) regionale taalvariëteiten. Ook worden er, vanwege globalisering en migrantenstromen (CBS, 2022), vele andere talen gesproken. Een kwart van de vijftienplussers spreekt thuis overwegend een andere taal dan het Nederlands (Schmeets & Cornips, 2021). Studenten van de associate degree Pedagogisch Educatief Professional (ad PEP) worden opgeleid om in de sectoren kinderopvang, onderwijs, jeugdhulp en/of welzijn de leefomgeving van kinderen/jongeren te versterken (Dijk, 2023). Ook afgestudeerde PEP-studenten zien in het werkveld steeds meer kinderen kinderen/jongeren met een andere thuistaal dan het Nederlands. Dat vraagt van professionals kennis van taalontwikkeling, interculturele communicatie en meertaligheid (Vanhooren & Wulftange, 2020). Daarnaast neemt het belang van educatief partnerschap, en daarmee de samenwerking met diverse professionals en ouders toe (De Vries & Gilsing, 2023). Dat vraagt van professionals dat zij in staat zijn op heldere en professionele wijze te communiceren met verschillende gesprekspartners (Dijk, 2023; Vanhooren & Wulftange, 2020). Uit gesprekken met studenten, lesobservaties en een vragenlijst (n=27) blijkt dat het studenten van de ad PEP niet altijd lukt om aan bovenstaande verwachtingen te voldoen. Ze zijn onzeker over de verhouding tussen hun eigen taaldiversiteit, zoals het spreken met een accent, en hun professionele taalgebruik. Ook zijn ze handelingsverlegen in de communicatie met meer- en anderstalige kinderen, jongeren en ouders. Dit praktijkgericht ontwerponderzoek heeft een competentielijst, body of knowledge, lijst met jeugdliteratuur en een reeks bijeenkomsten opgeleverd rondom talige diversiteit. In deze bijeenkomst nemen we het publiek graag mee in de theoretische achtergrond en het proces en zullen we actief bezig gaan met de opgeleverde producten. In de dialoog die ontstaat tussen onderzoekers en professionals hopen we aanvullende perspectieven op te halen, die bij kunnen dragen aan verdere doorontwikkeling van de module. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)410Karina de Waal, Radboud Universiteit, Nijmegen 3.038do 16:30 – 17:30 Aanleiding, achtergrond en relevantie In het Nederlandse voortgezet onderwijs krijgen groepen leerlingen van hetzelfde onderwijsniveau vaak ander of additioneel onderwijsaanbod. Wij noemen dit mesodifferentiatie. Het gaat om programma’s als maatwerkuren, opstroomgroepen, kunst- en sportklassen, Cambridge Engels en trainingen voor executieve functies of basisvaardigheden. Macro- (tracking) en microdifferentiatie (binnen de klas) zijn uitvoerig onderzocht in relatie tot kansengelijkheid (Hallam & Ireson, 2005; Van de Werfhorst, 2021). Deze studies tonen dat differentiatie vaak beoogt leermogelijkheden te vergroten, maar in de praktijk sociale stratificatie kan reproduceren. Vanuit dat perspectief is het cruciaal om ook het relatief onbekende, maar veelvoorkomende mesodifferentiatie te onderzoeken. Eerdere literatuur wijst erop dat curriculumdifferentiatie kan leiden tot segregatie tussen én binnen scholen (Maire & Molina, 2025; Zwier, 2025) en plaatst dit in een bredere context van neoliberale onderwijsdynamieken waarin profilering en competitie een rol spelen. Vraagstelling van het onderzoek Welke vormen van mesodifferentiatie komen voor in het Nederlandse voortgezet onderwijs en wat zijn mogelijke implicaties voor kansengelijkheid? Doelstelling van de bijdrage Op basis van een systematische documentanalyse van 100 scholen (n=1.234 programma’s) tonen we dat mesodifferentiatie vrijwel universeel voorkomt (99/100 scholen). Na codering van kenmerken van mesodifferentiatie programma’s hebben we met behulp van HOMALS vier programmatypen geïdentificeerd: distinctief, ondersteunend, verrijkend en profilerend. Het paper presenteert deze empirisch onderbouwde typologie en analyseert programmakarakteristieken zoals beweegredenen, programmaduur, tijdsdifferentiatie en leerdomein. We duiden potentiële ongelijkheidsmechanismen (extra kosten, selectieve toegang, statusverhoging) en laten zien hoe deze kenmerken verschillen naar onderwijsniveau, om zo meer inzicht te krijgen in implicaties voor ongelijke kansen. Dialoog/interactie met publiek Het aanbod van scholen vertoont opvallende trends én grote variatie. We sluiten af met een interactieve verkenning waarin deelnemers reflecteren op potentiële afwegingen van scholen bij het realiseren van meso-onderwijsaanbod. Deze input benutten we in een vervolgstudie, waarin we onderzoeken hoe mesodifferentiatie tot stand komt op scholen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)375Peter Langeraks Mathematisch Instituut, Amstelveen 3.038do 16:30 – 17:30 Het curriculum voor het basisonderwijs is zowel in Vlaanderen als Nederland in transitie. Vlaanderen introduceert wettelijke minimumdoelen die concreet specificeren wat leerlingen minimaal moeten beheersen (Muijs et al., 2025). Nederland werkt met nieuwe kerndoelen die in brede zin abstract zijn geformuleerd, waarbij verdere concretisering bij scholen wordt belegd (Wetenschappelijke Curriculumcommissie, 2024). In een fase van curriculumherziening wordt de vraag urgent hoe leerdoelen op stelselniveau zó worden opgesteld dat curriculum, monitoring en evaluatie coherent worden verbonden. In termen van curriculumtheorie gaat het daarbij om de relatie tussen beoogd en gerealiseerd curriculum (Van den Akker et al., 2003). Vergelijking tussen Vlaanderen en Nederland is niet vanzelfsprekend, omdat leerdoelen in verschillende institutionele contexten functioneren. In deze bijdrage maken wij vergelijking mogelijk door beide benaderingen te analyseren met een ex-ante normeringskader. Wij operationaliseren dit kader als een drieslag: (1) een concreet minimumniveau, (2) een populatie-inschatting van de uitgangspositie, en (3) een normatieve resultaatsverwachting. Dit ex-ante normeringskader is in Nederland voorafgaand aan de eerste kerndoelen door de Onderwijsraad geadviseerd (Onderwijsraad, 1992) en vervolgens uitgewerkt in de leerstandaardenlijn met concrete leerdoelen (Onderwijsraad, 1999). In het latere beleid is deze ex-ante benadering uitgewerkt in referentieniveaus voor taal en rekenen door de ‘Expertgroep doorlopende leerlijnen’ (Expertgroep, 2009), die in het basisonderwijs wettelijk zijn verankerd en in toezicht en oordeelsvorming over leerresultaten normerend functioneren (Van Schoonhoven, 2023). De onderzoeksvragen luiden: (1) in welke mate zijn de Vlaamse en de Nederlandse doelkaders voor het basisonderwijs ex-ante genormeerd, en (2) welke rationales liggen in de advieslijn van de Nederlandse Onderwijsraad ten grondslag aan ex-ante normering van leerdoelen? De bijdrage resulteert in een vergelijkingsmatrix (Vlaanderen–Nederland) en een geordend overzicht van rationales (micro–meso–macro) als synthese van de leerstandaardenlijn. Dit overzicht dient als analytisch kader om functies van ex-ante normering te duiden binnen de curriculumlogica van het beoogde en gerealiseerde curriculum. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In zowel Vlaanderen als Nederland is het curriculum in transitie, maar de stelselkeuze voor normering en concretisering verschilt. Deze bijdrage richt zich op de doorwerking van de keuzes. Wij laten zien hoe verschillen tussen Vlaamse minimumdoelen en Nederlandse kerndoelen en referetieniveaus doorwerken in de samenhang tussen doelen, monitoring en evaluatie, juist nu curricula verbreden en tegelijkerijd een nadruk op basisvaardigheden blijft. Het ex-ante normeringskader maakt expliciet welke voorwaarden nodig zijn om onderzoeksuitkomsten en schoolaccountability te vertalen naar legitieme kwaliteitsuitspraken en gerichte verbeteragenda’s. Rondetafelgesprek (30 minuten)718Suzan van Brussel, Avans Hogeschool, Breda, Ronald Spruit, Avans Hogeschool, Breda 3.056do 16:30 – 17:30 Differentiatie is in het hoger onderwijs urgenter dan ooit. Demografische ontwikkelingen leiden tot een toenemende diversiteit in instroom naar leeftijd, achtergrond en leerroute (CBS, 2024; Onderwijsraad, 2025). Tegelijkertijd vraagt de arbeidsmarkt om flexibiliteit en eigenaarschap (OECD, 2019). Hoewel differentiatie essentieel is, ervaren docenten in het hoger onderwijs vaak handelingsverlegenheid of ‘disorienting dilemmas’ bij het omgaan met deze verschillen (Mezirow, 2015; Brouwer et al., 2024). Dit praktijkvraagstuk vormde de basis voor een ontwerpgericht actieonderzoek naar een evidence-informed professionaliseringstraject. In het najaar van 2025 is een ‘Learning Lab Differentiatie’ uitgevoerd met zes hbo-docenten. In vier begeleide sessies ontwierpen en voerden zij eigen onderwijsexperimenten uit, gebaseerd op het IGTP-model (Sims et al., 2021). De verzamelde data (observaties en reflecties) worden momenteel geanalyseerd. Tijdens deze rondetafelsessie presenteren we de eerste resultaten. De voorlopige analyse laat zien dat het voor docenten uitdagend is om differentiatie concreet vorm te geven en de effecten ervan te meten. Experimenten beperken zich vaak tot het in kaart brengen van verschillen in plaats van het aanpassen van de didactiek. Voor ons vervolgonderzoek gaan we graag met het publiek in gesprek over: 1) Operationalisatie: Hoe krijgt differentiatie structureel vorm in curricula, werkvormen en toetsing binnen het hoger onderwijs? 2) Effectmeting: Welke indicatoren en onderzoeksdesigns zijn passend om de impact van differentiatie op leren en betrokkenheid vast te stellen? De sessie genereert handelingsgerichte kennis over professionalisering rondom complexe docentvaardigheden. We delen onze materialen en tools met alle geïnteresseerden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Differentiatie is cruciaal in een samenleving die gekenmerkt wordt door diversiteit en snelle veranderingen. Het hoger onderwijs staat voor de uitdaging om studenten voor te bereiden op complexe maatschappelijke vraagstukken en een leven lang leren. Ons onderzoek naar een evidence-informed professionaliseringstraject voor docenten draagt bij aan deze transitie door hen te ondersteunen in het ontwerpen van inclusief en flexibel onderwijs. Door differentiatie te operationaliseren en effecten op leren en betrokkenheid te onderzoeken, creëren we handvatten voor onderwijs dat inspeelt op uiteenlopende leerbehoeften. Zo bouwen we samen aan een onderwijspraktijk die veerkrachtig en toekomstgericht is. Rondetafelgesprek (30 minuten)760Rose Leighton, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Linda van Ooijen-van der Linden, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 3.056do 16:30 – 17:30 In deze rondetafelsessie delen wij de resultaten van onderzoek (2019-2024; N=161 interviews) naar curriculum co-creatie met teams van docenten, studenten en onderzoekers binnen een hogeschool. Het doel is om, op basis van deze bevindingen, gezamenlijk te komen tot een aanzet voor scholing gericht op curriculum co-creatie. Curriculumontwerp is geen eenvoudige opgave, ook niet in het hoger onderwijs. De complexiteit ervan wordt nog vaak onderschat (O’Connor, 2022). Traditioneel hadden academici, vooral in hun rol als docent, veel autonomie in het vormgeven van de inhoud van hun onderwijs (Handelzalts, 2019; Little, 1990; Van Middelkoop, Portielje & Horsselenberg, 2018). Hoewel deze autonomie in veel gevallen nog bestaat (Van Middelkoop et al., 2018), is curriculumontwerp steeds vaker een gezamenlijke inspanning. Hedendaagse curricula vragen om integratie van kennis van verschillende inhoudelijke experts, vaak op programmaniveau of over leerlijnen heen. Gezamenlijk ontwerpen van curricula vindt doorgaans plaats vanuit twee motieven: het ontwerpproces wordt ingezet als middel voor professionele ontwikkeling, of samenwerking fungeert als een ‘implementatiebevorderende strategie’ (Westbroek, De Vries, Walraven, Handelzalts & McKenney, 2019, p. 36). In dit onderzoek wordt samenwerking beschouwd als noodzakelijk om verschillende vormen van expertise te integreren, mede doordat curriculuminhoud in het hoger onderwijs steeds complexer en vaker multi- of transdisciplinair van aard is. Ook los van deze ontwikkelingen is curriculumontwerp een complexe activiteit. Het vereist vakinhoudelijke expertise, pedagogische kennis en het vermogen deze te verbinden (Huizinga, Handelzalts, Nieveen & Voogt, 2015), evenals ervaring met het ontwikkelen van een samenhangend en afgestemd curriculum (Huizinga, 2014). Daarnaast vraagt gezamenlijk ontwerpen om effectieve samenwerkingsvaardigheden, die mogelijk minder ontwikkeld zijn in contexten waar docentautonomie sterk blijft (Miller, 2007). Het is dan ook niet verwonderlijk dat er nog weinig duidelijke richtlijnen bestaan voor gezamenlijke curriculumontwikkeling en dat onderzoek zich vaak richt op input en output, in plaats van op het ontwerpproces zelf (Handelzalts, 2019). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)162Simon Verwer, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 3.058do 16:30 – 17:30 In het hoger onderwijs speelt het lezen van teksten, naast de contacturen met docenten, een belangrijke rol. Studenten blijken de opgegeven teksten echter vaak niet te lezen (Manarin, 2019). Docenten overschatten de motivatie van studenten om te lezen en de moeilijkheid van de gekozen teksten (Stokes & Martin, 2008). Veel studenten beschouwen lezen niet als essentieel voor succes (Manarin, 2019) en ervaren het lezen van opgegeven literatuur als een ‘zinloze worsteling’ (Mason & Warmington, 2024).De exploratieve opzet van dit lopende onderzoek is erop gericht samen met studenten en docenten te verkennen wat het lezen van teksten voorafgaand aan de les kan bevorderen.In onze pilotstudie gaven studenten aan dat ze lezen wel belangrijk vonden, maar niet deden omdat ze niet overtuigd waren dat dit nodig was voor het tentamen. Dit was aanleiding voor ons om de bredere context te verkennen. We zochten uit hoeveel en welke tekst opgegeven werd, wat docenten behandelden in de hoorcolleges en wat terugkomt op de toets. In de rondetafelsessie introduceren we kort het onderzoek en de tussentijdse bevindingen. Daarna brengen we samen met de deelnemers randvoorwaarden in kaart die kunnen maken dat studenten zich voorbereiden op colleges. Vervolgens presenteren we een conceptversie van de volgende ronde van onze studie en brainstormen we hoe de randvoorwaarden goed meegenomen kunnen worden in het design.Manarin, K. (2019). Why read? Higher Education Research & Development, 38:1, 11-23, https://doi.org/10.1080/07294360.2018.1527296 Mason, W., & Warmington, M. (2024). Academic reading as a grudging act: how do Higher Education students experience academic reading and what can educators do about it?. Higher Education, 1-18. https://doi.org/10.1007/s10734-023-01145-2 Stokes, P., & Martin, L. (2008). Reading lists: A study of tutor and student perceptions, expectations and realities. Studies in Higher Education, 33(2), 113-125. https://doi.org/10.1080/03075070801915874 Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)403Rick Damhuis, Hogeschool Windesheim, Zwolle, Herma Jonker, Hogeschool Windesheim, Zwolle, Diane van der Linde-Koomen, Hogeschool Windesheim, Zwolle 3.058do 16:30 – 17:30 Nu generatieve artificiële intelligentie (GenAI) razendsnel aan invloed wint in de maatschappij, voelt het onderwijs een sterke urgentie om studenten goed voor te bereiden op verantwoord GenAI-gebruik (AI Act – European Parliament, 2024; Npuls – Renkema et al., 2025). Studenten accepteren nieuwe technologie snel en de goede beschikbaarheid van GenAI zorgt ervoor dat studenten snel routinegebruik ontwikkelen (Shoufan, 2023). Inderdaad, een substantieel deel van de studenten blijkt GenAI-toepassingen te gebruiken (Chung et al., 2024; Deschenes&McMahon, 2024). GenAI heeft de belofte in zich om bij te dragen aan het oplossen van wereldwijde uitdagingen, maar tegelijkertijd levert GenAI-gebruik nu al erkende risico’s op, met name als het gaat om mis- en desinformatie, integriteit en verlies van autonomie (OECD, 2025). In het onderwijs gaat de discussie natuurlijk ook over de betekenis van GenAI voor leren (Renkema et al., 2025). Onderzoekers beloven gepersonaliseerd leren, maatwerk en 24/7 beschikbaarheid (Crompton & Burke, 2024; Johnston et al., 2024; Shoufan, 2023). Tegelijkertijd zijn er zorgen, onder andere over mentaal ‘lui’ worden, oppervlakkig leren en afname kritisch denken (Gerlich, 2025; Chen et al., 2025; Stadler et al., 2024). Als studenten worden voorbereid op GenAI-gebruik, dan blijken kritisch denken, reflecteren en leren prompten veelvoorkomende onderdelen (Renkema et al., 2025). Het is onvoldoende duidelijk wat deze onderdelen bijdragen aan verantwoord gebruik en of ze leiden tot diepgaand leren. In dit onderzoek zijn enkele casussen gevolgd waarin drie GenAI-interventies in bestaande lessen werden ingebouwd. De onderzoeksvraag luidde: hoe kunnen studenten worden voorbereid op verantwoord GenAI-gebruik? In navolging van Renkema et al. (2025) omschrijven we verantwoord GenAI-gebruik als “samenspel van kennis, vaardigheden en attituden, waarbij ethisch bewustzijn de basis vormt voor het kritisch, verantwoordelijk en effectief omgaan met AI-systemen.” Deze bijdrage heeft als doel inzichten uit te wisselen over werkzame en minder werkzame manieren om studenten voor te bereiden op verantwoord GenAI-gebruik. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het bestaan van GenAI zorgt er nu al voor dat het onderwijs in transitie is. GenAI heeft een grote impact op de manier waarop we leren, onderwijzen en professionaliseren. De EU (AI Verordening – AI Act) en ook de Nederlandse overheid roepen het onderwijs op nadrukkelijk in te zetten op AI-geletterdheid. Het gesprek over GenAI voor leren lijkt te polariseren. In deze bijdrage beogen we de impact van onderzoek te vergroten door in gesprek aan over wat bekend is uit onderzoek en daar de eigen ervaringen naast te leggen. Vrije vorm (60 minuten)699Marjanne Hagedoorn, Landstede Groep, Zwolle, Erica Wijnands-Pot, MboRijnland, Gouda 3.060do 16:30 – 17:30 De rol van docentonderzoekers in het mbo wint aan betekenis door de groei van practoraten en praktijkgericht onderzoek in het mbo, maar blijft tegelijkertijd in ontwikkeling (Consortium Tools voor Teamleren, 2022; Van der Meer et al., 2023). Eerder onderzoek laat zien dat docentonderzoekers geen vastomlijnde taakomschrijving kennen, maar een dynamische professionele opdracht vervullen waarin zij praktijkgericht onderzoek uitvoeren, onderwijs en innovaties vormgeven, collega’s begeleiden, en stakeholders binnen en buiten de school verbinden (Hagedoorn et al., 2023). Docentonderzoekers leggen daarbij uiteenlopende accenten, variërend van onderzoeks-expertise tot tactisch opereren binnen de onderwijsinstelling. De variatie in taken, positionering en waardering maakt zichtbaar dat gedeelde taal en een concreet handvat voor reflectie ontbreken. Tegelijkertijd vraagt de groei van deze rol om verdere professionele ontwikkeling, kwaliteitsborging van onderzoek, en verbeterde doorwerking van opbrengsten uit onderzoek in het mbo. Op basis van praktijkonderzoek naar de rol van docentonderzoekers (Hagedoorn et al., 2023) en in co-creatie met stakeholders uit mbo en hbo is een visueel en dialogisch instrument ontwikkeld: de “Ontwikkelplaat docentonderzoeker in het mbo”. De ontwikkelplaat onderscheidt acht samenhangende elementen, zoals praktijkgericht onderzoek doen, onderzoekend werken aan innovaties, en netwerken en verbinden. Samen vormen zij een integraal, niet-normatief kader, dat uitnodigt tot reflectie op de professionele rol en ontwikkeling van docentonderzoekers. Tijdens de workshop krijgen deelnemers inzicht in de acht elementen van de rol van docentonderzoeker in het mbo, in de ontwikkelplaat als reflectie- en ontwikkelinstrument, en ervaren zij hoe dialoog bijdraagt aan professionele groei en doorwerking van onderzoek. De interactieve werkvorm ondersteunt gezamenlijke reflectie, perspectiefwisseling en verkenning van toepassingsmogelijkheden binnen practoraten, onderzoeksteams en professionaliseringstrajecten. Daarnaast worden suggesties opgehaald voor aanscherping van het instrument. De bijdrage sluit aan bij actuele discussies over onderzoekend werken en professionalisering in het mbo en de verbinding tussen onderzoek en praktijk (Brouwer et al., 2024; Vadanescu et al., 2024). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de doorwerking, impact en valorisatie van onderwijsonderzoek in de onderbelichte sector van het mbo. Het onderzoek onderschrijft dat doorwerking van praktijkgericht onderzoek niet vanzelf ontstaat, maar actief wordt vormgegeven door docentonderzoekers in hun dagelijkse werk. Het is dus van belang om aandacht te hebben voor de rol, positie en waardering voor deze groeiende groep professionals in het mbo. Rondetafelgesprek (30 minuten)539Noortje Hemmen, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.066do 16:30 – 17:30 Het Nederlandse onderwijs is volop in beweging doordat kerndoelen en eindtermen worden herzien (SLO, 2025). Deze vernieuwing vergt van leraren nieuwe kennis en andere manieren van handelen in de onderwijspraktijk en legt daarmee ook een grote verantwoordelijkheid bij lerarenopleidingen. Deze moeten een sterke opleidingsdidactiek hanteren die zowel theorie en praktijk verbindt als bijdraagt aan de doelgerichte ontwikkeling van handelingskennis van studentleraren. Deze handelingskennis stelt leraren in staat om theoretische (vakdidactische) inzichten te vertalen naar betekenisvol en contextgevoelig onderwijs (Bulterman, 2023; Gess-Newsome, 2015). Onderzoek laat zien dat handelingskennis zich vooral ontwikkelt wanneer leraren samen, cyclisch en onderzoekend leren, met voortdurende aandacht voor het leren van leerlingen (Darling-Hammond, 2020). Een professionaliseringaanpak die deze kenmerken combineert, is Lesson Study (LS) (Lewis et al., 2019). Hierin bestuderen, ontwerpen, geven en evalueren leraren gezamenlijk hun onderwijs. Onderzoek wijst erop dat LS niet alleen geschikt is voor ervaren leraren, maar ook potentie heeft als opleidingsdidactiek binnen lerarenopleidingen (De Vries et al., 2023; Tan et al., 2024). Hoe Lesson Study in die context het beste kan worden vormgegeven, is echter nog nauwelijks onderzocht. Dit roept de vraag op hoe Lesson Study als opleidingsdidactiek kan bijdragen aan de ontwikkeling van handelingskennis bij studentleraren, een vraag die centraal staat in mijn ontwerponderzoek in de eerstegraadslerarenopleiding Nederlands. Diep lezen vormt daarbij de vakinhoudelijke focus, omdat dat een maatschappelijk urgente vaardigheid is (OECD, 2021) en een expliciete plek heeft gekregen in het vernieuwde curriculum Nederlands in het voortgezet onderwijs (SLO, 2025). In dit rondetafelgesprek gaan we in gesprek over de kansen en belemmeringen van Lesson Study als opleidingsdidactiek, en over de vraag hoe lerarenopleidingen via Lesson Study leraren kunnen opleiden die impact maken in hun lespraktijk. De eerste bevindingen rondom de prototype opleidingsdidactiek uit mijn ontwerponderzoek vormen hierbij het referentiekader. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich zowel op de doorwerking als impact van onderwijsontwerponderzoek in lerarenopleidingen. Het doel is om de ontworpen interventie en haar bestanddelen te begrijpen en theoretiseren. Op die manier wordt zowel bijgedragen aan wetenschappelijke kennis over het opleiden en leren van (student)leraren als aan de implementatie van Lesson Study in de volle breedte van de lerarenopleidingen. Daarmee levert dit onderzoeksproject een bijdrage aan het overbruggen van de veelbesproken kloof tussen onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk. Rondetafelgesprek (30 minuten)228Marietje Beemsterboer, Hogeschool Inholland, Alkmaar, Mascha Enthoven, Hogeschool Inholland, Lectoraat De Pedagogische Opdracht, Haarlem 3.066do 16:30 – 17:30 Onderwijsregio’s hebben de gezamenlijke opdracht om startende leerkrachten te begeleiden en professionaliseren. Onderzoek laat zien dat inductieprogramma’s, met aandacht voor mentoring en doorlopende professionalisering, bijdragen vertrouwen, zelfeffectiviteit, verantwoordingskracht en het ervaren van steun binnen de organisatie (Enthoven, 2020; Gaikhorst, 2014; Helms-Lorenz et al., 2016; Ingersoll & Strong, 2011). Daarnaast hangen deze programma’s samen met hogere effectiviteit in de eerste loopbaanjaren en met behoud van leerkrachten voor het onderwijs (Keese et al., 2023). Tegelijkertijd blijft onduidelijk welke inrichting van inductieprogramma’s het meest effectief is. Uit gesprekken met schoolleiders, bestuurders, schoolopleiders en leerkrachten blijkt dat leerkrachten in het primair onderwijs, ondanks bestaande inductietrajecten, vaak ervaren dat zij niet kunnen handelen naar wat zij professioneel juist achten. Met name in pedagogisch en professioneel spanningsvolle situaties voelen zij zich onzeker of ‘niet stevig staan’ voor de klas. Deze signalen vormden voor het Lectoraat De Pedagogische Opdracht en betrokken schoolbesturen de aanleiding om te onderzoeken hoe leerkrachten in de inductiefase beter ondersteund kunnen worden in het stevig staan voor de klas, het verantwoorden van hun handelen en het functioneren binnen een context die dit mogelijk maakt. De centrale onderzoeksvraag luidt: Op welke wijze kunnen (aanstaande) leerkrachten in de inductiefase worden geprofessionaliseerd in het steviger staan in pedagogisch en professioneel spanningsvolle momenten waarin zij onzekerheid ervaren over hun handelen en/of verantwoording? Het onderzoek wordt uitgevoerd als actieonderzoek, in samenwerking met studenten, leerkrachten, schoolleiders en bestuurders uit verschillende onderwijsregio’s. Tijdens de bijdrage op de Onderwijs Research Dagen worden de onderzoeksopzet en eerste inzichten gedeeld die zijn verkregen in samenwerking met derdejaarsstudenten van De Inholland Pabo waarin zij hun eigen ervaringen met onzekere momenten onderzochten. In het rondetafelgesprek wordt met deelnemers verkend wat de betekenis van deze inzichten is voor vervolgstappen in het onderzoek en voor ontwerpcriteria voor inductietrajecten die de verantwoordingskracht binnen opleiding en praktijk kunnen versterken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich primair op de doorwerking en impact van onderwijsonderzoek binnen een context van structurele transitie. Onderwijsregio’s vormen een nieuwe samenwerkingsstructuur waarin opleiding, inductie en professionalisering opnieuw worden ingericht. Het gepresenteerde actieonderzoek richt zich op inductie in de dagelijkse praktijk van scholen en op de vraag hoe leerkrachten ondersteund kunnen worden in lastige situaties waarin zij onzeker zijn over hun handelen. Door samen met scholen en opleidingen te onderzoeken wat in deze situaties helpt, draagt het onderzoek bij aan praktische, bruikbare kennis voor onderwijs in verandering. Rondetafelgesprek (30 minuten)336Julianne de Leeuwe, Wageningen University & Research, Wageningen 3.068do 16:30 – 17:30 Docenten hebben een grote invloed op het studiesucces van lerenden. Een van de meest effectieve manieren waarop zij dit doen, is door het uiten van hoge verwachtingen, zowel verbaal als non-verbaal. Onderzoek laat zien dat hoge verwachtingen van docenten leiden tot betere prestaties, meer motivatie en betrokkenheid bij lerenden, terwijl lage verwachtingen juist een negatieve impact hebben (Li & Rubie-Davies, 2017; Rosenthal & Jacobson, 1968; Voerman, 2021). Dit fenomeen staat bekend als de self-fulfilling prophecy: het Pygmalion-effect bij hoge verwachtingen, het Golem-effect bij lage. Onderzoek heeft aangetoond dat docenten zich anders gedragen tegenover lerenden van wie zij hoge verwachtingen hebben: ze creëren een warme psychosociale leeromgeving, geven meer positieve feedback, introduceren uitdagendere inhoud, stellen denkstimulerende vragen en bieden deze lerenden meer mogelijkheden om hun kunnen te tonen. Lage verwachtingengedrag kenmerkt zich daarentegen onder andere door meer negatieve feedback, minder tijd om te antwoorden en minder leerervaringen en leerkansen (Rubie-Davies, 2015; van den Bergh et al., 2020). Hoewel er wetenschappelijke consensus bestaat over de effecten van docentverwachtingen, is het merendeel van het onderzoek uitgevoerd in het primair en voortgezet onderwijs. We weten veel minder over de hoger onderwijs context. Deze is summier bestudeerd, waarbij studies veelal plaatsvonden in China (Li & Rubie-Davies 2017; 2018). De aanbeveling uit die onderzoeken was om hoge verwachtingen bij docenten ook in tertiair onderwijs van Westerse culturen te bestuderen. Daarnaast bleek uit eerdere onderzoeken dat het meten van verwachtingen bij docenten een belangrijk punt van aandacht is voor vervolgonderzoek (Timmermans, Rubie-Davies, & Rjosk, 2018; Wang, Rubie-Davies, & Meissel, 2018). Vandaar dat er een zelfperceptievragenlijst voor docenten in het hoger onderwijs is ontwikkeld. Tijdens de rondetafelsessie presenteren we de vragenlijst. We zullen deelnemers aan deze sessie feedback vragen op de vragenlijst en op de eerste uitkomsten van proefafnames die we hebben gedaan. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)98Roeline Bijl, Tilburg University, Tilburg 3.068do 16:30 – 17:30 Leerkrachtverwachtingen, leerkrachthandelen en leerlinguitkomsten zijn cyclisch aan elkaar verbonden (Flanagan et al., 2020): bij lage verwachtingen zal een leerkracht onbewust ander gedrag vertonen (differentieel gedrag), wat bijdraagt aan minder rijke kansen voor de leerling en impact heeft op cognitieve en non-cognitieve leerlinguitkomsten (Gentrup et al., 2020). Dit geldt ook omgekeerd voor hoge verwachtingen. De impact van leerkrachtverwachtingen lijkt sterker te zijn voor leerlingen met een lagere sociaaleconomische status of leerlingen uit etnische minderheidsgroepen (Wang et al., 2018). Aangezien leerkrachtverwachtingen impliciet en onbewust gevormd en gecommuniceerd worden, is professionalisering nodig om deze cyclus te beïnvloeden en daarmee rijke kansen voor alle leerlingen te kunnen bieden.Uit een systematische review over professionalisering op leerkrachtverwachtingen en -handelen bleek dat bewustwording van impliciete verwachtingen een belangrijke component is hierin (Bijl et al., 2025). Naar aanleiding van deze systematische review is een professionaliseringstraject voor basisschoolteams opgezet, dat het afgelopen schooljaar heeft plaatsgevonden (oktober – maart). Hierbij was ruim aandacht voor bewustwording vanuit twee werkvormen: coaching op de professionele dialoog binnen professionele leergemeenschappen en individuele video-coaching op leerkrachthandelen rondom hoge verwachtingen. De effecten van de professionalisering worden zowel kwalitatief als kwantitatief onderzocht, waarbij wordt gekeken naar de ervaringen van leerkrachten en hun professionele dialoog (kwalitatief) en de uitkomsten op leerkrachten en leerlingen (kwantitatief).In dit rondetafelgesprek staan de eerste bevindingen rondom de leerkrachten centraal, waarbij wordt besproken wat er tot nu toe is gezien en wat de eerste ervaringen en belemmeringen zijn wat betreft verschillende aspecten van de professionalisering en de implementatie hiervan na afloop van de directe betrokkenheid van de onderzoekers. We willen in het rondetafelgesprek ingaan op deze eerste bevindingen die worden gedeeld. Samen denken we na over mogelijke verklaringen, transfer naar de praktijk, en verdere implicaties. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In deze bijdrage staat centraal hoe we vanuit eerder gedaan onderwijsonderzoek zijn overgegaan naar het professionaliseren van leerkrachten, en kijken we op welke manier onderzoek bruikbaar en impactvol is voor de praktijk en hoe kunnen we dat vertalen naar implicaties. Dit doen we door daar samen over in gesprek te gaan en zo te zoeken naar de doorwerking en impact van dit onderzoek op de onderwijspraktijk. Rondetafelgesprek (30 minuten)879Debby Weerlink, School of Health Professions Education, Maastricht 3.070do 16:30 – 17:30 In flexibel hoger onderwijs wordt van studenten verwacht dat zij zelf richting geven aan hun leerproces. Hoewel veel onderzoek zich richt op docentbegeleide onderwijsactiviteiten en curriculuminterventies, is nog beperkt bekend hoe studenten buiten deze formele contexten ervaringen opdoen die bijdragen aan de ontwikkeling van zelfsturingsvaardigheden. Juist in deze dagelijkse, vaak informele momenten lijken belangrijke keuzes, reflecties en interacties plaats te vinden. Deze roundtable is gebaseerd op een lopende kwalitatieve studie waarin met behulp van een audio-diarymethode wordt onderzocht hoe, wanneer en in welke contexten studenten ervaringen opdoen die hun ontwikkeling van zelfsturingsvaardigheden ondersteunen, buiten docentbegeleide onderwijsactiviteiten. Studenten uit verschillende bacheloropleidingen in flexibel ingerichte programma’s nemen gedurende meerdere weken korte audiofragmenten op waarin zij reflecteren op keuzes die zij maken in hun leerproces. Deze audio diaries worden aangevuld met stimulated recall-interviews om de betekenisgeving van studenten te verdiepen. Ten tijde van de Onderwijs Research Dagen wordt verwacht dat de dataverzameling is afgerond en dat eerste analytische patronen zichtbaar zijn. De roundtable richt zich op de gezamenlijke interpretatie van deze voorlopige bevindingen. Centraal staat de vraag hoe studentervaringen buiten formeel onderwijs begrepen kunnen worden als ontwikkelmomenten van zelfsturing, en hoe deze ervaringen zich verhouden tot bestaande inzichten over structuur, begeleiding en sociale interactie in flexibel hoger onderwijs. De sessie is opgezet als een interactieve uitwisseling met onderzoekers en onderwijsprofessionals die werken aan zelfsturing, flexibilisering en curriculumontwerp. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)513Rick Ikkersheim, Hogeschool Inholland, Haarlem, Rutger Kappe, Hogeschool Inholland, Haarlem 3.070do 16:30 – 17:30 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek Studentaanwezigheid, met name in het eerste studiejaar, vormt een terugkerend zorgpunt binnen het hoger onderwijs. Tegelijkertijd is fysieke aanwezigheid minder vanzelfsprekend geworden door digitalisering, blended onderwijs en een sterke nadruk op studentautonomie. Instellingen staan daarmee voor een dilemma: wanneer is het legitiem om te sturen op aanwezigheid, en wanneer ondermijnt dat juist leren, welzijn en eigenaarschap? De wetenschappelijke literatuur laat zien dat aanwezigheid vaak samenhangt met studiesucces, maar dat deze relatie sterk contextafhankelijk is en wordt beïnvloed door factoren als didactische kwaliteit, betrokkenheid en doelgroep (Büchele, 2020; Credé et al., 2010). Beleidsinterventies rond aanwezigheid laten bovendien uiteenlopende en soms paradoxale effecten zien. Dit leidt in de praktijk tot onzekerheid en sterk uiteenlopende beleidskeuzes. Vraagstelling Deze ronde tafel heeft als doel om, geïnformeerd door onderzoek, gezamenlijk te beproeven of het concept ‘aanwezigheidsethos’ helpt om anders te denken over aanwezigheidsbeleid. Niet de vraag of aanwezigheid belangrijk is staat centraal, maar wanneenr en onder welke voorwaarden sturen op aanwezigheid pedagogisch en ethisch verantwoord is. Doelstelling van de bijdrage De indieners brengen kerninzichten in uit een narratieve literatuurstudie naar aanwezigheid, studiesucces en beleidsinterventies in het hoger onderwijs. Deze inzichten worden niet gepresenteerd als vaststaand kader, maar als aanleiding om spanningsvelden en keuzeruimte zichtbaar te maken. Doelstelling is om het concept van een aanwezigheidsethos te toesten bij onderzoekers. Opzet van het gesprek De ronde tafel is expliciet interactief en toetsend van aard: Korte aftrap (5–10 min): kerninzichten en dilemma’s uit de literatuurCasusverkenning: deelnemers brengen (of krijgen) concrete praktijksituaties rond aanwezigheid en bespreken deze langs drie vragen:Wat gebeurt hier bij verplichte aanwezigheid?Wat gebeurt hier bij volledige vrijblijvendheid?Wat zou een aanwezigheidsethos hier betekenen?Gezamenlijke reflectie: welke handelingsprincipes tekenen zich af? Doelgroep Docenten, onderwijsontwikkelaars, beleidsmedewerkers, onderzoekers en bestuurders die werken aan studiesucces in het hoger onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)10Bas Agricola, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Simone Buys, Lectoraat Beroepsonderwijs, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Kitty Meijer, Lectoraat Beroepsonderwijs, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.072do 16:30 – 17:30 Introductie In een tijd van snelle maatschappelijke transities is het cruciaal dat professionals regie voeren over hun eigen werk en leren (1). Het hoger onderwijs speelt een sleutelrol in het ontwikkelen van deze agency (2). Programmatisch toetsen (PT) is bij uitstek ontworpen om deze agency te stimuleren, door de focus te verleggen van summatieve beslissingen naar continue feedback en ontwikkeling (3, 4). Echter, ondanks deze ontwerpintenties (de ‘belofte’ van PT), laat de empirische realiteit vaak iets anders zien. Studenten worstelen om daadwerkelijk agency te pakken binnen toetspraktijken die nog steeds gekenmerkt worden door machtsongelijkheid en een focus op verantwoording, de zogenaamde ‘burden of proof’ (5). In ons recent gestarte, NKO-gefinancierde onderzoeksproject onderzoeken wij in de komende vijf jaar hoe en waarom studenten wel of geen agency tonen binnen PT. We hanteren een sociocultureel perspectief waarbij agency ontstaat in de interactie tussen student en omgeving (6). Centraal staat het concept affordances: de uitnodigingen tot actie die een omgeving biedt en die door studenten benut kunnen worden (7). Deze inzichten zijn essentieel om PT niet slechts te zien als beoordelingssysteem, maar als maar als leeromgeving die uitnodigt tot het inzetten van agency. Doel- en vraagstelling Tijdens dit rondetafelgesprek presenteren we de eerste stappen van dit project. We bespreken de eerste resultaten van een systematische reviewstudie naar welke specifieke affordances in toetsing agency stimuleren. Daarnaast blikken we vooruit naar de ontwikkeling van instrumenten voor sense of agency en agentic behaviour. Het doel van deze rondetafel is het gezamenlijk verkennen van twee kernproblemen uit onze eerste reviewstudie: Affordances: Welke specifieke elementen in PT nodigen studenten daadwerkelijk uit tot agentic behaviour? Methodologie: Hoe meten we agency valide in een toetscontext? Bestaande instrumenten meten vaak een generiek gevoel (sense of agency), maar missen de context-specifieke gedragingen (agentic behaviour) binnen assessment. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit onderzoek sluit aan bij het thema ‘Onderwijs voor Transitie’. Transities vragen om professionals die zich een leven lang blijven ontwikkelen. Dit vereist dat studenten leren stuurkracht (agency) uit te oefenen tijdens hun leerproces. Wij kiezen voor het accent Theoretische gronding en theorieontwikkeling. Ons project herdefinieert toetsing niet als manier om te controleren, maar als middel om agency uit te oefenen en te ontwikkelen. We onderzoeken hoe de principes van programmatisch toetsen in de praktijk kunnen bijdragen aan het vormen van de zelfstandige professional die nodig is voor de maatschappelijke uitdagingen van morgen. Rondetafelgesprek (30 minuten)218Nienke Boere, Open Universiteit, Heerlen 3.072do 16:30 – 17:30 Het bevorderen van onderzoekend vermogen (OV) is een belangrijk doel van het hbo-onderwijs (Hbo-raad, 2009; Vereniging Hogescholen, 2019), omdat hbo-professionals werken in een samenleving die wordt gekenmerkt door toenemende complexiteit. In zulke contexten is het nodig dat professionals niet alleen bestaande kennis toepassen, maar ook in staat zijn het niet-weten te onderkennen, kritisch af te wegen welke kennis ontbreekt en nieuwe handelingskennis te ontwikkelen (Munneke, 2024). Het formatief evalueren (FE) van deze competentie door docenten kan een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van OV bij studenten (Nieminen & Ketonen, 2024). FE kan worden opgevat als het doelgericht ontlokken en interpreteren van studentreacties om zicht te krijgen op hun ontwikkeling, en het gebruiken daarvan voor feedback en beslissingen over vervolgstappen in het leerproces (Black & Wiliam, 2009). Docenten ervaren FE van brede competenties zoals OV echter als complex, omdat zowel de aard als de ontwikkeling van OV bij studenten moeilijk te duiden is (Foster & Piacentini, 2023; Boere et al., in review). Vanuit deze uitdaging zijn drie docententeams uit verschillende hbo-opleidingen gestart met een professionaliseringstraject. Het doel was gezamenlijk inzicht te ontwikkelen in de beoogde kwaliteit en ontwikkeling van OV, en FE-praktijken te ontwerpen en toe te passen die aansluiten bij deze doelen en de ontwikkelingsfase van studenten. De centrale onderzoeksvraag luidde: hoe ontwikkelen hbo-docenten hun beroepskennis met betrekking tot het formatief evalueren van onderzoekend vermogen tijdens hun deelname aan het professionaliseringstraject? Om deze vraag te beantwoorden is gebruikgemaakt van meerdere kwalitatieve databronnen, waaronder veldnotities, artefacten, reflectiedagboeken en interviews. In deze rondetafelsessie verkennen we hoe databronnen gecombineerd kunnen worden om de docentontwikkeling inzichtelijk te maken. We bespreken methodologische vragen rond triangulatie, zoals het omgaan met tegenstrijdige databronnen, het construeren van een samenhangend beeld van professionele ontwikkeling en het transparant verantwoorden van analytische keuzes bij het werken met omvangrijke datasets. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)871Annabel Vaessen, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Merel de Wit, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen 3.088do 16:30 – 17:30 Aanleiding Sinds 2019 werken scholen in Amsterdam onder de noemer Amsterdamse Familieschool (AFS) aan het bevorderen van kansengelijkheid. De AFS-aanpak beoogt de leefwerelden van kinderen binnen en buiten de school beter op elkaar af te stemmen, door onderwijs, ondersteuning voor gezinnen en samenwerking met (wijk)partners te verbinden. Een familieschool biedt onder meer makkelijk vindbare en brede ondersteuning voor het kind en het gezin. Na een vierjarige pilot onder 10 scholen, waaruit bleek dat de AFS-aanpak de potentie heeft om de leefwereld en het welbevinden van leerlingen te vergroten en de relatie tussen scholen en ouders te versterken (Vaessen et al., 2023), is de aanpak in 2023 uitgebreid naar 42 Amsterdamse scholen in het primair en voortgezet onderwijs. Vraagstelling en doelstelling In deze bijdrage presenteren wij tussentijdse bevindingen uit een meerjarig evaluatieonderzoek (2023–2028) naar de implementatie en doorontwikkeling van de AFS-aanpak (Mak et al., in press). De centrale vraag is: welke ontwikkelingen zien we op familiescholen tussen 2024 en 2025, en wat zeggen deze over de implementatie van kansengelijkheidsbeleid op scholen? De analyses zijn gebaseerd op een combinatie van een jaarlijkse vragenlijst onder schoolprofessionals, een aanbodinventarisatie op schoolniveau en verdiepende focusgroepen. Met herhaalde metingen brengen we veranderingen in professionele attitudes, leraargedrag, bekendheid, draagvlak en ervaren handelingsmogelijkheden in kaart, en relateren deze aan de manier waarop scholen middelen inzetten en aanbod vormgeven. Kwalitatieve bevindingen uit focusgroepen worden gebruikt ter duiding van de kwantitatieve patronen. Dialoog Tijdens de presentatie nodigen we het publiek uit om mee te denken over de interpretatie onze resultaten en hoe onderzoek kan bijdragen aan het begrijpen van langzame, ongelijkmatige veranderingsprocessen in onderwijspraktijken en bottom-up interventies. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De Amsterdamse Familieschool-aanpak kan worden gezien als een poging tot systeemverandering binnen het onderwijs, waarbij scholen een bredere verantwoordelijkheid nemen voor de ontwikkeling van kinderen en gezinnen. De bijdrage laat zien hoe deze transitie in de praktijk vorm krijgt, waar scholen tegen grenzen aanlopen en welke randvoorwaarden bepalend zijn voor duurzame verandering. Daarmee sluit de presentatie aan bij het congresthema Onderwijs voor Transitie, door inzicht te bieden in hoe beleidsambities zich vertalen naar dagelijkse onderwijspraktijken en organisatorische keuzes. Paperpresentatie (30 minuten)164Hans Frederik, Vrije Universiteit, Amsterdam, Hans Frederik (voorzitter) 3.088do 16:30 – 17:30 Centres of Expertise (CoE’s) zijn de afgelopen tien jaar uitgegroeid tot structurele knooppunten voor praktijkgericht onderzoek binnen het Nederlandse hbo. Ze verbinden lectoraten, opleidingen, werkveldpartners, gemeenten, bedrijven en maatschappelijke organisaties aan elkaar, met de ambitie om kennis te ontwikkelen die zowel wetenschappelijk verantwoord als maatschappelijk relevant is. Ondanks hun groeiende rol weten we echter nog weinig over hoe CoE’s daadwerkelijk kennis produceren: hoe nieuwe inzichten worden opgehaald uit de praktijk, hoe deze worden getoetst en gelegitimeerd, en vooral hoe ze uiteindelijk werkelijk landen in curricula, beroepspraktijken en regionale innovatie-ecosystemen.Dit onderzoek richt zich op deze nog nauwelijks onderzochte kernfunctie van CoE’s. Op basis van een theoretisch kader dat drie perspectieven combineert—Mode-2 kennisproductie, Triple/Quadruple Helix-samenwerking en organisatie- en kennistheorie—wordt kennisproductie opgevat als een cyclisch proces van vangen (capture), valideren (validate) en verankeren (embed). Dit proces vindt plaats in wisselwerking met zowel interne mechanismen (bijvoorbeeld routines, rolverdeling, betekenisgeving) als externe relaties (partners, governance, legitimiteit).Empirisch wordt gewerkt met een vergelijkend kwalitatief casusonderzoek bij twee Centres of Expertise uit verschillende domeinen (bijvoorbeeld zorg en onderwijs). Dataverzameling bestaat uit interviews, documentanalyse, observaties en ‘knowledge-flow mapping’, een methode die het mogelijk maakt om te traceren hoe kennis zich ontwikkelt, beweegt en verankert.Het paper presenteert voorlopige bevindingen over de condities die CoE’s in staat stellen om kennis te produceren die ertoe doet, en de patronen waarmee kennis stagneert of verdampt. Daarmee draagt het onderzoek bij aan het versterken van CoE’s als duurzame infrastructuur voor praktijkgericht onderzoek en onderwijsinnovatie binnen het hbo. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit onderzoek sluit aan bij het congresthema omdat het laat zien hoe onderwijs en onderzoek gezamenlijk kunnen bijdragen aan maatschappelijke transities. Centres of Expertise vormen plekken waar het hbo, werkveld en samenleving samenwerken aan urgente vraagstukken, maar het is nog onvoldoende bekend hoe deze samenwerking daadwerkelijk leidt tot bruikbare kennis die curricula, professioneel handelen en oplossingen in de praktijk versterkt. Door inzicht te geven in de mechanismen van kennisproductie in CoE’s, biedt dit onderzoek handvatten voor onderwijsonderzoekers, docenten en lectoren om hun rollen, onderzoeksvormen en samenwerkingen zo in te richten dat onderwijs daadwerkelijk een motor wordt voor verandering. Aanleiding, achtergrond en relevantie Het hbo staat voor grote maatschappelijke opgaven – van lerarentekorten tot digitalisering, AI en zorgdruk – die vragen om professionals die kunnen innoveren, samenwerken en leren in complexe contexten. Centres of Expertise (CoE’s) zijn de belangrijkste infrastructuren waar praktijkgericht onderzoek, onderwijs en werkveldpartners samenkomen om oplossingen te ontwikkelen. Hoewel CoE’s beleidsmatig worden gezien als motor van vernieuwing, is nog onduidelijk hoe zij daadwerkelijk kennis produceren en zorgen dat deze kennis landt in curricula en beroepspraktijken. Zonder dat inzicht blijft hun impact kwetsbaar en incidenteel.Theoretisch kader Het onderzoek combineert drie theoretische perspectieven: – Mode 2 kennisproductie (contextgericht, co-creatief, toegepast), – Triple/Quadruple Helix (samenwerking tussen onderwijs, overheid, bedrijfsleven en samenleving), – Organisatie- en kennistheorie (kenniscreatie, routines en tacit learning). Kennisproductie wordt geconceptualiseerd als een cyclisch proces van capturen, valideren en verankeren.Vraagstelling Hoe produceren Centres of Expertise kennis, en welke factoren bepalen of deze kennis daadwerkelijk verankert in onderwijs en praktijk?Methode Vergelijkend kwalitatief casusonderzoek in twee CoE’s uit verschillende domeinen. Dataverzameling bestaat uit semigestructureerde interviews, observaties, documentanalyse en ‘knowledge-flow mapping’, waarmee de beweging van kennis door projecten, partijen en lagen van de organisatie wordt gevolgd.Resultaten (lopend onderzoek – voorlopige opbrengsten) Vroege analyses tonen dat kennisontwikkeling sterk afhankelijk is van rolhelderheid, docentbetrokkenheid, eigenaarschap van kennis en formele vertaalmomenten naar curricula. Daarnaast blijken governance-structuren en legitimatie (zowel intern als extern) kritische voorwaarden voor duurzame verankering.Discussie en conclusie De eerste bevindingen suggereren dat CoE’s alleen een motor voor maatschappelijke transitie kunnen zijn wanneer kennis actief wordt beheerd en vertaald. Dit onderzoek draagt bij aan theorievorming over praktijkgericht onderzoek én biedt concrete handvatten om onderwijs, onderzoek en partnerschappen effectiever te verbinden. Posterpresentatie806Detlef de Kriek, ROC Midden , Utrecht 3.090do 16:30 – 17:30 Aanleiding:Waarom blijven wetenschappelijke onderwijstheorieën, tools en richtlijnen buiten het klaslokaal? Docenten geven aan dat werkdruk en beleidskaders gezamenlijke leerprocessen en het vertalen van theoretische kennis naar praktijktoepassing beperken.Achtergrond:In het mbo heeft een aanzienlijk deel van de studenten zwakke taalvaardigheden. Dit belemmert studiesucces en functioneren in beroep en maatschappij. (Vak)docenten van ROCMN erkennen deze problematiek, maar ervaren gebrek aan tijd, ruimte en expertise om didactische- en teamcompetenties te versterken. Zij zoeken efficiënte manieren om gezamenlijk en onderzoeksmatig taalonderwijs af te stemmen op de studenten.Relevantie:Dit onderzoek wil de mogelijkheid van CIMO-logica als praktische professionaliseringsstrategie in het mbo bestuderen. Waar het hbo over een stevige onderwijscultuur beschikt en CIMO daar een effectief model voor professionalisering blijkt (Van Aken & Andriessen, 2011), ziet de onderzoeker dezelfde potentie in het mbo, ondanks tijdsdruk, beleidskaders en minder ingebedde onderzoekscultuur.Theoretisch kader:Dit onderzoek beoogt binnen een PLG een CIMO-gebaseerd ontwerptool te ontwikkelen, ondersteund door OPERA-methodiek. In een professionele leergemeenschap leren docenten gericht en systematisch samen, onderzoeken zij hun praktijk en ontwikkelen gezamenlijk onderwijs (Sligte et al., 2018). CIMO-logica maakt het mogelijk om ontwerpproposities te formuleren die niet vragen hoe interventies werken, maar hoe ze zouden kunnen werken in specifieke context (Van Aken & Andriessen, 2011). De redenering luidt: in deze context (C) gebruik ik deze interventie (I), die via mechanisme (M) leidt tot deze opbrengst (O). Dit geeft antwoord op zowel de know-why als know-how vraag. Met de Ontwerpgericht Projecten Expliciteren met Redeneerketen Aanpak (OPERA) wordt gereflecteerd op- en geëvalueerd over de praktisch behaalde resultaten (Van Aken & Andriessen, 2011).Vraagstelling:Hoe ervaren Tech Campus docenten de inzet van CIMO-logica in PLG voor kort-cyclisch praktijkonderzoek rond gezamenlijke ontwikkeling van handvatten voor taalverwerving in vakonderwijs?Doelstelling deelname:Het gesprek openen over methodieken die mbo-docenten stimuleren onderzoeksmatig te werken aan onderwijsontwikkeling en professionalisering. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie686Dunya Herrenberg, ICLON, Universiteit Leiden, Leiden 3.090do 16:30 – 17:30 Open leermaterialen (ook bekend als open educational resources, OER) bieden de mogelijkheid leermiddelen vrij te gebruiken, te hergebruiken en aan te passen. In het funderend onderwijs is de structurele inzet van open leermateriaal echter nog beperkt (Baas et al., 2024). Er is weinig eerder onderzoek verricht naar de didactische inbedding van open leermateriaal in deze context (De Klerk et al., 2024). Dit onderzoek levert een wetenschappelijke bijdrage door te onderzoeken hoe docenten OER effectief kunnen integreren in hun lespraktijk en curriculum. We bouwen voort op concepten als Open Educational Practices (OEP), die het gebruik en creëren van open leermaterialen omvatten (Cronin, 2017), en OER-enabled pedagogy, waarbij unieke leeractiviteiten mogelijk worden die aansluiten bij de 5R-rechten van open leermateriaal (Wiley & Hilton, 2018). Wij sluiten met dit onderzoek ook aan bij de theorie rond curriculumontwerpexpertise van leraren. Dit is de combinatie van kennis en vaardigheden die nodig is om leermateriaal te kunnen (her)ontwerpen (e.g. Huizinga, 2014). De twee onderzoeksvragen die zowel in het PO als VO zullen worden onderzocht zijn: 1. Hoe worden open leermaterialen effectief door leraren geïntegreerd en gebruikt in het curriculum? 2. Welke arrangeer-richtlijnen, kennis en vaardigheden kunnen leraren in het funderend onderwijs helpen bij het combineren van open en gesloten leermaterialen om een effectieve integratie te realiseren? Dit onderzoek versterkt de kennisbasis over hoe OER in PO, VO en GO didactisch verantwoord kunnen worden geïntegreerd. De beoogde impact van deze integratie is beter geïnformeerde leraren, rijkere curricula en een versnelling van de adoptie van open leermaterialen, wat uiteindelijk de kwaliteit en flexibiliteit van het onderwijs ten goede komt (Baas et al., 2024; Tang et al., 2021). Tijdens de posterpresentatie zullen de bevindingen uit het onderzoek worden gekoppeld aan de ervaringen uit de praktijk van het publiek. Dit door middel van het stellen en beantwoorden van vragen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie827Janina den Hertog, Hogeschool Saxion, Deventer, Tjark Huizinga, Saxion Hogeschool, Enschede 3.090do 16:30 – 17:30 De snelle opkomst van digitale technologieën en datagedreven werkwijzen heeft grote impact op het werk van professionals binnen gemeenten (Prenen, 2024). Disruptieve digitale businessmodellen en de digitale transformatie veranderen niet alleen taken en processen, maar zetten ook menselijke waarden onder druk (Parker & Grote, 2022). Waar technologie kansen biedt voor efficiëntie en ondersteuning, kunnen fundamentele psychologische basisbehoeften zoals autonomie, competentie en verbondenheid (Reci & Ryan, 1985) onder druk komen te staan wanneer AI en automatisering een dominante rol krijgen (Parker & Grote, 2022). Dit vraagt om een zorgvuldige en mensgerichte benadering van digitalisering. Gemeenten erkennen de maatschappelijke impact van digitalisering, maar worstelen vaak met de vraag hoe zij hun professionals duurzaam kunnen toerusten voor deze veranderende context. Leven Lang Ontwikkelen (LLO) biedt een belangrijke route om professionals te ondersteunen in deze transitie en sleutelmethodologieën, als onderdeel van Key Enabling Methodologies (KEMs), kunnen hierbij richting geven. Ze bieden veranderaars concrete handvatten om duurzame ontwikkeling te stimuleren. In dit afgeronde project ontwikkelden drie lectoraten gezamenlijk een prototype sleutelmethodologie voor LLO binnen gemeenten. Hiervoor passen zij de methode Responsible Futuring (Matos-Castaño et al., 2025) toe en combineren zij expertise op het gebied van digitale ontwikkelingen, ethiek en leren & ontwikkelen. De centrale vraag in dit onderzoek luidde: Welk prototype sleutelmethodologie helpt professionals binnen gemeenten zich duurzaam te ontwikkelen in de digitale transitie, terwijl het menselijke aspect van hun werk behouden blijft? In deze posterbijdrage presenteren we de onderzoeksstappen en het ontwikkelde prototype: een roadmap die bewustwording, cultuurverandering en gezamenlijke visievorming ondersteunt. Tijdens de sessie gaan we met het publiek in gesprek over de toepasbaarheid van de roadmap, de herkenbaarheid van de geschetste uitdagingen en mogelijke doorontwikkelingen richting een breed inzetbare sleutelmethodologie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De bijdrage richt zich op de doorwerking, impact of valorisatie van onderwijsonderzoek. Het onderzoeksproject heeft als doel de praktijk te versterken door Leven Lang Ontwikkelen (LLO) van professionals binnen gemeenten te stimuleren en menselijke waarden bij digitale transitiie te beschermen. Posterpresentatie595Anna Rebel, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.090do 16:30 – 17:30 In VO-vernieuwingsscholen met gepersonaliseerd onderwijs krijgen leerlingen veel ruimte om hun eigen leren vorm te geven. Deze context vraagt om krachtige vormen van begeleiding die het zelfregulerend leren (ZRL) van leerlingen ondersteunen. Persoonlijke coachgesprekken tussen leerling en leraar spelen hierin een centrale rol, maar uit eerder onderzoek bleek dat de instructie voor ZRL door coaches vaak impliciet gebeurt, waardoor het potentieel van deze gesprekken om leerstrategieën te ontwikkelen onbenut blijft. Deze posterpresentatie is gebaseerd op een studie waarin ontwerpprincipes worden geëvalueerd die ten grondslag liggen aan een ontwikkelde coachingmethodiek gericht op het versterken van ZRL in individuele coachgesprekken. De methodiek is theoretisch verankerd in het Metacognitive and Affective Model of Self-Regulated Learning (MASRL; Efklides, 2011), dat onderscheid maakt tussen persoonsgebonden processen en zelfregulatie tijdens concrete leertaken. Door hun individuele en reflectieve karakter vormen coachgesprekken een natuurlijke setting om aandacht te besteden aan persoonsgebonden processen, zoals metacognitieve kennis, motivatie en leerhouding. Om het zelfregulerend leren van leerlingen in deze gesprekken te bevorderen, is de methodiek opgebouwd rond drie samenhangende ontwerpprincipes, waarin de leraar (1) samen met de leerling het niveau van zelfregulerend leren vaststelt aan de hand van formatieve assessment, (2) expliciete strategie-instructie geeft, en (3) verantwoordelijkheid voor toepassing van strategieën overdraagt aan de leerling. De centrale vraag van de studie is hoe coaches en leerlingen de relevantie, consistentie, hanteerbaarheid en verwachte effectiviteit (Plomp & Nieveen, 2013) van deze ontwerpprincipes en de bijbehorende interventie beoordelen, en hoe de principes daadwerkelijk worden geïmplementeerd in coachgesprekken. Het doel van de bijdrage is inzicht te bieden in hoe ontwerpprincipes voor ZRL in coachgesprekken vorm krijgen in de praktijk en hoe zij worden ervaren door betrokkenen. De poster presenteert voorlopige inzichten in de evaluatie en implementatie van de ontwerpprincipes en nodigt het publiek uit tot dialoog over ontwerpkeuzes, praktische uitvoerbaarheid en transfer naar andere onderwijscontexten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie382Christine Dirkse-Vreugdenhil, NHL Stenden, Leeuwarden 3.090do 16:30 – 17:30 Aanleiding Creativiteit is het genereren van voor de context nieuwe, originele en bruikbare ideeën’ (Brauer et al., 2024). Voor leraren is deze competentie essentieel om passende leeromgevingen te ontwerpen in complexe contexten. Daarom moet creativiteit expliciet gestimuleerd worden binnen lerarenopleidingen. De praktijk laat echter zien dat studenten vaak terugvallen op conventionele oplossingen. Dit komt mede doordat de literatuur weinig handvatten biedt en lerarenopleiders zelf vaak ervaring missen in het begeleiden van creatieve ontwerpprocessen (Brauer et al., 2024; Thurlings et al., 2015) Theoretisch kader Diverse reviews beschrijven het belang van bepaald docentgedrag (Brauer et al., 2024) pedagogische benadering (Cremin & Chappell, 2021; Sawyer, 2017) en de inrichting van de leeromgeving (Davies et al., 2013) voor het stimuleren van creativiteit. Empirisch bewijs van de impact van deze factoren op de creativiteit en onderzoeken naar specifieke didactische middelen, is echter schaars (Cremin & Chappell, 2021). Bestaand onderzoek richt zich bovendien hoofdzakelijk op primair en voortgezet onderwijs of op kunstopleidingen. Er is een duidelijke lacune in de kennis over het stimuleren van creativiteit binnen andere domeinen van het hoger onderwijs, zoals de lerarenopleiding. Onderzoeksvraag en doel De onderzoeksvraag van dit vierjarig promotietraject is: Hoe kunnen lerarenopleiders de creativiteit van leraren in opleiding stimuleren? Doelstelling bijdrage ORD Deze posterpresentatie geeft een overzicht van de complete studie (vanuit een Educational Design Research benadering) en de eerste resultaten van de analyse-fase, waarin inzicht wordt gegeven in de praktijkkennis van lerarenopleiders over het stimuleren van creativiteit. Dialoog: De poster kan aanleiding geven tot een dialoog over onder andere deze vragen: – Voor lerarenopleiders: Aan welke didactische middelen hebben zij behoefte om de creativiteit van studenten te stimuleren? – Voor docent-onderzoekers: Hoe kan de impact van eventuele interventies gemeten worden op de creativiteit van studenten? Waaruit blijkt creativiteit bij leraren in opleiding? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het onderwerp creativiteit in lerarenopleidingen is juist in deze tijd van transitie van groot belang: we kunnen leraren in opleiding leren hoe ze omgaan met de situatie van vandaag, maar ze moeten ook leren om te gaan met de wereld van morgen. Creativiteit is een belangrijke vaardigheid bij het aanpassen aan de onderwijscontext. Om het onderwijs op lerarenopleidingen goed in te richten, moeten onderwijsonderzoek en onderwijspraktijk nauw op elkaar aansluiten. Met de Educational Design Research aanpak van dit onderzoek wordt gestreefd naar kennistoename én valorisatie en implementatie, zodat de resultaten leiden tot creatievere startende leerkrachten. Posterpresentatie698Ineke Dekker, Practoraat Leren in Hybride Leeromgevingen Scalda, Middelburg 3.090do 16:30 – 17:30 In hybride leeromgevingen (HLO), leeromgevingen waarin school en werkveld zijn vervlochten, ontwikkelen studenten nieuwe vaardigheden, houden ze kennis up-to-date en bouwen ze een professioneel netwerk op (Poelmans, 2025). Een goede begeleiding blijkt een cruciale succesfactor voor het leren van studenten in HLO (Virtanen et al., 2014). Docenten en werkveldbegeleiders zijn daarvoor echter niet altijd goed toegerust. Dekker, Poelmans en Van Rooijen (2023) zagen immers dat de didactische competenties van docenten en werkveldbegeleiders in HLO ten opzichte van andere competenties belangrijk zijn, maar ook relatief minder beheerst worden. Het practoraat Leren in hybride leeromgevingen bij Scalda (mbo) vond in de beroepsgerichte didactiek (Hoeve et al., 2021; Kuipers, 2015; Ruijters et al., 2021) een passende kennisbasis om de didactische aanpak in HLO te versterken en kwam tot de onderzoeksvraag: Welke kennisbenuttingsstrategieën helpen docenten en praktijkbegeleiders om hun beroepsgerichte didactische aanpak in HLO te versterken? Het practoraat heeft verschillende strategieën ingezet volgens de logica van de lappendeken (Vermaak, 2025). Zo zijn er spellen, zoals escaperoom, competentiespel en expeditie-spel beroepsgerichte didactiek ontworpen. Ook heeft het practoraat samen met docenten en intern begeleiders leeractiviteiten voor studenten ontwikkeld: een aanbod voor de startfase van het praktijkleren en een set werkbladen op het gebied van zelfregulerend leren. Tot slot is er een professionaliseringsaanbod van trainingen, workshops en e-learning op het gebied van beroepsgerichte didactiek vormgegeven. Middels vragenlijsten is de waardering van docenten, werkveldbegeleiders en/of studenten gemeten. Spellen bleken het inzicht in het leren in HLO te vergroten en de samenwerking te stimuleren. De leeractiviteiten in de startfase van het praktijkleren stimuleerden het leren en zijn geïmplementeerd (Dekker, Hoogesteger & Poelmans, 2024). Naar de andere activiteiten is evaluatieonderzoek nog gaande. Met deze posterpresentatie hopen wij adviezen te krijgen voor een meer gerichte onderzoeksmethode voor een vervolg van deze eerste verkenning van de kennisbenuttingsstrategieën. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie361Leonie Brummer, Universiteit Utrecht, Utrecht, Renske de Kleijn, Umc Utrecht, Utrecht 3.094do 16:30 – 17:30 Feedback is indispensable in higher education (Winstone et al., 2017). It is common that the teacher provides feedback on students’ products. Less common in educational contexts is the act of feedback-seeking, despite seeming promising to, for example, allow for more student ownership of their learning process (Winstone & Nash, 2017; Little et al., 2024). Feedback-seeking behaviour (FSB) encompasses behaviour pertaining to seeking, gathering and implementing feedback information via various strategies (Crommelinck & Anseel, 2013; Sully de Luque et al., 2019). One of these strategies is directly requesting feedback (i.e., feedback inquiry; e.g., De Stobbeleir et al., 2011), often researched with frequencies (see Crommelinck & Anseel, 2013). This does not leave room for how students seek feedback. Thus far, we have identified several ways as to how students approach this feedback inquiry. With the variety of feedback requests, determining the quality of requests appears challenging. The request is context-dependent and cannot be determined isolation. There seems no one single best way to formulate a feedback request. Moreover, we want to avoid that formulating a ‘good’ request becomes a tick box activity (superficial behavior) rather than a meaningful learning activity (Panadero et al., 2021). As a result, comparative judgement (CJ) as a method will be explored (see Van Daal et al., 2019).The research question we want to contribute to is the following: To what extent can a comparative ranking of feedback requests provide input for the quality of the request? The exploration of this methodology with feedback request will contribute to a relevant discussion about the quality of feedback requests. We will ask the attendees to rank the feedback requests in small groups, followed by a plenary discussion with the outcomes. Each attendee will bring their own expertise and perspective to the discussion. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie728Agnes Brinks, School of Health Professions Education, Maastricht 3.094do 16:30 – 17:30 Aanleiding Het ontwikkelen van zelfregulerend leren van leerlingen is een cruciale taak van leraren in het voortgezet onderwijs (Sins, 2023) Deze vaardigheden zijn cruciaal om te kunnen studeren in het hoger onderwijs. Echter, daar worden deze vaardigheden vaak als ontoereikend beschouwd (Vosniadou, 2020). Formatief handelen ondersteunt de ontwikkeling van zelfregulerend leren (Black & William, 2009), vooral wanneer leerlingen een actieve rol hebben in feedbackprocessen daarbinnen (Boud, 2000; Meusen-Beekman et al. 2016; Nicol & Macfarlane-Dick, 2006). Deze actieve rol kan bijvoorbeeld worden vormgegeven door zelf- en peerassessmentactiviteiten. Feedbackdialogen tussen leerlingen over hun leerproces zijn hierbinnen een essentieel onderdeel (Boud & Soler, 2016; Carless, 2013; Geitz et al., 2015; Kneyber et al., 2024). Deze peerfeedbackdialogen komen echter niet vanzelf tot stand; het is cruciaal dat leraren deze ondersteunen (Geitz et al., 2015). Hoe leraren dit kunnen doen, is echter nog onvoldoende bekend. Via een ontwerponderzoek wordt in kaart gebracht welke interventies leraren in de klas kunnen inzetten gericht op het ondersteunen van deze peerfeedbackdialogen. Vraagstelling Hoe kunnen leraren feedbackdialogen tussen leerlingen in de bovenbouw van havo en vwo ondersteunen ter bevordering van zelfregulerend leren? Doelstelling Door interactie met het publiek wil ik nagaan of de ontwerp- en constructiefase om te komen tot een (prototype) interventie navolgbaar, compleet en haalbaar is, en welke suggesties er zijn voor verdere invulling. Passend bij ontwerponderzoek vindt de evaluatie- en reflectiefase deels parallel met en deels na de ontwerp- en constructiefase plaats: de interne structuur van de interventie wordt geëvalueerd (alfa), de bruikbaarheid en haalbaarheid in de context (bèta), en de effectiviteit (gamma) (McKenney & Reeves, 2019). Ik wil daarom ook nagaan hoe de evaluatie met het oog op de verschillende doeleinden eruit kan zien. De opzet van zowel de ontwerp- en constructiefase, als de evaluatie- en reflectiefase, worden gepresenteerd op de poster. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie170Marianne Golombek, Vrije Universiteit, Amsterdam 3.094do 16:30 – 17:30 Leraren handelen dagelijks in situaties waarin pedagogische, relationele en normatieve overwegingen samenkomen. In zulke situaties is praktische wijsheid (phronēsis) essentieel: het vermogen om te herkennen wat er moreel op het spel staat, te oordelen wat goed is om te doen en dit oordeel in handelen te realiseren. De herijkte bekwaamheidseisen benadrukken eveneens het belang van ethische reflectie. Tegelijkertijd is empirische kennis over de ontwikkeling van phronēsis in de onderwijspraktijk nog beperkt. Dit onderzoek richt zich daarom op het zichtbaar maken én versterken van phronēsis in de beroepspraktijk van leraren. Dat vereist een helder conceptueel model en een transparante analysemethode die zowel recht doen aan de normatieve diepte (morele betekenis en waardeafwegingen) als aan de contextuele diepte (omstandigheden, relaties en institutionele kaders) van phronēsis. Het theoretisch raamwerk combineert twee perspectieven. Het Aristotelian Phronesis Model (APM) beschrijft de interne componenten van praktische wijsheid: morele perceptie, regulatie van morele emoties, morele identiteit en integratieve oordeelsvorming (Kristjánsson, 2024). Daarnaast sluit het onderzoek aan bij breder denken over professionele handelingsruimte, waarin wordt uitgewerkt hoe professionele en institutionele kaders mede bepalen wat in het handelen van professionals als passend of wenselijk geldt (Steenmeijer, 2023). Binnen een Educational Design Research‑aanpak, met Participatory Action Research in de verkennende fase, wordt onderzocht hoe phronēsis zich manifesteert in concrete praktijksituaties en welke ontwerpprincipes kunnen bijdragen aan de versterking ervan. De poster presenteert het theoretisch kader, de onderzoeksopzet en de eerste ontwerpkeuzes die richting geven aan de dataverzameling en de daaropvolgende design cycles. Postersessievraag: Hoe kan de ontwikkeling van phronēsis op een methodologisch verantwoorde manier zichtbaar worden gemaakt, met oog voor de morele en contextuele diepgang van het concept? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit onderzoek sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor Transitie door te onderzoeken hoe leraren wijs kunnen handelen in een tijd waarin normatieve complexiteit en maatschappelijke veranderingen het professionele handelen beïnvloeden. Phronēsis kan worden gezien als een sleutelcompetentie voor professionals die in transitiecontexten moeten handelen. Het onderzoek wordt uitgevoerd in wereldbeschouwelijk gevormde scholen, de praktijksetting waarop dit project zich richt. Met een ontwerpgerichte en participatieve aanpak ontwikkelt de studie inzichten en toepassingen die leraren ondersteunen bij het navigeren van morele spanningen in veranderende onderwijscontexten. Posterpresentatie352Marijn van Nijhuis, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.094do 16:30 – 17:30 Een goede natuurkundeleraar brengt over wat het betekent om natuurkundig onderzoek te doen, helpt leerlingen wetenschappelijke vraagstukken te bespreken en inspireert hen bij het kiezen van een vervolgopleiding. De nieuwe kerndoelen en examenprogramma’s leggen daarom meer nadruk op de aard van natuurwetenschap (NOS) en wetenschappelijke denk- en werkwijzen [1,2]. Om dit goed in te kunnen bedden in hun onderwijs, moeten leraren in opleiding basiskennis ontwikkelen van kwaliteiten en beperkingen van wetenschap. Afhankelijk van de route die ze volgen om natuurkundeleraar te worden, ontbreekt deze achtergrond vaak, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de meeste studenten in de masteropleiding natuurkundeleraar aan de Hogeschool Utrecht (HU). Een beperkt begrip van NOS kan de ontwikkeling van een wetenschappelijke identiteit belemmeren. Dergelijke misvattingen dragen bij aan stereotype verhalen over wetenschap, waardoor beperkt wordt wie binnen de wetenschappelijke gemeenschap erkend en geaccepteerd kan worden [3]. Door deze misvattingen te weerleggen, kunnen we een meer inclusieve omgeving bevorderen die diverse individuen ondersteunt bij het ontwikkelen van een sterke wetenschappelijke identiteit. Het opdoen van onderzoekservaring zal naar verwachting het gevoel van verbondenheid van een docent met de wetenschap versterken, in overeenstemming met de theorie van situated learning [4]. De lerarenopleiding bevat daarom een onderzoeksstage van dertig dagen. Het doel van deze studie is om meer inzicht te krijgen in hoe studenten deze stage ervaren en hoe de stage hun begrip van wetenschappelijk onderzoek beïnvloedt. Daarnaast proberen we te achterhalen of deze stages hen helpen om een wetenschappelijke identiteit [5] te ontwikkelen. Daartoe is het belangrijk om te weten wat hun ideeën over wetenschap zijn, in hoeverre ze zich wetenschapper voelen, en welke activiteiten en ervaringen hen helpen om zich meer wetenschapper te voelen. Aan de hand van de poster met voorlopige onderzoeksresultaten wil ik met het publiek in gesprek over toepasbaarheid van zulke stages in andere contexten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie912Linda de Mos, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam 3.096do 16:30 – 17:30 Schrijftaken hebben een belangrijke plaats in de curricula van het hoger onderwijs en professionele schrijfvaardigheid is een van de beoogde leerresultaten. Veel studenten ervaren echter problemen met academische schrijfvaardigheid, met name met hogere-ordevaardigheden zoals structureren en argumenteren. Deze problemen belemmeren studiesucces, dragen bij aan studievertraging en -uitval. Feedback is een essentieel element in het bevorderen van schrijfvaardigheid, maar veel hbo-docenten ervaren het geven van feedback op schrijftaken als complex en tijdrovend. Bestaand onderzoek naar feedbackgeletterdheid kenmerkt zich door een monocultureel (overwegend Engelstalig) perspectief. Een groeiende diversiteit in de studentenpopulatie betekend dat studenten verschillend zijn gevormd in schrijfculturen, culturen van beoordeling en feedback, en in manieren waarop zij feedback herkennen, begrijpen, verwerken en gebruiken. De interpretatie van feedback, in het bijzonder ten aanzien van schrijfwerk, is cultureel bepaald. Docenten zijn zich vaak onvoldoende bewust van impliciete taal- en tekstnormen en vinden het moeilijk om rekening te houden met de culturele en talige diversiteit van studenten. Dit promotieonderzoek bouwt voort op feedbackgeletterdheidsmodellen (o.a. Carless & Boud) en interculturele competentiemodellen (o.a. Deardorff) en verkent hun integratie in het concept van interculturele feedbackgeletterdheid als onderdeel van de Linguistic Pedagogical Subject Knowledge van hbo-docenten. Het onderzoek is relevant omdat het bijdraagt aan inclusiever schrijfonderwijs en aan het versterken van studiesucces en sense of belonging. De centrale vraag luidt: Hoe kan de interculturele feedbackgeletterdheid van docenten bij schrijftaken in het hoger onderwijs worden bevorderd door docentprofessionalisering in professionele leergemeenschappen (PLG’s)? De bijdrage heeft als doel inzicht te geven in de theoretische en empirische onderbouwing van interculturele feedbackgeletterdheid en om voorlopige inzichten uit de inventarisatiefase van het promotieonderzoek te delen. Tijdens de bijdrage wordt het publiek uitgenodigd te reflecteren op de herkenbaarheid en bruikbaarheid van het concept interculturele feedbackgeletterdheid en mee te denken over de te nemen vervolgstappen in mijn onderzoek en over implicaties voor breder onderzoek. Posterpresentatie65Renée Schrauwen, Hogeschool Inholland, Den Haag 3.096do 16:30 – 17:30 In het hoger onderwijs wordt steeds vaker erkend dat duurzame onderwijsinnovatie vraagt om een scherp begrip van de vragen, behoeften en knelpunten die professionals ervaren (Prenger et al., 2022). In de praktijk bestaan echter weinig systematische methoden om deze praktijkvragen evidence-informed te verzamelen en te prioriteren. Dit project onderzoekt of de James Lind Alliance (JLA)-methode, afkomstig uit het medische domein, geschikt is om binnen onderwijsonderzoek tot een gedragen en praktijkrelevante onderzoeksagenda te komen.De JLA-methode combineert een toets aan bestaande literatuur met participatieve prioritering door de praktijk en betrekt verschillende stakeholders actief bij het formuleren en rangschikken van onderzoeksvragen (Drury et al., 2025). In dit project wordt de methode voor het eerst toegepast binnen een onderwijscontext om te verkennen welke aanpassingen nodig zijn, hoe werkbaar de methode is en in hoeverre de aanpak daadwerkelijk leidt tot een relevante onderzoeksagenda.Het onderzoek bestaat uit drie stappen:Ophalen van ervaringen en vragen uit de praktijk via interviews met docenten, onderwijsadviseurs, opleidingsmanagers en andere betrokkenen bij innovatieprocessen.Thematiseren van opgehaalde vragen en toetsen aan bestaande literatuur om te bepalen welke vragen reeds beantwoord zijn.Prioriteringsbijeenkomst waarin stakeholders gezamenlijk bepalen welke onbeantwoorde vragen het meest urgent zijn voor verder onderzoek.De poster presenteert de eerste inzichten over de bruikbaarheid, randvoorwaarden en beperkingen van de JLA-methode binnen het onderwijskundig domein.Dialoog en interactie: bezoekers worden uitgenodigd hun eigen ervaringen met vraagarticulatie te delen, de toepasbaarheid van de JLA methode in onderwijs te bevragen en mee te denken over verdere doorontwikkeling van de methode in deze nieuwe context. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit onderzoek sluit aan bij het congresthema onderwijs voor transitie, omdat het verkent hoe onderwijsonderzoek relevanter en impactvoller kan worden in het licht van complexe maatschappelijke uitdagingen. De James Lind Alliance-methode biedt een systematische, participatieve manier om praktijkvragen van onderwijsprofessionals centraal te stellen bij het bepalen van onderzoeksprioriteiten. Daarmee draagt het bij aan onderzoek dat beter aansluit bij de behoeften van het onderwijsveld en professionals ondersteunt om te innoveren, zich blijvend te ontwikkelen en nieuwe oplossingen mede vorm te geven. De studie onderzoekt of deze co-creatieve aanpak effectief kan worden vertaald naar het onderwijskundig domein. Posterpresentatie184Ieke van Dam, ICLON, Universiteit Leiden, Leiden 3.096do 16:30 – 17:30 Ondanks ambities op het gebied van kansengelijkheid, blijft het Nederlandse (hoger) onderwijs kampen met hardnekkige uitsluitingsmechanismen (Hosseini et al., 2021; Kennedy et al., 2023; Wekker et al., 2016). Binnen Academische Lerarenopleidingen is echter nog weinig bekend over de specifieke barrières die docenten-in-opleiding ervaren. Vanuit de theorie van kritische pedagogiek(Freire, 1970; Giroux, 1983; hooks, 1994; Zembylas, 2018) onderzoekt dit project hoe systemische ongelijkheid en machtsdynamieken doorwerken in de dagelijkse praktijk van de opleiding en de stageschool. De relevantie ligt in het adresseren van ‘onzichtbare’ mechanismen en barrières die het welzijn en behoud van leraren onder druk zetten en het mogelijk maken van een lerarenpopulatie die de diversiteit in de samenleving weerspiegelt. De centrale vraag luidt: Welke vormen van onderdrukking kunnen worden geïdentificeerd in de ervaringen van docenten-in-opleiding die marginalisatie ervaren op hun universiteit en/of stagescholen, en hoe interpreteren zij macht, privilege en uitsluiting binnen hun onderwijscontexten? Wij presenteren graag de resultaten van deze eerste deelstudie, waarbij gebruik is gemaakt van de rich picture methodologie. Naast semigestructureerde interviews zijn deelnemers gevraagd hun ervaringen van marginalisatie te tekenen. Deze methode faciliteert het uiten van impliciete emoties en gelaagde kennis die in taal lastig te vatten is (Cristancho, 2015). Zo wordt de geleefde werkelijkheid van de docent-in-opleiding inzichtelijk gemaakt, wat dient als basis voor de vervolgstudies waarin we een passende participatieve theaterinterventie gaan ontwikkelen met participanten om diversiteit en inclusie te vergroten. Wij nodigen u uit om gezamenlijk de rich pictures te analyseren. Aan de hand van deze visuele getuigenissen gaan we graag met u in gesprek over de herkenbaarheid van deze barrières binnen andere onderwijscontexten, over wat de rol is van een lerarenopleiding als poortwachter en de methodologische meerwaarde van visuele data in onderwijsonderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie456Nynke Douma, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.096do 16:30 – 17:30 Schaduwonderwijs (e.g., private bijles) neemt zichtbaar toe in West-Europa (Bray, 2021). In zowel onderzoek (e.g., Bray, 2024, Zwier et al., 2021) als maatschappelijk debat wordt schaduwonderwijs vaak gelinkt aan mogelijke ongelijkheden. Hierbij wordt meestal het argument gebruikt dat een financiële barrière tot deelname zorgt voor betere resultaten voor kinderen waarvan ouders deelname kunnen betalen, vergeleken met kinderen van ouders die dit niet kunnen betalen, wat zorgt voor een toename van kansenongelijkheid in het onderwijs (Elffers & Jansen, 2019). Het idee dat kansengelijkheid in het onderwijs belangrijk is is wijdverspreid. Er wordt in onderwijsonderzoek en maatschappelijk debat echter zelden aandacht besteed aan hoe betwist het begrip kansengelijkheid is, en assumpties die men maakt over kansengelijkheid worden zelden expliciet gemaakt. Dit probleem bestaat al langer: in 1988 beschreef Jencks (1988) hoe het begrip kansengelijkheid juist zo populair is doordat we het ieder op onze eigen manier in kunnen vullen, zonder door te hebben hoe erg we verschillen. Jencks beschreef zelf 5 invullingen van kansengelijkheid, elk met andere implicaties voor de onderwijspraktijk. Om de impact van schaduwonderwijs op kansengelijkheid te begrijpen, moeten we dit probleem daarom benaderen vanuit onderwijsfilosofisch perspectief. In deze studie contrasteren we theoretische perspectieven op het begrip kansengelijkheid uit de wetenschap (e.g., Elffers et al., 2024; Espinoza, 2007; Levinson et al., 2022) met die van stakeholders uit de praktijk (ouders, leerlingen en onderwijsprofessionals) en onderzoeken we welke assumpties zij hebben over kansengelijkheid. We evalueren vervolgens de impact van schaduwonderwijs op kansengelijkheid vanuit 3 verschillende invullingen van dit begrip, om de onderzoeksvraag Wat is de impact van schaduwonderwijs op kansengelijkheid in het Nederlands onderwijs? te beantwoorden. Deze bijdrage presenteert de resultaten van deze studie met als doel om de impact van schaduwonderwijs op kansengelijkheid toe te lichten vanuit verschillende perspectieven op kansengelijkheid, waarna er ruimte is voor discussie over deze perspectieven. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage is sterk verbonden met onderwijstransities: welke ruimte geven we externe partijen, in hoeverre integreren we activiteiten als bijles in ons reguliere curriculum en wat doet dit met het onderwijs? Hoe helpt of hindert dit leerlingen, bijvoorbeeld omtrent kansengelijkheid? Er ligt focus op de impact van onderwijsonderzoek: het belang van het definiëren van betwiste begrippen als kansengelijkheid om de praktische impact van onderwijsonderzoek te vergroten. Verder wordt in deze bijdrage een normatieve, onderwijsfilosofische benadering gekozen om bij te kunnen dragen aan theorie en praktijk. Kortom: de bijdrage is verbonden met zowel impact, benadering en theoretische gronding rondom het congresthema. Posterpresentatie748Wieke Betten, De Haagse Hogeschool, Den Haag, Darisa Quant, De Haagse Hogeschool, Den Haag, Monique Ridder, De Haagse Hogeschool, Den Haag 3.096do 16:30 – 17:30 Pedagogische partnerschappen kunnen een effectieve manier zijn om studenten actief te betrekken bij hun eigen leerproces. Het kan zo bijdragen aan een inclusievere en rechtvaardigere leeromgeving, leerprestaties van studenten, het welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van studenten én docenten. Flexibilisering van het hoger onderwijs kán bijdragen aan inclusiviteit (door studenten meer keuzeruimte te bieden en beter aan te sluiten bij individuele leerbehoeften en -routes), maar tegelijkertijd kan flexibilisering inclusie ook (juist) ondermijnen, bijvoorbeeld wanneer studenten minder houvast ervaren of moeite hebben om hun weg te vinden in de complexiteit van mogelijke leerroutes. Dit risico wordt versterkt wanneer de ondersteuning die nodig is om flexibilisering tot een succes te maken – zoals begeleiding bij zelfsturing en het maken van keuzes – niet alle studentgroepen/studenten in gelijke mate bereikt. Met dit onderzoeksproject dragen we bij aan kennis over de bijdrage van pedagogische partnerschappen aan het bevorderen van, inclusiviteit en flexibiliteit van het hoger onderwijs. In de eerste fase van het project staat deze onderzoeksvraag centraal: Wat zijn de werkzame principes van docent-studentpartnerschappen die bijdragen aan zowel inclusiviteit als flexibiliteit in het hoger onderwijs? Deze vraag is onderzocht door een partnerschap van docent- en studentonderzoekers van de faculteit Gezondheid, Voeding en Sport van De Haagse Hogeschool middels literatuuronderzoek en door het evalueren van de vier partnerschappen van de faculteit. Op de ORD presenteren we onze werkwijze en de voorlopige resultaten van ons onderzoek en blikken we vooruit naar de tweede onderzoeksfase waarin we de kansen voor structurele implementatie van partnerschappen in de faculteit gaan onderzoeken. We nodigen het publiek uit om – op basis van eigen ervaringen en middels een digitale tool (wooclap) – onze resultaten te becommentariëren en duiden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het hoger onderwijs heeft de opdracht om alle studenten op te leiden om als persoon en professional bij te dragen aan een steeds complexere wereld. Daarbij past een flexibele én inclusieve leeromgeving waar studenten niet alleen deelnemer maar ook eigenaar zijn van het onderwijs en daadwerkelijk een stem hebben in de vormgeving van dat onderwijs. In de transitie naar flexibel en inclusief onderwijs onderzoeken we hoe pedagogische partnerschappen kunnen bijdragen aan het daadwerkelijk versterken van inclusiviteit binnen een flexibele leeromgeving. Inzichten uit ons onderzoek werken direct door in de opleidingen van onze faculteit, en het hoger onderwijs in het algemeen. Paperpresentatie (30 minuten)745Carolien Frijns, Universiteit Gent, Gent 3.100do 16:30 – 17:30 Leerkrachten en pedagogen staan voor een uitdaging: waar onderwijs steeds meer inzet op de verwerving van complexe 21e-eeuwse vaardigheden, is ook de diversiteit in onderwijs toegenomen. Onderwijs draagt dus meer dan ooit een emancipatieopdracht in zich (Jaspaert, 2006; Van den Branden, 2019). Die uitdaging stelt hoge eisen aan de ontwerpcompetenties van leerkrachten en pedagogen. Hoewel ontwerpgericht werken steeds meer aandacht krijgt in het hoger onderwijs, is monitoring van de ontwerpcompetenties van studenten veelal beperkt tot kwalitatieve gegevens (Fitriyah et al., 2025). Deze studie onderzoekt in welke mate het opleidingsonderdeel Onderwijskundig ontwerpen aan de Universiteit Gent bijdraagt aan de ontwikkeling van ontwerpcompetenties van toekomstig pedagogen en masterleerkrachten basisonderwijs. Gedurende dit opleidingsonderdeel bemannen studenten De Ontwerpwinkel waar ze authentieke ontwerpvragen van scholen en organisaties over thema’s als diversiteit en gelijke onderwijskansen beantwoorden. Ze geven hun ontwerpproces systematisch en iteratief vorm op basis van het ADDIE-model (McKenney & Reeves, 2018): ze analyseren de context van de vraag en de behoeften van stakeholders, ontwerpen en ontwikkelen in samenwerking met stakeholders een onderwijskundig ontwerp, en testen en evalueren het. Deze studie verzamelt kwantitatieve en kwalitatieve gegevens via (1) een pre- en postmeting van self-efficacy voor onderwijskundig ontwerpen en samenwerken, (2) een postmeting van zelfgerapporteerde ontwerpcompetenties gebaseerd op het ADDIE-model, en (3) een semigestructureerde focusgroep aan de hand van de Rich Picture-methode. In het academiejaar 2024–2025 namen 45 studenten deel aan de premeting, 31 aan de postmeting en 5 aan de focusgroep; de dataverzameling wordt in 2025–2026 herhaald bij een nieuwe cohorte studenten (n ≈ 70). De resultaten van de eerste dataverzameling tonen een significante toename in self-efficacy voor onderwijskundig ontwerpen, maar niet voor samenwerken. De studie biedt inzicht in de ontwikkeling van ontwerpcompetenties en bespreekt implicaties voor het opleiden van pedagogen en masterleerkrachten basisonderwijs als adaptieve ontwerpers in diverse onderwijscontexten (Darling-Hammond, 2020). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ plaatst de maatschappelijke uitdagingen van onderwijs in de 21e eeuw centraal. In deze paperpresentatie gaan we in op de uitdaging toekomstig pedagogen en masterleerkrachten basisonderwijs op te leiden tot onderwijskundig ontwerpers voor diverse contexten. We rapporteren resultaten van de monitoring van hun ontwerpcompetenties en doen aanbevelingen over optimaliseringen in levensecht ontwerpgericht onderwijs. Paperpresentatie (30 minuten)520Natasha Dmoshinskaia, Universiteit Twente, Enschede 3.100do 16:30 – 17:30 Complexe onderwijsproblemen op het gebied van bijvoorbeeld basisvaardigheden, motivatie en eigenaarschap van leerlingen komen de afgelopen jaren steeds meer voor (Inspectie van het onderwijs, 2023; Meelissen et al., 2023). Het lerarenberoep wordt mede hierdoor steeds dynamischer en minder voorspelbaar (Braaksma & Bakker, 2016; Snoek et al. 2020). Bij de vo-scholen van de opleidingsschool betrokken bij dit onderzoek worden ook in toenemende mate complexe onderwijsproblemen ervaren, bijvoorbeeld wat betreft het taalniveau van leerlingen. Om goed met dit soort complexe onderwijsproblemen om te gaan en de beschikbare kennis uit onderzoek hierover te kunnen toepassen voor verbetering van de lespraktijk, is onderzoekend vermogen van docenten cruciaal (Munneke, 2024; Oolbekkink-Marchand et al., 2022; Van Katwijk et al, 2019; Van der Linden et al., 2015). Onderzoekend vermogen betreft de onderzoekende houding, het vermogen om kennis uit onderzoek van anderen toe te passen en het vermogen om zelf onderzoek uit te voeren (Andriessen, 2014; Van Katwijk et al., 2019). Om het onderzoekend vermogen gericht op onderwijsverbetering in scholen duurzaam te versterken, is ten eerste inzicht in de huidige situatie van belang. Daarom hebben we een instrument ontwikkeld om onderzoekend vermogen te meten. Volgens voorgaand onderzoek (o.a., Munneke, 2023, Kowalczuk-Walędziak et al., 2024) is het een grote uitdaging om onderzoekend vermogen betrouwbaar en valide in kaart te brengen. Dit leidt tot de volgende onderzoeksvragen: 1) Hoe kunnen we het onderzoekend vermogen van docenten meten? 2) Hoe beoordelen docenten hun onderzoekend vermogen? De bijdrage is bedoeld om de resultaten van de ontwikkeling van het instrument en de eerste metingen te delen en bediscussiëren met de gemeenschap van onderzoekers en professionals in de praktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ ‘Onderwijs in transitie’ vraagt om leraren die met een onderzoekende houding er voor zorgen dat leerlingen voorbereid zijn op de complexe maatschappelijke vraagstukken waar zij mee te maken krijgen. Het kunnen meten en verder ontwikkelen van de onderzoekende houding van leraren is daarvoor een belangrijk (methodologisch) aspect. Papersymposium (90 minuten)14Stefan Jongen, Open Universiteit, Heerlen, Alice Pan, Education Lab, Maastricht, Merel van der Wal, Radboud Universiteit, Nijmegen, Merel van der Wal (voorzitter), Nynke Kruiderink (discussiant) 0.043vr 09:00 – 10:30 In recent years, universities in the Netherlands have invested substantially in Centres for Teaching and Learning (CTLs) as strategic change agents to foster educational innovation, enhance teaching quality, and build institutional capacity for pedagogical development. The national “groeifonds” programme Npuls formulated several ambitions for CTLs: Teacher’s professional development, sharing knowledge on innovation, innovating through facilitating, support the educational management by advise and supporting teachers, research on educational innovation in an evidence informed way. In mission statements of CTLs many criteria are formulated as relational, non-discrete parameters (f.e., create networks of teachers, connect staff members) (Mihai et al., 2025), while other criteria are discrete parameters (number of implemented innovations, number of teaching qualifications awarded). To determine the achievements of CTLs, the former category is often reported by CTLs, while the latter category is often used as Key Performance Indicators in university management. However, a linear input-output perspective leaves many of the action-oriented parameters invisible when reporting on CTL achievements. The past years, several research projects have investigated design principles for CTLs) to be successful (Kraemer-McCaffery et al., 2024; Kottman, 2023). Now, a challenge is to move from these design principles for CTLs toward more systematic efforts to define, examine, and strengthen impact of CTLs. The central question in this symposium is: How can impact of CTLs in higher education be assessed in light of their organizational characteristics, in order to connect actions to the insights gained? Each contribution shares a perspective on assessing impact of CTLs in Higher Education. A reflection of the discussant will open up to a joint exploration on how to move forward with impact assessment of CTLs, and how impact can be strengthened. We invite the audience to actively think along on how to operationalize and strengthen the impact of CTLs, in their own institutions and beyond. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Grand challenges such as climate change, societal polarisation, geopolitical shifts and the rise of AI form an important part of our academic research and our teaching. These challenges call for a reflection on university organization: how we organize our teaching, how we deal with these issues and how our role as universities change under these circumstances, determines how we navigate these challenging times. This symposium focuses on how CTLs can act as change agents in university organizations, aiming to critically reflect on our teaching and what ‘good university education’ entails now and in the future. Individuele bijdrage 1 Creating Organisational Learning and Change through Research in Action In recent years, CTLs have increasingly been positioned as strategic change agents in higher education. However, assessing their impact remains challenging, particularly when impact is framed primarily through discrete indications that insufficiently capture organisational learning and change. This contribution presents a practice-based case study of the centre for teaching and learning of the Open Universiteit (CTL-ECO (Expertisecentrum Onderwijs), exploring how CTL impact can be understood and empirically grounded from a social complexity perspective in the context of distance education and organisational restructuring. Building on organisational theory (Hoy & Miskel, 2013) and complexity-informed perspectives on change that emphasise relational dynamics and meaning-making (Stacey, 2001), impact is conceptualised not as a linear outcome of interventions, but as an emergent property of interactions within the educational organisation. From this perspective, interventions are not external stimuli, but part of the evolving system itself. The study is positioned as research in action, in which organisational development and knowledge production are deliberately intertwined. CTL-ECO’s development followed a two-step approach. First, an internal organisational redesign replaced function-based teams with two multidisciplinary domains organised around content-related tasks. Second, research was explicitly employed as an intervention to strengthen relationships with the wider organisation. An online dialogical inquiry involved 96 participants, including teaching staff from all faculties and CTL-ECO staff. Empirical grounding was established through systematic documentation of dialogical interactions, participation patterns, and recurring initiatives, analysed through iterative collective sense-making with a cross-faculty development team. Shifts in shared meaning-making, relational capacity, and ownership emerged as key mechanisms through which CTL-ECO contributed to a learning-oriented culture. Boundary-crossing initiatives contributed to building trust, experimentation, and a shared learning culture across the organisation, and contributes by showing that research is an intervention that creates impact. Individuele bijdrage 2 Evidencing and framing CTL impact at individual (teacher/student) and organisational levels via autoethnographic action research at Maastricht University In 2025, EDLAB – the Maastricht University Centre for Teaching and Learning celebrated 10 years of supporting UM’s commitment to quality education, through facilitating student and teacher personal and professional development, as well as by supporting education innovation. In the current project, we engage in detailed and comprehensive analysis of EDLAB’s impact as a CTL, focusing on the following research questions: How does EDLAB define the impact of a CTL, and what factors influence this impact? What types of evidence provide an accurate and in-depth understanding of EDLAB’s impact as a CTL, and what is EDLAB’s current impact? As EDLAB’s way of working closely aligns with the Action Research Cycles (Coghlan & Brannick, 2024), this study focuses on assessing and refining to the ‘Evaluating Action’ stage, as well as on making the meta-cycle more explicit. Moreover, the study is auto-ethnographic (Denzin, 1997) and involves two nested stakeholder groups: the EDLAB team, and the UM teaching and learning community. To establish the context and identify needs, a scoping review was followed by 16 interviews with UM staff and co-creating EDLAB’s theory of change with the EDLAB team. Synthesising this input, we define EDLAB’s impact across the four CTL dimensions (Mihai et al., 2025). We answer the second research question through gathering existing data on EDLAB’s impact, using an embedded mixed methods approach to determine knowledge gaps, and iteratively engaging in further data collection and analysis. The results provide insights that the current impact of EDLAB is primarily at the level of the teacher but there are implications as well as for impact on organisational structure and culture. Additionally, the study created insights into doing autoethnographical research and biases that potentially play a role. Individuele bijdrage 3 Spinning the flywheel: the impact of a CTL on innovation in education at Radboud University through a system’s lens. The Teaching and Learning Centre (TLC) of Radboud University (RU) was founded in 2020 and focused on the guiding principles Meet-Inspire-Learn to facilitate innovation of education. Recent developments have triggered a discussion on assessing the aim ‘innovation in education’ and the impact of the TLC on innovation. Impact can be understood as a dynamic interplay of action-oriented, normative and sensemaking factors, and discrete quantifiable indicators. The objective of this study is to understand how innovation of education is currently taking shape, in order to define points of intervention for our TLC to create a flywheel effect in the organization. This insight creates a conceptual model of innovation in Radboud University’s education. We draw on frameworks of educational innovation in the context of sensemaking and organizational learning (Weick, 1995), and understanding the mental models that play a key role in the sensemaking through a participatory form of System Dynamics (Vennix, 1999). These theoretical frameworks form the base of an interpretative, inductive study of the dynamic interplay between institutional drivers and inhibitors that determine the innovations in education at Radboud University. We collected data with two sessions, with: 1) a group of teachers from all faculties of RU and 2) the expert group on education innovation (not teaching staff), following the Group Model Building protocol (Vennix, 1996). The diagram was validated with other education staff in Radboud University. The resulting diagram represents the experienced dynamic of innovation as an interplay of organizational and individual characteristics, in both quantitative (f.e. ‘return of investment’) and qualitative (pleasure of ‘joint efforts’ and being seen as an innovator) variables. Further analysis shows impact of the TLC as intervention points to create a flywheel effect on RU’s education. Papersymposium (90 minuten)206Izaak Dekker, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Tjark Huizinga, Hogeschool Saxion, Deventer, Martijn Meeter, Vrije Universiteit, Amsterdam, Jana Reil, Hogeschool Saxion, Deventer, Hanneke Theelen, Zuyd Hogeschool, Heerlen, Hanneke Theelen (voorzitter), Martijn Meeter (discussiant) 0.055vr 09:00 – 10:30 Doelstellingen van de sessieDit symposium richt zich op welke pedagogische en didactische handelingen van docenten bijdragen aan een omgeving waarin studenten succesvol leren. Elke bijdrage benadert dit vanuit een unieke invalshoek: door te onderzoeken welke klassenmanagementuitdagingen docenten ervaren, grondoorzaken die bijdragen aan studie-uitval, en wat er gebeurt wanneer docenten actief contact opnemen met afwezige studenten. Samen bieden deze studies zicht op de manieren waarop het handelen van docenten en opleidingen invloed heeft op het bereiken, betrekken en behouden van studenten in hun leerproces.Overzicht van de presentatiesIn de eerste bijdragen staan klassenmanagementuitdagingen van docenten in het hoger onderwijs ervaren. Docenten benoemen in de concept-mappingstudie onder meer uitdagingen op het gebied van relationele dynamiek en aandacht.De tweede bijdrage richt zich op oorzaken van studie-uitval in technische hbo-opleidingen. In mixed-method onderzoek zijn factoren waaronder ervaren aansluiting, begeleiding, motivatie en pedagogische ondersteuning geïndentificeerd als redenen waarom studenten uitvallen.De derde bijdrage bespreekt een grootschalig veldexperiment dat het effect van bellen of berichten op deaanwezigheid, engagement en studievoortgang van studenten.Wetenschappelijke betekenisGezamenlijk maken de drie studies zichtbaar dat studentensucces niet alleen ontstaat vanuit curriculumontwerp of individuele studievaardigheden, maar ook uit het dagelijkse handelen van docenten: hoe zij groepen begeleiden, hoe zij verbinding en structuur creëren, en hoe zij reageren wanneer studenten uit beeld raken. Door verkennend, verklarend en experimenteel onderzoek te combineren, ontstaat een rijk en meerlagig beeld van de condities waaronder studenten kunnen floreren.Structuur van de sessieDe sessie opent met een korte gezamenlijke inleiding op het overkoepelende thema. Daarna volgen drie paperpresentaties. De discussiant prof. dr. Martijn Meeter reflecteert op de onderlinge samenhang en theoretische implicaties. We sluiten af met een interactieve discussie met de deelnemers. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit symposium sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor Transitie door te laten zien hoe docenten een cruciale rol spelen in het begeleiden van studenten in een veranderende onderwijscontext. De drie bijdragen tonen hoe onderzoek naar klassenmanagement, uitvalfactoren en persoonlijk contact bij afwezigheid kan bijdragen aan het begrijpen van wat studenten nodig hebben om betrokken te blijven en succesvol te studeren. Deze inzichten ondersteunen de doorwerking van onderwijsonderzoek naar de praktijk en bieden concrete aanknopingspunten voor het versterken van pedagogisch-didactisch handelen in een tijd waarin motivatie, aanwezigheid en binding steeds meer onder druk staan. Individuele bijdrage 1 Meer dan orde houden: Klassenmanagementuitdagingen in het hoger onderwijsHanneke Theelen & Maartje HenderikxAanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantieKlassenmanagement is een kern van effectief onderwijs (Marzano e.a., 2003), maar onderzoek richt zich vooral op primair (Korpershoek e.a., 2025) en voortgezet onderwijs (Sabornie & Espelage, 2023). In het hoger onderwijs (HO) is hierover weinig empirische kennis beschikbaar, terwijl docenten steeds vaker te maken krijgen met diversiteit, hybride onderwijs, fluctuerende motivatie en digitale afleiding. Het is onduidelijk in hoeverre bekende uitdagingen uit het schoolonderwijs ook gelden in het HO. Deze studie verkent daarom welke klassenmanagementuitdagingen HO-docenten ervaren en hoe deze thematisch geordend kunnen worden. Het onderzoek biedt hiermee handvatten voor professionaliseringstrajecten.VraagstellingWelke klassenmanagementuitdagingen ervaren docenten in het hoger onderwijs, en hoe verhouden deze zich tot uitdagingen die bekend zijn uit primair en voortgezet onderwijs?MethodeEr is gebruikgemaakt van Group Concept Mapping.93 docenten genereerden 113 uitspraken (82 uniek).Zeven experts sorteerden de uitspraken.35 docenten beoordeelden deze op belangrijkheid en controle.Multidimensionale schaling en clusteranalyse leidden tot vijf thematische clusters.ResultatenVijf clusters kwamen naar voren: (1) relationele dynamiek, (2) diversiteit en complexiteit, (3) niet-taakgericht gedrag, (4) aandacht en betrokkenheid en (5) storend gedrag. Niet-taakgericht gedrag en diversiteit/complexiteit werden het belangrijkst gevonden. Aandacht en betrokkenheid kreeg de laagste score voor zowel belangrijkheid als controle. Relationele uitdagingen werden als relevant beoordeeld, maar minder vaak genoemd als urgent. Docenten ervaren de meeste controle bij storend gedrag en de minste bij motivatie- en engagementproblemen.Discussie en conclusieHO-docenten ervaren vergelijkbare uitdagingen als docenten in het schoolonderwijs, maar deze worden in het HO sterker beïnvloed door autonomie van studenten, digitale afleiding en diversiteit. Klassenmanagement vraagt daarmee om een bredere benadering dan gedragsregulatie: als een proces van relationele én didactische afstemming. Dit biedt aanknopingspunten voor professionalisering gericht op preventief handelen, engagement en duidelijkheid. Individuele bijdrage 2 Grondoorzaken voor studie-uitval bij technische opleidingenJana Reil, Tjark Huizinga & Karienne MittendorffAanleidingBinnen technische opleidingen in het hoger onderwijs (ho) vallen relatief veel studenten uit, terwijl de vraag om technische personeel hoog is (Inspectie van Onderwijs, 2024). Eerder onderzoek illustreert dat drie factoren bijdragen aan studie-uitval (Tinto, 1993; Kocsis & Molnár, 2025;): persoonlijke, sociale en opleidingsspecifieke factoren. Om studie-uitval te beperken is het van belang om zicht te krijgen welke mechanismen binnen de factoren van belang zijn. Het onderzoek biedt onderbouwde aanbevelingen om studie-uitval te verminderen.Vraagstelling van het onderzoekWat zijn de belangrijkste factoren die bijdragen aan studie-uitval in het eerste jaar van technische opleidingen?MethodeEen mixed-method aanpak (Creswell, 2008), waarin kwalitatieve data leidend is:Studie-data uitval (uitvalcijfers, NSE-resultaten, module-evaluaties en exitvragenlijsten)12 focusgroepen met studenten (N=78)1 gesprek met uitgevallen student4 focusgroepgesprekken met docententeams4 (focusgroep)gesprekken met teamleidersStapsgewijze codering op basis van model van TintoResultatenBinnen technische opleidingen vormt wiskunde een structureel probleem, zeker nu de eisen voor toelating tot de opleiding versoepeld zijn. Ook de studentverwachtingen over de opleidingen sluiten niet altijd aan op de opleidingsrealiteit. Studenten benoemen dat lessen en toetsing niet aansluiten op hun leerbehoefte. Vanuit opleidingen wordt ook de studiehouding benoemd als redenen waarom studenten uitvallen.Discussie en conclusieStudie-uitval ontstaat uit een, voor iedere student, unieke combinatie tussen persoonlijke, sociale en opledingsspecifieke factoren. Docenten spelen hierin een cruciale rol, zowel op het gebied van goede studieloopbaanbegeleiding als hun pedagogische en didactische expertise. Het verminderen van studie-uitval vraagt niet alleen andere voorlichting over opleidingen, maar ook professionele ontwikkeling om tegemoet te komen aan de diversiteit aan studenten waar docenten in het HO les aan geven. Individuele bijdrage 3 Effecten van bellen en berichten op aanwezigheid: Een grootschalig veldexperimentIzaak Dekker, Marrit Janabi & Martijn MeeterAanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoekDe gemiddelde aanwezigheid van studenten in het hbo is de afgelopen tien jaar sterk gedaald (Dekker & Theelen, 2025). Dit is zorgwekkend, want aanwezigheid is een van de sterkste voorspellers van studiesucces (Credé et al., 2010). Studies in het funderend onderwijs geven aan dat het bellen of berichten van de ouders van leerlingen kan leiden tot hogere aanwezigheid (Berger et al., 2025). Het is nog niet bekend of studenten bellen of berichten in het hbo leidt tot hogere aanwezigheid.Vraagstelling van het onderzoekLeidt het bellen of berichten van studenten die afwezig zijn tot meer aanwezigheid, studentbetrokkenheid, meer studiepunten, of minder uitval?Methode598 eerstejaars hbo studenten deden mee aan het experiment en werden willekeurig ingedeeld in drie verschillende condities. Studenten in de eerste conditie werden elke week door een coördinator gebeld indien ze die week een college hadden gemist. Studenten in de tweede conditie ontvingen een chatbericht via Teams. Aanwezigheid werd per les bijgehouden door docenten. Studentbetrokkenheid werd bevraagd met een enquête in kwartaal 3. Studiepunten en studie-uitval na drie kwartalen werden uit de administratie opgehaald.ResultatenWe vonden geen significante verschillen in de aanwezigheid, studentbetrokkenheid, of uitval van studenten in de drie verschillende condities. Opvallend genoeg vonden we wel dat studenten in de controleconditie significant meer studiepunten behaalden.Discussie en conclusieAlhoewel het bellen van de ouders van leerlingen in het funderend onderwijs eerder wel tot positieve effecten leidde, vonden we geen effecten van het bellen of berichten van studenten in het hbo. Meer onderzoek is nodig voordat we hier zeker van zijn, maar vooralsnog lijkt het niet nuttig om in deze context gebruik te maken van deze -vrij tijdsintensieve- interventie. Papersymposium (90 minuten)674Janine Mommers, Wageningen University & Research, Wageningen, Marlon van de Put, Fontys Hogeschool, Eindhoven, Lydia Schaap, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Monika Louws (voorzitter), Loes van Wessum (discussiant) 1.022vr 09:00 – 10:30 Doelstellingen Onderwijs in transitie vraagt om capaciteitsontwikkeling van onderwijsinstellingen en onderwijsprofessionals. Leiderschap is hiervoor essentieel (Leithwood, e.a., 2020; Leithwood, 2021; Inspectie van het onderwijs, 2025). In dit symposium wordt helder wat schoolleiderschap betekent in tijden van transitie. We bespreken de complexiteit van schoolleiderschap, waarbij het handelen van schoolleiders gekleurd wordt door de context en hun persoonlijke kwaliteiten (Leithwood, 2023). Overzicht & structuur Transities gaan gepaard met onzekerheid, die zich kan uiten in onrust, angst en twijfel. Deze gevoelens ontstaan wanneer vertrouwde betekeniskaders wegvallen en de toekomst onduidelijk is. We presenteren onderzoeken die tonen hoe schoolleiders op kunnen omgaan met onzekerheid. Het onderzoek naar paradoxen in het leiderschap maakt duidelijk dat een paradox-mindset vereist is die onzekerheden beschouwen als behorend tot het leerproces (Miron-Spektor e.a, 2017; Yurkofsky, 2022) en de ontwikkeling van passende leiderschapspraktijken (Ros, e.a. 2022). Deze leiderschapspraktijken zijn niet exclusief voorbehouden aan formele schoolleiders, maar kunnen ook door andere onderwijsprofessionals worden vervuld (Harris & DeFlaminis, 2016). In hun rol als tweede-orde schoolleiders ondersteunen schoolleiders professionals bij hun ontwikkeling van (gespreid) leiderschap (Galdames-Calderón,2023). De bijdrage over gespreid leiderschap brengt specifieke dilemma’s naar voren, waarvoor schoolleiders coping strategieën kunnen ontwikkelen (Zwart e.a., 2018). Een andere manier waarop schoolleiders leiding aan zichzelf kunnen geven, namelijk door te reflecteren en zich bewust te worden van hun professionele identiteit (Orsini & Sunderman, 2024), wordt toegelicht in de laatste bijdrage. Door waardengericht handelen zijn zij beter in staat om te gaan met werkdruk, paradoxen en morele dilemma’s (Burke & Stets, 2022). Een hoge mate van professioneel zelfvertrouwen van schoolleiders draagt bij aan innovatief handelen en gevoelens van welbevinden (Röhl, e.a. 2024). Wetenschappelijke betekenis Onderzoek naar leiderschap in tijden van transitie veronderstelt een breed perspectief waarin kennis over effectiviteit in het leiderschap en leiderschapsvaardigheden worden gecombineerd met richtinggevende persoonlijke waarden en de individuele visie op leiderschap. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Opvattingen en dilemma’s van schoolleiders ten aanzien van gespreid leiderschap. Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie Om onderwijskwaliteit te waarborgen maken steeds meer basisscholen gebruik van een gespreide benadering van leiderschap (Kuijpers et al., 2023). Gespreid leiderschap houdt in dat, naast de schoolleider, ook leraren leiderschapsinitiatieven kunnen nemen op basis van hun expertise (Tian et al., 2016). Naarmate leraren meer leiderschapsinitiatieven ontplooien, kunnen schoolleiders echter leiderschapsdilemma’s ervaren als leraren niet handelen in overeenstemming met leiderschapsopvattingen van schoolleiders (Mentink, 2023). Wetenschappelijke kennis over typen dilemma’s die schoolleiders ervaren bij het versterken van gespreid leiderschap en over de wijze waarop zij met deze dilemma’s omgaan, is schaars (Mentink, 2023). Meer inzicht in dilemma’s van schoolleiders bij gespreid leiderschap en hun copingstrategieën biedt handvatten om gespreid leiderschap in scholen te bevorderen. Vraagstelling Welke typen dilemma’s van schoolleiders bij het versterken van gespreid leiderschap kunnen worden geïdentificeerd, en hoe gaan schoolleiders hiermee om? Methode Kwalitatieve data zijn op vier momenten verzameld bij vijf schoolleiders van Nederlandse basisscholen via semigestructureerde reflectie-interviews, gecombineerd met logboeken. Resultaten De deelnemende schoolleiders blijken leiderschapsdilemma’s te ervaren die te maken hebben met sturen en loslaten, ook al zitten de scholen in verschillende stadia van gespreid leiderschap. De dilemma’s ontstaan bijvoorbeeld als teacher leaders niet op de ‘juiste manier’ leiding nemen of als leraren bij conflicten verwachten dat de schoolleider voor een oplossing zorgt. Ook in gevorderde stadia lijken schoolleiders hun gedrag hoofdzakelijk te richten op individuele teacher leaders in plaats van het team als collectief. Conclusies/Discussie Schoolleiders lijken zich vooral te richten op het begeleiden van individuele teacher leaders bij het ontwikkelen van hun leiderschapsvaardigheden en het formuleren van duidelijke verwachtingen. Professionalisering van schoolleiders kan ertoe leiden dat zij beter kunnen analyseren in welk stadium het team zich bevindt, zodat zij hun gedrag beter kunnen afstemmen op wat leraren nodig hebben. Individuele bijdrage 2 Ontwikkelen van een paradox mindset bij schoolleiders Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie De rol van schoolleider vraagt om omgaan met allerhande complexe vraagstukken (Sinnema et al. 2023) die vaak gepaard gaan met paradoxen. Deze moeten gehanteerd worden in plaats van opgelost (Smith & Lewis, 2011). Het ontwikkelen van een paradox mindset, de mate waarin iemand spanningen accepteert en ervaart als energiegevend, helpt bij het hanteren van paradoxen (Miron-Spektor et al. 2017). Het belang van een paradox mindset wordt onderschreven in de literatuur, maar hoe die kan worden ontwikkeld is nog onduidelijk (Boemelburg et al., 2023). Het doel van deze studie is een interventie ontwikkelen en het (ervaren) effect hiervan meten bij schoolleiders. Vraagstelling Wat is het (door schoolleiders ervaren) effect van een interventie op de ontwikkeling van een paradox mindset? Methode Het onderzoek werd uitgevoerd op een schoolleidersopleiding (master) van een geaccrediteerde Nederlandse opleiding. Twee lichtingen studenten (schoolleiders) werden vergeleken, waarbij de ene groep studenten enkel literatuur bestudeerde en de andere groep hiernaast ook een workshop volgde. Beide groepen (resp. n=16 en n=15) vulden een gevalideerde vragenlijst (Miron-Spektor et al. 2017) over de paradox mindset in. Tien studenten (6 experimentele groep, 4 controlegroep) werden geïnterviewd volgens een semi-gestructureerd protocol. Vier interviews werden open gecodeerd op basis waarvan een codeerschema werd gemaakt en alle interviews (opnieuw) werden gecodeerd en de data geanalyseerd. Resultaten Resultaten van de vragenlijst en interviews zijn ten tijde van de ORD bekend. Voorlopige resultaten op basis van de eerste vier interviews impliceren dat onderwijs over paradox theorie positief bijdraagt aan het leren hanteren van paradoxen in de praktijk van schoolleiders. Conclusie/Discussie Conclusies kunnen op dit moment nog niet worden getrokken. Een heel voorzichtige eerste indruk is dat leren over paradoxen deze schoolleiders inzichten en steun gaf om paradoxen (beter) te hanteren. Individuele bijdrage 3 Professionele identiteit van schoolleiders in het vo: de relatie tussen rolidentificatiepatronen en zelfvertrouwen Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek Gezien de toenemende complexiteit van vraagstukken in het leiderschap, is het van belang dat onderzoek naar schoolleider zich niet alleen richt op effectiviteit (Grissom, Egalita & Lindsay, 2021), maar ook op de schoolleider als persoon (Hallinger, 2018). Onderzoek naar professionele identiteit laat een relatie zien tussen het in de praktijk brengen van belangrijke waarden en mate van zelfvertrouwen. Dit leidt tot positieve of gevoelens die kunnen leidern tot meer durf en vernieuwing, of in uiterste gevallen tot burn-out en uitval uit het beroep (Burke & Stets, 2022). Eerder onderzoek laat rolidentificatiepatronen van schoolleiders (Mommers, Runhaar & den Brok, 2024). Dit onderzoek gaat verder in op de relatie van rolidentificatiepatronen en mate van zelfvertrouwen. Vraagstelling Wat is binnen de professionele identiteit van schoolleiders in het voortgezet onderwijs de relatie tussen hun rolidentificatiepatronen en mate van zelfvertrouwen? Methode Een vragenlijst is afgenomen onder schoolleiders in het voortgezet onderwijs met vragen naar rolidentificatiepatronen en mate van zelfvertrouwen (Franck et al., 2008; Stets & Burke, 2014). Verschillen in mate van zelfvertrouwen tussen clusters van rolidentificatiepatronen worden geanalyseerd, met aanvullende tests voor verschillen tussen carrièrefase en leiderschapsrol. Resultaten Voorlopige resultaten laten een sterke voorkeur voor de rol van People manager zien. Gemiddeld ervaren schoolleiders een hoge mate van zelfvertrouwen. Verdere analyses vergelijken ‘mate van zelfvertrouwen’ met verschillen tussen rolidentificaties, carrièrefasen en leiderschapsrollen. Discussie en conclusie Schoolleiders lijken zich vooral te identificeren met de rol van People manager. Vervolgonderzoek kan nagaan of deze rol voorwaardelijk is voor andere rollen in het schoolleiderschap zoals ‘Interactie met ook binnen onderzoek naar leraren een belangrijke voorwaarde is gebleken (Van der Want et.al, 2015). Mate van zelfvertrouwen lijkt niet gerelateerd aan specifieke rolidentificatiepatronen. Papersymposium (90 minuten)182Monique Dijks, Citolab, Arnhem, Anneke Dubbeld, Citolab, Arnhem, Feline de Wit, Citolab, Arnhem, Monique Dijks (voorzitter), Anne van Leest (discussiant) 1.050vr 09:00 – 10:30 Doelstellingen en wetenschappelijke betekenis Leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs volgen allemaal een unieke schoolloopbaan. Ze zijn om uiteenlopende redenen naar het gespecialiseerd onderwijs gegaan en hebben daarmee hun eigen ondersteuningsbehoeften. Om leerlingen onderwijs op maat te bieden, schrijven onderwijsprofessionals individuele ontwikkelingsperspectiefplannen (OPP’s) en handelingsplannen die helpen inzichtelijk te maken hoe het onderwijs van deze leerlingen eruit moet zien. Het landelijk doelgroepenmodel (LDGM) wordt steeds meer ingezet om OPP’s en handelingsplannen inhoudelijk vorm te geven. Dit bespreekmodel tracht het potentieel van leerlingen in kaart te brengen door naar de brede ontwikkeling van leerlingen te kijken. Het model is ontwikkeld op basis van een vraag vanuit de praktijk, wat het model zeer waardevol maakt. Voor het goed functioneren van het LDGM is het ook van belang dat het daadwerkelijk valide en betrouwbaar is. Dit symposium heeft als doel om meer inzicht te geven in de validiteit en betrouwbaarheid van het LDGM en om te reflecteren op de methode van argumentgericht valideren bij een dergelijk bespreekmodel. Structuur sessie en overzicht presentaties In dit symposium worden onderzoeken naar de validiteit en betrouwbaarheid van het LDGM gepresenteerd. Dit doen we aan de hand van drie presentaties. Allereerst zal het overkoepelende validatieonderzoek besproken worden, waarbij de focus ligt op argumentgericht valideren (Kane & Wools, 2019). Hier zal ook ter discussie gesteld worden in hoeverre een methode als argumentgericht valideren toe te passen is op een (flexibel) bespreekmodel. Vervolgens zullen twee deelonderzoeken gepresenteerd worden: een vignettenstudie naar het gebruik van het LDGM en een grootschalige datastudie om patronen te herkennen in leerlingkenmerken en hun ontwikkeling. Ten slotte zullen we in de discussie reflecteren op de functie en de meerwaarde van het model: in hoeverre draagt dit model bij aan gelijke kansen? En hoe kunnen we voorkomen dat men met dit model te veel in hokjes gaat denken? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het Landelijk Doelgroepenmodel, dat centraal staat in dit symposium, is gericht op de transities van leerlingen in het gespecialiseerd onderwijs. Daarnaast is het model zelf in transitie. Het model begon vanuit een praktijkgestuurde vraag. Door het validatieonderzoek komt er steeds meer onderbouwing voor het model. Deze onderbouwing wordt ook meteen meegenomen in de doorontwikkeling van het model. Zo kunnen we het model steeds meer zowel praktijkgestuurd als wetenschappelijk onderbouwd maken. Individuele bijdrage 1 In het gespecialiseerd onderwijs werden beslissingen lange tijd vooral gebaseerd op intelligentietests. Om het potentieel van leerlingen beter te benutten ontwikkelden professionals het Landelijk Doelgroepenmodel (LDGM), een holistisch model dat cognitieve ontwikkeling, ondersteuningsbehoeften en onderwijsbehoeften samenbrengt en dient als basis voor professionele discussies over onderwijstrajecten. Hoewel het LDGM voortbouwt op praktijkervaringen en het AAIDD-model (Schalock et al., 2010), is weinig bekend over de theoretische onderbouwing, validiteit en betrouwbaarheid. Daarom onderzochten we: In hoeverre is het LDGM valide en betrouwbaar? En daarnaast: In hoeverre is het mogelijk een bespreekmodel als het LDGM te valideren door middel van argumentgericht valideren? Methode Er is gebruikgemaakt van argumentgericht valideren (Kane, 2013), een proces in vier stappen: 1) beschrijving van beoogd gebruik en doelgroep; 2) onderliggende aannames expliciteren (validiteitsargument); 3) bewijs verzamelen voor die aannames; 4) conclusies trekken over het bewijs en de validiteit. Voor stap 1 werden relevante documenten geanalyseerd, een focusgroep met ontwikkelaars en experts gehouden en semigestructureerde interviews uitgevoerd op acht LDGM-scholen. Op basis hiervan werd het validiteitsargument vormgegeven; aannames zijn beoordeeld op urgentie, meetbaarheid en bestaand bewijs om deelstudies te bepalen. Resultaten Het validiteitsargument leidde tot een aantal deelonderzoeken die zijn uitgevoerd. Deze zullen worden toegelicht. De toepasbaarheid van argumentgerichte validatie verschilt per stap. Voornamelijk bij stap 2 ontstonden belangrijke obstakels: voorbeelden in de literatuur gaan uit van beslissingen gebaseerd op repliceerbare testscores, terwijl enkele kernaannames van het LDGM juist tegen het idee van één repliceerbare beslisregel ingaan. Deze spanningen bemoeilijken het formuleren van een klassiek validiteitsargument. Discussie Delen van argumentgerichte validatie zijn bruikbaar voor bespreekmodellen, maar andere onderdelen zijn complexer door het karakter van dergelijke modellen. Er is balans nodig tussen het voorschrijven van keuzes en het behouden van professionele vrijheid. Het onderzoek vergroot de kennis over validatie in het onderwijs en biedt aanbevelingen ter verbetering van het LDGM. Individuele bijdrage 2 Vanuit validiteits- en betrouwbaarheidsoogpunt is het belangrijk dat het LDGM eenduidig wordt ingezet. Een verkennend vooronderzoek suggereerde echter dat het LDGM niet consistent geïnterpreteerd en gebruikt wordt. Dit roept de vraag op of verschillende werkwijzen leiden tot uiteenlopende leerling-oordelen die voortkomen uit de manier van invullen in plaats van leerlingkenmerken. Vergelijkbare casuïstiek is nodig om dit te onderzoeken. Daarom onderzochten we: In hoeverre komen verschillende scholen bij eenzelfde (fictieve) leerling tot eenzelfde uitstroombestemming aan de hand van het LDGM? De focus ligt op overeenkomsten en verschillen in werkwijze, onderliggende beweegredenen en de impact op het eindoordeel. Methode Op basis van dossierinformatie uit s(b)o-scholen zijn zeven vignetten ontwikkeld, met alle onderdelen van een regulier OPP: ze deelden basisinformatie en verschilden systematisch in IQ, ontwikkelingsniveaus, didactisch functioneren en ondersteuningsbehoeften. De vignetten zijn voorgelegd aan de commissies voor begeleiding (CvB) van negen scholen, die een zo authentiek mogelijke leerlingbespreking voerden voor als deze leerling bij hen op school zou komen. De CvB-besprekingen zijn procesmatig en inhoudelijk geobserveerd; redenaties en conclusies zijn thematisch geanalyseerd. Resultaten Scholen zetten het LDGM uiteenlopend in bij de bespreking: als gespreksleidraad, ter ondersteuning voor (enkele) onderdelen, of uitsluitend om de uitstroombestemming te bepalen. Er kwam een grote variëteit in ingevulde vakjes naar voren. De gekozen uitstroombestemmingen lagen dicht bij elkaar, maar verschillen in uitstroombestemming komen ook voor. CvB’s noemen meestal slechts één of twee doorslaggevende LDGM-elementen voor de uitstroombestemming. In de presentatie op de ORD 2026 wordt dieper ingegaan op de verschillen en overeenkomsten in werkwijze en beweegredenen voor bepaalde beslissingen. Discussie en conclusie De gekozen uitstroombestemmingen zijn redelijk eenduidig, maar het proces niet. De studie geeft inzicht in de validiteit van het LDGM, input voor doorontwikkeling en leidt tot de discussie in hoeverre gebruik en werkwijzen moeten worden vastgelegd, en waar ruimte nodig is voor professioneel oordeel. Individuele bijdrage 3 Eén van de uitgangspunten van het LDGM is het bestaan van verschillende doelgroepen binnen het gespecialiseerd onderwijs. Het LDGM is ingedeeld in zeven verschillende profielen. Deze profielen zijn niet statisch: een leerling kan voor verschillende domeinen binnen een ander profiel vallen. Met gegevens uit leerlingvolgsystemen bekijken we in hoeverre er daadwerkelijk doelgroepen, zoals in het LDGM beschreven, bestaan in het gespecialiseerd onderwijs. Daarom onderzochten we de volgende vraag: In hoeverre komen binnen het gespecialiseerd onderwijs empirisch onderscheidbare doelgroepen voor zoals beschreven in het LDGM, en hoe verhouden LDGM-gegevens zich tot toetsresultaten en uitstroombestemmingen? Methode We analyseren LVS-gegevens van 31 scholen, met in totaal 5123 leerlingen uit het SBO, SO of VSO. Middels een clusteranalyse bekijken we of er in de data duidelijke profielen te identificeren zijn. Daarnaast bekijken we de invulpatronen van scholen, en bekijken we of we de variantie in uitstroombestemming kunnen verklaren op basis van het LDGM. Resultaten Het onderzoek vindt momenteel plaats. Alle informatie is verzameld en de analyses worden uiterlijk afgerond in april. Voorlopige analyses laten verschillen in de invulpatronen tussen scholen zien. We verwachten dat een groot deel van de data in doelgroepen onder te brengen is, voornamelijk op schoolniveau. We verwachten voornamelijk in de middelste profielen van het LDGM variatie in uitstroombestemming te vinden. Discussie Mede door middel van de informatie uit deze datastudie kan het LDGM worden doorontwikkeld tot een valide model. Wanneer de ontwikkeling en onderwijsresultaten van leerlingen op een betrouwbare, eenduidige in kaart worden gebracht via het LDGM, kunnen deze van verschillende doelgroepen onderling worden vergeleken. Goed te onderscheiden doelgroepen binnen het LDGM zouden gebruikt kunnen worden om in een later stadium per doelgroep standaarden te ontwikkelen die recht doen aan de leerlingen die het referentieniveau 1F (Meijerink, 2009) niet (vanzelfsprekend) halen. Paperpresentatie (30 minuten)62Annemarieke Schepers, Avans Hogeschool, Breda 1.054vr 09:00 – 10:30 De didactische keuzes die docenten dagelijks maken worden in belangrijke mate bepaald door kennis en overtuigingen over goed onderwijs, wat voortdurende professionalisering essentieel maakt. Huidige professionaliseringsaanpakken besteden weinig aandacht aan concreet docentgedrag en bieden weinig gelegenheid voor oefening in de eigen onderwijscontext (Darling-Hammond et al., 2017; Kisa & Correnti, 2015; Sims et al., 2023). Dit resulteert in wat Kennedy (1999, 2016) het enactment‑probleem noemt: docenten vertalen nieuwe inzichten vaak niet naar ander gedrag in de klas. In docentprofessionalisering ontbreekt vaak ondersteuning bij verandering van het denken. Het bestuderen van mentale modellen (MM), overtuigingen en aannames die het handelen sturen, biedt hiervoor een veelbelovend aanknopingspunt (bijv. Jimerson et al., 2014; Sherwood, 2020; Tarnanen et al., 2024). Hoewel MM vaak worden gebruikt om docentgedrag te verklaren, ontbreekt een geïntegreerd begrip van hoe MM worden gedefinieerd, onderzocht en beïnvloed via docentprofessionalisering. Hieruit volgden onderzoeksvragen voor een systematische literatuurstudie: Hoe worden MM van docenten (VO) gedefinieerd? Hoe worden MM expliciet gemaakt? Op welke manieren veranderen MM? Welke professionaliseringmechanismen bevorderen verandering in MM? MM worden beschreven als impliciete overtuigingen en aannames die het lesgeven sturen en fungeren als filters voor waarneming en interpretatie. Manieren om MM te expliciteren zijn interviews, reflecties, tekeningen en enquêtes, met aandacht voor relaties die docenten zien tussen concepten. Verandering van MM verschilt per docent en leidt tot bewustwording, ontwikkeling en verduidelijking. Met ondersteuning herzien docenten achterhaalde concepten en doorbreken en vervangen zij gewoontes. Effectieve professionalisering start bij begrip van bestaande MM en analyse van spanningen met de praktijk, gevolgd door verkenning van alternatieven, reflectie, ondersteuning en dialoog die leiden tot implementatie. Na de presentatie wordt met deelnemers gereflecteerd op de resultaten van de review en implicaties voor vervolgstudies en praktijk met als startvraag: Hoe kunnen deze inzichten worden vertaald naar professionaliseringsvormen die meer recht doen aan MM van docenten? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)210Ada Kool, Universiteit Utrecht, Utrecht 1.054vr 09:00 – 10:30 Voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs is een goed doordachte selectieprocedure voor selectieve opleidingen essentieel. Een van de meest gebruikte instrumenten binnen selectieprocedures zijn behaalde cijfers op de middelbare school (de Visser et al., 2017). Ondanks het wijdverbreide gebruik van cijfers is er nog weinig bekend over welke specifieke vwo-cijfers welk typen prestaties voorspellen in de opleiding. Dit is relevant voor beleid, omdat kennis hierover bijdraagt aan het aligned vormgeven van een selectieprocedure, oftewel de afstemming van de procedure op de leerdoelen, onderwijsleeractiviteiten en toetsing binnen een curriculum (Steenman, 2018).Dit onderzoek richt zich op de voorspellende waarde van verschillende typen vwo-cijfers, het algemene gemiddelde, clusters van specifieke vakken en het wel of niet gevolgd hebben van een vak, voor diverse uitkomsten in het hoger onderwijs, zoals verschillende cognitieve leerdoelen, in meerdere studieprogramma’s en gedurende de drie bachelorjaren. De centrale vraag luidt: “Welke vwo-cijfers voorspellen welke studieresultaten in het hoger onderwijs?”De paperpresentatie heeft als doel deelnemers inzicht te geven in de voorspellende waarde van vwo-cijfers en de implicaties daarvan voor het vormgeven van selectieprocedures, zodat deze beter kunnen worden afgestemd de opleiding. Tijdens de sessie wordt actief gereflecteerd op het gebruik van vwo-cijfers in selectieprocedures, inclusief de dilemma’s en afwegingen die hierbij een rol spelen. Ook is er ruimte voor het uitwisselen van ervaringen en bredere discussies over selectie in het hoger onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)26Daphné Van Looy, Universiteit Gent, Gent 1.054vr 09:00 – 10:30 Toetsmotivatie wordt systematisch gerelateerd aan prestaties bij grootschalige toetsen, met testangst als een verklaringsmechanisme (Borger et al., 2025; Putwain, 2025). Onderzoek toont dat leerlingen met meer testangst en minder motivatie onderpresteren op toetsen, zelfs wanneer zij over vergelijkbare vaardigheidsniveaus beschikken als minder testangstige en meer gemotiveerde medeleerlingen (Knekta, 2017). Wiskundetoetsen vormen hierbij een bijzondere situatie, aangezien deze context gepaard gaat met verhoogde motivationele barrières en testangst (Fréchette-Simard et al., 2022; Lyu & Hu, 2024). Bovendien verschillen leerlingen zeker bij low-stakes (wiskunde)toetsen, waar toetsresultaten geen persoonlijke gevolgen hebben voor individuele leerlingen, sterk in hoeveelheid toetsmotivatie (Eklöf, 2010).Naast verschillen in hoeveelheid motivatie toont recent onderzoek echter aan dat ook de kwaliteit van motivatie kan variëren (Senko & Tropiano, 2016; Van Looy et al., 2024). De zelf-determinatietheorie (Ryan & Deci, 2000, 2017) vormt een geschikt kader om de kwaliteit van toetsmotivatie te begrijpen in termen van intrinsieke, geïdentificeerde, geïntrojecteerde en extrinsieke beweegredenen (Ryan & Deci, 2020). Aangezien leerlingen diverse beweegredenen tegelijkertijd kunnen nastreven, zijn er verschillende motivationele patronen mogelijk (Cents-Boonstra et al., 2019). Persoonsgerichte clusteranalyses maken het mogelijk om natuurlijk voorkomende patronen te identificeren (Bergman & Andersson, 2010).Voorgaand onderzoek focuste echter voornamelijk op hoeveelheid motivatie, waarbij het bestaan van verschillende toetsmotivatieprofielen onderbelicht bleef (Eklöf & Knekta, 2017). Het identificeren van toetsmotivatieprofielen is echter bijzonder relevant in de context van grootschalige low-stakes wiskundetoetsen, waarvan de Vlaamse wiskundetoetsen een authentiek voorbeeld zijn. Bijgevolg gaat de huidige studie na welke toetsmotivatieprofielen worden onderscheiden bij Vlaamse leerlingen in het tweede jaar secundair onderwijs tijdens de afname van een Vlaamse wiskundetoets. Verder wordt onderzocht hoe deze toetsmotivatieprofielen zich verhouden tot wiskundemotivatie, testangst en toetsresultaten, terwijl gecontroleerd wordt voor diverse leerlingkenmerken (nl. geslacht, onderwijsfinaliteit en socio-economische status). In discussie met het publiek zullen de resultaten besproken worden en worden diverse (praktische) implicaties aangehaald. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (90 minuten)800Kees Greven, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Levien Nordeman, Hogeschool Utrecht, Utrecht 1.056vr 09:00 – 10:30 De ontwikkelingen van AI-technologieën zijn onvoorspelbaar en hebben een transformerende impact op het hoger onderwijs. AI verandert de dagelijkse werkcontext van HBO‑professionals op zowel praktisch als institutioneel niveau: toetsing, onderwijsuitvoering, eisen aan studenten en ondersteunende processen worden beïnvloed door nieuwe AI‑mogelijkheden (Baten et al., 2024). Daarnaast raakt AI aan fundamentele thema’s zoals autonomie, identiteit, kritisch denken, de aard van kennis en taal, en menselijke creativiteit. Om te kunnen navigeren in deze complexe ontwikkelingen zijn niet alleen praktische richtlijnen nodig, maar ook gezamenlijke reflectie op deze existentiële kwesties. Binnen het HBO groeit het besef dat AI-geletterdheid essentieel is voor zowel medewerkers als studenten (Npulse, 2025). Toch richten bestaande initiatieven zich vooral op praktische tools, waardoor diepere dilemma’s die ons en als professionals en als mensen raken onderbelicht blijven. Omdat deze dilemma’s zowel cognitieve als emotionele dimensies hebben, is de cursus Denkgereedschappen voor het AI‑tijdperk ontworpen met meerdere ingangswegen om dergelijke vragen te benaderen. Hierbij worden ontwerpprincipes als uitgangspunt genomen die zowel cognitieve als narratieve leerprocessen stimuleren (Kunneman, 2005; De Ronde, 2020). De cursus, bestaande uit vijf bijeenkomsten voor medewerkers van de Hogeschool Utrecht, is interdisciplinair opgezet met inzichten uit de wetenschapsfilosofie, critical AI studies en begeleidingskunde. Via mini‑colleges, creatieve werkvormen, dialogen en debatten verkennen deelnemers thema’s zoals technologisch vooruitgangsdenken, mensbeelden, ecologische en maatschappelijke verantwoordelijkheid en de soorten kennis die AI‑systemen kunnen genereren. Elke bijeenkomst werkt met “denkgereedschappen”: diverse analytische en creatieve hulpmiddelen die professionals ondersteunen in het omgaan met complexe vraagstukken. De cursus behandelt zo zowel de institutionele impact van AI op het HBO als de persoonlijke, existentiële dimensies. Deze ORD-bijdrage bestaat uit een proefworkshop die drie doelen heeft: 1) Kennismaken met context, aanpak en theoretische achtergronden. 2) Ervaren van geselecteerde denkgereedschappen en reflectie op persoonlijke betekenis. 3) Verkennen van implicaties voor training en onderwijs rond AI in de eigen praktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Papersymposium (90 minuten)588Hanneke Tuithof, Universiteit Utrecht, Utrecht, Wouter Smets (voorzitter), Elwin Savelsbergh [] (discussiant) 1.074vr 09:00 – 10:30 Dit wetenschappelijke symposium richt zich op de ontwikkeling van vakdidactische kennis, oftewel pedagogical content knowledge (PCK), van student-leraren en beginnende leraren geschiedenis en aardrijkskunde. PCK vormt een kerncomponent van professioneel leraarschap en omvat de geïntegreerde kennis van vakinhoud, didactische strategieën, kennis van leerlingen, toetsing en curriculumdoelen. Hoewel het belang van deze kennis breed wordt erkend, bestaat er binnen de mens- en maatschappijvakken nog relatief weinig empirisch inzicht in hoe PCK zich ontwikkelt tijdens de lerarenopleiding en in de eerste jaren van het beroep. Het symposium brengt drie samenhangende onderzoeksbijdragen samen die deze ontwikkeling vanuit verschillende perspectieven belichten. De eerste bijdrage presenteert een longitudinale kwalitatieve studie naar beginnende leraren geschiedenis, waarin zichtbaar wordt hoe hun PCK zich in de loop van een jaar verdiept en meer geïntegreerd raakt. Deelnemers laten een verschuiving zien van gefragmenteerd denken naar het gelijktijdig inzetten van meerdere PCK-componenten bij het ontwerpen van lessen. De tweede bijdrage richt zich op student-leraren aardrijkskunde in het hbo en laat, eveneens op basis van longitudinaal onderzoek, zien dat alle studenten vakdidactisch groeien, maar dat er grote individuele verschillen bestaan. Met name de context van de leerwerkplek en de kwaliteit van begeleiding blijken cruciale factoren voor verdere ontwikkeling. De derde bijdrage onderzoekt de begeleidingsrelatie tussen docenten-in-opleiding en hun werkplekbegeleiders. Deze studie laat zien dat de stagepraktijk niet alleen leerpotentieel biedt voor studenten, maar ook kansen bevat voor wederzijdse professionele ontwikkeling van PCK. Gezamenlijk bieden de bijdragen verdiepend inzicht in de dynamiek van PCK-ontwikkeling en leveren zij concrete aanknopingspunten voor het versterken van curricula en begeleidingspraktijken binnen lerarenopleidingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het thema van dit symposium sluit nauw aan bij Onderwijs voor Transitie, omdat de ontwikkeling van PCK essentieel is voor leraren die leerlingen willen voorbereiden op een complexe, veranderende samenleving. Onderwijs voor Transitie vraagt om docenten die vakinhoud niet los aanbieden, maar verbinden aan maatschappelijke vraagstukken, perspectiefwisseling en kritisch denken. Juist dat vraagt om sterk geïntegreerde vakdidactische kennis. De studies in dit symposium laten zien hoe (toekomstige) leraren leren om bewuste didactische keuzes te maken, afgestemd op leerlingen en context. Daarmee dragen zij bij aan onderwijs dat leerlingen ondersteunt in het begrijpen én vormgeven van maatschappelijke transities. Individuele bijdrage 1 Ontwikkeling van vakdidactische kennis van beginnende leraren geschiedenis Het plannen en ontwerpen van lessen geschiedenis vergt veel van studenten in de lerarenopleiding (Schön, 2017). Zij moeten daarbij vakinhoud, didactiek en maatschappelijke verwachtingen nauw met elkaar verweven (Smets & Tuithof, 2024). Een sleutelbegrip om effectief geschiedenisonderwijs te begrijpen is pedagogical content knowledge (PCK): de geïntegreerde kennis van vakinhoud en vakdidactiek (Shulman, 1986). In het Nederlands wordt soms kortweg gesproken over de vakdidactische kennis van leraren . Hoewel het belang van PCK breed wordt erkend, is er nog beperkt inzicht in hoe deze kennis zich ontwikkelt bij beginnende geschiedenisleraren. Deze longitudinale kwalitatieve studie onderzoekt hoe de PCK van startende geschiedenisleraren zich ontwikkelt gedurende één jaar en hoe zij deze ontwikkeling zelf ervaren en verwoorden. De studie volgt dertien leraren in opleiding uit Nederland en Vlaanderen, afkomstig uit zowel bachelor- als masteropleidingen. Dataverzameling vond plaats via herhaalde diepte-interviews met denk-hardop-protocollen rond lesvoorbereiding en reflectie op eerder uitgesproken uitspraken. De analyse is gebaseerd op de vijf componenten van PCK (Magnusson et al., 1999): instructiestrategieën, kennis van leerlingen, toetsing, curriculumkennis en vakdoelen. De resultaten laten zien dat de deelnemers na één jaar beschikken over rijkere en meer verfijnde PCK. Vooral de kennis van leerlingen, toetsing en curriculum ontwikkelt zich sterk. Daarnaast verschuift hun denken van een gefragmenteerde naar een meer geïntegreerde PCK, waarin meerdere kenniscomponenten gelijktijdig worden ingezet bij pedagogische besluitvorming. Leraren reflecteren bovendien kritischer op hun eerdere opvattingen en tonen meer zelfvertrouwen en pedagogisch redeneren. Deze studie draagt bij aan het inzicht in de ontwikkeling van vakdidactische expertise in het geschiedenisonderwijs en onderstreept het belang van longitudinale reflectie en gerichte ondersteuning binnen de lerarenopleiding. Individuele bijdrage 2 Ontwikkeling van vakdidactische kennis van student-leraren aardrijkunde: een longitudinale studie Hbo-bachelorstudenten aan de lerarenopleiding ontwikkelen hun vakdidactische kennis zowel op het instituut als op de werkplek (Evens et al., 2015). Onderzoekers omschrijven die ontwikkeling als een transitie van gefragmenteerde kennis naar geïntegreerde kennis (Aydin & Boz, 2013). Zo kiest een startbekwame student didactische strategieën die passen bij haar vakdoelen en het leren van haar leerlingen, maar een onervaren student kan dat vaak nog niet. Meer inzicht in deze ontwikkeling stelt ons, lerarenopleiders, in staat het vakdidactisch curriculum beter aan te laten sluiten bij de ontwikkelbehoefte van onze studenten. In dit promotieonderzoek is daarom een groep van 18 leraren-in-opleiding van verschillende hogescholen tijdens drie opeenvolgende jaren van hun studie gevolgd. Jaarlijks schreef ik van elke student een vakdidactisch portret, waarna we vakdidactische ontwikkeling zichtbaar maakten met behulp van een rubric (Smit, Tuithof & Béneker, in voorbereiding). Alle studenten maakten een vakdidactische ontwikkeling door, maar we zagen flinke individuele verschillen. Met name curriculumkennis en kennis van toetsing bleken soms beperkt geïntegreerd. De initiële ontwikkeling van deze studenten leek afhankelijk te zijn van persoonlijke kwaliteiten (bijvoorbeeld vakinhoudelijke kennis, zelfvertrouwen of klassenmanagement), maar in latere jaren van de opleiding zagen we dat vooral de context van de leerwerkplek bepalend was. Een student op een school met een proactieve sectie of werkplekbegeleider kon zich vakdidactisch vaak sterker ontwikkelen. Verder zagen we dat studenten vooral leerden van eigen ervaringen met lesgeven: reflectie op lessen of reacties van leerlingen. Vaak hadden zij een externe prikkel nodig om een volgende stap te maken in hun vakdidactische ontwikkeling. Zo kwamen zij in beweging door uitdagende leertaken vanuit het instituut of door een ontwikkeltaak op de leerwerkplek. Dit onderzoek laat zien dat vakdidactische ontwikkeling floreert wanneer er een continue wisselwerking is tussen de hbo-lerarenopleiding en de leerwerkplek op scholen. Individuele bijdrage 3 Bronnen van leren van docenten-in-opleiding (DIO) en hun werkplekbegeleiders (WPB) Tijdens de schoolstage wordt een docent-in-opleiding begeleid door een ervaren docent. Onderzoek naar deze begeleidingsrelatie is vaak gericht op algemene begeleiding, terwijl begeleiders meestal hetzelfde schoolvak geven. De ontwikkeling van vakdidactische kennis van zowel beginnende als ervaren docenten vergt veel tijd en ondersteuning (Achinstein & Fogo, 2015; Smets & Tuithof, 2024). PCK is specifiek voor context en inhoud. Omdat het onderwijs altijd in beweging is, blijft de ontwikkeling van PCK een voortdurende professionele leerbehoefte voor docenten. Kenmerken van duurzame professionele ontwikkelingsactiviteiten (Van Veen et al., 2010) zijn vaak al aanwezig in de begeleidingspraktijk en bieden waardevolle leerervaringen. In de praktijk zijn die echter meestal alleen gericht op de ontwikkeling van de docent-in-opleiding. In dit onderzoek bekijken we hoe in de bestaande begeleidingspraktijk wederzijds leren tot stand gebracht kan worden om de ontwikkeling van PCK van zowel docent-in-opleiding als werkplekbegeleider te bevorderen. In een eerste studie werd, aan 20 Nederlandse geschiedenisdocenten-in-opleiding en hun werkplekbegeleiders gevraagd naar hun begeleidingspraktijk en welke bronnen ze gebruiken voor hun professionele ontwikkeling (Evens, 2015). Deze focus op bronnen van leren van de duo’s geeft ons zicht op mogelijkheden voor wederzijdse PCK ontwikkeling. Antwoorden zijn thematisch gecodeerd en deze thema’s vervolgens gecategoriseerd (Koffeman, 2021). Zowel docenten-in-opleiding als werkplekbegeleiders noemden voornamelijk bronnen van leren in thema’s in de categorieën ‘direct leren uit eigen praktijkervaring’ en ‘leren van anderen’. Minder vaak werden thema’s in de categorie ‘leren van theoretische bronnen’ genoemd. Er zijn verschillen tussen bronnen van leren van docenten-in-opleiding en werkplekbegeleiders en werkplekbegeleiders onderling, mede onder invloed van schoolcontext. Sommige genoemde bronnen van leren zijn ook potentieel aanwezig in de begeleidingsrelatie maar blijven daar nog onbenut, zoals bijvoorbeeld leren van samen lessen ontwerpen. In de presentatie worden de implicaties hiervan voor wederzijds leren over PCK besproken. Vrije vorm (90 minuten)541Hanneke de Graaff, Stichting NIVOZ, Rotterdam, Leone de Voogd, Stichting NIVOZ, Rotterdam 1.078vr 09:00 – 10:30 Hoe kan onderwijs bijdragen aan een rechtvaardige, inclusieve en veerkrachtige samenleving? En wat vraagt dat van jou als onderwijsonderzoeker of onderwijzer? De uitdagingen waar de samenleving voor staat, vragen om veerkracht. Volgens Henrike Gootjes (2024) bestaat dit uit het onder ogen zien van de realiteit én het voor je kunnen zien van een wereld die de moeite waard is, waarbij je je bewust bent van wat je daartoe zelf te bieden hebt. Onderwijs met aandacht voor verschillende dimensies van het mens-zijn, dat kinderen helpt zich breed te ontwikkelen en hun agency en verbeeldingskracht stimuleert, kan daaraan bijdragen. In het Programma Breedvormend Onderwijs (www.breedvormendonderwijs.nl) bouwden lerarenopleidingen en scholen samen aan breedvormend onderwijs en onderzochten we wat hiervoor nodig is, voor leerlingen, leraren, opleiders én onderwijsorganisaties. Hoe kunnen we recht doen aan ieder kind en hen helpen zich verbonden te voelen met de wereld? Agency – in het kort: het kunnen en willen bijdragen aan wat je belangrijk vindt (zie ook Abdallah et al, 2023) – was hierbij een belangrijk uitgangspunt. Als je agency van leerlingen wilt bevorderen, vraagt dat ook iets van de agency van leraren en hun opleiders én van onderzoekers. We delen voorbeelden hoe wij en andere deelnemers in het programma meer of minder agency ervaarden. Als je bij wilt dragen aan maatschappelijke transities, hoe kom je dan tot vragen die passen bij de onderwijspraktijk én nieuwe richtingen openen? Doelstelling van deze workshop is te reflecteren op de intenties van onderzoek en/of onderwijs: wat beoog je eigenlijk voor de samenleving? Waardoor worden jouw doelstellingen en onderzoeksvragen gekleurd? Hoe maak en houd je ruimte voor wat je echt belangrijk vindt? We praten, schrijven, en tekenen hierover aan de hand van het agency-model van Biesta et al (2015) en reflectievragen uit het boek ‘Bouwen aan breedvormend onderwijs’ (De Voogd, 2025). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Papersymposium (90 minuten)179Marieke van Geel, Universiteit Twente, Enschede, Trynke Keuning, Hogeschool KPZ, Zwolle, Emilie Prast, Universiteit Leiden, Leiden, Mirjam van der Sprong, Radboud Universiteit, Nijmegen, Emilie Prast (voorzitter), Lisa Gaikhorst (discussiant) 1.080vr 09:00 – 10:30 Doelstellingen van de sessie Differentiatie – oftewel het afstemmen van onderwijs op de uiteenlopende onderwijsbehoeften van leerlingen – is een onderwerp dat niet alleen in de wetenschap, maar ook in de praktijk in de belangstelling staat. In dit symposium wordt differentiatie verkend vanuit verschillende perspectieven: leerkrachten, leerlingen, en externe observatoren. Alle bijdragen zijn gericht op het basisonderwijs. Overzicht De eerste bijdrage, ‘Hoe leraren redeneren over het omgaan met diversiteit in de klas’ zoomt in op het leerkrachtperspectief. Deze kwalitatieve studie onderzoekt hoe leraren redeneren over het omgaan met verschillen in de klas, welke praktijken zij daarbij inzetten en hoe leerlingachtergronden van invloed zijn op teacher reasoning. De tweede bijdrage, ‘Differentiatie volgens observatoren en leerlingen’ onderzoekt het perspectief van zowel leerlingen als externe observatoren. Deze studie vergelijkt deze perspectieven door te onderzoeken hoe differentiatie in een rekenles wordt ervaren door leerlingen en wordt beoordeeld door externe observatoren. De derde bijdrage, ‘Differentiatie en prestatie-emoties’ zoomt in op het leerlingperspectief. Deze studie onderzoekt hoe door leerlingen ervaren differentiatie tijdens een rekenles samenhangt met hun emoties tijdens die les. Wetenschappelijke betekenis Gezamenlijk verdiepen deze studies de wetenschappelijke kennis over differentiatie door niet alleen vanuit verschillende perspectieven te bekijken hoe er tijdens de les wordt gedifferentieerd, maar ook te onderzoeken wat hieraan voorafgaat (de redeneringen van leerkrachten) én hoe ervaren differentiatie samenhangt met andere variabelen (emoties van leerlingen). Structuur Het symposium start met een presentatie van iedere bijdrage en gelegenheid voor het stellen van vragen hierover (20 minuten per bijdrage). Vervolgens zal de discussiant, Prof. dr. Lisa Gaikhorst (bijzonder hoogleraar gelijke onderwijskansen), reflecteren op de verschillende bijdragen (15 minuten). Dit vormt de aanzet tot een plenaire discussie (15 minuten). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Hoe leraren redeneren over het omgaan met diversiteit in de klas Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, relevantie van het onderzoek Leraren hebben de complexe taak om hun onderwijs af te stemmen op leerlingen. Om deze afstemming te begrijpen richt dit onderzoek zich op teacher reasoning vanuit Shulmans (1987) model van pedagogical reasoning and action. De studie is relevant omdat leraren verschillend kunnen redeneren over diversiteit, wat doorwerkt in hoe zij leerlingen behandelen en daarmee mogelijk maatschappelijke impact heeft. Er is nog weinig bekend over hoe de schoolcontext, leerlingachtergronden en de mate van diversiteit samenhangen met dat redeneren: wat leraren signaleren in de klas, hoe zij dat interpreteren en welke keuzes zij vervolgens maken kan zowel positief als negatief uitpakken. Vraagstelling van het onderzoek Hoe redeneren leraren over verschillen tussen leerlingen? Hoe gaan leraren om met verschillen in de klas? Verschilt dit redeneren en handelen tussen leraren op scholen met leerlingen met verschillende achtergronden? Methode 36 diepte-interviews met leraren (gemiddelde schoolweging: n = 21; bovengemiddeld-hoge: n = 13). Data zijn kwalitatief thematisch geanalyseerd met Shulmans model (1987) als raamwerk (begrijpen, transformeren, uitvoeren, evalueren, reflecteren). Redeneringen zijn gecodeerd op (1) percipiëren van verschillen, (2) interpreteren en transformeren van die verschillen en (3) reageren daarop; vervolgens zijn de redeneringen van leraren op scholen met verschillende schoolwegingen vergeleken. Resultaten Onderwijssituatie en schoolcontext beïnvloeden teacher reasoning: leraren gaan verschillend om met verschillen en redeneren/handelen anders op scholen met verschillende schoolwegingen; de achtergrond/thuissituatie van leerlingen speelt mee in betekenisgeving en onderwijskeuzes. Discussie en conclusie Afstemmen op verschillen blijkt contextgebonden; discussiepunt is hoeveel invloed context mag hebben op keuzes en hoe contextkennis kan helpen passend onderwijs te bieden zonder onderschatting of overvraging met mogelijke (positieve/negatieve) maatschappelijke effecten. Inzicht in teacher reasoning biedt aanknopingspunten voor begeleiding van (aanstaande) leraren via bewustwording van afwegingen en contextinvloeden en alternatieve keuzes. Individuele bijdrage 2 Differentiatie volgens observatoren en leerlingen Achtergrond De mate waarin leerkrachten hun onderwijs afstemmen op de behoeften van leerlingen kan op verschillende manieren in kaart worden gebracht. Verschillende instrumenten hiervoor, zoals lesobservaties, docentzelfevaluaties en leerlingpercepties hebben hun eigen voor- en nadelen (Dobbelaer, 2019). In deze studie worden twee perspectieven op differentiatie met elkaar vergeleken: scores op het ADAPT-instrument zoals toegekend door een externe observator, op basis van een lesobservatie én interview (Keuning et al., 2022; Van Geel et al., 2025), en scores op de DISP-vragenlijst (Van Geel et al., 2023) waarin leerlingen worden bevraagd over de mate van differentiatie in diezelfde les. Vraagstelling In hoeverre komen scores met betrekking tot differentiatie, gemeten via lesobservatie en interview (ADAPT) en zoals ervaren door leerlingen (DISP), overeen? Methode Van 31 leerkrachten (groep 6/7/8) is na een rekenles door de leerlingen de DISP-vragenlijst ingevuld. Voor het scoren van het ADAPT-instrument is de les en het interview hierover op video opgenomen. Deze video-opnames zijn door (4-5) getrainde beoordelaars gescoord. Resultaten Correlaties op leerkracht-gemiddelde totaalscores van ADAPT en DISP laten een significante positieve samenhang zien (zie Figuur 1). Omdat DISP is gericht op de les zou worden verwacht dat DISP-scores het sterkst samenhangen met de ADAPT-scores over de fase ‘lesuitvoering’. Verkennende analyses laten echter zien dat de overall DISP-score sterker samenhangt met ADAPT-scores voor periodevoorbereiding en lesvoorbereiding dan op lesuitvoering. Discussie en conclusie Op basis van deze bevindingen en de inhoudelijke conceptualisatie van differentiatie lijken deze twee instrumenten complementair, waarmee ze samen waardevolle inzichten kunnen bieden voor onderzoek en professionalisering. Met verdiepende analyses kan de samenhang tussen ADAPT-scores op specifieke indicatoren en DISP-scores van specifieke groepen leerlingen worden onderzocht. We gaan graag met deelnemers in gesprek over de interpretatie van de resultaten en de mogelijke inzet van beide instrumenten in onderwijspraktijk en onderzoek. Individuele bijdrage 3 Differentiatie en prestatie-emoties Achtergrond en vraagstelling Emoties spelen een belangrijke rol bij het leren (Forsblom et al., 2022). Volgens de control-value theory (Pekrun, 2006) worden emoties beïnvloed door de controle die leerlingen ervaren over hun leerproces en door de waarde die zij hechten aan de leertaak. Differentiatieprincipes zoals doelgericht werken, zelfregulatie stimuleren, monitoren of leerlingen de lesstof begrijpen, afstemming van instructie en verwerking, en uitdaging (Keuning & Van Geel, 2021) zouden kunnen bijdragen aan het ervaren van controle en waarde. We onderzochten daarom of door leerlingen ervaren differentiatie samenhangt met hun emoties tijdens een rekenles. Methode 307 leerlingen uit groep 6 – 8 van POINT-scholen (www.point013.nl) vulden de DISP-vragenlijst (Van Geel et al., 2023) in over toepassing van bovengenoemde vijf differentiatieprincipes door hun leerkracht in één rekenles. Daarnaast beoordeelden leerlingen in hoeverre ze blijdschap, trots, boosheid, zenuwachtigheid, schaamte, hopeloosheid, en verveling voelden tijdens deze rekenles. Resultaten Confirmatieve factoranalyses op de DISP-items leidden tot drie factoren. De eerste factor, doelgericht werken en zelfregulatie, hing significant positief samen met trots (r = .221) en negatief met verveling (r = -.142). De tweede factor, monitoren en afstemmen, correleerde significant positief met blijdschap (r = .251) en trots (r = .226), en negatief met boosheid (r = -.145) en verveling (r = -.173). De laatste factor, uitdaging, hing significant positief samen met trots (r = .146), maar ook met zenuwachtigheid (r = .217) en hopeloosheid (r = .156). Discussie en conclusie Deze resultaten bieden eerste aanwijzingen dat ervaren differentiatie samenhangt met een positievere emotionele beleving van de rekenles. Alleen voor uitdaging zijn de resultaten ambivalent: mogelijk wordt te veel uitdaging zonder passende ondersteuning juist negatief beleefd. Op basis van deze correlationele studie kan niet geconcludeerd worden dat het toepassen van meer differentiatie leidt tot positievere emoties, maar dit is een interessante richting voor vervolgonderzoek. Papersymposium (90 minuten)113Fenna Boerkamp, Universität Potsdam, Potsdam, Duitsland, Iris Bogaers, Vrije Universiteit, Amsterdam, Sybolt Friso, Utrecht University, Utrecht, Sybolt Friso (voorzitter), Elisa Kupers (discussiant) 1.086vr 09:00 – 10:30 Doelstellingen Dit symposium heeft als doel om klasseninteractieonderzoek te positioneren als een onmisbare pijler binnen onderwijsonderzoek. Leraren worden geacht steeds meer verantwoordelijkheden op zich te nemen. Naast kennisoverdracht hebben deze ook betrekking op maatschappelijke toerusting (socialisatie) en persoonsvorming (subjectificatie) (Biesta, 2020). Om wetenschappelijk inzicht te krijgen in hoe dergelijke verantwoordelijkheden in de alledaagse onderwijspraktijk gestalte krijgen, is onderzoek naar klasseninteracties onmisbaar. Juist in alledaagse leraar-leerlinginteracties, vaak buiten expliciete curriculumdoelen, beleidskaders en vooraf ontworpen didactiek, voltrekken zich cruciale formatieve momenten, zoals ongeplande confrontaties, momenten van stilte, en onafdwingbare processen van interpersoonlijke binding. Overzicht Het symposium presenteert en bespreekt drie empirische studies binnen klasseninteractieonderzoek. Theoretisch sluiten de bijdragen aan bij sociolinguistieke en interactionele benaderingen van onderwijs, waarin leren en vorming worden opgevat als gesitueerde, relationele en normatief geladen praktijken, die gezamenlijk worden geconstrueerd (bijv. Cazden, 2001; Seedhouse, 2004; Schegloff, 2007). Klasseninteractie wordt daarbij niet louter gezien als drager van instructie, maar als constitutief voor pedagogische, didactische en maatschappelijke betekenisgeving. Methodologisch maken de drie papers gebruik van diverse benaderingen, zoals Q-methodologie, conversatie- en discoursanalyse. Deze methoden maken het mogelijk om interacties beurt-voor-beurt te analyseren, gesitueerde handelingen en stiltes systematisch te duiden, te evalueren hoe leerlingen en docenten deze ervaren, en micro-gebeurtenissen te verbinden aan bredere pedagogische en maatschappelijke vraagstukken. Wetenschappelijke betekenis Thematisch richten de bijdragen zich op een relatief onderbelicht aspect van klasseninteractieonderzoek: stiltes, percepties en existentiële positionering van leerlingen en docenten. De studies onderzoeken hoe stiltes en gesproken interactie samenhangen met instructiekwaliteit, cognitief functioneren, interpersoonlijke betrokkenheid, sociale dynamiek en ruimte voor wrijving, kwetsbaarheid en zelfonthulling. Hiermee draagt het symposium bij aan zowel methodologische verdieping als theoretische nuancering van klasseninteractieonderzoek. Structuur De sessie bestaat uit drie paperpresentaties, gevolgd door ruimte voor vragen. Aansluitend faciliteert de discussiant een kritisch dialoog tussen publiek en onderzoekers, gericht op methodologische, theoretische en maatschappelijke vervolgstappen binnen klasseninteractieonderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het congresthema benadrukt het toenemende maatschappelijke beroep dat op het onderwijs wordt gedaan, zoals het oplossen van complexe maatschappelijke vraagstukken, het stimuleren van innovatie, of het verbeteren van interpersoonlijke verhoudingen. Klasseninteractieonderzoek biedt een unieke inzage in hoe dergelijke ambities in de dagelijkse onderwijspraktijk daadwerkelijk gestalte krijgen. Het maakt inzichtelijk hoe instructie interactioneel wordt vormgegeven, en verschaft toegang tot formatief-pedagogische momenten die zich veelal afspelen buiten de marge van het curriculum. Juist in deze interacties – in interpersoonlijke omgang, het ontstaan en delen van eigenheid, en momenten van stilte en bezinning – worden leerlingen en studenten gevormd als subjecten en burgers. Individuele bijdrage 1 “… het vergt de samenwerking van iedereen om stilte te creëren”* Een Q-methodologische studie naar leerlingpercepties van de rol van stilte in de klas Nederlandse klassen zijn al jaren relatief lawaaiig (OECD, 2016) en een substantieel deel van de leerlingen ervaart daardoor belemmeringen om goed te werken (OECD, 2019). Toenemend lawaai in en rond de klas gaat samen met lagere leerprestaties (Connolly et al., 2019; Zhang & Navejar, 2018). Stilte kan juist helpend zijn voor inzicht en taken die diepere cognitieve verwerking vragen (Martini et al., 2019; Tincani & De Mers, 2016), maar kan ook onbehagen oproepen en wordt uiteenlopend gewaardeerd en geïnterpreteerd (Bogaers et al., 2025; Ollin, 2008). Inzicht in de overtuigingen en ervaringen van leerlingen rond stilte is daarom belangrijk, omdat deze hun handelen en daarmee het leerproces mede vormgeven. Toch is nog weinig bekend over hoe leerlingen stilte conceptualiseren en welke invloed dat heeft op leren. Onderzoeksvraag Wat zijn de perspectieven op stiltes onder leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs? Methode Deze studie maakt gebruik van Q-methodologie, een mixed-method voor onderzoek naar subjectiveit (Ramlo, 2025; Watts & Stenner, 2012). Participanten (n=99) ordenden uitspraken over stilte in de klas hiërarchisch op basis van persoonlijke overtuigingen gevolgd door post-sorteringsvragen. Resultaten Met behulp van factoranalyse en post-sorteringsantwoorden werden vijf leerlingperspectieven op de rol van stilte geïdentificeerd: de dynamische groepsleerder, de stille zelfgerichte leerder, de normatieve evenwichtszoeker, de natuurlijke ontspannen, flexibele leerder en de dubbele focus leergerichte leerling. De leerlingen verschilden in hun perceptie van de rol van stilte voor leren, leraargedrag en haar sociale en persoonlijke betekenis. Conclusie Deze studie toont de complexiteit en tegenstrijdigheid van stilte en construeert zodoende een genuanceerd beeld van stiltepercepties in de klas: er zijn verschillende gezichtspunten die co-existeren, die niet wederzijds uitsluitend, maar complementair zijn én tot een gezamenlijk stiltemoment kunnen leiden. Individuele bijdrage 2 Docentsubjectificatie in klasseninteracties: een conversatie-analytische studie naar de existentiële dimensie van het lesgeven Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, en relevantie Naast kwalificatie en socialisatie, hebben docenten volgens onderwijsfilosoof Biesta (2020) nog een pedagogische kerntaak: subjectificatie. Subjectificatie vraagt docenten hun studenten aan te moedigen om zich als een authentieke ‘zelf’ te verhouden tot ‘anderen’ in de wereld. Eerder onderzoek (Friso et al, 2024) heeft beargumenteerd dat het aansporen van studentsubjectificatie veronderstelt dat docenten zich óók als een ‘zelf’ tonen en aangesproken worden in klasseninteracties. Voortbouwend hierop, evenals eerder conversatieanalytisch onderzoek naar studentsubjectificatie (Van Balen, 2025), presenteert dit paper een conversatieanalytische studie naar docentsubjectificatie in het hoger onderwijs. De studie bestudeert hoe docenten zich als ‘zelf’ uiten in alledaagse onderwijsinteracties, en hoe hun eigenheid deze interacties beinvloedt. Dit leidt tot een empirische verkenning van het vooralsnog abstracte begrip docentsubjectificatie en onderzoekt de relevantie hiervan voor docentenprofessionalisering (Bakker, 2016). Onderzoeksvraag Hoe wordt docentsubjectificatie interactioneel tot stand gebracht in alledaagse docent-student-interacties in het hoger onderwijs? Methode Deze studie is uitgevoerd middels conversatieanalyse. Er zijn video-opnames gemaakt van hoorcolleges en werkgroepen, die zijn getranscribeerd volgens CA-conventies en thematisch geanalyseerd op basis van theoretische indicatoren van subjectificatie. Deze analyse richt zich specifiek op subjectieve uitingen en initiatieven van docenten, en reacties van docenten op ogenschijnlijk onverwachte en/of schurende klassensituaties. Resultaten De analyse identificeert gevallen van docentsubjectificatie specifiek in klasseninteracties waarin een docent een persoonlijke mening geeft, een ervaring deelt, of haar kwetsbaarheid toont. De waarde van docentsubjectificatie, is dat het deze interacties benadert als existentiële momenten: wat is de interpersoonlijke impact van deze zelfonthulling op haarzelf en de anderen in de klas? Discussie/conclusie Conversatieanalyse is een veelbelovend instrument om de pedagogisch-existentiële dimensie van het alledaagse lesgeven te bestuderen. Vervolgonderzoek verbreedt het inzicht in hoe de eigenheid van docenten een (maatschappelijke) impact maakt binnen hun professionele rol. Individuele bijdrage 3 Wanneer stilte spreekt: een interactionele benadering van docentstilte in het klaslokaal Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader, en relevantie In veel gangbare internationale onderwijskwaliteits- en observatiemodellen staat de verbale interactie in het klaslokaal centraal, zoals feedback en de duidelijkheid van de instructie (e.g. Pianta & Hamre, 2009; Panayiotou et al., 2021). Hierdoor wordt de rol van docentstilte vaak niet expliciet meegenomen in onderzoek naar onderwijs- en leerprocessen. Dit terwijl vanuit verschillende perspectieven binnen onderwijskwaliteitsonderzoek impliciet wordt verondersteld dat stilte een functionele rol vervult in het klaslokaal, bijvoorbeeld door instructie en transities te structureren met pauzes (Mayer & Moreno, 2003; Tan et al., 2024). Wanneer docentstiltes worden onderzocht, is dit vaak gebaseerd op de duur (e.g., Rowe, 1986) of op conceptuele betekenis (e.g. Ollin, 2008), maar nog zelden als een fenomeen dat ontstaat in en betekenis krijgt door de interactie zelf. Onderzoeksvraag Gebaseerd op inzichten uit de conversatie- (Sacks et al., 1974) en discourseanalyse (McHoul, 1978; Sinclair & Coulthard, 1992) onderzoekt deze studie: ‘Hoe kunnen docentstiltes als betekenisvolle interactionele praktijken binnen klassikale interactie systematisch worden geïdentificeerd en geanalyseerd?’ Methode Video-opnames van klassikale wiskundelesfragmenten uit de Duitse TALIS-studie (Grünkorn et al., 2020) werden geanalyseerd met behulp van een iteratief ontwikkeld coderingssysteem, waarvan de toepasbaarheid en consistentie werden geëvalueerd via interbeoordelaarsbetrouwbaarheid. Docentstiltes werden daarbij opgevat als interactionele gebeurtenissen die voortkomen uit de sequentiële organisatie van de interactie. Resultaten De analyse leidde tot een voorlopige taxonomie van docentstiltes, geïntegreerd in een breder interactioneel coderingssysteem dat met voldoende onderlinge overeenstemming kon worden toegepast. Daarnaast werd verkennend gekeken naar de mogelijkheden van automatische detectie (AI) voor toekomstige grootschalige toepassingen. Discussie en conclusie Door docentstilte te operationaliseren als interactionele praktijk maakt deze studie een tot nu toe impliciet instructief fenomeen systematisch analyseerbaar. Hiermee legt dit onderzoek het empirische grondwerk voor toekomstig onderzoek naar de rol van docentstiltes in onderwijskwaliteit. Vrije vorm (90 minuten)292Judith van Fraeijenhove, Amsterdam UMC, Amsterdam, Roxane Kroon, Hogeschool Inholland, Lectoraat Jeugd en Samenleving, Amsterdam, Marieke Slootman, Inholland, Amsterdam, Anouk Wouters, Amsterdam UMC, Amsterdam 1.092vr 09:00 – 10:30 Onze maatschappij in transitie vraagt dat we ongemak niet langer uit de weg gaan, maar juist omarmen. De toenemende diversiteit, verharding en polarisatie vragen om vaardigheden die bijdragen aan verbinding en inclusie. Ongemak leidt vaak tot vermijding, zeker als het gaat om interactie met uiteenlopende mensen, ervaringen en opvattingen. Studenten, docenten en managers vermijden gesprekken en discussies, en gaan sensitieve en controversiële thema’s uit de weg. Dit belemmert het leren en staat een inclusieve leeromgeving in de weg. Een gemiste kans voor het onderwijs dus. En dat terwijl in ongemak juist de sleutel tot verbinding en inclusie zit; mits we ongemak beter herkennen en het durven te omarmen. Maar hoe doen we dat? In het Didi-project onderzoeken we hoe en wanneer ongemak zich manifesteert in klassen en docententeams, en de consequenties daarvan. Het doel is handvatten te ontwikkelen om ongemak in het onderwijs te herkennen en omarmen, en op constructieve manier in te zetten, zodat het inclusie niet langer schaadt, maar versterkt. In deze sessie verkennen we ons eigen diversiteitsongemak (als onderzoekers, docenten, staf en eventueel studenten) en de mogelijke betekenis daarvan voor het onderwijs. We verkennen gezamenlijk een creatieve methode, die zowel als onderzoeksmethode als onderwijsmethode/interventie kan fungeren. Bodymapping is een kwalitatieve, participatieve, reflectieve en visuele methode om het gesprek te voeren over minder cognitieve aspecten van een ervaring, zoals ongemak, in relatie tot je positionaliteit. Bij bodymapping plaatsen deelnemers hun ervaringen, gevoelens en betekenissen letterlijk in beeld op een tekening van het lichaam (met symbolen, kleuren, woorden en beelden). Aan de hand van een korte presentatie op basis van een analytisch conceptartikel over Diversity Discomfort en deze creatieve methode, delen we visies en ervaringen van ongemak. We bespreken de mogelijke praktische toepassing van zowel ongemak als bodymapping binnen het onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onderwijs voor Transitie vraagt dat onderwijs, naast cognitieve ontwikkeling, bijdraagt aan de persoonsvorming van onze studenten/leerlingen. Een van de belangrijke vaardigheden die op de achtergrond lijkt te raken, is die van open dialoog. Dit vraagt nieuwsgierigheid, kwetsbaarheid, zelfreflectie en de bereidheid om ‘fouten’ te maken. Het Didi-project draait om impact. Om capaciteitsversterking. Om transitie van docenten, studenten én managers. In de komende 5 jaar onderzoeken we hoe ongemak zich manifesteert in klassen/docententeams en consequenties daarvan. We ontwikkelen handvatten om ongemak te herkennen en omarmen, en op constructieve manier in te zetten, zodat we ongemak niet langer vermijden maar leren benutten. Vrije vorm (90 minuten)368Astrid Ottenheym-Vliegen, Radboud Universiteit, Nijmegen, Sanne Weijers, SWV Koers VO, Rotterdam 1.096vr 09:00 – 10:30 Transities, zoals inclusie, blijken in de onderwijspraktijk vaak hardnekkig. Rond moeilijk leerlinggedrag lopen spanningen op: leerlingen vallen uit, leraren raken overbelast en samenwerking met ouders en betrokkenen komt onder druk te staan. Ondanks onderzoek, handreikingen en interventies blijkt verandering lastig. Dit toont de complexiteit van de onderwijspraktijk, waarin vele factoren voortdurend interacteren [1,4]. Inclusie is geen kwestie van het oplossen van individuele problemen. Het vraagt om versterking van de onderwijs- en leeromgeving als geheel [1]. Zo’n kanteling vraagt meer dan nieuwe maatregelen; zij vraagt om een andere manier van kijken naar wat er gebeurt in de dagelijkse interactie tussen leerlingen, leraren, ouders en hun onderwijsomgeving. Deze sessie is gebaseerd op een doorlopende onderzoekslijn naar betekenisgeving en handelingsruimte in complexe onderwijspraktijken, waaronder NKO-onderzoek naar perspectiefwisseling van leraren (2020–2023; 2024–2028). Centraal staat de vraag hoe we gedrag en situaties interpreteren, en hoe dit de handelingsruimte vergroot of juist beperkt [3]. Meervoudig perspectief nemen wordt daarbij opgevat als een kernpraktijk om met complexiteit om te gaan door interpretatiekaders te verbreden en onderzoekend te blijven, juist wanneer spanning en handelingsdruk toenemen[5,6,8,9]. Deelnemers – onderzoekers – gaan zelf meervoudig perspectief nemen ervaren. In de sessie wordt zichtbaar hoe interpretaties tot stand komen en hoe onderzoek zelf richting geeft aan betekenisgeving binnen pedagogische ecosystemen. Daarmee fungeert de sessie expliciet als practice what we research. Onderzoek introduceert taal, perspectieven en onderzoekskeuzes die mede bepalen wat als mogelijk, wenselijk of problematisch wordt gezien [2]. Door dit expliciet te maken, ontstaat ruimte voor reflectie op aannames, interpretaties en handelingslogica’s − ook bij onderzoekers. De sessie is interactief en enactief van opzet. Deelnemers werken met een praktijksituatie waarin handelingsdruk centraal staat en doorlopen een gestructureerde perspectiefwisseling (leraar, leerling, context, systeem/onderzoek). Zo ontstaat een gezamenlijke onderzoeksruimte waarin deelnemers hun eigen onderzoekspraktijk kunnen spiegelen aan vragen die onderwijs voor transitie oproept. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze sessie draagt bij aan het congresthema Onderwijs voor transitie door transitie te benaderen als een verschuiving in betekenisgeving binnen complexe pedagogische ecosystemen. Inclusie wordt niet opgevat als normatief doel, maar als leer- en onderzoeksproces waarin interpretatiekaders, regulatie en agency centraal staan. Door expliciet te maken hoe onderwijsonderzoek zelf bijdraagt aan deze dynamiek, verdiept de sessie het begrip van transitie als relationeel, epistemisch en contextueel proces. Vrije vorm (90 minuten)632Ella Ait-Zaouit, Fontys Lerarenopleiding, Sittard, Helma de Keijzer, Fontys Lerarenopleiding, Sittard 3.018vr 09:00 – 10:30 In deze interactieve sessie maak je kennis met een dialogische methode die inzicht biedt in de rol van morele waarden in burgerschapssituaties en bijdraagt aan de professionele identiteitsontwikkeling van leraren. Sinds de aangescherpte wettelijke eisen voor burgerschapsonderwijs wordt van leraren verwacht dat zij aandacht besteden aan basiswaarden zoals vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid en solidariteit, en dat zij een veilige en inclusieve leeromgeving creëren. Deze opdracht sluit aan bij het concept moreel burgerschap, dat gericht is op het ontwikkelen van een waardeoriëntatie die jongeren in staat stelt actief en verantwoordelijk deel te nemen aan een democratische samenleving (Schinkel & Van Houdt, 2009). Dit vraagt van leraren bewustzijn van eigen morele waarden. Tegelijkertijd blijkt dat leraren zich hiervoor vaak onvoldoende toegerust voelen en moeite hebben deze waarden expliciet te maken (De Keijzer, 2022). Binnen veel lerarenopleidingen ontbreekt een geïntegreerde benadering van burgerschap, waardoor gesprekken over morele waarden beperkt blijven. Juist zulke gesprekken zijn van belang om te begrijpen hoe persoonlijke waarden het professioneel handelen vormgeven. Dit raakt aan de professionele identiteit van leraren, die ontstaat in de voortdurende wisselwerking tussen persoonlijke en professionele posities—posities die regelmatig onderlinge spanning kennen (Akkerman & Meijer, 2011). Het gezamenlijk onderzoeken van deze spanningen creëert ruimte voor identiteitsontwikkeling en ondersteunt leraren bij het duiden van burgerschapssituaties. Vanuit deze achtergrond is bij Fontys Educatie de methode moreel burgerschapsdialoog ontwikkeld. Deze methode werkt met vignetten: korte praktijksituaties gebaseerd op verhalen van studenten over moreel beladen of spanningsvolle momenten. De vignetten zijn gekoppeld aan de acht basiswaarden van de Inspectie van het Onderwijs (2023) om handelingsmogelijkheden te verkennen en keuzes te beargumenteren. In de sessie introduceren we kort de theoretische en praktische uitgangspunten, waarna je zelf met de methode aan de slag gaat. We sluiten af met bevindingen uit de pilotstudie en een dialoog over toepasbaarheid en uitdagingen voor lerarenopleidingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (90 minuten)607Franck Blokhuis, MBO Amersfoort, Amersfoort, Erica Bouw, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Maaike Koopman, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Miranda Snoeren, Fontys Hogeschool, Tilburg, Ilya Zitter, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.038vr 09:00 – 10:30 Aanleiding, relevantie en theoretisch kader Maatschappelijke vraagstukken vereisen verschillende perspectieven om ze in beweging te krijgen. Ook in het beroepsonderwijs krijgen lerenden te maken met dit soort vraagstukken. Hierdoor ontstaan leeromgevingen die zijn gesitueerd waar die vraagstukken spelen (bv. een wijk). In dergelijke leeromgevingen zijn verschillende actoren en groeperingen die met elkaar samen werken en leren rond lokale vraagstukken. Vanuit de theorie van ‘boundary crossing’ (Akkerman & Bakker, 2011) kunnen actoren/groeperingen worden beschouwd als ‘activiteitensystemen’ (Akkerman & Bruining, 2016) ofwel ‘praktijken’. In grensoverstijgende leeromgevingen zijn diverse praktijken actief, zoals overheidspraktijken, bedrijfspraktijken, instellingspraktijken, kennispraktijken, onderwijspraktijken en burgerpraktijken (Zitter e.a., 2022). Grensoverstijgende leeromgevingen beogen een directe bijdrage te leveren aan transities in de maatschappij. Ontwerpen, uitvoeren en bijsturen van grensoverstijgende leeromgevingen is vanwege de verschillende betrokken praktijken niet eenvoudig. Evidence-informed instrumenten kunnen hierbij helpen. Instrumenten die zodanig worden ontwikkeld met en voor de praktijk dat ze ‘direct bruikbaar, liefst onweerstaanbaar zijn voor de professionals die ermee gaan werken’ (Van Turnhout, 2026). De vraagstelling waar we vanuit gaan: Wat voor instrumenten kunnen helpen bij het ontwerpen, uitvoeren en bijsturen van grensoverstijgende leeromgevingen in transitie? De doelstelling van deze bijdrage is om instrumenten die zijn ontwikkeld in drie verschillende projecten bijeen te brengen en met de deelnemers in dialoog te gaan over ontwikkelen en werkend krijgen van deze instrumenten. De dialoog/interactie in deze sessie is als volgt: * Inleiding over grensoverstijgende leeromgevingen en het ontwikkelen van evidence-informed instrumenten; * Eerste ronde van tafelgesprekken waarbij dialoog wordt gevoerd over: – Instrumenten van RAAK PRO ‘Teaming in de tussenruimte. Grensoverstijgend samenwerken, leren en innoveren tussen mbo, hbo en werkveld (TinT)’. – Instrumenten van RAAK PRO ‘Co-constructie van responsieve leeromgevingen in het beroepsonderwijs (Coco)’. – Instrument van HU-project ‘Verrijken van leeromgevingen’. * Tweede ronde van tafelgesprekken over het in co-creatie ontwerpen van evidence-informed instrumenten; * Uitwisselen inzichten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In een maatschappij in transitie vraagt het ontwerpen van rijke, hybride leeromgevingen om evidence-informed keuzes. Onze bijdrage richt zich op de doorwerking en impact van onderwijsonderzoek: hoe kunnen onderzoekers en onderwijsprofessionals instrumenten hanteren die niet alleen theoretisch onderbouwd zijn, maar ook praktisch bruikbaar en van meerwaarde voor de praktijken die we onderzoeken? We presenteren instrumenten vanuit drie projecten die leeromgevingen in transitie verder brengen en nodigen deelnemers uit tot een gesprek over de kwaliteitseisen en het onweerstaanbaar maken van dergelijke instrumenten. Zo stimuleren we een gezamenlijke reflectie op hoe onderwijsonderzoek kan bijdragen aan duurzame innovatie bij onderwijspraktijken voor transitie. Papersymposium (90 minuten)755Neeltje Kommerie, Vrije Universiteit, Amsterdam, Nina Sangers, Vrije Universiteit, Amsterdam, Katja Tereshko, Vrije Universiteit, Amsterdam, Camille Welie, Vrije Universiteit, Amsterdam, Camille Welie (voorzitter), De discussiant wordt nader bepaald (we hebben verschillende opties) (discussiant) 3.058vr 09:00 – 10:30 Titel papersymposium Leesbevordering bij volwassen NT2-leerders: onderzoek naar leesmotivaties, onderwijspraktijk en leesinterventies Doelstelling van deze sessie In dit papersymposium brengen we inzichten bij elkaar over het vrij lezen van volwassen NT2-leerders door presentaties over drie afzonderlijke aan elkaar gelieerde onderzoeken. De eerste presentatie focust op individuele verschillen tussen de leesmotivaties en het leesgedrag van asielmigranten en expats. De tweede presentatie beschrijft de status quo van leesbevordering in het volwassenenonderwijs NT2. We gaan in op de kennis, opvattingen en praktijken van docenten NT2 ten aanzien van leesbevordering. In de derde presentatie tot slot, beschrijven we de uitkomsten van een leesinterventie in het volwassenenonderwijs NT2 waarbij NT2-leerders wekelijks korte verhalen hebben gelezen en daar met elkaar over in gesprek zijn gegaan. Wetenschappelijke betekenis De drie onderzoeken samen geven een veelzijdig beeld van het vrij lezen van volwassen NT2-leerders. Samen beantwoorden deze onderzoeken de overkoepelende vraag hoe er wordt gelezen door volwassen NT2-leerders en hoe gemotiveerd ze daarvoor zijn (presentatie 1), hoe het leesbevorderingsonderwijs aan hen eruitziet (presentatie 2) en welke effecten leesbevorderingsinterventies kunnen hebben voor deze doelgroep (presentatie 3). Structuur van de sessie De drie presentaties worden voorgegaan door een inleiding op het thema. We sluiten af met een terugblik en een gezamenlijke discussie volgens onderstaand tijdschema: Welkom + inleiding thema (10 minuten) Presentatie 1: leesmotivaties en leesgedrag van volwassen NT2-leerders: een vergelijking tussen asielmigranten en expats (15 minuten + 5 minuten voor vragen) Presentatie 2: Vrij lezen stimuleren in de klas? Status quo van leesbevordering in het volwassenenonderwijs NT2 (15 minuten + 5 minuten voor vragen) Presentatie 3: Meertalige leesbevordering in het volwassenenonderwijs NT2: kwantitatieve en kwalitatieve opbrengsten van een leesinterventie (15 minuten + 5 minuten voor vragen) Terugblik n.a.v. presentaties en algemene discussie (20 minuten) Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Titel Leesmotivaties en leesgedrag van volwassen NT2-leerders: een vergelijking tussen asielmigranten en expats Auteurs Neeltje Kommerie, Marit Ackermans, Camille Welie & Nina Sangers Vraagstelling Lezen speelt een centrale rol in het verwerven van een tweede taal (Grabe, 2008). Leesmotivatie vormt een belangrijke voorspeller van leesgedrag (Wigfield et al., 2016), maar empirisch inzicht in de leesfrequentie en leesmotivatie van volwassen NT2-leerders is beperkt. Onderzoek van Boere et al. (2025) signaleert structurele knelpunten binnen het volwassen NT2-onderwijs, zoals beperkte tijd voor leesbevordering. Het doel van deze studie was om inzicht te verkrijgen in (1) de leesfrequentie en (2) de intrinsieke en extrinsieke leesmotivatie van volwassen NT2-leerders, zowel in het Nederlands als in de moedertaal, en (3) verschillen tussen asielmigranten en expats te onderzoeken. Methode In dit onderzoek vulden 197 volwassen NT2-leerders (87 asielmigranten en 110 expats) een vragenlijst in over leesfrequentie en intrinsieke en extrinsieke leesmotivatie. Resultaten De resultaten laten zien dat beide groepen NT2-leerders gemiddeld meer dan één keer per week lezen in zowel het Nederlands als de moedertaal. Asielmigranten lazen significant vaker en rapporteerden een hogere intrinsieke en extrinsieke leesmotivatie in het Nederlands dan expats, terwijl voor leesmotivatie in de moedertaal geen significante verschillen werden gevonden. Daarnaast bleek intrinsieke leesmotivatie in beide talen sterker samen te hangen met leesfrequentie dan extrinsieke motivatie. Discussie en conclusie Deze studie draagt bij aan inzicht in het leesgedrag van volwassen NT2-leerders. De bevindingen bieden aanknopingspunten voor onderzoek en onderwijspraktijk. Boere, I., Welie, C., & Sangers, N. (2025). Leesbevordering in het volwassenonderwijs NT2. Een onderzoek naar praktijken en opvattingen van docenten NT2. Vrije Universiteit. Grabe, W. (2008). L1 and L2 reading relationships. Reading in a Second Language. https://doi.org/10.1017/cbo9781139150484 Wigfield, A., Gladstone, J. R., & Turci, L. (2016). Beyond Cognition: Reading Motivation and Reading Comprehension. Child Development Perspectives, 10(3), 190–195. https://doi.org/10.1111/cdep.12184 Individuele bijdrage 2 Titel Vrij lezen stimuleren in de klas? De status quo van leesbevordering in het volwassenenonderwijs NT2 Auteurs Isa Boere, Camille Welie en Nina Sangers (presentator) Beschrijving Vraagstelling Internationale literatuur toont dat er binnen tweede taalonderwijs niet altijd voldoende tijd wordt besteed aan leesbevordering (Grabe, 2009; Nation, 2009). Het is onduidelijk in hoeverre dit ook geldt voor het NT2-onderwijs aan volwassenen in Nederland. Dit onderzoek brengt daarom de kennis, opvattingen en onderwijspraktijken van NT2-docenten ten aanzien van leesbevordering in kaart. Methode Dit onderzoek bestond uit een vragenlijst gevolgd door twee focusgroepen. De vragenlijst bestond uit 35 meerkeuzevragen en 9 open vragen over: 1) hoe docenten leesbevordering vormgeven in hun onderwijs, hun kennis hierover, bronnen van die kennis, ervaren knelpunten en beleid 2) de beschikbaarheid van leesboeken, 3) de inzet van leesbevorderingsactiviteiten en 4) het belang dat docenten aan leesbevordering hechten. Resultaten De vragenlijst is ingevuld door 125 NT2-docenten; zes docenten namen deel aan de focusgroepen. De resultaten laten zien dat veel docenten het belang van leesbevordering erkennen, maar dat hun kennis en inzet van leesbevorderingsactiviteiten sterk varieert. Vrij lezen is de meest genoemde aanpak, maar wordt door 60% van de docenten nooit toegepast. Vrijwel alle docenten ervaren belemmeringen. Na het invullen van de vragenlijst gaven veel docenten aan enthousiaster te zijn geworden over het stimuleren van lezen in hun lessen. Discussie en conclusie De resultaten laten zien dat NT2-docenten graag aandacht willen besteden aan leesbevordering, maar dat dit in de praktijk nog (te) weinig gebeurt. Mogelijkheden lijken vooral te liggen in het stimuleren van lezen buiten de les en het in de klas aan de slag gaan met betekenisvolle verwerkingsopdrachten. Referenties Grabe, W. (2009). Reading a second language: Moving from theory to practice. New York: Cambridge University Press. Nation, I. S. P. (2009). Teaching ESL/EFL reading and writing. Routledge. Individuele bijdrage 3 Titel Meertalige leesbevordering in het volwassenenonderwijs NT2: kwantitatieve en kwalitatieve opbrengsten van een leesinterventie Auteurs Katja Tereshko (presentator) & Camille Welie Beschrijving Vraagstelling In het volwassen NT2-onderwijs staat leesvaardigheid centraal voor maatschappelijke participatie, maar veel leerders ervaren een lage leesmotivatie bij het lezen in het Nederlands. In deze bijdrage presenteren wij resultaten van een leesinterventie die gericht is op het versterken van leesmotivatie en leesbetrokkenheid bij volwassen NT2-leerders. De interventie combineert het lezen van verhalende teksten met klassikale gesprekken en reflectieve opdrachten, waarbij aandacht is voor persoonlijke betekenisgeving, het gevoel van verbondenheid en meertaligheid. Methode Het onderzoek hanteert een mixed-methods design. Kwantitatieve data zijn verzameld via pre- en postmetingen van leesmotivatie (o.a. intrinsieke leesmotivatie, experience-taking, inzichten in jezelf en de anderen en sense of belonging) bij meerdere interventie- en controlegroepen. De groepen varieerden onder andere in de taal waarin werd gelezen (alleen Nederlands versus Nederlands en moedertaal) en de verwerking van het leeswerk (verwerking in de klas versus geen verwerking in de klas). Daarnaast is kwalitatieve data verzameld via interviews met deelnemers om te onderzoeken hoe deelnemers hun leeservaringen, betrokkenheid en persoonlijke opbrengsten verwoorden. Resultaten De resultaten laten zien dat de leesinterventie samenhangt met een significante toename in verschillende motivatie-dimensies, met name op het gebied van het gevoel van verbondenheid, leesplezier en betrokkenheid bij teksten. Meertalig lezen werd doorgaans als behulpzaam ervaren voor begrip van verhalen en emotionele betrokkenheid bij de verhalen. Discussie en conclusie De bijdrage sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor Transitie door te laten zien hoe leesbevordering in het NT2-onderwijs kan bijdragen aan duurzame motivatie, taalontwikkeling en maatschappelijke participatie. Tijdens de presentatie gaan we in dialoog met het publiek over implicaties voor lesontwerp en onderzoek naar leesmotivatie in diverse volwassen leerderspopulaties. Vrije vorm (90 minuten)870Migchiel van Diggelen, NHL Stenden, Lectoraat Design-Based Education, Leeuwarden, Jannet Doppenberg, Hanzehogeschool, Groningen, Anne Khaled, HAN University of Applied Sciences, Nijmegen, Marcel van der Klink, Hogeschool Zuyd, Heerlen 3.070vr 09:00 – 10:30 Polarisatie, klimaatverandering, arbeidsmarkttekorten, betaalbare zorg en digitalisering veranderen niet alleen de samenleving, maar ook de aard van beroepen en professionele praktijken (OECD, 2025; World Economic Forum, 2023). In deze context zorgt artificial intelligence (AI) voor verdere versnelling. AI intensiveert transities door werkprocessen, beroepsrollen en vereiste competenties in hoog tempo te herstructureren (OECD, 2025). AI kan worden begrepen als een katalysator die bestaande spanningen in onderwijs en arbeidsmarkt zichtbaar maakt en versterkt. Opleidingen in het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs (hierna mbo, hbo en wo) zijn veelal gebaseerd op relatief stabiele beroepsbeelden en vastgelegde competentieprofielen, terwijl beroepspraktijken al langer in beweging zijn en onder invloed van AI sneller, ongelijker en minder voorspelbaar veranderen. Dat deze mismatch realiteit is blijkt uit de praktijk: bijvoorbeeld een teamleider ICT concludeerde dat zijn studenten nauwelijks nog werk vinden en stelde: “Deze opleiding moet op de schop.” Er is herbezinning nodig op de kern van beroepen, op welke kennis en professionele oordelen blijvend van waarde zijn, en op hoe onderwijs professionals kan ondersteunen bij veranderingen binnen en tussen beroepen (vgl. Biesta, 2015; UNESCO, 2021). Het gevolg is een verschuiving van de kernvraag van óf beroepen veranderen naar hoe en met welke gevolgen dit gebeurt voor curriculumkeuzes, didactiek en onderwijsresearch. Het doel van deze bijeenkomst is gezamenlijk te verkennen hoe AI beroepspraktijken en arbeidsmarktperspectieven verandert, en wat dit betekent voor de inrichting van onderwijs en voor het onderzoek dat deze veranderingen wil begrijpen en ondersteunen: Inzicht in hoe AI werk en beroepen verandert; Implicaties voor curricula, didactiek en leeromgevingen; Implicaties voor onderwijsonderzoek. Input van een expert, groepsdialogen over praktijkcasussen en een plenaire synthese leiden tot gedeelde inzichten, dilemma’s en onderzoeksvragen die richting geven aan mbo, hbo en wo onderwijs en onderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze sessie van de VOR-divisie Hoger Onderwijs en de divisie Leren voor en in Beroep draagt bij aan het congresthema Onderwijs voor Transitie. Vraagstukken rond de afstand tussen onderwijs en arbeidsmarkt spelen van alle tijden, maar manifesteren zich sterker in perioden van transitie en worden versneld door artificial intelligence (AI). De sessie biedt inzicht in hoe AI beroepspraktijken en arbeidsmarktperspectieven verandert, verkent wat dit vraagt van curricula, didactiek en leeromgevingen in een context van voortdurende verandering, en onderzoekt welke implicaties dit heeft voor onderwijskundig onderzoek dat onderwijsontwikkeling wil begeleiden en versterken. Vrije vorm (90 minuten)583Andries Vroegrijk, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam, Agnes van der Haar – Weber, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam 3.088vr 09:00 – 10:30 Studenten werken steeds vaker aan complexe vraagstukken, passend bij de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Hiervoor hebben ze zelfregulerende vaardigheden nodig, zoals plannen, samenwerken en hulp zoeken. Studenten hebben ondersteuning nodig bij het ontwikkelen van deze vaardigheden. Docenten spelen daarin een cruciale rol (Sins, 2023). Vanuit het lectoraat leren Hogeschool Rotterdam zetten we docentstudiegroepen (Firestone et al., 2020) in om docenten te professionaliseren in het effectief bevorderen van zelfregulerende vaardigheden bij studenten. Docentstudiegroepen zijn kleine groepen docenten die samen evidence-informed werken aan praktijkvraagstukken gericht op onderwijskwaliteit. Kenmerkend is dat deze groepen een specifieke focus hebben, zoals het bevorderen van zelfregulerend leren in lessen. Een studiegroepbegeleider faciliteert de bijeenkomstenen organiseert input vanuit onderzoek (Consortium MOZAIC, 2025; Kenniskring Zelfregulerend leren, 2026). Alle docenten werken gedurende tien bijeenkomsten aan een actiegerichte onderzoeksaanpak, waarbij zij samen literatuur bestuderen en interventies ontwerpen, implementeren en evalueren in hun eigen lespraktijk (Munneke et al., 2023). Vraagstelling Wat zijn de ervaringen van studiegroepbegeleiders met het inzetten van docentstudiegroepen als professionaliseringsaanpak om zelfregulerend leren bij studenten te bevorderen? Doelstelling van de bijdrage Tijdens de workshop: ervaren deelnemers hoe een docentstudiegroep in de praktijk werkt krijgen deelnemers inzicht in ervaringen van studiegroepbegeleiders met docentstudiegroepen als professionaliseringsaanpak gaan deelnemers met een concreet idee naar buiten voor het realiseren van een docentstudiegroep, direct toepasbaar in de eigen onderwijspraktijk Dialoog/interactie met publiek Als een docentstudiegroep verdiepen we met de deelnemers, delen we ervaringen en denken we vervolgstappen uit. We verdiepen door het delen van onderzoeksinzichten en ervaringen van studiegroepbegeleiders met het inzetten van docentstudiegroepen als professionaliseringsaanpak. We delen ervaringen door met de deelnemers in gesprek te gaan over vraagstukken die passend zouden zijn voor een docentstudiegroep. We denken vervolgstappen uit, direct toepasbaar voor de deelnemers in de eigen onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onze bijdrage biedt inzicht in hoe docentstudiegroepen kunnen bijdragen aan onderwijs dat transities mogelijk maakt en begeleidt. Studenten worden in toenemende mate opgeleid voor een beroepspraktijk waarin complexe problemen en maatschappelijke transities. Om daarin te kunnen functioneren, hebben zij sterke zelfregulerende vaardigheden nodig, zoals plannen en hulp zoeken. De docentstudiegroepen vormen een professionaliseringsaanpak in context. Daarmee richten zij niet alleen hun onderwijs anders in, maar ontwikkelen zij zich ook als professionals die transities in hun eigen onderwijspraktijk kunnen vormgeven en borgen. De transitie in het onderwijs: van losstaande professionaliseringsactiviteiten naar structurele, teamgerichte en onderzoeksmatige ontwikkeling van onderwijshandelen. Postersymposium (90 minuten)275Dagmar van Bon, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam, Rebecca Harterink, Saxion Hogeschool, Enschede, Lieselotte Oudega, Kohnstamm Instituut, Universiteit van Amsterdam, Amstelveen, Diede Vonken, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Gerhard Stoel (voorzitter), Saro Lozano Parra (discussiant) 3.090vr 09:00 – 10:30 Scholen in het primair, voortgezet en gespecialiseerd onderwijs staan sinds 2021 voor de wettelijke taak om burgerschapsonderwijs vorm te geven en veel scholen vullen deze taak op inspirerende manier in. De Onderwijsinspectie (2025b) wijst er echter op dat burgerschapsonderwijs op veel scholen nog onvoldoende doelgericht is. Het ontbreekt aan samenhang tussen de visie van de school, de onderwezen burgerschapsinhouden, de schoolorganisatie en het pedagogisch klimaat. Daarnaast ontbreekt het aan instrumenten om de burgerschapsuitkomsten systematisch te evalueren. Wetenschappelijk onderzoek biedt steun aan diverse pedagogisch-didactische principes voor het ontwikkelen van burgerschapscompetenties en democratische waarden (bv. instructie, simulaties, projecten, dialogen en scholierenverkiezingen) (Nieuwelink et al., 2024; Teegelbeckers et al., 2023). Het ontbreekt vooralsnog aan wetenschappelijke kennis over impactvolle aanpakken om burgerschapsonderwijs schoolbreed en samenhangend vorm te geven. Hierdoor is het voor scholen lastig om van elkaar te leren en doelgerichte keuzes te maken. Dit postersymposium brengt vier onderzoeken naar burgerschapsonderwijs in verschillende sectoren van het funderend (primair, voortgezet en gespecialiseerd) onderwijs samen. In alle projecten worden, volgens de principes van Educational Design Research (EDR) (McKenney & Reeves, 2018), schoolbrede aanpakken en monitoringssystematieken ontwikkeld, beproefd en onderzocht. De studies onderzoeken niet alleen de kenmerken van impactvol burgerschapsonderwijs passend bij de wettelijke kaders, maar verkennen ook de ruimte voor pluriformiteit en schooleigen opvattingen in die aanpakken en mogelijke spanningsvelden hiertussen. De posters in dit symposium richten zich op de eerste fase van EDR: de inventarisatiefase. De verschillende studies verkennen, veelal door middel van focusgroepen, bestaande aanpakken. In dit symposium presenteren de onderzoekers de eerste inzichten uit de verschillende studies. Tijdens het symposium willen we met elkaar in gesprek over de generieke en specifieke kenmerken van potentieel impactvolle schoolbrede aanpakken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het onderzoeksprogramma ‘PIA en PIM: Ontwerpen burgerschapsonderwijs en – monitoring in het funderend onderwijs’ (2025-2029) sluit aan bij het congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’. Het onderzoeksprogramma ontwikkelt en onderzoekt schoolbreed en impactvol burgerschapsonderwijs, samen met scholen in het funderend onderwijs. Kwalitatief hoogwaardig burgerschapsonderwijs bereidt leerlingen voor op deelname in een plurifome, democratische samenleving én leert leerlingen omgaan met maatschappelijk vraagstukken. De methode van EducationalDesignResearch, draagt bij aan praktische relevantie en impact, en is ook theorievormend. Het onderzoek genereert wetenschappelijke kennis over impactvolle, schoolbrede aanpakken van burgerschapsonderwijs, aansluitend bij de wettelijke opdracht, maar ook passend bij het karakter van de school. Individuele bijdrage 1 Het primair onderwijs worstelt met het doelgericht en samenhangend vormgeven van goed burgerschapsonderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2025b). Van de bezochte basisscholen kreeg 57% een herstelopdracht. Hoewel wetenschappelijke kennis over schoolbrede aanpakken voor burgerschapsonderwijs in algemene zin al schaars is (Nieuwelink et al., 2024; Teegelbeckers et al., 2023), geldt dit nog sterker voor studies gericht op het basisonderwijs (Dijkstra et al., 2018). Een bemoeilijkende factor is de pluriformiteit aan opvattingen over goed burgerschap (Sant, 2019). Het is niet mogelijk en ook niet wenselijk om één one-size-fits-all aanpak te ontwerpen, omdat goed burgerschapsonderwijs afgestemd is op de visie van de school en de specifieke kenmerken van de leerlingenpopulatie. In dit onderzoek staat de volgende vraag centraal: Wat zijn de belangrijkste kenmerken van een schoolbrede en impactvolle aanpak van burgerschapsonderwijs in het basisonderwijs? In focusgroepen en interviews met schoolleiders, kwaliteitscoördinatoren, intern begeleiders, burgerschapscoördinatoren, leraren en andere experts worden kwalitatieve data verzameld. Aanvullend worden observaties uitgevoerd. De focusgroepen, interviews en observaties zullen kenmerken opleveren van schoolbreed en impactvol burgerschapsonderwijs in het basisonderwijs. Op basis van deze kenmerken maken we een beredeneerde keuze voor een schoolbrede, potentieel impactvolle aanpak, die we in de volgende fase van het onderzoek, samen met scholen zullen doorontwikkelen. Vraag aan het publiek:Welke kenmerken van burgerschapsonderwijs zouden volgens u richtinggevend moeten zijn bij de doorontwikkeling in de ontwerpgroepen tijdens de volgende fase van het EDR-onderzoek? Individuele bijdrage 2 Veel scholen binnen het voortgezet onderwijs zijn op inspirerende manieren bezig met het vormgeven van burgerschapsonderwijs. Eerder onderzoek laat zien dat er diverse aanknopingspunten zijn voor potentiële impactvolle aanpakken, zoals het creëren van een open klasklimaat (Maurissen et al. 2018) en initiatieven als scholierenverkiezingen of leerlingenraden (De Groot et al., 2022). Tegelijkertijd blijkt uit internationaal vergelijkend onderzoek dat het aanbod van burgerschapsonderwijs in Nederland beperkter is dan elders (Daas et al., 2023). Daarnaast heeft de helft van de scholen in het voortgezet onderwijs een herstelopdracht ontvangen van de Onderwijsinspectie (Inspectie van het Onderwijs, 2025b). Zo vinden scholen het lastig om samenhangend en doelgericht burgerschapsonderwijs vorm te geven, waarbij een bijpassende schoolcultuur geldt. De centrale onderzoeksvraag in dit onderzoek is: Wat zijn volgens de onderwijspraktijk potentieel impactvolle aanpakken van burgerschapsonderwijs, en wat zijn kansen en uitdagingen in de ontwikkeling van burgerschapsonderwijs? Gedurende de voorbereidende fase is een inventarisatievragenlijst uitgezet in het onderwijsveld. Vervolgens zijn er verdiepende focusgroepen georganiseerd met leraren, schoolleiders en burgerschapsexperts. In deze focusgroepen wordt onder meer ingegaan op de kansen en uitdagingen rondom het ontwikkelen van schoolbrede aanpakken voor burgerschapsonderwijs en worden kenmerken verkend die hieraan kunnen bijdragen. In een vervolgfase zijn deze elementen verder onderzocht binnen de onderwijspraktijk. Doordat er tot op heden weinig onderzoek is gedaan naar vmbo (Campbell, 2019; Teegelbeckers et al., 2023) en er vrijwel geen onderzoek is gedaan naar praktijkonderwijs (Nieuwelink et al., 2024), wordt er binnen deze studie expliciet aandacht besteed aan deze onderwijscontexten. In dit symposium bespreken wij onze bevindingen en zullen we de voorlopige kenmerken van potentieel impactvolle aanpakken voor burgerschapsonderwijs binnen het VO presenteren. Individuele bijdrage 3 Scholen binnen het gespecialiseerd onderwijs (GO) staan voor de uitdaging om de wettelijke kaders voor burgerschapsonderwijs passend te vertalen naar hun diverse leerlingpopulatie met specifieke leer‑ en ondersteuningsbehoeften. Uit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs (2025b) blijkt dat dit momenteel vaak onvoldoende doelgericht en samenhangend wordt vormgegeven. Tegelijkertijd is er in de wetenschappelijke literatuur weinig kennis beschikbaar over hoe burgerschapsonderwijs voor leerlingen met speciale onderwijsbehoeften wordt ingericht en aangepast (Bueso, 2022; Nieuwelink et al., 2024). Hoewel het belang van een aangepaste en contextgevoelige aanpak breed wordt onderschreven door onderzoekers, beleidsmakers en onderwijsprofessionals (Garwood, 2021; Kruijssen & Eidhof, 2024; SLO, 2025) is dus nog onvoldoende duidelijk welke bestaande aanpakken in de praktijk als krachtig kunnen worden beschouwd en welke kenmerken deze aanpakken op schoolniveau typeren. Dit deelonderzoek richt zich daarom op de vraag: Welke aanpakken voor burgerschapsonderwijs zijn in het gespecialiseerd onderwijs herkenbaar als potentieel impactvol, en hoe sluiten deze aan bij de wensen en behoeften van leerlingen? In de voorbereidende fase is een scoping review uitgevoerd om, gezien de beperkte kennisbasis, bestaande internationale inzichten en praktijken rond burgerschapsonderwijs voor leerlingen met speciale onderwijsbehoeften in kaart te brengen. Aanvullend is in de inventarisatiefase een vragenlijst breed uitgezet in het veld, gevolgd door verdiepende focusgroepen met schoolprofessionals en experts. Daarnaast worden gesprekken gevoerd met leerlingen, met specifieke aandacht voor de vraag hoe burgerschapsonderwijs beter kan aansluiten bij hun wensen en behoeften. Tijdens het symposium zal ik kenmerken van potentieel impactvolle aanpakken voor burgerschapsonderwijs in het GO die uit de literatuur en de praktijk naar voren zijn gekomen presenteren en bespreken. Individuele bijdrage 4 In de toelichting bij de aanscherping van de wettelijke burgerschapsopdracht in 2021 en in het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs wordt nadrukkelijk aandacht gevraagd voor het monitoren van burgerschapsonderwijs (Inspectie van het Onderwijs, 2025a). Door burgerschapscompetenties te monitoren, kunnen scholen het leerproces faciliteren, het onderwijs evalueren en verbeteren, en opbrengsten delen met stakeholders, de maatschappelijke omgeving en de overheid (Dijkstra et al., 2017). Veel scholen blijken hier echter moeite mee te hebben, zoals blijkt uit het grote aantal herstelopdrachten van de Inspectie van het Onderwijs (2025b) met betrekking tot het doelgericht en samenhangend aanbieden van burgerschapsonderwijs en de constatering van het Expertisepunt Burgerschap dat in schooljaar 2024-2025 “de onderdelen monitoring en kwaliteitszorg van burgerschapsonderwijs voor scholen de grootste aandachtspunten [zijn]” (Expertisepunt Burgerschap, 2025, p.3). Bovendien is de kennis over monitoringsinstrumenten nog beperkt en hebben de bestaande instrumenten grote nadelen. Zo gaan deze instrumenten niet op een passende wijze om met de omstredenheid van burgerschap, leggen ze met name nadruk op socialiseren en zijn de kwalitatieve instrumenten moeilijk overdraagbaar (Nieuwelink et al., 2024). Dit onderzoek richt zich daarom op de vraag: wat zijn volgens leraren, schoolleiders, leerlingen en burgerschapsexperts kenmerken van potentieel impactvolle monitoringssystematieken en welke kansen en uitdagingen voorzien zij in de ontwikkeling hiervan? Het doel van deze inventariserende studie is om in kaart te brengen welke kenmerken van belang zijn voor een impactvolle monitoringssystematiek. Middels focusgroepen willen wij inzicht verkrijgen in de perspectieven van deze belanghebbenden binnen het basis-, voortgezet-, en gespecialiseerd onderwijs. Deze inzichten vormen de basis voor de volgende onderzoeksfase, waarin we in nauwe samenwerking met scholen monitoringssystematieken zullen ontwerpen en onderzoeken. In dit symposium bespreek ik onze bevindingen uit de focusgroepen en de implicaties daarvan voor de keuzes die we ter voorbereiding op de volgende fases van dit onderzoek maken. Postersymposium (90 minuten)876Femke Koekkoek, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Brigitte de Kok, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Max Kusters, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Helma Oolbekkink-Marchand, HAN University of Applied Sciences, Nijmegen 3.094vr 09:00 – 10:30 Dit postersymposium richt zich op het overkoepelende thema agency in het onderwijs en verkent hoe leerlingen, docenten en schoolleiders – in verschillende onderwijscontexten – agency ervaren, ontwikkelen en inzetten. Agency wordt hierbij opgevat als het vermogen van actoren om betekenisvolle keuzes te maken, invloed uit te oefenen op hun leer- en werkomgeving en richting te geven aan hun professionele of educatieve ontwikkeling (Campbell, 2012). Het leidende vraagstuk van dit symposium luidt: hoe wordt agency van leerlingen en docenten bevorderd en begrensd, en met welke doelen en gevolgen? De bijdragen in dit symposium benaderen dit vraagstuk vanuit complementaire perspectieven en onderwijsniveaus. Enerzijds wordt agency onderzocht vanuit verschillende normatieve perspectieven of als beleidsmatig concept, bijvoorbeeld in relatie tot kansengelijkheid en in integrale onderwijsprogramma’s in het voortgezet onderwijs. Anderzijds staat agency centraal als geleefde ervaring van professionals, met aandacht voor startende docenten en universitaire docenten: welke middelen, structuren en contextuele factoren beïnvloeden hun gevoel van agency, en waartoe zetten zij deze agency in? Door deze invalshoeken samen te brengen, ontstaat een inhoudelijk samenhangend geheel waarin agency kritisch wordt bevraagd: agency voor wie, onder welke voorwaarden en met welk doel. Het postersymposium biedt daarmee ruimte voor dialoog tussen theoretische en empirische benaderingen en stimuleert reflectie op impliciete aannames over autonomie, verantwoordelijkheid en maakbaarheid in het onderwijs, evenals over de spanningen tussen individuele handelingsruimte en structurele, institutionele en normatieve perspectieven waarbinnen agency tot stand komt. Het symposium duurt 90 minuten en start met een korte inleiding waarin het centrale vraagstuk en de samenhang tussen de posters worden geschetst. Vervolgens presenteren de indieners hun posterbijdragen, waarna een discussiant een kritische reflectie geeft op het geheel. Het symposium wordt afgesloten met een interactieve discussie met de deelnemers, gericht op het verbinden van inzichten en het formuleren van gezamenlijke vervolgvragen voor onderzoek en onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 Aanleiding Om leerlingen voor te bereiden op een maatschappij met complexe vraagstukken hebben veel scholen de afgelopen jaren ingezet op het bevorderen van student agency (Beese, 2019; Bernard et al., 2019; Leadbeater, 2017; Vaughn, 2020). Omdat onderwijsprofessionals student agency vanuit verschillende normatieve perspectieven benaderen (Matusov et al., 2016), verschillen doelstellingen en aanpak tussen scholen. Dit beïnvloedt hoe innovaties worden gepositioneerd en ingericht (Tuytens & Devos, 2010). Ondanks toenemend onderzoek naar onderwijsinnovatie gericht op agency, is er weinig aandacht voor hoe dit in de praktijk wordt geïnterpreteerd en hoe vervolgens samenhang ontstaat tussen normatieve perspectieven, onderwijsprogramma’s en organisatorische routines. Vraagstelling en methode In dit literatuuronderzoek onderzochten we welke normatieve perspectieven op student agency en welk empirisch bewijs daarvoor voorkomen in langdurige, integrale, studentgerichte programma’s, en hoe vernieuwde organisatorische routines hieraan bijdragen. Vier perspectieven van Maturov et al. (2016), instrumental agency, effortful agency, dynamically emergent agency, authorial agency, waren het uitgangspunt. We analyseerden hoe deze terugkeerden in doelen, ontwerp, uitvoering en organisatie van vernieuwing in het voortgezet onderwijs, op basis van 46 peer‑reviewde studies (2003–2024). Resultaten en discussie Op de ORD in 2024 presenteerden we de voorlopige resultaten. Inmiddels is de studie afgerond. Alle normatieve perspectieven waren (al dan niet samen) terug te vinden in de doelstelling, ontwerpprincipes en uitvoering. Onderwijsprogramma’s waren bijvoorbeeld leerlinggericht door actief te leren, formatief te handelen of keuzes te bieden om het commitment van leerlingen te vergroten. Een opvallende bevinding is dat normatieve kaders kunnen verschuiven door reflectie op onverwachte processen tijdens implementatie. De verschillende onderwijsprogramma’s vroegen ook wat van de organisatieroutines. Denk hierbij aan: co-teaching, gezamenlijke ontwerproutines of samenwerking met externe partners. Deze routines benadrukken het belang van leiderschap, professionalisering, samenwerking en flexibiliteit. Onze studie benadrukt het belang van samenhang tussen normatieve opvattingen, leeromgeving en organisatorische routines bij het opschalen van onderwijsverbeteringen naar schoolbrede benaderingen. Individuele bijdrage 2 Aanleiding Tegen de achtergrond van hedendaagse uitdagingen, zoals de opkomst van AI, staat de betekenisvolle invulling van universitair onderwijs onder druk (Mouta et al., 2025). In deze context wordt teacher agency cruciaal: niet alleen als handelingsvermogen, maar als professionele oordeelsvorming waarmee docenten richting geven aan betekenisvol leren en aan de maatschappelijke leeropdracht van universiteiten. Onderzoek naar teacher agency in universiteiten richt zich vaak voornamelijk op hoe docenten handelen (Cong-Lem, 2024), terwijl minder aandacht uitgaat naar de vraag waartoe docenten agency uitoefenen – welke doelen, waarden en relationele overwegingen hun handelen sturen. In deze studie onderzoeken we daarom: Waartoe oefenen docenten in universiteiten agency uit, en hoe worden deze doeleinden relationeel en temporeel gevormd? Theoretisch kader Het onderzoek is gebaseerd op de ecologische benadering van teacher agency (Priestley et al., 2015), verbonden met een hermeneutisch perspectief op professionele betekenisgeving (Kögler, 1996). Agency wordt opgevat als een relationeel en waarde-geladen proces, waarin handelen wordt gestuurd door interpretaties van wat ertoe doet in relatie tot studenten, collega’s en institutionele structuren. Methode Er werd gebruikgemaakt van op scenario gebaseerde interviews, ontwikkeld en gevalideerd in eerder onderzoek (Kusters et al., 2024). Twaalf docenten van een Schotse universiteit, reflecteerden op herkenbare onderwijssituaties en hun handelingskeuzes. De analyse volgde een reflexieve thematische benadering (Braun & Clarke 2019). Resultaten De analyse identificeerde vijf verweven doeleinden van teacher agency: 1) responsief omgaan met structuren, 2) moreel en ethisch gemotiveerd handelen, 3) onderhandelen tussen persoonlijke en institutionele doelen, 4) zorg en verbinding met studenten en collega’s, en 5) het sturen van professionele ontwikkeling. Discussie en conclusie Deze studie laat zien dat teacher agency in het hoger onderwijs draait om doelgerichte professionele oordeelsvorming. Door te focussen op waartoe docenten handelen, draagt de bijdrage bij aan een normatief en relationeel begrip van agency in universitaire onderwijspraktijken. Individuele bijdrage 3 Aanleiding Complexe problemen zoals kansenongelijkheid in het onderwijs worden gekenmerkt door chronisch beleidsfalen (Crowley & Head, 2017): ondanks aanhoudende aandacht en beleidsinspanningen blijft het probleem bestaan. Beleidsmakers vertrouwen vaak op scholen en onderwijsprofessionals voor uitvoering van beleid. Leraren en schoolleiders kunnen worden gezien als belangrijke agents of change (Acton, 2021; Pantić, 2017), gezien hun dagelijkse betrokkenheid bij leerlingen en hun relatieve speelruimte bij de inzet van middelen ter bevordering van kansengelijkheid (Wijnker et al., 2023). Tegelijkertijd ervaren zij hun handelingsruimte vaak als beperkt. Om dit spanningsveld beter te begrijpen, benaderen wij kansenongelijkheid vanuit het perspectief van change agency: het contextafhankelijke veranderingsgerichte handelingsvermogen van professionals (Biesta et al., 2015; Pantić et al., 2022). Vraagstelling Deze studie onderzoekt wat onderwijsprofessionals als potentiële agents of change in staat stelt om kansenongelijkheid in het onderwijs aan te pakken. We analyseren hoe probleempercepties, ervaren omstandigheden en probleemeigenaarschap samenhangen met waargenomen change agency. Methode De studie is gebaseerd op surveydata van 355 leraren en schoolleiders uit primair en voortgezet onderwijs in twee Nederlandse gemeenten. Met behulp van structural equation modelling en lineaire regressieanalyses zijn de relaties tussen probleempercepties, eigenaarschap, randvoorwaarden en change agency onderzocht. Resultaten en discussie De resultaten laten zien dat het ervaren van kansenongelijkheid als een groter probleem samenhangt met sterker probleemeigenaarschap, wat op zijn beurt positief samenhangt met ervaren change agency. De relatie tussen probleemperceptie en change agency wordt volledig gemedieerd door eigenaarschap. Daarnaast modereren ervaren tijd en budget deze relatie: wanneer professionals minder randvoorwaarden ervaren, is de samenhang tussen eigenaarschap en change agency sterker. Deze bevindingen benadrukken dat change agency een contextafhankelijk vermogen is, dat deels wordt verklaard door het ervaren van probleemeigenaarschap. Beleidsinstrumenten kunnen dit versterken door professionals voldoende autonomie en middelen te bieden, zodat zij hun handelingsruimte ten aanzien van kansenongelijkheid daadwerkelijk kunnen benutten. Individuele bijdrage 4 Aanleiding Wereldwijd staan lerarentekorten en uitval van leraren hoog op de agenda en vormen zij een bedreiging voor de onderwijskwaliteit (Flores, 2023). Tegelijkertijd staat de agency van leraren onder druk door beleid dat sterk inzet op verantwoording, wat kan leiden tot een afname van ervaren agency. Om deze problemen het hoofd te bieden, richten beleidsmaatregelen zich op het aantrekken en behouden van leraren, bijvoorbeeld door meer ondersteuning en professionaliseringsmogelijkheden voor startende leraren (Helms-Lorenz et al., 2025). De veronderstelling achter inductie- en ondersteuningsprogramma’s is dat zij uitval verminderen en de agency van beginnende leraren versterken, wat bijdraagt aan hun professionele groei (Keese et al., 2023; Schaap et al., 2021). Vraagstelling Eerder onderzoek naar de agency van eerstejaars startende leraren liet zien dat de meeste van hen een sterk en positief gevoel van agency ervaren (Oolbekkink-Marchand et al., 2025). Dit onderzoek bood echter onvoldoende inzicht in de ontwikkeling van agency tijdens de inductiefase. De centrale vraag in deze studie luidt daarom: hoe ontwikkelt de agency van beginnende leraren in het VO zich gedurende de inductiefase? Methode In deze kwalitatieve en longitudinale dagboekstudie werden negen logboeken van veertien beginnende leraren gedurende een driejarig inductietraject bestudeerd om hun agency in het voortgezet onderwijs te onderzoeken. Resultaten en discussie De resultaten laten zien dat beginnende leraren met name in de eerste twee jaren van de inductiefase een grote mate van vrijheid ervaren om hun agency te benutten, vooral binnen de klas. In het derde inductiejaar wordt begrensde agency nadrukkelijker zichtbaar, zowel binnen als buiten de klas. Deze verandering lijkt samen te hangen met een ervaren afname van ondersteuning en een toenemende complexiteit van taken. Toekomstig onderzoek zou zich moeten richten op een diepgaander begrip van de overgang van het tweede naar het derde inductiejaar. Postersymposium (90 minuten)658Joris Beek, Erasmus Universiteit, Rottterdam, Elvira Folmer, HAN University of Applied Sciences, Nijmegen, Roel Grol, HAN University of Applied Sciences, Nijmegen, Ramon de Jonge, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam, Marieke Peppelman, Quadraam, Duiven, Marenka van Toor, Quadraam, Duiven, Roel Grol (voorzitter), Nienke Nieveen (discussiant) 3.100vr 09:00 – 10:30 Doelstellingen: Theoretische, empirische en praktijkduiding hoe leraren in hun ontwerprol kunnen worden empowered opdat zij, op hun school, samen onderwijs kunnen vormgeven dat bijdraagt aan een maatschappij in transitie. Overzicht: De 4 posters gaan in op de rol van leraren bij het ontwikkelen van curricula die bijdragen aan een toekomstgericht onderwijs. Dit gebeurt vanuit verschillende perspectieven: (1) theoretische inleiding op de rol van de leraar als ontwerper in het licht van toekomstgerichte curricula; (2) praktijkbijdrage uit het voortgezet onderwijs hoe teams van leraren samen een curriculum ontwerpen met reflectie op opbrengsten, spanningen en ontwerpdilemma’s die daarbij ontstaan vanuit een theoretisch kader; (3) participatief actieonderzoek naar het ontwerpen van vaklessen in het VO die leerlingen helpen betekenisvolle verbindingen te leggen tussen lesinhoud, persoonlijke ervaringen en toekomstperspectieven en (4) de leraar als ontwerper in het VO die bruggen slaat tussen externe leeromgevingen, verschillende vakken en leerling-interesses, vanuit onderzoek naar leerling feedback op outreach-activiteiten. Deze worden ingezet om leerlingen in contact te brengen met authentieke, niet-alledaagse contexten. Er zal worden ingegaan op de vraag hoe opgedane inzichten via een concrete ontwerptool kunnen worden vertaald naar een interdisciplinair lesontwerp. Wetenschappelijke betekenis: Bijdragen aan de ontwikkeling van de kennisbasis ten aanzien van het thema de leraar als ontwerper en meer specifiek de conceptualisering en nadere concretisering van het concept curriculumbewust handelen. Structuur: Het postersymposium duurt 90 minuten en vangt aan met een theoretische inleiding op het thema (poster 1, Elvira Folmer en Roel Grol), gevolgd door 3 andere posterpresentaties, waarin resp. Marenka van Toor en Marieke Peppelman, Ramon de Jonge en Joris Beek vanuit praktijk- en empirisch perspectief zowel specifieke illustraties, ervaringen als nieuw-opgedane inzichten delen. Na elke poster is er gelegenheid tot het stellen van vragen door de aanwezigen. Nienke Nieveen sluit af met een kritische bespreking en discussie met de deelnemers. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Individuele bijdrage 1 In Nederland hebben leraren relatief veel ruimte om zelf invulling te geven aan hun onderwijs en aan de curricula (Bron, 2019). Ontwerpen is niet zozeer een ‘voorrecht’ van leraren, maar een professionele noodzaak: leraren die onderwijs ontwerpen en een bijdrage leveren aan curriculumontwikkeling zijn immers te zien als belangrijke change agents (Priestley et al., 2015; OECD, 2025). Ontwerpen speelt ook een rol bij het inrichten van onderwijs dat leerlingen op de toekomst voorbereid. Leraren dienen hun leerlingen niet alleen voor te bereiden op de wereld en beroepen zoals we die op dit moment kennen en voor ons zien, maar ook leerlingen weerbaar en wendbaar helpen worden voor hun functioneren en participeren in de maatschappij en op de arbeidsmarkt van de toekomst (Hoeve et al., 2021). Dat vraagt om curricula die responsief zijn, die opleiden voor wendbare professionaliteit en die flexibel zijn (zie bijvoorbeeld Van Bemmel et al., 2024; Hoeve et al., 2021) – en daarbij zijn leraren die onderwijs kunnen ontwerpen en die een bijdrage kunnen leveren aan curriculumontwikkeling onontbeerlijk. Leraren die curriculumbewust handelen, ontwikkelen bewust en doelgericht curriculumonderdelen, bedden deze in en stemmen deze af in het licht van het curriculum-als-geheel (Van den Bosch et al., 2024). Zij maken doelgericht en op basis van kritische analyse keuzes voor het curriculum. Hiertoe heb je als leraar specifieke kennis en vaardigheden nodig (McKenney et al., 2006), op het gebied van vakinhoud, pedagogiek, didactiek, curriculumontwerp en curriculumconsistentie (Huizinga, 2009; Huizinga et al. 2014). Als je wilt dat een curriculumvernieuwing slaagt, dan is het belangrijk om ook aandacht te hebben voor de professionele ontwikkeling van de leraren en hun teams én voor de ontwikkeling van de schoolorganisatie zelf (Nieveen, 2017; SLO, 2022; Nieveen et al., 2006). Een integrale ontwikkeling omvat daarmee de wisselwerking tussen curriculumontwikkeling, professionele ontwikkeling en schoolorganisatieontwikkeling (Nieveen, 2017). Individuele bijdrage 2 Het voorbereiden van leerlingen op de wereld van morgen vraagt om onderwijs dat samenhangend, betekenisvol, contextrijk en maatschappelijk relevant is. Vmbo-school Het Westeraam in Elst geeft hier vorm aan met WereldOnderwijs: een structurele onderwijsinnovatie waarin leerlingen wekelijks modulair en thematisch werken aan maatschappelijke vraagstukken, binnen en buiten de school. Vakken en basisvaardigheden worden geïntegreerd aangeboden zodat leerlingen samenhang ervaren en leren dat wat zij op school leren ertoe doet. In WereldOnderwijs wordt gewerkt vanuit de vraag welke kennis, vaardigheden, kwaliteiten en talenten leerlingen nodig hebben om aan de wereld van morgen mee te doen en wat dit vraagt van docenten als ontwerpers van het onderwijs om dit waar te maken. Deze symposiumbijdrage vertrekt vanuit het perspectief van docenten als ontwerpers van WereldOnderwijs en laat zien hoe organisatie-inrichting en de professionele cultuur het curriculumbewust handelen van docenten mogelijk maken. Daarbij reflecteren we op opbrengsten, spanningen en ontwerpdilemma’s die ontstaan wanneer docenten gezamenlijk curriculum ontwerpen. Aan de hand van ervaringen uit onze eigen praktijk laten we zien hoe Het Westeraam werkt volgens het organisatiemodel teamgecentreerde arbeidsorganisatie (Van der Hilst, 2021). We zijn overgestapt van twee grote onderwijsteams naar acht kleinere kernteams, ondersteund door expertteams met verantwoordelijkheid voor expertiseontwikkeling, zorg voor doorgaande leerlijnen in het curriculum en versterken van professioneel handelen van docenten. Onze agile werkwijze, bewust ingerichte ontwerpruimte in tijd en teams, gezamenlijke ontwerpprincipes en onderwijskundige begeleiding vormen hierbij een integraal geheel. We besteden ook aandacht aan de verhouding tussen sturing door de schoolleiding en professionele autonomie en aan wat dit vraagt van onderwijskundig leiderschap wanneer docenten worden gepositioneerd als ontwerpers van onderwijs voor een maatschappij in transitie. In de dialoog met het publiek verkennen we hoe organisatie-inrichting en professionele cultuur kunnen bijdragen aan zowel duurzame curriculumontwikkeling als de professionele ontwikkeling en aantrekkelijkheid van het beroep van docent. Individuele bijdrage 3 In de dagelijkse lespraktijk voelen veel leerlingen zich beperkt verbonden met de lesstof. Wat in de les gebeurt, staat vaak los van wie zij zijn, wat hen bezighoudt of waar zij naartoe willen. Wanneer onderwijs deze verbinding weet te leggen, kan die interesse zorgen voor meer leerplezier, hogere lesbetrokkenheid en betere leerprestaties, en doorwerken in vervolgopleidingskeuzes (Hidi & Renninger, 2006; Krapp, 2002; Ainley et al., 2002; Schiefele, 2009; Mikkonen et al., 2009). Dit is des te urgenter in het licht van tekorten aan goed opgeleide STEM-professionals, waarbij het ontbreken van betekenisvolle verbindingen tussen onderwijs en toekomstperspectieven expliciet als belangrijk knelpunt wordt benoemd (European Commission, 2020, Action 2.7). Dit participatief actieonderzoek, gesubsidieerd door NKO postdoc-VO 2023, richt zich op de vraag hoe vaklessen zo kunnen worden ontworpen dat zij leerlingen helpen betekenisvolle verbindingen te leggen tussen lesinhoud, persoonlijke ervaringen en toekomstperspectieven. Interesse wordt opgevat als iets dat niet binnen één les ontstaat of verdwijnt, maar leerlingen helpt perspectieven over verschillende contexten heen te verbinden (Akkerman & Bakker, 2019). Vanaf de start van dit schooljaar zijn twaalf docenten tijdens twee PLG-bijeenkomsten geïntroduceerd in interesseontwikkeling en hebben zij ervaren wat interesse doet met betrokkenheid en leren, als voorbereiding op het ontwerpen van vaklessen vanuit interesse-gedreven didactiek (IGD). Inmiddels zijn twaalf verschillende IGD-lessen uitgevoerd. Het ontwerpproces is gevolgd via vragenlijsten, interviews (voor/na de IGD-les) en lesobservaties. De voorlopige bevindingen laten zien dat leerlingen tijdens IGD-lessen zichtbaar meer betrokken zijn. Docenten kijken positief terug op hun IGD-lessen en geven aan IGD vaker te willen inzetten. De PLG wordt ervaren als een activerende impuls die helpt los te komen van bestaande lesroutines, terwijl het ontbreken van ontwikkeltijd binnen de dagelijkse onderwijspraktijk een beperkende factor blijkt. Deze bevindingen benadrukken het belang van interesse-gedreven didactiek als haalbare ontwerprichting voor toekomstgericht onderwijs, mits docenten voldoende tijd krijgen. Individuele bijdrage 4 In het voortgezet onderwijs worden outreach-activiteiten veelvuldig ingezet om leerlingen in contact te brengen met authentieke, niet-alledaagse contexten. Deze activiteiten gaan gepaard met hogere intrinsieke motivatie. Als daarbij de inhoud aansluit bij persoonlijke interesses van leerlingen dan ervaren ze de leerstof als persoonlijk relevant (Vennix, 2020). Outreach-activiteiten, gekoppeld aan persoonlijke interesses, zijn daarmee een didactische vorm om ervaringen uit verschillende contexten met elkaar te verbinden (Akkerman & Bakker, 2019). De mate van ervaren interesse hangt echter sterk samen met hoe gekunsteld of authentiek outreach-activiteiten worden ervaren door leerlingen (Archer et al., 2010; Kang et al., 2019). De ene outreach-activiteiten is de andere niet en dit vraagt om het systematisch in kaart te brengen van leerling ervaringen tijdens outreach-activiteiten is nodig om de didactische waarden te begrijpen en benutten. Mogelijk gemaakt door NKO postdoc-VO 2023 onderzochten wij hoe leerlingen outreach-activiteiten ervaren en waar zij zelf potentie zien voor vakoverstijgende en interesse-gedreven lessen. Leerlingen uit de mavo, havo en vwo vulden na afloop van outreach-activiteiten (n=20) een korte vragenlijst in (n=962). De vragenlijst combineert kwantitatieve schalen met open vragen en richt zich op (1) de ervaren interesse van de activiteit als geheel, (2) onderdelen die de nieuwsgierigheid van leerlingen het sterkst prikkelen, en (3) de mate waarin leerlingen betekenisvolle koppelingen zien met verschillende schoolvakken. De eerste analyses laten zien dat leerlingen outreach-activiteiten als interessanter ervaren dan reguliere lessen. De open antwoorden geven aanknopingspunten voor vakoverstijgende verdieping en interesse-gedreven lesontwerpen. Ter ondersteuning van dit ontwerpproces is een praktische ontwerptool ontwikkeld in de vorm van een ‘haak-maar-aan’-kalender die inspeelt op de beperkte tijd die docenten in de onderwijspraktijk ervaren. Deze studie positioneert de leraar daarmee als ontwerper die, zowel bij het organiseren van outreach-activiteiten als bij het ontwerpen van vaklessen, leerlinginteresses benut om samenhang en relevantie in het curriculum te versterken. Papersymposium (90 minuten)898Yol Nakanishi, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Lianne Stolte, Universiteit Utrecht, Utrecht, Elisa Kupers, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen (voorzitter), Frans Hiddink, NHL Stenden (discussiant) 5.052vr 09:00 – 10:30 Doel De opvattingen over meertaligheid in het Nederlands onderwijs zijn de afgelopen decennia ingrijpend veranderd. Waar het dertig jaar geleden nog gebruikelijk was dat leerlingen van nieuwkomersscholen uitsluitend Nederlands mochten spreken op school zien we de laatste jaren een kentering. Meertaligheid wordt, in lijn met de wetenschappelijke literatuur, steeds meer gezien als een positieve eigenschap van leerlingen, en een integraal onderdeel van hun identiteit. Daarmee rijst ook de aandacht voor ‘translanguaging’ (benutten van thuistalen van leerlingen). Dat roept de vraag op hoe leraren hier concreet vorm aan kunnen geven in het onderwijs aan meertalige leerlingen. Het doel van deze sessie is het bijeenbrengen van inzichten over dit onderwerp uit een aantal van de meest recente onderzoeken in het Nederlands onderwijs. Overzicht van de bijdragen en structuur De eerste presentatie van Nakanishi en collega’s gaat in op een grootschalige inventarisatie van de ervaringen van leraren en onderwijsassistenten die lesgeven aan leerlingen met en vluchtelingachtergrond in verschillende onderwijscontexten (gespecialiseerd nieuwkomersonderwijs, deeltijd taalonderwijs en regulier onderwijs). Er is daarbij bijzondere aandacht voor hun ervaring van communicatie met deze leerlingen en het belang van aspecten van communicatie voor het leren en welzijn van de leerlingen. De tweede presentatie van Stolte en collega’s is een unieke intensieve case study van de lespraktijken op het gebied van translanguaging van een leerkracht in het nieuwkomersonderwijs die een heel schooljaar gevolgd werd. Ten slotte gaat de derde presentatie van Kupers en collega’s in op de leerprocessen en opbrengsten van digitale meertalige prentenboeken die werden ontwikkeld voor jonge Arabisch-Nederlands lerende leerlingen in de eerste groepen van het basisonderwijs. Wetenschappelijke betekenis Hoewel er veel wetenschappelijke literatuur is over het belang is van meertaligheid en translanguaging (i.e.Huang & Chalmers, 2023), is er behoefte aan goed onderzochte lespraktijken en lesmaterialen die leraren kunnen inzetten. De bijdragen gaan hierop in. Individuele bijdrage 1 Bouwen aan veerkracht: kinderen met een vluchtachtergrond in het primair onderwijs Nakanishi, Van Dijk, Kupers, Gosen School is een belangrijke plek voor kinderen met een vluchtachtergrond (Pharos, 2022). Veilig en verbonden voelen en succes ervaren op school is cruciaal voor veerkracht en herstel na ingrijpende ervaringen (Miri, 2024). Beschermende factoren, zoals positief sociaal contact en een positief zelfbeeld, spelen hierin een essentiële rol (Fazel et al., 2012). Leerkrachten zijn hierin sleutelpersonen, maar ervaren ook uitdagingen (McDiarmid et al., 2022). Eerder onderzoek laat zien dat kinderen met een vluchtachtergrond over minder beschermende factoren beschikken dan hun leeftijdsgenoten (Leeuwestein et al., 2024). Tegelijkertijd is er nog weinig bekend over hoe leerkrachten deze factoren versterken. In het huidige onderzoek is middels een vragenlijst (n = 132) aan leerkrachten en onderwijsassistenten gevraagd naar a) wat zij zelf verstaan onder beschermende factoren, b) hun opvattingen over de aanwezigheid, het belang, en hun ervaren invloed op zes beschermende factoren (positief contact met leerkrachten/onderwijsassistenten, positief contact met medeleerlingen, positief zelfbeeld, zelfregulatievaardigheden, ouderbetrokkenheid bij leerling en school). Aansluitend zijn interviews gehouden (n = 30) over de relevantie van de factorenzijn en hoe zij hieraan werken. Van de zes factoren werd positief contact, met name tussen leerkracht/onderwijsassistent en leerling, gezien als de meest aanwezige en belangrijkste factor, en als de factor waarop ze de meeste invloed hebben [p < .001, η²ᴳ = .25; p < .001, η²ᴳ = .095; p < .001, η²ᴳ = .245]. Daarnaast werden aanvullende beschermende factoren genoemd zoals 1) actieve (h)erkenning van eigen taal en cultuur 2) gezien en gewaardeerd voelen 3) ruimte voor de vluchtervaring en het nieuw-zijn 4) structuur en voorspelbaarheid 5) passend en kwalitatief goed onderwijs. Voorlopige interviewresultaten benadrukken het belang van de leerkracht-leerlingrelatie voor het welzijn van kinderen met een vluchtachtergrond. Deze relatie wordt gezien als basis van de beschermende factoren.
Individuele bijdrage 2
Meertaligheid van nieuwkomers benutten in het PO: routines en uitdagingen Stolte, Bakker, Smit, & Blom Leerkrachten van nieuwkomersleerlingen staan voor een uitdaging: zij onderwijzen vakinhoud aan leerlingen die het Nederlands nog aan het verwerven zijn. Translanguaging, het benutten van alle talen die leerlingen meebrengen, is een veelbelovende aanpak voor het leren van vakinhoud (Creese & Blackledge, 2015; García & Li, 2014). In nieuwkomersonderwijs heeft deze aanpak veel potentieel omdat leerlingen hiermee voorkennis uit verschillende talen kunnen gebruiken bij het leren (Onderwijsraad, 2025). Leerkrachten vinden het echter lastig om translanguaging in praktijk te brengen (Makarova et al., 2023). Dit komt o.a. omdat het onduidelijk is wanneer en hoe de thuistalen van leerlingen ingezet kunnen worden, en hoe opkomende uitdagingen daarbij overwonnen kunnen worden. Om toepasbare kennis over translanguaging te genereren, werkten we samen met een leerkracht in het nieuwkomersonderwijs ("Violet") die haar praktijk verder wilde ontwikkelen. We vroegen: waar loopt Violet tegenaan bij de inzet van translanguaging-strategieën, en welke routines ontwikkelt ze? Gedurende een schooljaar ging de onderzoeker (eerste auteur) elke week met Violet in gesprek volgens een interviewschema. Violet werd gevraagd om één translanguaging-moment van de afgelopen week te beschrijven: wat vond zij hierin succesvol en/of uitdagend, en hoe nam zij beslissingen in dat moment? De 33 gesprekken zijn getranscribeerd. De translanguaging-strategieën en uitdagingen zijn gecodeerd. De gesprekken zijn samengevat om patronen waarin strategieën voorkwamen in een raamwerk te plaatsen. Allereerst belichten we welke strategieën de leerkracht inzette en welke uitdagingen zij hierbij ervaarde. Dit biedt gedetailleerd inzicht in de voor- en nadelen van elke afzonderlijke strategie. Ten tweede laat het de samenhang van deze strategieën zien. Door translanguaging te visualiseren als routines, ontstaat overzicht van hoe en waarom translanguaging-strategieën opeenvolgend kunnen worden ingezet. Het op deze manier inzichtelijk maken van translanguaging-routines biedt mogelijkheden voor verdere professionele ontwikkeling van leerkrachten.
Individuele bijdrage 3
Wat en hoe leren leerlingen van meertalige digitale prentenboeken? Kupers, Leeuwestein, Boelhouwer, & Van Dijk
Aanleiding & theoretisch kader
Het erkennen en benutten van de thuistaal van leerlingen in het onderwijs (‘translanguaging’) heeft bewezen voordelen voor zowel de identiteitsontwikkeling als de leerwinst van meertalige leerlingen. Een van de manieren om de thuistaal van leerlingen een plek te geven in het onderwijs is door het werken met boeken en ander lesmateriaal in meerdere talen. Eerder onderzoek laat zien dat digitale meertalige prentenboeken effectief kunnen zijn bij het leren van Nederlands als tweede taal (Bus & Verhallen 2004). In dit onderzoek kijken we naar digitale prentenboeken in het Nederlands waarbij leerlingen met een digitale knop korte stukjes kunnen terugluisteren in hun thuistaal (Arabisch). Vraagstelling In hoeverre maken de leerlingen gebruik van de hulpknop, en laten ze taakgericht gedrag zien, tijdens de interventie? In hoeverre dragen de digitale prentenboeken bij aan woordenschatontwikkeling? Methode
Gedurende een vierweekse interventie bekeken 4 t/m 7-jarige leerlingen (n=25) met een Arabische taalachtergrond vier Nederlandse digitale prentenboeken die voorzien waren van een Arabische hulpknop. Taakgerichtheid en het gebruik van de hulpknop werden gemeten door systematische video-observaties. Leeropbrengsten werden gemeten door afname van een woordenschattest voorafgaand en na afloop van de interventie. Resultaten
Leerlingen lieten tijdens het lezen van de digitale prentenboeken een hoge mate van taakgerichtheid zien. Na de interventie begrepen ze significant meer woorden begrepen die in de voorleesboeken aan bod kwamen. Het effect was klein en waren er grote onderlinge verschillen tussen leerlingen. De Arabische hulpknop werd echter slechts gebruikt door een klein deel van de deelnemende leerlingen. Dit warenvoornamelijk de oudste leerlingen die deelnamen, met relatief veel woordenschatkennis (Nederlands en Arabisch). Conclusie & discussie
De digitale prentenboeken lijken veelbelovend op het gebied van woordenschatontwikkeling; leerlingen hebben wel meer hulp nodig bij het gebruik van de hulpknop.
Papersymposium (90 minuten)816Kathleen Bodvin, Karel de Grote Hogeschool, Antwerpen, Lindsay Everaert, UHasselt, Diepenbeek, Wim Tops, Karel de Grote Hogeschool, Antwerpen, Kathleen Bodvin (voorzitter), Haydée De Loof (discussiant) 7.002vr 09:00 – 10:30 De doelstellingen van de sessie Dit symposium brengt drie onderzoekstopics samen die elk een essentiële schakel vormen in het creëren van krachtige leeromgevingen: (A) effectief klasmanagement en een veilig klasklimaat, (B) groepsdynamieken en pesten, en (C) bewegend leren als studentgerichte didactiek. Doel is om te tonen hoe klas- en groepsprocessen én leerontwerp elkaar beïnvloeden, en welke evidence-informed handvatten scholen en lerarenopleidingen daaruit kunnen halen. Een overzicht van de presentatie Bijdrage 1 (Groepsdynamiek & pesten) licht een evidence-informed leidraad toe die groepsdynamiek en (online) pesten als continuüm benadert, gebaseerd op Delphi, umbrella reviews en validatie in focusgroepen. Bijdrage 2 (Klasmanagement) presenteert een raamwerk met negen bouwstenen voor effectief klasmanagement, ontwikkeld via literatuurstudie, focusgroepen en casestudies in tien scholen. Bijdrage 3 (bewegend leren) rapporteert resultaten uit een RCT en mixed-method onderzoek (n=350) naar effecten van bewegend leren op leerprestaties, aandacht en welbevinden, met extra focus op voorwaarden in authentieke klascontexten en ervaringen van leerlingen met autisme. De wetenschappelijke betekenis De sessie combineert complementaire methoden (casestudies, Delphi + evidence synthese, RCT + kwalitatieve verdieping) en verbindt inzichten over gedrag, groepsprocessen en leerontwerp. Daardoor ontstaat een geïntegreerd handelingskader voor onderwijsprofessionals: welke kernpraktijken werken preventief, wanneer is intensievere interventie nodig, en onder welke ontwerpvoorwaarden ondersteunen didactische innovaties zowel leren als inclusie. De structuur van de sessie Het symposium start met een inleiding (5 minuten), gevolgd door drie presentaties van elk 12 minuten en 8 minuten discussietijd per bijdrage. Afsluitend is er een kritische bespreking door de discussiant (10 minuten) en een discussie met de deelnemers (15 minuten). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onderwijs voor transitie vraagt leeromgevingen die zowel effectief als sociaal veilig en inclusief zijn, zodat jongeren kunnen leren en participeren in een complexe samenleving. Dit papersymposium legt de nadruk op de doorwerking en valorisatie van onderwijsonderzoek: we vertalen internationale en Vlaamse evidentie naar concrete kaders en leidraden voor klas- en schoolniveau (klasmanagement; groepsdynamiek en (online) pesten) en toetsen didactische innovatie via experimenteel en mixed-method onderzoek (embodied learning). Methodologisch combineren we evidence synthese, praktijkexpertise en onderzoek in authentieke onderwijscontexten om implementatiegerichte kennis te leveren voor professionalisering en schoolbeleid. Individuele bijdrage 1 Groepsdynamiek en pesten als continuüm: een evidence-informed kader voor preventie en interventie in het onderwijs Aanleiding, achtergrond en theoretisch kader In het Vlaamse onderwijs groeit, naast aandacht voor een kennisrijk curriculum, de vraag naar effectieve didactiek, sterk klasmanagement en een veilig sociaal leerklimaat. Groepsdynamiek en pesten worden daarbij steeds vaker benaderd als één continuüm: investeren in positieve groepsdynamiek werkt preventief, terwijl inadequaat groepsfunctioneren het risico op (online) pesten verhoogt. In opdracht van Leerpunt werd daarom een evidence-informed leidraad ontwikkeld voor leraren in basis- en secundair onderwijs. Het theoretisch kader vertrekt vanuit de preventiepiramide van Deklerck (2011), met niveaus van handelen (preventief tot curatief/reactief) en aandacht voor acties op leraar-, klas-, school- en omgevingsniveau. Vraagstelling (1) Welke evidence-informed aanbevelingen versterken groepsdynamiek en voorkomen (online) pesten? (2) Welke evidence-informed aanbevelingen ondersteunen leraren bij het omgaan met escalerende pestsituaties in de klas, op school en online? Methode Een Delphi-studie met wetenschappelijke en praktijkexperten bracht kennisnoden in kaart en prioriteerde thema’s. Per geprioriteerd thema werd een umbrella review uitgevoerd waarin systematische reviews, meta-analyses en geselecteerde interventiestudies werden geanalyseerd via een common elements-benadering. De geïdentificeerde werkzame strategieën en interventiecomponenten werden vertaald naar concrete evidence-informed aanbevelingen voor leraren. Deze werden gevalideerd en verfijnd in focusgroepen met onderwijsprofessionals, en aangevuld met praktijkvoorbeelden en ondersteunend materiaal. Resultaten De leidraad biedt een overzicht van werkzame strategieën voor groepsdynamiek en (online) pesten, geordend naar preventief versus reactief handelen en naar niveau (leraar, klas, school en omgeving). Daarnaast biedt de leidraad een gestructureerd overzicht van bestaande programma’s, interventies en materialen die direct inzetbaar zijn in de onderwijspraktijk. Discussie en conclusie De leidraad toont hoe groepsdynamiek, pesten en klasmanagement samen een coherent handelingskader vormen voor leraren. Door onderzoeksevidentie systematisch te combineren met praktijkexpertise draagt het project bij aan duurzame, contextgevoelige professionalisering rond groepsdynamiek en sociale veiligheid. Individuele bijdrage 2 Van grenzen stellen tot verbinden: bouwstenen voor effectief klasmanagement in krachtige leeromgevingen Aanleiding, achtergrond en theoretisch kader, relevantie van het onderzoek: Leerkrachten(teams) hebben nood aan versterking in effectief klasmanagement en een veilig klasklimaat. Internationale bevindingen (TALIS 2018) tonen bovendien dat in Vlaanderen relatief veel lestijd verloren gaat aan ordehandhaving. Het onderzoek benadert klasmanagement vanuit een ecologisch perspectief (Bronfenbrenner, 1979), met aandacht voor klas- en schoolcontext, en integreert het onderscheid tussen preventieve en curatieve strategieën (Deklerck, 2011). Vraagstelling: (1) Welke essentiële bouwstenen bevorderen effectief klasmanagement? (2) Hoe worden deze bouwstenen in Vlaamse scholen concreet vormgegeven en welke aanbevelingen volgen hieruit? Methode: In drie fasen werd (i) een literatuurstudie uitgevoerd en een raamwerk opgebouwd, (ii) het raamwerk aangevuld en getoetst via zeven focusgroepen met diverse onderwijsactoren en aanvullende interviews, en (iii) tien scholen diepgaand onderzocht op zoek naar goede praktijkvoorbeelden van effectief klasmanagement via casestudies met directie-interviews, focusgroepen met leerkrachten en leerlingen, observaties en documentanalyse, gevolgd door verticale en horizontale analyse. Resultaten: Negen bouwstenen werden geïdentificeerd (1) leerkracht-leerlingrelatie, (2) ouder als partner, (3) cultureel responsief lesgeven, (4) didactiek en vakkennis, (5) infrastructuur en inrichting, (6) omgaan met ongewenst gedrag, (7) socio-emotioneel leren, (8) herstelgericht werken en (9) regels en routines. Scholen zetten doorgaans in op meerdere bouwstenen tegelijk; bouwstenen hangen samen en versterken elkaar. Een cruciale bevinding is dat klasmanagement een schoolbrede aanpak vergt, ondersteund door sterk schoolleiderschap, teamwork en continue professionalisering. Discussie en conclusie: De studie concludeert dat effectief klasmanagement een dynamische wisselwerking is tussen preventieve en curatieve strategieën. Het raamwerk concretiseert klasmanagement als het creëren van een leeromgeving die lesgeven en leren mogelijk maakt, via een sterke preventieve basis én gepaste curatieve respons op klas- en schoolniveau. Aanbevelingen richten zich op het verankeren van een gedeelde visie en beleid en het bieden van aandacht voor teamoverleg en groei. Individuele bijdrage 3 Bewegend leren in het secundair onderwijs: een brug tussen cognitie, neurodiversiteit en klasontwerp Aanleiding, achtergrond en theoretisch kader Het secundair onderwijs staat onder druk door dalende leerprestaties, toenemende diversiteit in de klas en zorgen rond het welbevinden van jongeren (OECD, 2023). Tegelijk groeit de aandacht voor kennisrijke curricula, effectieve didactiek en klasmanagement. Bewegend leren of embodied learning (EL) kan een brug slaan tussen cognitieve leerdoelen, betrokkenheid en fysieke activiteit. Vanuit embodied cognition wordt leren gezien als een interactie tussen lichaam, brein en omgeving, waarbij lichamelijke ervaring diepere kennisverwerking kan ondersteunen. Hoewel studies in het kleuter- en lager onderwijs positieve effecten rapporteren, ontbreekt robuuste evidentie in het secundair onderwijs, zeker in inclusieve contexten en voor neurodivergente leerlingen. Vraagstelling onderzoekt (1) in welke mate EL bijdraagt aan leerprestaties, aandacht en welbevinden, (2) onder welke voorwaarden EL effectief is in authentieke klascontexten, en (3) hoe leerlingen met autisme EL ervaren. Methode Een multidisciplinair mixed-method design werd gebruikt. Een gerandomiseerde gecontroleerde studie (n = 350) vergeleek een zes weken durende EL-interventie met een controlegroep. Kwantitatieve data omvatten toetsresultaten, vragenlijsten over aandacht en welbevinden, en activity-tracking. Daarnaast werden focusgroepen en participatieve methoden ingezet. Aanvullend werd een exploratieve schoolstudie uitgevoerd bij leerlingen met autisme. Resultaten EL liet kleine tot matige positieve effecten zien op leerprestaties en aandacht. Leerlingen in de interventiegroep waren fysiek actiever tijdens lessen én pauzes. Effecten op welbevinden waren kwantitatief niet eenduidig, maar kwalitatieve data wijzen op verhoogde betrokkenheid en motivatie. Voor leerlingen met autisme blijkt EL haalbaar, mits sensorisch doordachte, laag-intensieve bewegingsvormen en een duidelijke aanpassingsperiode. Discussie en conclusie Bewegend leren is een veelbelovende didactische werkvorm in het secundair onderwijs, op voorwaarde dat ze structureel wordt ingebed, rekening houdt met de fysieke leeromgeving en ondersteund wordt door schoolbeleid en professionalisering van leerkrachten. Paperpresentatie (30 minuten)181Cok Bakker, Hogeschool Utrecht, Utrecht 0.043vr 11:15 – 12:15 In hedendaagse samenlevingen nemen polarisatie, normatieve spanningen en maatschappelijke controverses toe. Deze ontwikkelingen werken door in het onderwijs en manifesteren zich in de klas, waar studenten uiteenlopende (en soms onverenigbare) standpunten (leren) innemen over maatschappelijke, morele en politieke kwesties. Dit roept fundamentele vragen op over de pedagogische opdracht van scholen en de professionele rol van docenten.Deze bijdrage is gebaseerd op theoretisch en conceptueel onderzoek naar de school als een ‘pedagogische tussenruimte’: een intentioneel ingerichte leeromgeving tussen de private sfeer van gezin en de publieke sfeer van samenleving (Arendt, Dewey). Binnen deze tussenruimte oefenen studenten het ontwikkelen van een eigen standpunt, het omgaan met verschil en het voeren van discussie en dialoog zonder dat consensus het primaire doel is. Het theoretisch kader is geworteld in pedagogische en onderwijsfilosofische literatuur.De centrale vraagstelling luidt: hoe kan de school functioneren als pedagogische tussenruimte en wat vraagt dit van de professionele houding en didactische handelingsbekwaamheid van docenten?Doel van de bijdrage is inzicht te bieden in de pedagogische betekenis van de tussenruimte en in de professionele kwaliteiten die van docenten worden gevraagd om deze ruimte vorm te geven. De analyse resulteert in een uitgewerkt concept van de school als pedagogische tussenruimte, waarin vier samenhangende dimensies van docentprofessionalisering worden onderscheiden:de didactiek van de pedagogische tussenruimte (‘hoe creeer ik een pedagogische tussenruimte?’);professioneel omgaan met verschillen in de klas (‘hoe ga ik om met een voor mij onverteerbaar standpunt?’);reflectie op de eigen positionering en normativiteit van de docent (‘de coming out op je eigen standpunt’);afstemming op de identiteit, cultuur en morele kaders van de school als organisatie.De presentatie nodigt het publiek expliciet uit tot reflectie en uitwisseling. Aan de hand van eigen casuïstiek reflecteren deelnemers op docentpositie, neutraliteit, machtsasymmetrie en schoolcultuur. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onderwijs voor transitie vraagt om herijking van de pedagogische kern van onderwijs. In een tijd van maatschappelijke fragmentatie en normatieve onzekerheid verschuift de opdracht van onderwijs van kennisoverdracht alleen naar het faciliteren van betekenisvolle ontmoeting met verschil. De pedagogische tussenruimte verheldert hoe scholen deze transitie kunnen vormgeven zonder te vervallen in indoctrinatie of schijnneutraliteit. Daarmee laat deze bijdrage zien hoe onderwijs kan bijdragen aan een open, rechtvaardige en duurzame samenleving. Paperpresentatie (30 minuten)848Ama Amitai, Odisee Hogeschool, Brussel 0.043vr 11:15 – 12:15 Omgaan met verschillende waarden op school vormt een uitdaging in alle lessen, zeker in de lessen levensbeschouwing waar waardegeladen thema’s zoals gender, racisme en levensbeschouwelijke diversiteit vaak aan bod komen. Dergelijke onderwerpen roepen vaak emotionele reacties op bij leerlingen en confronteren leraren met de complexiteit van een meerstemmige dialoog over uiteenlopende perspectieven [1,2]. Hoewel er reeds onderzoek bestaat naar het omgaan met controversiële kwesties in de klas [3,4], is er weinig aandacht voor de specifieke noden van leraren die levensbeschouwing geven. Uit studies blijkt dat dialoog een stimulerende factor is in het bevorderen van zowel kritisch denken als waardegeladen denken in de klas [5,6]. Waardegeladen kritisch denken wordt in deze studie opgevat als het begrijpen van verschillende perspectieven, het respectvol en kritisch onderzoeken van deze perspectieven en het vormen van een geïnformeerd en beredeneerd moreel standpunt, inclusief metareflectie [7]. Om waardegeladen kritisch te denken tijdens een dialoogactiviteit hebben leerlingen echter ondersteuning nodig door leerkrachten, gezien leerlingen dit niet automatisch doen en dit niet automatisch als een leerkans herkennen [8]. Daarnaast hebben de verschillende rollen die leerkrachten levensbeschouwing opnemen- als getuige, expert of moderator [9]- een invloed op hoe ze waardegeladen kritisch denken benaderen. Deze studie, waarbij we leraren bevraagden via 19 interviews en een enquête bij 184 leraren , onderzoekt de noden van leerkrachten levensbeschouwing in Vlaanderen en Brussel bij het stimuleren van een waardegeladen kritische dialoog over levensbeschouwelijke onderwerpen, die mogelijk controverse oproepen in de klas. Ten tweede onderzoeken we welke rollen leraren levensbeschouwing opnemen tijdens het begeleiden van een waardegeladen kritische dialoog. Als derde onderzoeken we aan welke ontwerpcriteria een methodiek dient te voldoen om waardegeladen kritisch denken te stimuleren en wordt de ontwikkelde methodiek, geïnspireerd op de filosofische dialoogmethode, besproken. In deze sessie testen we de ontwikkelde methodiek kort uit, waarna we de onderzoeksresultaten bespreken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)527Eelco Braad, Hanzehogeschool, Groningen, Esther van der Stappen, Avans Hogeschool, Breda, Patrick Ubags, Avans Hogeschool, Breda 0.055vr 11:15 – 12:15 Digitale technologie wordt steeds vaker ingezet om studenten in het hoger onderwijs te ondersteunen bij het reguleren van hun leren en het ontwikkelen van de daarvoor benodigde vaardigheden1–3. Hoewel veel studies positieve effecten rapporteren, is nog veel onduidelijk over welke kenmerken van technologische interventies precies bijdragen aan welke aspecten van regulatie van leren (RL)1,4–6. Deze studie is onderdeel van een meerjarig project waarin onderzoek wordt gedaan naar het ondersteunen van RL binnen flexibel hoger onderwijs. Om antwoord te krijgen op de onderzoeksvraag “Hoe kan technologie effectief regulatie van leren ondersteunen?” is een systematische review uitgevoerd. Hierin werden 136 empirische studies geanalyseerd waarin technologie ingezet wordt ter ondersteuning van zelfregulatie (ZRL)7, co-regulatie (CoRL)8 en/of socially shared regulation (SSRL)9 van leren in een authentieke context in hoger onderwijs. De studies zijn geanalyseerd op basis van de kenmerken van de educatieve context, methodologie, interventie en uitkomsten. Om meer zicht te krijgen op de werkzame ingrediënten van technologie-ondersteunde interventies10 gericht op RL wordt in de analyse gekeken naar de combinatie van medium (vorm) en methode (functie) in de technologie6,11,12. In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van trends in studieopzet, contexten, gebruikte technologieën en toegepaste methoden. Tevens wordt een evidence gap map13 gepresenteerd, waarin wordt gevisualiseerd voor welke combinaties van medium, methode en type regulatie positieve effecten bekend zijn. Het doel van deze bijdrage aan het congres is om onderzoekers en docenten (a) inzicht te geven in effectieve manieren om met behulp van technologie RL door studenten in hoger onderwijs te bevorderen en (b) handvatten te geven om de inzet van technologie in onderwijs te duiden aan de hand van hun vorm en functie. Tijdens de presentatie wordt het publiek actief betrokken door gezamenlijk te analyseren welke implicaties de bevindingen hebben voor ontwerp en implementatie van technologie in hun eigen onderwijscontext. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De digitale transformatie in hoger onderwijs vraagt om praktische en onderbouwde handreikingen vanuit onderzoek. Er is echter nog weinig onderzoek dat specifiek binnen hoger onderwijs een verband legt tussen leren, leeromgeving en de rol en inhoud van technologie. Onze bijdrage biedt enerzijds inhoudelijke handreikingen met betrekking tot regulatie van leren met technologie. Anderzijds biedt het een perspectief op en analysekader voor de rol van technologie in onderwijs, door voorbij de technologie te kijken naar welke verschijningsvormen (medium) en welke onderwijskundige functies (methoden) bijdragen aan de beoogde effecten. Onze bijdrage richt zich daarmee zowel op theoretische gronding als doorwerking. Paperpresentatie (30 minuten)342Patrick Sins, Hogeschool Rotterdam, Rotterdam 0.055vr 11:15 – 12:15 Aanleiding, achtergrond, theoretisch kader en relevantie van het onderzoekHet vermogen om te leren leren is essentieel voor studiesucces en een leven lang leren (OECD, 2017). Zelfregulerend leren (ZRL) speelt hierin een sleutelrol en omvat cognitieve en metacognitieve strategieën waarmee leerlingen hun leerproces plannen, monitoren en evalueren (Muijs & Bokhove, 2020; Panadero, 2017). Onderzoek toont aan dat ZRL-strategieën positief samenhangen met leerprestaties (Dent & Koenka, 2016), maar internationale studies laten zien dat deze strategieën zich tijdens de middelbareschooltijd nauwelijks ontwikkelen (Askell-Williams et al., 2012; Askell-Williams & Lawson, 2015). Dit is zorgwekkend, omdat juist in deze fase een belangrijke basis wordt gelegd voor zelfstandig leren. In Nederland is nog beperkt onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van ZRL-strategieën in het voortgezet onderwijs. Dit onderzoek draagt bij aan dat inzicht en onderstreept de noodzaak van structurele aandacht voor ZRL in de onderwijspraktijk.Vraagstelling van het onderzoekWelke verschillen zijn er in het gebruik van metacognitieve en cognitieve ZRL-strategieën tussen leerlingen uit verschillende leerjaren in het voortgezet onderwijs?Welke verschillen zijn er in het gebruik van deze strategieën op basis van de zelfbeoordeling van leerlingen van hun schoolprestaties (minder, gemiddeld of goed)?Doelstelling van de bijdrageDeze bijdrage heeft als doel inzicht te bieden in het gebruik en de ontwikkeling van ZRL-strategieën bij havo- en vwo-leerlingen en de relatie met hun zelfperceptie van schoolprestaties. Op basis van de resultaten wordt gepleit voor een expliciete en structurele integratie van ZRL-instructie in het voortgezet onderwijs.Dialoog/interactie met publiekHet publiek wordt uitgenodigd om in gesprek te gaan over herkenning van de resultaten in de onderwijspraktijk en te reflecteren op de vraag hoe en waar ZRL-strategieën doelgericht en duurzaam kunnen worden geïntegreerd in het curriculum. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)472Jerich Faddar, Vrije Universiteit Brussel, Brussel, Loth Van Den Ouweland, Karel de Grote Hogeschool, Antwerpen, Jan Vanhoof, Universiteit Antwerpen, Antwerpen 1.022vr 11:15 – 12:15 Hoewel de zorg voor onderwijskwaliteit een gezamenlijke opdracht is van allen ligt de formele eindverantwoordelijkheid bij het schoolbestuur. Zij zijn juridisch verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs, organiseren het aanbod en bepalen beleidsruimte, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van schoolleiders. Binnen initiatieven die tot doel hebben de onderwijskwaliteit te verhogen, vormen schoolbesturen een belangrijke partner. Toch is er over hun samenstelling, interne werking of realisaties weinig geweten, noch over determinanten van verschillen tussen schoolbesturen. Tegen deze achtergrond beantwoorden we in deze bijdrage drie onderzoeksvragen: (1) Hoe conceptualiseren bestuurders en schoolleiders ‘effectief functioneren’? (2) Hoe schatten zij indicatoren voor effectiviteit in? En (3) In welke mate verklaren organisatiekenmerken (zoals grootte, beleidsvoerend vermogen en rolopvatting) verschillen in functioneren? Conceptueel bouwen we verder op (inter)nationaal onderzoek dat aantoont dat de kwaliteit van schoolbesturen beschouwd kan worden als de effectiviteit van hun werking op diverse beleidsdomeinen (o.a. onderwijskundig en financieel) (Balarin, 2014; Balarin et al., 2008; Devos et al., 1999; Hess, 2002) en op de vaststelling dat niet elk bestuur elk domein op dezelfde manier vormgeeft. Besturen kunnen een beleidsbepalende, toezichthoudende of bekrachtigende rol opnemen (Devos, 2008; Devos et al., 1999; Rekenhof, 2019), afhankelijk van het domein. Unda et al. (2023) tonen bijvoorbeeld aan dat voor financieel en identiteitsbeleid vaker een beleidsbepalende rol verwacht wordt. Daarnaast zouden grotere besturen vaker bevoegdheden delegeren naar schoolleiders (Stevenson et al., 2021). Om (verschillen in) het functioneren van schoolbesturen zelf te verklaren, en om hun relaties met de schoolleiders te analyseren doen we beroep op het concept ‘beleidsvoerend vermogen’ (Vanhoof & Van Petegem, 2017). Deze bijdrage biedt een synthese van conceptuele en empirische inzichten over functioneren van schoolbesturen, met aandacht voor indicatoren en beïnvloedende factoren. Van daaruit openen we het debat over hoe de overheid het functioneren van schoolbesturen verder kan sturen, rekening houdend met bestaande sterktes en zwaktes. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (60 minuten)268Jan Baan, Vrije Universiteit, Amsterdam, Tamar Bakker, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam, Sabine Oudshoorn, Vrije Universiteit (VU), Amsterdam 1.050vr 11:15 – 12:15 De snel veranderende maatschappij, gekenmerkt door complexe en samenhangende vraagstukken, vraagt om onderzoekende leerkrachten die zichzelf en hun onderwijs blijvend ontwikkelen. Universitaire lerarenopleidingen in het basisonderwijs leiden leerkrachten op die door onderzoeksmatig werken kunnen bijdragen aan onderwijsverbetering in hun eigen klas en school. Deze academisch opgeleide leerkrachten gebruiken bovengemiddeld vaak (wetenschappelijke) literatuur ter onderbouwing van hun lesgeven en vervullen regelmatig aanvullende rollen gericht op onderwijsontwikkeling (Coenen et al., 2021; Baan, 2021). Tegelijkertijd blijkt dat een meerderheid van deze leerkrachten geen rol heeft waarin zij hun wetenschappelijke kennis en vaardigheden structureel kunnen inzetten. Voor veel academische leerkrachten vormt dit een belangrijke reden om het onderwijs te verlaten (Broeks et al., 2018; Coenen et al., 2021). Uit CBS-data blijkt dat leerkrachten in het basisonderwijs met een academische opleiding ongeveer anderhalf keer zoveel kans hebben om door te stromen naar andere functies binnen het onderwijs, zoals schooldirecteur of naar het voortgezet onderwijs, maar ook anderhalf keer zoveel kans hebben om de onderwijssector te verlaten (Wolf et al., 2024). Dit onderstreept de noodzaak van professionaliseringsactiviteiten die bijdragen aan het behoud van deze leerkrachten door het beter benutten van hun expertise. In deze sessie wordt deze problematiek verkend aan de hand van kwantitatieve en kwalitatieve data, waaronder vragenlijsten, geschreven reflecties van vierdejaarsstudenten en interviews met alumni en schoolbesturen. Deze data bieden inzicht in de verwachtingen van studenten ten aanzien van onderzoeksmatig werken en de mate waarin deze verwachtingen in de praktijk gerealiseerd worden en kunnen daarom richting geven aan het ontwerpen van professionaliseringsactiviteiten. Daarna begint het interactieve gedeelte waarin we in groepen uiteen gaan om ideeën voor professionaliseringsactiviteiten uit te werken voor academische leerkrachten op het gebied van hun eigen klas, en in hun school of schoolbestuur. Ten slotte worden de ideeën gepresenteerd zodat de perspectieven van de verschillende groepen naar voren komen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In een maatschappij in transitie wordt van het onderwijs verwacht dat het leerlingen voorbereidt op complexe en voortdurend veranderende maatschappelijke vraagstukken. Universitaire pabo’s leiden leerkrachten op die onderzoeksmatig werken en daarmee kunnen bijdragen aan duurzame onderwijsverbetering en innovatie. Deze onderzoekende houding is essentieel om leerlingen een stevige basis te bieden voor deelname aan de samenleving en om hen te leren kritisch te denken. Tegelijkertijd laat onderzoek zien dat het potentieel van academische leerkrachten in de praktijk onvoldoende wordt benut. Gerichte professionalisering is daarom nodig om hun expertise in te zetten voor onderwijs dat meebeweegt met maatschappelijke veranderingen. Paperpresentatie (30 minuten)392Mascha Enthoven, Hogeschool Inholland, Lectoraat De Pedagogische Opdracht, Haarlem, Eline Veldt, Hogeschool Inholland, Den Haag 1.054vr 11:15 – 12:15 Scholen worstelen met het samenhangend en doelgericht aanbieden van burgerschapsonderwijs, stelt de onderwijsinspectie (2025) in De Staat van het onderwijs 2025. Inspecteurs constateren bijvoorbeeld dat leraren het lastig vinden om concrete leerdoelen te formuleren en vooral denken vanuit lesactiviteiten. Juist nu burgerschapsonderwijs in het licht van de nieuwe kerndoelen en maatschappelijke ontwikkelingen onder de loep ligt, is het van belang om kennis te nemen van de overwegingen en keuzes die leerkrachten maken als het gaat om burgerschap. De rol van docenten in burgerschapsonderwijs is vaker onderwerp van onderzoek, veelal in de context van het voortgezet- en beroepsonderwijs en gericht op het verbeteren van de onderwijskwaliteit. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om good practices van (docent)experts (Teegelbeckers et al., 2025; Heijstek-Hofman et al., 2024) of het ontwikkelen van ondersteunend materiaal (Steenbergen-Bosma et al., 2017). Verder is bijvoorbeeld bekend dat persoonlijke opvattingen van docenten een rol spelen in burgerschapsonderwijs (De Schaepmeester et al., 2022). Er is nog niet eerder onderzocht wat leerkrachten in het basisonderwijs beschouwen als relevant of betekenisvol ‘burgerschapsvormend handelen’. Dit is een interessante invalshoek omdat zich gedurende een schooldag talrijke momenten voordoen die kunnen worden benut om bij te dragen aan de burgerschapsvorming van leerlingen. Inzicht in de keuzes en overwegingen die hieraan ten grondslag liggen, helpt leerkrachten om hun handelen op dit gebied te verantwoorden en kritisch onder de loep te nemen. Om recht te doen aan de duiding van het burgerschapsvormend handelen van individuele leerkrachten is gekozen voor diepte-interviews met een kleine onderzoeksgroep. Tijdens de presentatie worden de bevindingen van dit onderzoek gedeeld: wat kenmerkt het burgerschapsvormend handelen van de geïnterviewde leerkrachten? Er worden praktijkvoorbeelden van burgerschapsvormend handelen gepresenteerd en er is ruimte om in gesprek te gaan over de bijdrage die dit onderzoek kan leveren aan het verder vormgeven van doelgericht burgerschapsonderwijs in deze tijd van transitie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)796Yaël Weening, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 1.054vr 11:15 – 12:15 Inleiding Het in de klas bespreken van controversiële maatschappelijke vraagstukken, zoals genderdiversiteit, klimaatverandering en migratie, biedt belangrijke kansen voor de burgerschapsvorming van leerlingen (De Groot et al., 2022; Hess & McAvoy, 2015; Wansink et al., 2023). Echter, zijn veel leerlingen niet gewend om in de klas met elkaar in dialoog te gaan, waardoor dialogische vaardigheden vaak ontbreken (Mercer & Howe, 2012; Nystrand et al., 2003). Hoewel het belang van deze praktijk breed wordt erkend is er nog weinig empirisch onderzoek hoe docenten gedurende een langere periode kunnen werken aan dialogische vaardigheden en het creëren van een open en veilig klasklimaat bij het bespreken van controversiële onderwerpen en welke effecten dit heeft op de ontwikkeling van burgerschap van leerlingen. Interventie Dialoog+ In dit paper wordt de effectiviteit onderzocht van een interventie (Dialoog+), waarin docenten gedurende tien weken samen met hun leerlingen dialogische vaardigheden oefenen en vervolgens acht lessen verzorgen over controversiële maatschappelijke onderwerpen. Docenten werden stap voor stap begeleid in het creëren en onderhouden van een open en veilig klasklimaat, het zorgvuldig en langdurig oefenen van dialogische vaardigheden en het begeleiden van klassengesprekken over controversiële onderwerpen. Onderzoeksvraag De centrale onderzoeksvraag luidt: Wat zijn de effecten van de Dialoog+-interventie op de burgerschapscompetenties van leerlingen? Daarbij is onder andere gekeken naar de effecten op de percepties van leerlingen van een open en veilig klasklimaat, geloof in eigen kunnen om hun mening te verwoorden en bereidheid tot deelname aan gesprekken over controversiële vraagstukken, multiperspectiviteit en ondersteuning van democratische waarden. Tijdens de presentatie worden deelnemers actief betrokken door gezamenlijk te reflecteren op de effecten van de Dialoog+ interventie en de betekenis daarvan voor het vormgeven van dialogisch burgerschapsonderwijs in de klas. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)564Jorik Arts, Fontys Hogeschool, Tilburg 1.056vr 11:15 – 12:15 In een maatschappij in transitie wordt van onderwijs verwacht dat het lerenden voorbereidt op complexe en veranderlijke contexten, met nadruk op leven lang ontwikkelen, adaptiviteit en eigenaarschap over leren. Zelfgereguleerd leren (ZRL) speelt hierin een sleutelrol en staat centraal in onderwijsinitiatieven zoals inquiry-based learning, programmatisch toetsen en formatieve evaluatie (Brenner, 2022). ZRL wordt beschreven als een cyclisch proces waarin lerenden hun cognities, emoties en gedrag reguleren vóór, tijdens en na leertaken (Panadero et al., 2018; Butler & Winne, 1995; Zimmerman & Chunck, 2011). Motivatie vormt een cruciale component binnen ZRL, omdat zij richting geeft aan leerdoelen, inzet en doorzettingsvermogen (Panadero, 2017; Ryan & Deci, 2017). Binnen hedendaagse motivationele modellen ontstaat gemotiveerd gedrag vanuit de interactie tussen persoon en omgeving (Urhahne & Wijnia, 2023). Veel gebruikte meetinstrumenten voor motivatie zijn kwantitatieve vragenlijsten. Hoewel zeer waardevol, richten deze zich vooral op cognitieve reflectie en werken zij met vooraf vastgestelde doelen, waardoor contextuele en copingprocessen mogelijk onderbelicht blijven (Dowson & McInerney, 2003; Panadero, 2017). In dit empirische onderzoek met leerlingen in het voortgezet onderwijs, bachelor- en masterstudenten verkennen wij daarom de storyline-methodologie als holistische en visuele evaluatievorm. Deze narratieve methode vraagt deelnemers hun ervaren motivatie over tijd te tekenen en betekenisvolle scharnierpunten te duiden (Beijaard, 1999), en sluit aan bij interpretive descriptive methodology (Thorne, 2016). Storylines bieden rijke inzichten en kunnen tevens fungeren als gespreksstarter in onderwijscontexten (Leeferink, 2019). Vraagstelling: In welke mate is de storyline-methodologie geschikt om zichtbaar te maken hoe de interactie tussen persoon en omgeving de ervaren motivatie beïnvloedt? Doel en interactie: De bijdrage introduceert storylines als laagdrempelige evaluatiemethode. Deelnemers tekenen zelf een korte storyline, waarmee zij de methodologie ervaren en gezamenlijk reflecteren op de waarde ervan voor onderwijs in een maatschappij in transitie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)627Gert Vanthournout, AP Hogeschool, Antwerpen 1.056vr 11:15 – 12:15 Sinds 2023 voert Vlaanderen geleidelijk aan gestandaardiseerde toetsen in voor Nederlands en wiskunde op vier momenten in het basis- en secundair onderwijs (SCTO, 2022). Scholen krijgen de resultaten op deze toetsen gepresenteerd via een interactief, digitaal feedbackdashboard (Hoefkens et al., 2024) in het softwarepakket Tableau. In 2021 richtte de Vlaamse overheid het Steunpunt Centrale Toetsen in het Onderwijs (SCTO) op om haar o.m. via onderzoek te ondersteunen bij de implementatie van de toetsen. De huidige bijdrage presenteert de resultaten van het gebuikersonderzoek dat in 2024 werd uitgevoerd n.a.v. de eerste afname van de toetsen in het 4e leerjaar basisonderwijs en het 2e jaar secundair onderwijs. Daarin werd de gebruiksvriendelijkheid en het gebruikersgemak van de dashboards onderzocht (OV1). Tevens werden deelnemers gevraagd naar de kwaliteit van ingebouwde hulpmiddelen (OV2). Ten slotte werd bij deelnemers gepeild naar suggesties ter verbetering (OV3). Voor elke vraag werd nagegaan of er zich verschillen voordeden al naargelang het onderwijsniveau, de functie of de digitale- en statistische geletterdheid. De resultaten van het onderzoek worden besproken op de stuurgroep van het SCTO. Via een tweewekelijks overleg tussen SCTO en de Vlaamse overheid wordt de vertaling van inzichten in concrete aanpassingen van de dashboards gerealiseerd. Tijdens de presentatie hebben we niet enkel aandacht voor het onderzoek maar geven we ook een snelle demonstratie van de feedbackdashboards. We voorzien ruimte voor vragen uit het publiek op het einde van de presentatie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vlaanderen voerde gestandardiseerde toetsen met het oog op professionalisering en kwaliteitsverbetering. De toetsen moeten het Vlaamse Onderwijs in beweging zetten. Daartoe is het belangrijk dat schoolleiders, leerkrachten en beleidsondersteuners de toetsen kunnen gebruiken. Gebruikersonderzoek kan hierop een zicht geven. Daarom worden de resultaten van dit onderzoek ook intensief besproken met de overheid en vormen inzichten uit dit onderzoek de basis voor de verdere ontwikkeling van de dashboards. Paperpresentatie (30 minuten)740Siem Schipper, UMC Groningen, Groningen 1.074vr 11:15 – 12:15 Hoewel motivatie van studenten een belangrijke motor is voor leren en welzijn binnen het medisch onderwijs1, signaleren onderwijzers een lage betrokkenheid en een afname van motivatie gedurende het curriculum2,3. Motivatie is in het medisch onderwijs vanuit verschillende invalshoeken onderzocht, bijvoorbeeld via motivatieprofielen, gedragsindicatoren zoals betrokkenheid en aanwezigheid, en veranderingen in motivatie over de tijd. Er is tot nu toe echter weinig aandacht geweest naar hoe geneeskundestudenten zélf begrijpen en duiden dat zij zich ongemotiveerd voelen in het dagelijks onderwijs, en hoe deze ervaringen ingebed zijn in hun sociale en culturele onderwijscontext. Juist dit perspectief is relevant, omdat het laat zien hoe motivatie in de praktijk wordt ervaren en gevormd, en hoe onderwijspraktijken door studenten als demotiverend kunnen worden beleefd. Deze inzichten zijn nodig om onderwijs te ontwikkelen dat beter aansluit bij studenten en om onderwijsculturen te versterken die verder kijken dan het individu alleen. Onze kwalitatieve studie nam een inductieve benadering, waarin we vertrekken vanuit de ervaringen en interpretaties van studenten zelf. Onze onderzoeksvraag was: Hoe begrijpen en duiden bachelorstudenten geneeskunde ervaringen waarin zij zich ongemotiveerd voelen tijdens hun studie? In de discussie plaatsen we onze bevindingen in het licht van een socioculturele benadering van motivatie, waarin motivatie wordt opgevat als iets dat ontstaat in sociale interacties en onderwijspraktijken, en waarin gedeelde betekenissen, emoties en structurele kenmerken van het curriculum een centrale rol spelen4. Met deze bijdrage laten we zien hoe geneeskundestudenten hun demotivatie interpreteren en hoe deze interpretaties samenhangen met kenmerken van het onderwijs. Door motivatie te benaderen als een sociaal en cultureel proces bieden we een andere lens op motivatie. Tijdens de presentatie nodigen we het publiek uit om te reflecteren op herkenning in hun eigen onderwijscontext en om samen te verkennen wat een socioculturele blik op motivatie kan betekenen voor ieders onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)747Hedwig Darley, Universiteit Maastricht (UM), Maastricht 1.074vr 11:15 – 12:15 Aanleiding: De gezondheidszorg kampt met arbeidsmarkttekorten die verder toenemen1, mede door onvoldoende instroom van studenten in HBO-zorgopleidingen2. Flexibilisering van opleidingen, met keuzemogelijkheden in wat, waar, wanneer en hoe te studeren, kan naar verwachting een grotere en meer diverse studentengroep aantrekken3. Relevantie: Ontwerp van flexibele HBO-zorgopleidingen vereist onder meer een behoeftenonderzoek onder gezondheidszorgstudenten. Studentbehoefte is eerder onderzocht4, maar onvoldoende binnen zorgopleidingen. Deze presentatie gaat in op een behoefteonderzoek met de methode GroupConceptMapping 5 onder HBO-zorgstudenten van 8 opleidingen bij Zuyd Hogeschool. Theoretisch kader: Studies over flexibilisering vanuit studentperspectief in combinatie met de zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan6 vormden de theoretische basis voor het onderzoek. De onderzoeksvraag luidt: Welke aspecten van flexibel onderwijs zijn voor HBO-zorgstudenten van belang? Doelstelling van onderzoek is het bieden van aanknopingspunten voor het ontwerp van flexibele HBO-zorgopleidingen die aansluiten bij de behoeften van studenten. Aan de brainstormfase van behoefteonderzoek namen 274 studenten van HBO-zorgopleidingen deel tussen juni en november 2025. In antwoord op de prompt ‘Op welk vlak is flexibiliteit in de opleiding voor jou van belang?’ hebben deze studenten 294 ideeën gegenereerd. De ideeën zijn ontdubbeld tot 100 unieke ideeën over aspecten die voor studenten bij een flexibele zorgopleiding van belang zijn. De bij elkaar horende ideeën zijn door 25 participanten en experts inhoudelijk gecategoriseerd in clusters. Vervolgens zijn met Groupwisdom hiërarchische clusteranalyses uitgevoerd. Deze clusteranalyses resulteerden in hoofdthema’s / aspecten die studenten belangrijk vinden voor de flexibiliteit van hun opleiding. Voorbeelden van hoofdthema’s zijn: Onderwijsdidactiek; Communicatie over organisatie en inhoud; Persoonlijk welzijn / begeleiding studenten; Invulling van roosters; Timing van onderwijs; Zelfsturing student; Inhoudelijke keuzevrijheid. Binnen de thema’s zijn de behoeften zichtbaar die genoemd zijn.Dialoog:De interactie na toelichting van het onderzoek is gericht op de dialoog over aanpak en resultaten, het delen van inzichten en het ontvangen van reflecties voor toepassing en vervolgonderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (60 minuten)502Peter Elshout, Lectoraat De Pedagogische Opdracht, Hogeschool Inholland, Haarlem, Mascha Enthoven, Hogeschool Inholland, Lectoraat De Pedagogische Opdracht, Haarlem 1.078vr 11:15 – 12:15 Persoonsvorming is de afgelopen vijftien jaar regelmatig naar voren geschoven als een belangrijk onderdeel van onderwijs. Maar over de vraag wat het woord precies aanduidt, bestaat nog veel verschil van mening. Dit belemmert vruchtbare discussie over maatschappelijke vraagstukken rond de rol van scholen in de (persoons)vorming van leerlingen in zowel de academische, de beleidsmatige als de praktische context. We bespreken in deze presentatie een gepubliceerde conceptuele analyse en lopend empirisch onderzoek naar persoonsvorming op school. In de presentatie zal eerst een definitie van ‘persoonsvorming op school’ voorgesteld worden om vervolgens te beschrijven hoe verschillende concepties van persoonsvorming die in de discussie een rol spelen (zoals Bildung, Subjectificatie en Positive Education) zich verhouden tot deze bredere conceptualisering. Daarna zal empirisch onderzoek besproken worden dat uitgevoerd is onder 30 leerkrachten uit het basisonderwijs. De eerste resultaten en de analyse daarvan zullen gepresenteerd worden en de betekenis van dit onderzoek en de resultaten ervan zullen besproken worden. Het onderwerp van dit onderzoek sluit goed aan bij het thema ‘Onderwijs voor transitie’. ‘Hoe zorgen we dat onderwijs kinderen en jongeren een stevige basis biedt om deel te nemen aan de maatschappij?’, is één van de vragen in de beschrijving van het congresthema. Een antwoord op deze vraag is bijna altijd verweven met vragen over de persoonsvorming van leerlingen. Voor het vruchtbaar bespreken hiervan is conceptuele helderheid nodig, gebaseerd op de dagelijkse praktijk van leerkrachten. Ons onderzoek streeft ernaar deze helderheid te creëren op basis van gedegen conceptueel en kwalitatief onderzoek, en is daarom zeer relevant. Daarnaast is het voor ons als onderzoekers belangrijk om de werkwijze en resultaten te bespreken met een kritisch publiek dat de problematiek doorleefd heeft. Naast een presentatie van het onderzoek zal in verschillende werkvormen het gesprek met het publiek worden gezocht. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het onderwerp van dit onderzoek sluit goed aan bij het thema ‘Onderwijs voor transitie’. ‘Hoe zorgen we dat onderwijs kinderen en jongeren een stevige basis biedt om deel te nemen aan de maatschappij?’, is één van de vragen in de beschrijving van het congresthema. Een antwoord op deze vraag is bijna altijd verweven met vragen over de persoonsvorming van leerlingen. Voor het vruchtbaar bespreken hiervan is conceptuele helderheid nodig, gebaseerd op de dagelijkse praktijk van leerkrachten. Ons onderzoek streeft ernaar deze helderheid te creëren op basis van gedegen conceptueel en kwalitatief onderzoek, en is daarom zeer relevant. Rondetafelgesprek (30 minuten)123Laura Huiberts, Open Universiteit, Heerlen, Lieke Hartenberg-de Vries, Open Universiteit, Heerlen 1.080vr 11:15 – 12:15 Sinds januari 2024 zijn middelbare scholen in Nederland verplicht om beleid te voeren dat gebruik van smartphones tijdens de les verbiedt.1 Scholen kregen de vrijheid om het specifieke smartphonebeleid zelf vorm te geven. Dit leidde ertoe dat meer dan 40% van de scholen koos voor een volledig verbod op smartphones,2 waarbij smartphones ook verboden zijn tijdens pauzes, vrije uren en tussen de lessen. Hoewel een smartphoneverbod tijdens de les duidelijke voordelen laat zien (i.e., betere concentratie en leerprestaties),3-5 is er weinig bekend over de mogelijke effecten van een volledig smartphoneverbod op het gedrag en het welbevinden van leerlingen ná schooltijd. Het sociale leven van jongeren speelt zich voor een groot deel online af, waardoor smartphonegebruik een geïntegreerd onderdeel van hun dagelijks leven is.6 Smartphonegebruik brengt risico’s met zich mee, zoals overmatig gebruik, cyberpesten en sexting, maar het stimuleert ook het aangaan en onderhouden van vriendschappen, en bevordert identiteitsontwikkeling, autonomie en creativiteit.7 Het is onduidelijk wat het wegnemen van deze mogelijke voordelen tijdens de schooldag doet met gedrag ná schooltijd, zoals telefoongebruik, fysieke (in)activiteit, en uitstellen van huiswerk en slaaptijd, wat vervolgens het mentaal welbevinden8,9 en/of de leerprestaties10,11,12 van leerlingen kan beïnvloeden. Daarnaast is het onduidelijk of, en hoe het ervaren belang en de waarde van ‘real-life’ en online interacties veranderen als smartphones tijdens schooltijd niet wordt gebruikt. Tot slot weten we niet of leerlingen deze mogelijke effecten (alleen) op korte termijn of (ook) op lange termijn na invoering van het smartphoneverbod ervaren. Momenteel voeren wij een combinatie van kwantitatief en kwalitatief onderzoek uit om bovengenoemde vragen nader te bestuderen. Het doel van dit rondetafelgesprek is om de eerste bevindingen van deze onderzoekslijn kort te presenteren en om vervolgens met onderwijsprofessionals in gesprek te gaan over dit thema. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Smartphones spelen een belangrijke rol in ons dagelijks leven. Het gebruik ervan onder jongeren kent zowel voor- als nadelen, ook binnen de schoolcontext. Momenteel is het al dan niet (volledig) verbieden van smartphones en/of sociale media onder jongeren een actueel en complex maatschappelijk vraagstuk. De vraag is of een algeheel verbod voor deze doelgroep een doeltreffende oplossing biedt, of dat we moeten streven naar grootschalige integratie van mediawijsheid in het basis- en voortgezet onderwijs. Onderzoek in de schoolcontext is hierbij onmisbaar, en vormt de basis voor zowel actueel als toekomstgericht evidence-informed smartphonebeleid op school- en landelijk niveau. Rondetafelgesprek (30 minuten)904Frits Flesch, Universiteit Utrecht, Utrecht, Annik van Keer, Universiteit Utrecht, Utrecht, Margot Kok, Universiteit Utrecht, Utrecht 1.080vr 11:15 – 12:15 Voor een effectieve kwaliteitszorg van onderwijs is de stem van de student onmisbaar. Hoe kunnen wij de inhoudelijke feedback van studenten op cursussen beter in kaart brengen en zorgen voor een hogere respons van de cursusevaluaties? In het academische jaar 2023-2024 hebben wij aan de bètafaculteit van de Universiteit Utrecht hiervoor het Thermometer project gelanceerd. In dit project hebben wij een nieuwe vorm van cursusevaluaties ontwikkeld die de “temperatuur meet” van de cursus via een korte gestandaardiseerde vragenlijst. Een vragenlijst die eenvoudig, efficiënt, minder tijdrovend en betekenisvoller is voor zowel studenten als docenten. Deze vragenlijst is tijdens het pilot project uitgezet binnen de cursussen van onze bachelor- en masteropleidingen. Vervolgens werden de responspercentages gemonitord en zijn cursus-coördinatoren en studenten ondervraagd over hun ervaringen met de verkorte vragenlijst. Het project is afgerond in 2025 en ondertussen is de Thermometer als standaard evaluatie geïmplementeerd voor alle cursussen van onze faculteit. De pilot liet zien dat (1) niet de lengte van de vragenlijst maar de houding van de docent tegenover de evaluatie essentieel is voor een hoge responspercentage, (2) een gestandaardiseerde vragenlijst de werkdruk bij docenten verminderd maar hen minder flexibiliteit biedt in wat zij willen weten, en dat (3) de thermometer de ervaringen van studenten duidelijk naar voren brengt en daarmee een goed startpunt vormt voor een gesprek over de kwaliteit van het onderwijs. Graag delen wij de resultaten van en de inzichten uit het Thermometer project met de deelnemers. We gaan in gesprek over de wijze waarop cursusevaluaties kunnen bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs en over welk soort onderzoek bijdrage kan leveren aan het bekrachtigen van een transitie naar cursusevaluaties waarin de stem van de student centraal staat. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De ontwikkeling en implementatie van een facultaire student-gestuurde cursusevaluatie is kenmerkend voor een transitie naar meer student-gestuurde onderwijsevaluaties, waarin studenten een actieve gesprekspartner in de vormgeving van het onderwijs worden. Cursusevaluaties en bij uitstek de thermometer zijn hierbij uitermate geschikt als startpunt van een gesprek over de kwaliteit van het onderwijs dat gevoerd wordt met studenten, docenten en de opleiding. Paperpresentatie (30 minuten)692Monika Louws, Universiteit Utrecht, Utrecht, Annemie Struyf, Universiteit Utrecht, Utrecht 1.086vr 11:15 – 12:15 Het lerarentekort wordt het sterkst gevoeld in het basisonderwijs en vmbo (McKinsey, 2020; Onderwijsraad, 2023). Binnen deze twee schoolcontexten is het aandeel academisch opgeleide leraren relatief laag, terwijl zij een belangrijke rol kunnen vervullen bij het analyseren van complexe schoolvraagstukken door onderzoek en onderwijspraktijk te verbinden (Albon & de Regt, 2025; Universiteiten van Nederland, 2025). Beide universitaire lerarenopleidingen stimuleren een onderzoekende houding bij leraren-in-opleiding (lio’s), maar de intentie van afgestudeerden om na de opleiding in basisonderwijs of vmbo te gaan werken valt tegen. Mogelijk ligt de oorzaak bij de schoolcontext als werkplek. In het basisonderwijs ervaren academisch opgeleide leraren moeite om te integreren omdat ze onvoldoende ruimte krijgen voor hun onderzoekende houding (Coenen et al., 2021). Voor het vmbo is deze integratie nog niet onderzocht. In deze bijdrage exploreren we hoe we academische lio’s kunnen behouden voor beide schoolcontexten vanuit het concept `sense of belonging`. Dit concept verwijst naar een bepaalde mate van “fitting in” bij een groep of organisatie en zich gewaardeerd voelen (Baumeister & Leary, 1995). Eerder onderzoek toonde aan dat belonging van startende leraren in hun schoolcontext voorspellend is voor hun betrokkenheid bij het beroep (Bjorklund, 2023). De schoolcontext van het basisonderwijs of vmbo kan echter anders aanvoelen voor lio`s, bijvoorbeeld door ervaren moeite met aansluiting bij collega’s of de belevingswereld van leerlingen (Grudnoff et al. 2016). We verkennen welke ervaringen in de stagecontext bijdragen aan het gevoel van belonging. We zoomen daarbij in op de volgende onderzoeksvragen: (1) Hoe kenmerkt sense of belonging zich voor leraren-in-opleiding van de academische lerarenopleidingen tijdens hun stage? (2) Welke factoren en ervaringen binnen de stagecontext dragen al dan niet bij aan hun sense of belonging? Via deze bijdrage willen we de dialoog aangaan over het versterken van sense of belonging van academische leraren en de rol van universitaire lerarenopleidingen daarin. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Academische leraren kunnen – vanwege hun onderzoekende houding en vaardigheden – een rol spelen in de analyse of oplossing van complexe onderwijsvraagstukken binnen hun school en daarbuiten. Maar dat vraagt dat hun expertise wel erkend en benut wordt in scholen. Ons onderzoek schijnt licht op de ervaringen van deze groep leraren-in-opleiding in po- en vmbo-scholen en hun intentie om in het onderwijs te (blijven) werken. Als potentiele spil in de transitie voor onderwijs is deze doelgroep interessant om nader te onderzoeken. Paperpresentatie (30 minuten)642Brent Theys, Universiteit Gent, Gent 1.086vr 11:15 – 12:15 Professioneel leren van leraren vindt in belangrijke mate informeel plaats en is ingebed in dagelijkse samenwerking, observatie en collegiale uitwisseling (Eraut, 2004; Kyndt et al., 2016; Tynjälä, 2008). Hoewel dit informele leren vaak wordt gekarakteriseerd als impliciet, situationeel en relationeel, blijft de rol van actoren zoals rolmodellen vaak onvoldoende geconceptualiseerd. Naast vele beweringen, ontbreekt er empirisch bewijs van hoe rolmodellen functioneren binnen informele leerprocessen van leraren en op basis waarvan zij als zodanig worden herkend (Cruess et al., 2008; Gibson, 2004; Morgenroth et al., 2015). Bestaand onderzoek focust namelijk voornamelijk op de symbolische herkenning van rolmodellen, en gaat niet verder om te kijken naar welke rol deze kunnen spelen in informele leerprocessen van professionals. Deze bijdrage richt zich daarom op de vraag hoe rolmodellen als leerconcept functioneren binnen het informele professionele leren van leraren en welke betekenis leraren toeschrijven aan personen die zij, al dan niet bewust, als rolmodel identificeren. Vertrekkend vanuit een conceptueel onderscheid tussen rolmodelstatus, de erkenning van anderen als voorbeeldfiguur, en rolmodelattitude, de invloed van anderen op cognitities, competenties en waarden, onderzoekt deze studie hoe rolmodellen ingebed zijn in professionele netwerken van leraren (Theys et al., under review). Door rolmodellen te benaderen als relationele en contextuele fenomenen sluit het onderzoek aan bij netwerkgerichte benaderingen van professioneel leren, waarin leren wordt opgevat als een gesitueerd proces dat ontstaat in sociale relaties (Billett, 2002; Daly, 2010; Wenger, 1998). De bijdrage is gebaseerd op empirisch onderzoek met Vlaamse leraren en laat zien dat rolmodellen niet worden geïdentificeerd op basis van formele expertise, anciënniteit of functie, maar vooral op basis van een samenhang tussen vermeende professionele kwaliteit en relationele kenmerken, zoals toegankelijkheid en betrokkenheid bij collega’s (Avalos, 2011; Kelchtermans, 2004). Rolmodellen functioneren daarbij vooral als informele referentiepunten die richting geven aan professioneel handelen dan als expliciete bronnen van instructie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In tijden van constante maatschappelijke, organisatorische en beleidsmatige veranderingen wordt van leraren verwacht dat zij voortdurend hun professioneel handelen bijsturen. Dit onderzoek laat zien hoe informeel professioneel leren in scholen mede vorm krijgt via rolmodellen die functioneren als relationele referentiepunten in dagelijkse samenwerking. Door inzicht te bieden in hoe leraren rolmodellen identificeren en benutten binnen professionele netwerken, draagt deze bijdrage bij aan begrip van hoe professionele oordeelsvorming, veerkracht en aanpassingsvermogen in onderwijscontexten ontstaan. Daarmee sluit de studie aan bij vragen over hoe onderwijsprofessionals leren omgaan met complexiteit en verandering in transitiecontexten. Paperpresentatie (30 minuten)270Joost Jansen in de Wal, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 1.092vr 11:15 – 12:15 Academische veerkracht (academic buoyancy), oftewel het vermogen van studenten om succesvol om te gaan met tegenslagen en uitdagingen die kenmerkend zijn voor het alledaagse academische leven (Martin & Marsh, 2008), kan worden verondersteld academische prestaties positief te voorspellen via gunstige overtuigingen, affect en gedrag (Collie et al., 2015). Empirisch onderzoek naar deze relatie laat echter inconsistente resultaten zien: sommige studies vinden positieve effecten van veerkracht op prestaties, terwijl andere negatieve, of geen significante samenhang rapporteren (Putwain et al., 2023). Een mogelijke verklaring voor deze ambigue bevindingen is dat het merendeel van het onderzoek cross-sectioneel van aard is en geen onderscheid maakt tussen verschillen binnen studenten en verschillen tussen studenten in academische veerkracht. Door deze bronnen van variatie niet te scheiden, wordt impliciet aangenomen dat intra- en interindividuele verschillen op dezelfde wijze samenhangen met prestaties, wat onwaarschijnlijk is (Murayama et al., 2017). Bovendien kan de relatieve bijdrage van beide variatiebronnen per studie verschillen, wat kan leiden tot uiteenlopende effectgroottes. Een tweede verklaring is dat eerdere studies mogelijk niet de juiste tijdschaal hebben gekozen om deze relatie te onderzoeken. In de enige relevante longitudinale studie, waarin geen direct effect gevonden werd, lagen de metingen een jaar uit elkaar (Collie et al., 2015). Aangezien effecten van variabelen in de tijd exponentieel afnemen (Kuiper & Ryan, 2018), zijn effecten waarschijnlijker op kortere tijdschalen. Bovendien sluit een kortere tijdschaal beter aan bij de tijd die nodig is om dagelijkse academische uitdagingen te overwinnen. Daarom onderzocht deze studie de relatie tussen academische veerkracht en prestaties met behulp van wekelijkse vragenlijstdata over de veerkracht van bachelorstudenten en hun resultaten op een tussentijds tentamen. Dit maakte het mogelijk om (1) intra- en interindividuele variatie te onderscheiden, (2) week-tot-weekverbanden te analyseren en (3) wederzijdse voorspellingen tussen eerdere veerkracht en latere prestaties, en omgekeerd, te onderzoeken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)194Ruud Lelieur, Universiteit Antwerpen, Antwerpen 1.092vr 11:15 – 12:15 Het academisch optimisme van leraren is ontstaan vanuit de zoektocht naar school- en lerarenkenmerken die positief samenhangen met leerprestaties, ook wanneer achtergrondkenmerken van leerlingen worden meegenomen. Academisch optimisme bundelt drie onderling verbonden deelcomponenten: de doelmatigheid van leraren (efficacy), vertrouwen in leerlingen en ouders, en een sterke focus op leren (Hoy et al., 2006; Woolfolk Hoy et al., 2008). Veelvuldig onderzoek toont dat dit geheel positief samenhangt met leerprestaties, ook na controle voor sociaaleconomische status en migratieachtergrond (e.g., Ates & Unal, 2021; Boonen et al., 2014; Straková et al., 2018). Daarmee biedt academisch optimisme niet alleen een conceptueel coherent kader, maar ook een praktisch aangrijpingspunt voor gerichte ondersteuning en professionalisering van leraren ter bevordering van prestaties en eerlijke onderwijskansen.De interne samenhang tussen de deelcomponenten is tot nu toe vooral variabele-georiënteerd onderzocht via factoranalyses en correlaties op geaggregeerd niveau (Hoy, 2012). Daardoor weten we minder over hoe die samenhang zich binnen individuele leraren organiseert. Deze studie onderzoekt daarom of de drie deelcomponenten zich bij leraren groeperen tot empirisch onderscheiden profielen die de theoretisch veronderstelde samenhang weerspiegelen.De studie verkent bovendien of profiel-lidmaatschap verschilt naar onderwijsfinaliteit en leservaring. Eerder onderzoek suggereert dat deelcomponenten niet altijd in dezelfde richting samengaan, bijvoorbeeld wanneer leraren in arbeidsmarktgericht onderwijs lager vertrouwen rapporteren maar tegelijk hogere doelmatigheid dan leraren in academisch gericht onderwijs (Auteur, 2024). Ook beginnende leraren rapporteren vaker lagere doelmatigheid, vooral in veeleisende contexten (OECD, 2020; Tschannen-Moran & Woolfolk Hoy, 2007). Door in kaart te brengen welke profielen in welke contexten en bij welke groepen leraren vaker voorkomen, biedt deze studie gerichte aanknopingspunten voor ondersteuning en professionalisering. In interactie met het publiek vertalen we de bevindingen naar andere onderwijscontexten, van basisonderwijs tot hoger onderwijs, in Vlaanderen en Nederland, en verkennen we de implicaties voor de organisatie en het beleid van scholen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In een context van transitie, waarin scholen onder druk staan om betere prestaties en eerlijkere onderwijskansen waar te maken, focust deze bijdrage op de valorisatie van onderzoek naar het academisch optimisme van leraren. Met een latente profielanalyse brengen we in kaart hoe het academisch optimisme van leraren zich in de praktijk manifesteert als samenhangende patronen van doelmatigheid, vertrouwen en een focus op leren, en hoe die patronen verschillen naar onderwijsfinaliteit en leservaring. Zo wordt zichtbaar waar begeleiding en professionalisering het meest nodig zijn, en waar inzet op academisch optimisme kan bijdragen aan de transitie naar sterkere prestaties en eerlijkere kansen. Paperpresentatie (30 minuten)567Lenny van Onselen, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Guido Stompff, Inholland, Amsterdam, Marieke Zielhuis, Hogeschool Utrecht, Utrecht 1.096vr 11:15 – 12:15 Het aanpakken van complexe maatschappelijke vraagstukken vraagt om een sterke samenwerking tussen onderwijs, onderzoek en praktijkpartners. Samenwerkingen zoals hybride leeromgevingen, regionale labs en living labs tonen veel potentie en worden dan ook steeds meer ingericht binnen en tussen mbo, hbo en wo. Toch blijkt het lastig om het potentieel van dergelijke samenwerking volledig te realiseren (Kerngroep Netwerk Learning Communities, 2023). Een consortium van verschillende hogescholen zoekt naar aanknopingspunten om het collectieve leerproces in dergelijke samenwerkingen te versterken. We zien collectief leren hierbij als een doorlopend proces waarin mensen van elkaar leren en hun handelen steeds aanpassen om zowel gedeelde als persoonlijke doelen te bereiken. Dit consortium heeft een verkennend onderzoek uitgevoerd rond de vraag: wat belemmert collectief leren in de driehoek onderwijs, onderzoek en praktijk ten behoeve van het adresseren van maatschappelijke uitdagingen? Hiertoe is een vraagarticulatie uitgevoerd onder trekkers van dergelijke samenwerkingen en is een literatuurverkenning uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van een theoretisch kader rond gedistribueerde cognitie (Tsoukas, 1996; Weick & Roberts, 1993), grenswerk (Akkerman & Bakker, 2011; Carlile, 2004; Star & Griesemer, 1989) en ontwerpen (Mortati, 2022). In een paperpresentatie worden de aanpak en de inzichten uit dit vooronderzoek met de aanwezigen gedeeld en besproken. Het vooronderzoek wijst op drie kernproblemen rond collectief leren: onopgemerkte kennisverschillen, traagheid binnen een samenwerking, en moeilijkheden in het nemen van gedeelde verantwoordelijkheid voor het samen leren. De inzichten hierover kunnen onderzoekers helpen om het gesprek te voeren over het collectieve leerproces binnen hun eigen samenwerkingen tussen onderwijs, onderzoek en praktijk. Daarnaast kunnen de inzichten het gesprek op gang brengen tussen dergelijke samenwerkingen en tussen verschillende onderzoekers van dergelijke samenwerkingen: hoe kunnen we van elkaar leren in het adresseren van deze problemen? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De bijdrage richt zich op de manier waarop door onderzoekers kan worden samengewerkt met onderwijs- en praktijkpartners ten behoeve van maatschappelijke uitdagingen. Dit heeft direct te maken met de doorwerking en aanpak van onderzoek. Doordat de kennisprocessen binnen dergelijke samenwerking expliciet worden geadresseerd, heeft de bijdrage daarnaast ook betekenis voor de theoretische gronding en de manier waarop naar kennis wordt gekeken door onderzoekers. Paperpresentatie (30 minuten)769Nieske Coetsier, Hogeschool Arnhem Nijmegen, Nijmegen, Kirsten de Ries, Hogeschool Arnhem Nijmegen, Nijmegen 1.096vr 11:15 – 12:15 De digitale transformatie vraagt van onderwijsprofessionals dat zij bestaande routines, overtuigingen en werkwijzen kritisch heroverwegen. Verschillende professionaliseringsactiviteiten binnen het iXperiumnetwerk stimuleren diepere manieren van leren, door bijvoorbeeld reflectie op het eigen handelen, het onderzoeken van onderliggende aannames en het delen van verschillende perspectieven. Een praktisch instrument voor het integraal in kaart brengen van kenmerken van transformatief leren (TL; i.e., zowel op het niveau van de lerende, de professionalisering zelf, als het leerproces en leerresultaat) ontbreekt vooralsnog. Deze bijdrage richt zich op de ontwikkeling van een integraal analysemodel (zie figuur 1) om TL binnen professionaliseringstrajecten in kaart te brengen. Het theoretisch kader omvat kenmerken van de lerende, de leeromgeving, het leerproces en het leerresultaat, die van belang zijn voor TL. Met dit analysemodel kunnen we TL binnen professionaliseringsactiviteiten holistisch in kaart brengen. Het theoretisch kader neemt inzichten vanuit verschillende vakgebieden mee (e.g., psychologie, onderwijskunde en organisatiekunde) en omvat thema’s als ervaringsleren, kritische reflectie en ‘boundary crossing’. De relevantie ligt in het combineren van deze verschillende perspectieven op TL en verbinding tussen zowel kenmerken van de lerende en leeromgeving, als het leerproces en leerresultaat van TL. Het doel van het onderzoek is tweeledig. Ten eerste het ontwerpen van een bruikbaar evidence informed analysemodel voor TL. Ten tweede het toepassen van dit model op verschillende casussen uit de praktijk. Deze casussen bevatten een variëteit aan data uit evaluaties van verschillende professionaliseringstrajecten. Het toepassen van het analysemodel geeft ons daardoor verschillende inzichten. Met het analysemodel illustreren we op welke manier TL kan worden onderzocht. De ervaringen met het analysemodel leveren inzichten voor verdere verfijning van het analysemodel, de implementatie van en dataverzameling over TL in professionaliseringsactiviteiten. Het doel van de bijdrage is het delen van het analysemodel om de herkenbaarheid en toepasbaarheid van het analysemodel verkennen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage legt het accent op de methodologische benadering en theorieontwikkeling rondom TL. Transitie in onderwijsorganisaties vereist een fundamentele gedragsverandering; dit onderzoek biedt een integraal instrumentarium om die transitie te duiden. Door inzichten uit diverse vakgebieden methodologisch te verenigen in een analysemodel, overbruggen we de kloof tussen abstracte theoretische concepten en de weerbarstige praktijk van onderwijsverandering. We tonen aan hoe een integrale analyse van de lerende, de leeromgeving en het leerproces bijdraagt aan betekenisvolle inzichten om TL en daarmee de bredere onderwijstransitie doelgerichter te stimuleren. Paperpresentatie (30 minuten)422Thibaut Duthois, Universiteit Gent, Gent 3.016vr 11:15 – 12:15 Onderzoek is het erover eens dat kwalitatieve, taalstimulerende gesprekken tussen kleuters en hun leraar niet enkel essentieel zijn voor de taalontwikkeling (Justice et al., 2018; Rowe & Snow, 2020), maar ook een basisingrediënt om onderwijsongelijkheid aan te pakken (Peleman et al., 2020). Ons onderzoek toont aan dat niet elk kind in gelijke mate wordt gezien binnen de kleuterklas. Een grootschalige mobiele eye-trackingstudie bracht aan het licht dat talig kwetsbare kinderen (kinderen op de intersectie van lage spreekdurf, minder ontwikkelde taalvaardigheid en/of een meertalige achtergrond) systematisch minder visuele aandacht ontvangen tijdens leerkracht-kindinteracties. Deze bevindingen wijzen op subtiele, vaak onbewuste ongelijkheidsprocessen in interacties tussen kinderen en hun leraren. In deze presentatie wordt een interventieonderzoek voorgesteld waarin diezelfde kleuterleraren deelnamen aan een éénjarig blended, videoge-baseerd professionaliseringstraject, TACOS. Via onder meer videosimulaties en videoclubs werden zij geprofessionaliseerd rond het belang van taalstimulerende interacties. Centraal stonden twee onderzoeksvragen: (1) wat is het effect van dit professionaliseringstraject op de aandachtsverdeling van leerkrachten? en (2) welke invloed heeft deze professionalisering op de visuele aandacht die kleuters ontvangen van hun leraar? Op basis van grootschalig mobiel eye-trackingonderzoek in een quasi-experimenteel design met een experimentele en een controlegroep blijkt dat het professionaliseringstraject de aandachtsprocessen van leerkrachten significant beïnvloedt. Dit resultaat is opmerkelijk, aangezien leerkrachtaandacht vaak wordt beschouwd als grotendeels automatisch en daardoor moeilijk professionaliseerbaar (Goldberg et al., 2021). Leraren uit de experimentele groep verdeelden hun aandacht niet alleen gelijkmatiger, maar besteedden bovendien significant meer visuele aandacht aan talig kwetsbare kinderen dan leraren uit de controlegroep. Deze presentatie (1) legt subtiele ongelijkheidsprocessen in leerkrachtgedrag bloot, (2) benadrukt het belang van visuele betrokkenheid van elk kind, (3) stelt een effectief blended videogebaseerd professionaliseringstraject voor en (4) deelt empirische inzichten uit mobiele eye-trackingstudies in het kleuteronderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Steeds toenemende diversiteit en verwachtingen ten aanzien van leraren kenmerken het kleuteronderwijs van vandaag. Dit onderzoek legt een concreet gevolg bloot: het is niet meer vanzelfsprekend dat elk kind gezien en gehoord wordt. Deze vaststelling stelt klassiek observatieonderzoek met een eenzijdige focus op leraargedrag op losse schroeven. Welke leerlingen worden gezien en betrokken door een leraar, en welke niet? Naar wie kijkt een leraar wanneer ze de lat hoog legt, of net niet? Mobiele eye tracking, die nauwkeurig registreert naar wie, op welk moment, gekeken wordt, biedt een uniek methodologisch instrument om deze confronterende maar fundamentele vragen te beantwoorden. Paperpresentatie (30 minuten)579Erik Fleur, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag, Wendy de Leng, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag, Susanne Lepoeter, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), Den Haag 3.016vr 11:15 – 12:15 Niet alle leerlingen krijgen in het onderwijs dezelfde kansen. Schooladviezen van kinderen met een gelijke toetsscore verschillen structureel voor leerlingen met theoretisch en praktisch opgeleide ouders (Inspectie van het Onderwijs, 2019). In het voortgezet onderwijs hebben leerlingen van theoretisch opgeleide ouders een voordeel (Elffers, 2022). In dit onderzoek kijken we naar het aandeel leerlingen uit groep 8 van de basisschool dat naar de universiteit gaat. Wij hebben gebruik gemaakt van een variant van de theorie van Bourdon (1974) waarin onderwijsprestaties van een kind worden bepaald door vaardigheden van het kind en sociaal-economische achtergrond van het huishouden. We onderzoeken of hier een regionale component meespeelt. Leerlingen met dezelfde vaardigheden en sociaal-economische kenmerken kunnen verschillend terecht komen omdat de invloed van de genoemde factoren in verschillende regio’s anders is. Inzicht in regionale verschillen is cruciaal om kansgelijkheid te vergroten. Wij hebben hiertoe per regio onderstaand model gebouwd. Hierbij gaan we ervanuit dat de kans voor een leerling om te gaan studeren voor een deel wordt bepaald door de eindtoetsscore, het opleidingsniveau van de ouders en het huishoudinkomen. Deze componenten verklaren echter niet alles; dat noemen we hier de ‘restfactor’. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)9Djoerd de Graaf, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam 3.018vr 11:15 – 12:15 In het onderwijs groeit de aandacht voor passend onderwijs voor leerlingen met begaafdheidskenmerken. Een belangrijke aanleiding is dat deze leerlingen in het voortgezet onderwijs relatief vaak te maken krijgen met onderpresteren, vertraging of afstroom. Dit lijkt paradoxaal, maar wordt in de literatuur verklaard door een mismatch tussen onderwijsaanbod en leerbehoeften: wanneer tempo, complexiteit en uitdaging structureel tekortschieten, kunnen motivatie, leerstrategieën en doorzettingsvermogen afnemen. Voltijds hoogbegaafdheidsonderwijs (vthb-onderwijs) is een onderwijsvoorziening in het primair onderwijs die beoogt deze mismatch te verkleinen door leerlingen voltijds onderwijs te bieden in een setting met meer verdieping, versnelling en ontwikkelingsgelijke peers. Hoewel vthb in de praktijk aan populariteit wint, is empirische kennis over de langetermijneffecten beperkt. Veel studies zijn kleinschalig, richten zich op korte-termijnuitkomsten of gebruiken geen geschikte controlegroep, waardoor onduidelijk blijft of vthb samenhangt met duurzamere onderwijsloopbanen. Theoretisch sluit dit onderzoek aan bij ontwikkelingsmodellen van begaafdheid, waarin wordt benadrukt dat potentieel zich pas kan vertalen in prestaties wanneer leerlingen over langere tijd passend worden uitgedaagd en ondersteund. Tegelijkertijd is er nog weinig grootschalige empirische kennis over de vraag of voltijds hoogbegaafdheidsonderwijs ook samenhangt met objectieve onderwijsuitkomsten later in de schoolloopbaan. Daarom onderzoeken wij de langetermijndoorwerking van vthb-onderwijs op onderwijsloopbanen in het voortgezet onderwijs. De centrale onderzoeksvraag luidt: In hoeverre hangt voltijds hoogbegaafdheidsonderwijs in het primair onderwijs samen met de voortgang en het studiesucces van leerlingen in het voortgezet onderwijs? Hierbij kijken we naar het zonder vertraging doorlopen van het vwo. Het doel van dit onderzoek is om nieuwe, grootschalige empirische inzichten te bieden in de langetermijneffecten van vthb-onderwijs en daarmee het debat over effectiviteit, doelmatigheid en inrichting van hoogbegaafdheidsonderwijs te ondersteunen. Tijdens de presentatie is ruimte voor interactie met het publiek over interpretatie van de resultaten, mogelijke mechanismen en de implicaties voor beleid en onderwijspraktijk. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Dit onderzoek sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor Transitie door inzicht te bieden in hoe onderwijs kan bijdragen aan het duurzaam benutten van talent. In een samenleving die wordt geconfronteerd met ingrijpende transities, zoals technologische ontwikkelingen en veranderende arbeidsmarkten, is het van belang dat onderwijs leerlingen ondersteunt in het volledig ontwikkelen van hun potentieel. Voltijds begaafdheidsonderwijs beoogt een leeromgeving te bieden die cognitieve uitdaging combineert met passende ondersteuning. Door de langetermijneffecten van deze onderwijsvorm op onderwijsloopbanen te analyseren, draagt dit onderzoek bij aan kennis over toekomstbestendig onderwijs dat onderpresteren voorkomt en leerlingen voorbereidt op blijvende maatschappelijke participatie. Paperpresentatie (30 minuten)715Femke Hovinga, SCALIQ, Driebergen 3.018vr 11:15 – 12:15 In Nederland blijven veel cognitief sterke leerlingen onopgemerkt in het primair onderwijs. Identificatie en toegang tot passend (begaafdheids)aanbod hangen mede samen met signalerings- en selectiemechanismen, waardoor ongelijkheid kan ontstaan (Cramer et al., 2024; Golle et al., 2023; Hodges et al., 2018). Universele screening kan de representatie van ondergerepresenteerde groepen vergroten (Card & Giuliano, 2016), maar screening is pas betekenisvol als scholen daarna doelgericht handelen. De kernvraag is daarom niet alleen wie we herkennen, maar vooral wat scholen vervolgens doen en wat dat voor leerlingen oplevert. In deze bijdrage presenteren we een follow-up studie naar de opvolging van universele screening met ZOOV+ (adaptieve, niet-talige digitale screener). We onderzoeken scholen die in 2025 hebben gescreend en in 2026 follow-updata aanleveren over interventies voor leerlingen die tot de cognitief sterkste 20% en 5% behoren en eerder niet als zodanig in beeld waren. Vraagstelling: (1) Welke onderwijsinterventies worden in het jaar na signalering toegepast (o.a. verrijken/compacten, plusklas, versnellen, begeleiding en ondersteuning van executieve vaardigheden)? (2) Welke eerste effecten rapporteren scholen op schoolprestaties, executieve vaardigheden en welbevinden? Interventies gericht op executieve functies kunnen effectief zijn, maar effecten zijn afhankelijk van aanpak en context (Diamond & Lee, 2011). We combineren kwantitatieve vragenlijstdata over interventies en uitkomsten met kwalitatieve toelichtingen over besluitvorming en randvoorwaarden; analyses worden uitgevoerd in R. Eerste descriptieve analyses laten zien dat scholen vooral kiezen voor maatwerk in de klas (verrijking/compacten). Plusklas wordt relatief vaker ingezet bij de top 5% dan bij de top 20%, terwijl versnellen zelden wordt genoemd. Discussie: universele screening leidt niet automatisch tot uniforme voorzieningen, maar tot uiteenlopende interventiepaden. Daarmee worden schoolorganisatie, expertise en teamafspraken een cruciale schakel in kansengelijkheid: dezelfde signalering kan tot verschillende kansen leiden. In de dialoog met het publiek vertalen we de bevindingen naar beslisvragen en interventiepaden voor schoolteams. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage laat zien hoe universele screening kan bijdragen aan een transitie naar inclusiever, evidence-informed onderwijs. Door niet alleen te kijken naar identificatie, maar juist naar de opvolging (interventies, randvoorwaarden en eerste opbrengsten), verschuift de focus van “wie herkennen we?” naar “hoe maken we onderwijs passend en toegankelijk?”. Daarmee worden keuzes in schoolorganisatie en handelingsrepertoire zichtbaar als cruciale schakels in het verkleinen van kansenongelijkheid. De resultaten bieden concrete aangrijpingspunten voor duurzame borging van signalering én opvolging in beleid en praktijk. Paperpresentatie (30 minuten)204Karin van de Lagemaat, Hogeschool van Amsterdam, Amsterdam 3.038vr 11:15 – 12:15 Teamleren wordt vaak gezien als een cruciale voorwaarde voor duurzame onderwijsontwikkeling, maar blijft in de praktijk een diffuus en complex begrip (Decuyper et al., 2010; Derksen, 2021; Homan, 2001; Houtkamp et al., 2019; Raes et al., 2015; Vangrieken et al., 2016). Teamleren verwijst naar het proces waarbij teamleden met én van elkaar leren door reflectie, kennisdeling en gezamenlijke probleemoplossing. In een context van onderwijs in transitie vraagt professionele samenwerking van leraren om manieren om met complexiteit, onzekerheid en verandering om te gaan. Deze studie benadert teamleren daarin als een dynamisch systeem, waarin patronen, relaties en feedbackprocessen centraal staan (Forrester, 1968).Het doel van dit onderzoek is om conceptuele duidelijkheid over teamleren te bieden in een vorm die leraren ondersteunt bij het herkennen, bespreken en versterken van gezamenlijke leerprocessen. Vanuit een systeemtheoretisch perspectief is onderzocht hoe knowhow rond teamleren concreter kan worden gemaakt voor de beroepspraktijk van leraren en hoe visualisaties kunnen bijdragen aan het stimuleren van teamleren.De centrale onderzoeksvragen: (i) Hoe kan knowhow over teamleren worden geoperationaliseerd voor leraren? (ii) Op welke manieren kunnen systeemmodellen leraren helpen om teamleren te begrijpen en te ontwikkelen?Het onderzoek volgde een praktijkgerichte, ontwerpgerichte aanpak met interviews, groepsreflecties en thematische analyse van data en literatuur. Dit resulteerde in een referentiemodel na validatie door experts en feedbackcycli van gebruikers en een leergids die leraren ondersteunt bij het navigeren door teamleerprocessen. De bevindingen laten zien dat systeemdenken leraren kan helpen om de complexiteit van samenwerking te doorgronden en collectieve professionele groei te bevorderen.Tijdens de paperpresentatie maken deelnemers kennis met de totstandkoming van het systeemmodel en de leergids en reflecteren zij op de toepasbaarheid ervan in verschillende onderwijscontexten. Het publiek wordt uitgenodigd om ervaringen te delen en te verkennen hoe systemisch teamleren kan bijdragen aan leren voor én in het beroep in tijden van transitie. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)684Maartje Spoelstra, Lectoraat De Pedagogische Opdracht, Hogeschool Inholland, Haarlem 3.038vr 11:15 – 12:15 De doelstellingen van de sessie Deze sessie heeft als doel om het goed handelen van Ad‑PEP‑studenten die zelfstandig voor de klas staan in complexe onderwijspraktijken scherp zichtbaar te maken. We verkennen hoe deze studenten ruimte vinden om professioneel te handelen ondanks hun formele ondersteunende rol, en welke factoren hen in staat stellen om in uitdagende situaties effectief, doordacht en waardengedreven op te treden. Bezoekers krijgen taal, kaders en concrete voorbeelden aangereikt om handelingsruimte vroegtijdig te (h)erkennen en te versterken, zowel in de opleiding als op de werkplek. Een overzicht van de presentatie We starten met een korte schets van de bijzondere positie van Ad‑PEP‑studenten, die door het lerarentekort regelmatig grotendeels of volledig zelfstandig voor de klas staan. Aan de hand van praktijkcases tonen we hoe studenten in door werkplekbegeleiders als ‘complex’ getypeerde situaties toch goed functioneren, terwijl zij zichzelf onzeker voelen. Vervolgens presenteren we de eerste resultaten van onze multiperspectieve analyse: wat verstaan studenten, leercoaches en werkplekbegeleiders onder “goed handelen”, welke handelingsstrategieën komen terug, en hoe ontstaat dit handelen? Aansluitend bespreken we toepasbare kaders voor verdere professionalisering. De wetenschappelijke betekenis De sessie levert een bijdrage aan het verdiepen van het begrip Teacher Agency in het licht van veranderende rollen in het onderwijs. Door vijf facetten van agency (Molla & Nolan, 2020) te combineren met vier stappen uit Social Cognitive Theory ontstaat een analytisch raamwerk dat zowel theoretisch stevig als praktisch bruikbaar is. In lijn met fenomenologische en multiperspectivische benaderingen (Larkin, Shaw & Flowers, 2019) laten we zien hoe studenten, leercoaches en werkplekbegeleiders elk betekenis geven aan professioneel handelen in complexe situaties. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het is de bedoeling het goed handelen van Ad-PEP studenten die zelfstandig voor de klas staan in een complexe situatie goed zichtbaar te maken met multiperspectieve analyse. De opbrengst is direct toepasbaar: taal en gereedschap om handelingsruimte te herkennen en te versterken, relevant bij lerarentekort en snel veranderende schoolcontexten. Rondetafelgesprek (30 minuten)396Theo van den Bogaart, Hogeschool Inholland, Haarlem, Mascha Enthoven, Hogeschool Inholland, Lectoraat De Pedagogische Opdracht, Haarlem, Marjan Plazier, Stichting Tabijn, Heemskerk 3.056vr 11:15 – 12:15 Het docententeam op een basisschool is geen homogene groep. Sommige leerkrachten hebben een academische achtergrond of de ambitie om via eigen onderzoek hun praktijk te verbeteren. Scholenstichting Tabijn biedt deze excellente leerkrachten een onderzoekswerkplaats. In dit collectief komen dertien leerkrachten van basisscholen maandelijks bijeen om gezamenlijk een vraagstuk te onderzoeken volgens een methode van cyclisch actieonderzoek. Deze onderzoekswerkplaats heeft vier doelen. Deelnemende leerkrachten kunnen zich ontwikkelen op een wijze die aansluit bij hun niveau. Ten tweede is het een mechanisme om ambitieuze leraren te binden aan het onderwijs, door te differentiëren in hun taak en ze kansen te bieden via onderzoek hun ambities de ruimte te geven. Ten derde versterkt het doen van onderzoek door medewerkers de schoolorganisatie, doordat deze zelf in staat is tot innovatie en verbetering te komen en niet afhankelijk is van externe bureaus. Ten slotte wordt door onderzoek te doen actuele wetenschappelijke kennis de scholen ingebracht en worden werkwijzen beproefd en gevalideerd. De onderzoekswerkplaats wordt momenteel voor het tweede jaar uitgevoerd. Het schoolbestuur werkt al langer samen met het lectoraat De pedagogische opdracht van Inholland en die is nu ook betrokken bij de uitvoering en een flankerend onderzoek naar de onderzoekswerkplaats. Dit onderzoek is monitorend van aard als onderdeel van de voortdurende ontwerpcyclus. Gedurende het jaar houden de deelnemende leerkrachten een learner report bij en worden fieldnotes gemaakt. Dit wordt aangevuld met een focusgroep met de deelnemers. Op grond van deze data kan worden beschreven hoe de deelnemende leerkrachten zich gedurende het traject ontwikkelen en welke impact ze op school genereren. In deze presentatie wordt de werkwijze van de onderzoekswerkplaats beschreven en in relatie gebracht met de bevindingen uit het evaluatieonderzoek. Daarna krijgt het publiek enkele dilemma’s en problemen voorgelegd, met de vraag om hier vanuit eigen kennis en ervaring in dialoog op te reflecteren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ De deelnemers aan de onderzoekswerkplaats fungeren als bruggenbouwers tussen het academische onderzoeksveld en de basisscholen. Bij het actieonderzoek dat de leerkrachten binnen hun scholen uitvoeren, wordt heel het team betrokken. Doel is doorwerking te genereren op het niveau van de schoolorganisatie. Op deze manier stimuleert dit traject dat actuele inzichten uit onderwijskundig onderzoek op de werkvloer tot uiting komen. Rondetafelgesprek (30 minuten)576Elco Buurma, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Evelien Ketelaar, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Ilya Zitter, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.056vr 11:15 – 12:15 Aanleiding & achtergrond De arbeidsmarkt verandert snel en vraagt om voortdurende ontwikkeling van mensen. Het model van ‘opleiden vooraf en daarna werken’ sluit steeds minder aan bij deze realiteit. In dit rondetafelgesprek gaan we in op de manieren waarop leven lang ontwikkelen (LLO) kan worden vormgegeven. Dit doen we aan de hand van ons onderzoek naar initiatieven die LLO in de regio Utrecht haalbaar, toegankelijk en vanzelfsprekend willen maken (Utrecht Talent Alliantie, z.d.). Theoretisch kader & relevantie Wij benaderen LLO als een continu proces van leren door het hele leven heen, via ervaringen, reflectie, samenwerking, werk en opleiding (Billet, 2023, 2024). Werkplekleren is hierbij van groot belang; het vormt een doorlopend proces van incidenteel en impliciet leren, tot meer intentionele en doelgerichte acties, waarbij zowel de medewerker zelf als de werkcontext van invloed zijn (Wijga et al., 2025). Om te begrijpen hoe de initiatieven (n=11) LLO concreet vormgeven, analyseerden we de interventies die zij inzetten bij hun doelgroep om leren uit te lokken. We onderscheiden vijf typen interventies: opleiden, community-vorming, waarderen en certificeren, matching en loopbaanbegeleiding. Werkplekleren zien we als rode draad die in alle interventies verweven zou moeten zijn. Ook keken we naar hoe de initiatieven via werkgevers/betrokken organisaties en in de regio de voorwaarden scheppen om dat wat ze met hun doelgroep willen bereiken voor elkaar te krijgen. Doelstelling & Dialoog/Interactie Na ons rondetafelgesprek tijdens de ORD 2025 hebben we het kijkkader dat destijds de discussie voedde verder ontwikkeld. In deze rondtafel gaan we hier dieper op in en delen we onze bevindingen. We nodigen je uit om mee te denken over de betekenis van de bevindingen van ons onderzoek, en ook breder over hoe we naar LLO kijken en er vorm aan geven. Hierbij stellen we ons ook de vraag: wat is onze rol als onderzoekers hierin? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit aan bij het congresthema Onderwijs voor Transitie door LLO te benaderen als een gelaagd en complex fenomeen waarin leren, werken, organiseren en beleid samenkomen. Transities vragen om theoretische kaders die verder gaan dan lineaire of instrumentele benaderingen van leren en ontwikkeling. In ons onderzoek verkennen we hoe verschillende typen interventies en contextuele voorwaarden samen vormgeven aan LLO in de regio. Daarmee beogen we bij te dragen aan de verdere theoretische doordenking van leren in transitiecontexten. Daarnaast vertalen we onze inzichten naar concrete, praktijkgerichte producten gericht op doorwerking binnen en buiten het project. Rondetafelgesprek (30 minuten)744Stef Siepel, Radboud Docenten Academie, Nijmegen 3.058vr 11:15 – 12:15 In de vakvernieuwing van de Moderne Vreemde Talen (MVT) is cultuuronderwijs als nieuw domein opgenomen. Om docenten te ondersteunen in het succesvol te kunnen implementeren van deze vakvernieuwing is het van belang om onderzoek te doen naar het ontwerpen van cultuuronderwijs door MVT docenten voor hun eigen praktijk. Cultuuronderwijs binnen de MVT heeft een transitie ondergaan van het overdragen van kennis over de doeltaal cultuur naar een domein waarin cultuur wordt gezien als een dynamisch concept (MacDonald, 2022; Meadows, 2016). Eerder onderzoek wijst uit dat docenten aangeven dit soort cultuuronderwijs als complex te ervaren (Byram, 2014) en dat ze uitdagingen ervaren bij het ontwerpen en doceren van dit soort cultuuronderwijs, onder meer omdat ze het idee hebben hier niet goed op te zijn voorbereid (Mearns & Platteel, 2021; Munezane, 2023). Eerder onderzoek kan docenten handvatten meegeven door meer inzicht te geven in wat door docenten in het klaslokaal gedaan kan worden (Siepel et al., resubmitted). Om inzicht te krijgen in hoe docenten cultuuronderwijs ontwerpen als ze handvatten aangereikt krijgen, welke keuzes ze hierin maken, en welke overwegingen hieraan ten grondslag liggen is met behulp van Educational Design Research (McKenney & Reeves, 2021) een ontwerp-cyclus opgezet. In deze ontwerp-cyclus hebben vijf docenten Engels in zes sessies samen cultuuronderwijs ontworpen, hebben ze dit ontwerp uitgevoerd, en hebben ze in twee sessies de uitvoering nabesproken en suggesties gedaan voor herontwerp. In exit-interviews hebben de docenten op deze gehele cyclus gereflecteerd. In dit rondetafelgesprek ga ik graag de dialoog aan door samen te kijken naar fragmenten uit de nabespreking en de exit-interviews. Ik wil samen kijken naar wat de meest interessante inzichten zijn die docenten in deze gesprekken naar voren brengen, en hoe een artikel dat focust op een ontwerp-cyclus het best vormgegeven kan worden. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)663Cindy Stienen, Fontys Educatie, Sittard 3.058vr 11:15 – 12:15 De hoofdvraag van het promotieonderzoek is in hoeverre leraar-leerlinginteracties het geloof in eigen kunnen (self-efficacy) en aspiraties beïnvloeden bij het kiezen van een bètatechnisch(STEM)-profiel bij leerlingen in het voortgezet onderwijs. Deze aspiraties blijven achter (Gelderblom, Gravesteijn, & de Vleeschouwer, 2019). STEM-vakken worden vaak ervaren als abstract en uitdagend, wat een negatieve invloed kan hebben op de self-efficacy van leerlingen. Leraren spelen een essentiële rol bij het vormen van self-effficacy van leerlingen. Door positieve feedback te geven kunnen leraren de aspiraties voor STEM versterken (Toma, 2022). Veel onderzoek in deze context maakt gebruik van het SCCT (Social Cognitive Career Theory) model (figuur 1) waarin self-efficacy niet alleen keuzes beïnvloedt, maar ook doorzettingsvermogen en prestaties (Lent, Brown, & Hackett, 1994; Bandura, 1986). Positieve leraar-leerlinginteracties kunnen self-efficacy versterken en interesse in STEM vergroten (Fan & Williams, 2018). Uit de eerste studie van het promotieonderzoek, een systematisch literatuur review, blijkt inderdaad dat self-efficacy fungeert als mediator tussen leraar-leerlinginteractie en STEM-aspiraties. De geïncludeerde studies maakten vrijwel uitsluitend gebruik van vragenlijsten en zelden van observaties, waardoor weinig bekend is over de concrete vorm en ervaring van deze interacties. Onderzoeksvragen De tweede deelstudie richt zich op de vraag: Hoe ervaren leraren en leerlingen leraar-leerlinginteracties die gericht zijn op het bevorderen van self-efficacy van leerlingen in STEM-klaslokalen? Subvragen: Welke soorten leraar-leerling interacties worden in de klas waargenomen die gericht zijn op het bevorderen van self-efficacy van leerlingen in STEM? Wat zijn de intenties van de leraar bij en diens ervaringen van deze interacties? Hoe ervaren leerlingen deze interacties? Doel van het rondetafelgesprek is om door middel van codering van stimulated recall interviews in dialoog te gaan over de handelingsgerichte leraar-leerlinginteracties en de invloed daarvan op de self-efficacy van leerlingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In tijden van transitie is inzicht in leraar-leerling interactie gericht op self-efficacy van leerlingen in STEM van groot belang. Enerzijds om talenten van alle leerlingen te benutten en anderzijds om tekorten in deze gebieden te verkleinen. Ondanks de groeiende vraag naar STEM-professionals, kiezen veel leerlingen uit ondervertegenwoordigde groepen geen STEM-trajecten. Vrouwen vormen wereldwijd slechts 35% van de STEM-afgestudeerden, een percentage dat al tien jaar onveranderd is (UNESCO, 2025). Bovendien helpen inzichten in de concepten self-efficacy en leraar-leerlinginteractie bij de transfer naar onderzoek in andere gebieden zoals eigenaarschap over het leren en het ontwerpen van effectieve leeromgevingen. Vrije vorm (60 minuten)858Christa Dekker, Marnix Academie, Utrecht, Carolien Duijzer, Marnix Academie, Utrecht 3.060vr 11:15 – 12:15 Aanleiding Toekomstmakers is een kaartenset die teams ondersteunt bij het gezamenlijk verkennen van complexe vraagstukken door spanningen productief te maken en gezamenlijk nieuwe handelingsprincipes te ontwerpen. De kaartenset wordt ingezet in het programma Flexibilisering: op weg naar Duurzaam Maatwerk van Marnix Academie. Net als andere hogescholen staat de Marnix Academie met haar partnerschappen voor de opgave om toekomstbestendig, flexibel en inclusief op te leiden. In een van de projecten van het programma Flexibilisering werken opleiders uit zowel de opleidingsinstelling als de onderwijs‑ en kinderopvangpraktijk aan het gezamenlijk ontwikkelen van passende leertrajecten op basis van leeruitkomsten. Een centraal uitgangspunt van de kaartenset Toekomstmakers is dat spanningen en discontinuïteiten die in dit proces ontstaan of zichtbaar worden benut als kansen voor gezamenlijk leren en innovatie. Voorbeelden van dergelijke spanningen zijn het bieden van maatwerk versus het voldoen aan regels en kwaliteitsafspraken. De kaartenset biedt praktische werkvormen voor cyclisch samenwerken, theoretisch en methodisch onderbouwd vanuit: actieonderzoek (Van Lieshout etal., 2021), waarderend veranderen (Cooperrider, etal., 2005; Andersen etal., 2022), boundary crossing (Akkerman et al., 2011), en de Change Laboratory‑methodiek van expansief leren (Virkunnen etal, 2013). Vraagstelling Hoe kunnen professionele leergemeenschappen verbonden aan lerarenopleidingen een grenspraktijk creëren waarin spanningen benut worden als motor voor gezamenlijk leren en het ontwerpen van flexibele leertrajecten? Doelstelling Deze bijdrage heeft tot doel deelnemers te laten ervaren hoe de Toekomstmakers‑kaartenset helpt om complexe vraagstukken te verkennen en demonstreert hoe cyclisch werken, waardengerichte dialoog en toekomstverbeelding bijdragen aan onderwijsinnovatie en transitiegericht opleiden. Dialoog/interactie met publiek De sessie is interactief. Deelnemers werken in subgroepen met de fysieke Toekomstmakers-kaartenset en doorlopen een verkorte cyclus via: Oriëntatie op waarden en ervaringen; Analyse van spanningen met het activiteitensysteemmodel (Engeström, 1987); Verbeelden van toekomstige praktijken; en Formuleren van een actieprincipe. We verzamelen plenair inzichten, patronen en mogelijke toepassingen voor eigen onderwijscontexten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de keuze voor een methodologische benadering met impact voor praktijkinnovatie in het samen opleiden en begeleiden van aanstaande onderwijsprofessionals. De Toekomstmakers-kaartenset ondersteunt professionals bij het gezamenlijk verkennen van complexe veranderopgaven en het ontwikkelen van nieuwe handelingsprincipes. De aanpak helpt onderwijsinstellingen om transitiegericht te werken: waarden expliciteren, spanningen verhelderen, nieuwe toekomsten verbeelden en concrete acties ontwerpen. Dit bevordert duurzame verandering in het opleiden van (aanstaande) professionals. Rondetafelgesprek (30 minuten)578Mireille Post-Hubers, Universiteit Twente, Enschede 3.066vr 11:15 – 12:15 Aanleiding Het thema van de ORD benadrukt het belang van onderwijs dat studenten voorbereidt om op te kunnen treden als change leaders: individuen die niet alleen goede oplossingen kunnen aandragen, maar ook het complexe veranderproces kunnen ondersteunen. Echter, er wordt zelden veranderkundig onderwijs verzorgt. Dat is problematisch omdat de veranderkundige barrières niet technisch zijn: weerstand en beperkte adoptie komen vaak voor, zelfs wanneer de technische effectiviteit van de oplossing goed onderbouwd is (e.g. Kuiper et al., 2021). Studies laten dan ook zien dat er een mismatch is tussen de vaardigheden die nu worden aangeleerd en de vaardigheden die nodig zijn om veranderprocessen te begeleiden (Bertolini et al., 2024). Om dit te adresseren is een interdisciplinair keuzevak veranderkunde ontwikkeld. In dit vak ligt de nadruk op transformatieve veranderingen, waarbij bestaande mentale modellen over het eigen handelen en de wereld ter discussie komen te staan (Kegan, 1982). Dergelijke leerprocessen zijn complex en emotioneel van aard en vragen om didactische werkvormen die ruimte bieden voor experimenteren en reflecteren (Peterson, 1999). Vanuit onderwijskundig perspectief is nog onvoldoende empirisch onderbouwd hoe dergelijke leerprocessen effectief ondersteund kunnen worden in het universitair technisch onderwijs. Doelstelling Art-based pedagogieken kunnen helpen om een veilige leeromgeving te creëren met ruimte voor kwetsbaarheid, experimenteren en reflecteren, waarbij abstracte “softe” topics zoals weerstand en emoties tastbaar worden (Unesco, 2024). In deze bijdrage wordt een evidence-informed aanpak beschreven waarmee zulke activiteiten geïntegreerd worden in veranderonderwijs. Daarnaast wordt geëvalueerd op de eerste twee niveaus van het evaluatiemodel van Kirkpatrick (1996): reactie en leren, wat de kwaliteit van deze pedagogieken is. Vraagstelling In welke mate ervaren studenten het gebruik van art-based pedagogieken als ondersteunend voor het lesklimaat en het leermateriaal?In welke mate dragen art-based pedagogieken bij aan het verwerven van kennis en begrip van veranderprocessen? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)78Remco Coppoolse, Hogeschool Utrecht, Utrecht, An Ruiter, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.066vr 11:15 – 12:15 Aanleiding en achtergrond Onderwijsprofessionals en -onderzoekers opereren in een steeds dynamischer context waarin maatschappelijke ontwikkelingen, beleidsdruk, een veelheid aan actoren en lokale culturele dynamieken voortdurend op elkaar inwerken. Deze gelaagdheid maakt dat vraagstukken vaak niet eenvoudig “in beweging” komen: diepere kwesties, zaken die wijzen op een onderstroom, impliciete aannames en hardnekkige patronen blijven vaak ongezien (Fullan, 2021; Hargreaves & Shirley, 2020). Traditionele onderzoeksmethoden—zoals interviews, vragenlijsten en observaties—zijn waardevol voor het beschrijven van gedrag en percepties, maar blijken minder geschikt om de onderliggende mechanismen, spanningsvelden en systeemdynamieken te doorgronden (Bryk et al., 2015). Creatieve en meer experimentele onderzoeksmethoden lijken juist kansen te bieden om deze dieperliggende dimensies zichtbaar te maken en nieuwe handelingsmogelijkheden te openen (Leavy, 2020; Barone & Eisner, 2012).Theoretisch kader Deze sessie bouwt voort op inzichten uit complexity theory, systems thinking, expansive learning en arts-based research. Vanuit complexiteitstheorie wordt onderwijs begrepen als een complex adaptive system, waarin non-lineariteit en interactiepatronen centraal staan (Davis & Sumara, 2006; Mason, 2008). Arts-based research en andere creatieve onderzoeksmethoden bieden methodologische handvatten om deze onderstromen te verbeelden en bespreekbaar te maken — bijvoorbeeld via metaforen, visuele narratieven, materiaalgebaseerde exploraties of performatieve technieken (Barone & Eisner, 2012; Leavy, 2020). Door deze benaderingen te combineren ontstaat ruimte voor gedeelde betekenisgeving en het blootleggen van patronen die met conventionele methoden verborgen blijven.Vraagstelling Welke creatieve onderzoeksmethoden bieden handelingsperspectief aan begrijpen en in beweging krijgen van diepergelegen kwesties, mechanismes en patronen in complexe systemen in het onderwijs?Doel van de bijdrage & interactie met publiek De sessie heeft als doel deelnemers kennis te laten nemen van de gigamap van creatieve onderzoeksmethoden, uiteenlopend van visuele en narratieve benaderingen tot performatieve en participatieve vormen. We verkennen het potentieel van deze onderzoeksmethoden voor het blootleggen van onderliggende problematiek in complexe onderwijssystemenwaar en waar de gigamap mogelijk kan worden verrijkt. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)787Jacob Nouta, Hogeschool Utrecht, Utrecht, Belinda Ommering, Hogeschool Utrecht, Utrecht 3.068vr 11:15 – 12:15 Hbo-docenten geven vorm aan onderwijs dat studenten voorbereidt op een beroepspraktijk en samenleving in transitie. Dat maakt ook het hbo-onderwijs zelf voortdurend in beweging: leeruitkomsten, doelgroepen en pedagogisch-didactische aanpakken veranderen steeds. Voor hbo-docenten betekent dit werken in situaties van niet-weten: situaties zonder eenduidige antwoorden, waarin bestaande handelingskennis tekortschiet. Dit wordt versterkt doordat veel hbo-docenten uit de beroepspraktijk komen en vaak beperkt pedagogisch-didactisch geschoold zijn. Om in zulke situaties professioneel te kunnen handelen, is epistemic agency (EA; onderzoekend vermogen) nodig: het vermogen om te herkennen waar handelingskennis ontbreekt en deze – met passende grondigheid en in samenwerking – te ontwikkelen en toepasbaar te maken in relevante contexten (Munneke, 2024). EA gaat daarmee verder dan het toepassen van bestaande kennis; zij stelt docenten in staat om nieuwe, situatie-specifieke handelingskennis te creëren. Ook voor docententeams is EA cruciaal. Collectieve EA maakt het mogelijk dat docententeams gezamenlijk kennis ontwikkelen, handelingsalternatieven verkennen, onderbouwde keuzes maken en reflecteren op de effecten daarvan. Ontbreekt deze collectieve EA, dan ligt terugval in vertrouwde aanpakken, ad-hoc oplossingen en reactieve besluitvorming op de loer, met beperkt gezamenlijk leren tot gevolg. Bestaand onderzoek richt zich voornamelijk op individuele EA en op het voortgezet onderwijs. Er is nog weinig bekend over hoe kennisontwikkeling binnen hbo-docententeams vorm krijgt en welke condities dit proces beïnvloeden. In deze bijdrage benaderen we collectieve EA als een ecologisch proces, dat ontstaat in interactie tussen actoren en context (Damşa et al., 2010; Ko & Krist, 2019; Kusters et al., 2026; Priestley et al., 2015). In het rondetafelgesprek verkennen deelnemers uitingen van collectieve EA in hun eigen praktijk. Aan de hand van praktijkvignetten uit een lopende PhD-studie bespreken we herkenbare dilemma’s en onderzoeken we samen hoe hbo-docententeams ruimte kunnen creëren voor collectieve EA. Deelnemers nemen concrete aanknopingspunten mee om collectieve EA van hbo-docententeams in de eigen praktijk te versterken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Rondetafelgesprek (30 minuten)42Shirine Bousaid, Hogeschool KPZ, Zwolle, Marieke van Geel, Universiteit Twente, Enschede, Trynke Keuning, Hogeschool KPZ, Zwolle, Kyra Meutstege, Hogeschool KPZ, Zwolle 3.068vr 11:15 – 12:15 In het onderwijs aan leerlingen met auditieve en/of communicatieve beperkingen wordt onderwijs vaak niet alleen door een leraar verzorgd, maar werken meerdere professionals samen om het onderwijs goed af te stemmen op verschillen tussen leerlingen (denk aan kwaliteitsmedewerkers, intern begeleiders, schoolleiders, leraren, onderwijsondersteuners, logopedisten en ambulant begeleiders; Meutstege et al., 2024). Het versteken van de differentiatievaardigheden vereist daarom een interprofessionele aanpak.Daarnaast zijn er grote verschillen in contexten en werkwijzen binnen de verschillende typen onderwijs aan leerlingen met auditieve en/of communicatieve beperkingen. Dit varieert van zelfstandige scholen voor leerlingen met specifieke behoeften (doof/slechthorend, leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis, leerlingen die communicatief meervoudig beperkt zijn) tot leerlingen die via ambulante begeleiding onderwijs krijgen binnen het regulier onderwijs. Om differentiatievaardigheden en hiervoor benodigde samenwerking tussen de verschillende professionals te kunnen versterken zal daarom moeten worden aangesloten bij de lokale contexten.In dit project zullen interprofessionele ontwikkelteams, in een aanpak die vergelijkbaar is met de Docent OntwikkelTeams (DOT, Binkhorst et al., 2015), diverse professionaliseringsaanpakken ontwerpen en in hun eigen lokale context implementeren om zo de interprofessionele samenwerking en het optimaliseren van onderwijs aan alle leerlingen te versterken.Een ontwikkelteam bestaat uit 2-3 verschillende professionals van drie verschillende scholen en/of diensten. Deze teams zullen ongeveer zes keer samenkomen in ontwerpsessies waarin zij, op basis van ervaringen uit het regulier onderwijs (Frèrejean et al., 2021; Meutstege et al., 2023) hele-taak gerichte professionaliseringsaanpakken ontwikkelen. Op basis van observaties, logboeken, en interviews wordt flankerend onderzoek uitgevoerd naar de werking van deze interprofessionele ontwikkelteams.De ontwikkelteams starten in het voorjaar van 2026. Tijdens de ORD presenteren we de eerste ervaringen en ontwerpen, en willen we met deelnemers in gesprek over onze aanpakken, toekomstige iteraties en aanvullende suggesties voor het onderzoek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Ons onderzoek sluit allereerst aan bij de inkleuring van de divisie ‘leren en instructie’. In de ontwikkelteams zitten professionals uit het onderwijs voor leerlingen met auditieve en/of communicatieve beperkingen (cluster-2), zowel in speciaal als regulier onderwijs. Onderwijs aan deze leerlingen kenmerkt zich door inclusie en voorbereiding op deelname aan de samenleving. Daarnaast sluit het ook aan bij de inkleuring van de divisie ‘leraar & lerarenopleiding’, daar waar we in de interprofessionele ontwikkelteams onderzoekers en onderwijsprofessionals uit de praktijk bij elkaar brengen en elkaar laten versterken (wat zegt onderzoek en hoe kan dit passen in de praktijk?). Paperpresentatie (30 minuten)508Nathalia Drent, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.070vr 11:15 – 12:15 In onderwijssystemen waarin leerlingen worden ingedeeld in verschillende trackniveaus, zoals in het Nederlandse en Belgische voortgezet onderwijs (VO), spelen leerkrachten een cruciale rol (Van de Werfhorst & Mijs, 2010). Uit verschillende onderzoeken blijkt dat leerkrachtverwachtingen en overgangsadviezen om leerlingen te plaatsen in trackniveaus, beïnvloed worden door sociaaleconomische status (SES), migratieachtergrond, geslacht en werkhouding (Batruch et al., 2023; Wang et al., 2019). Het huidige onderzoek richt zich op de vraag hoe SES, migratieachtergrond, geslacht, werkhouding en trackniveau samenhangen met leerkrachtverwachtingen en overgangsadviezen tijdens een cruciale maar onderbelichte transitie: van heterogene tweede klassen naar homogene derde klassen in het VO. De vroege selectie naar het VO is uitgebreid onderzocht (Batruch et al., 2023), maar over overgangen binnen het VO is veel minder bekend, hoewel ongelijkheid daar juist verder toeneemt (Aalders et al., 2020). Het theoretisch kader is gebaseerd op intersectionaliteit (Cole, 2009). Vanuit dit perspectief wordt gekeken naar de interactie tussen verschillende leerlingkenmerken en hun gezamenlijke invloed op leerkrachtverwachtingen en overgangsadviezen. Eerder onderzoek richtte zich vooral op afzonderlijke leerlingkenmerken (bijv. Timmermans et al., 2015, 2018), maar de focus op intersectionaliteit, de interactie en gezamenlijke invloed, neemt toe (Pit-ten Cate & Glock, 2023). Dit betekent dat leerlingen niet worden uitgelicht op basis van één kenmerk, maar als een combinatie van kenmerken (bijv. een meisje met een migratieachtergrond). Twee onderzoeksvragen staan centraal: – In welke mate beïnvloeden SES, migratieachtergrond, geslacht, werkhouding en het trackniveau de leerkrachtverwachtingen, zowel onafhankelijk als in interactie met elkaar? – In welke mate beïnvloeden deze leerlingkenmerken de overgangsadviezen, zowel onafhankelijk als in interactie met elkaar? Het doel van deze bijdrage is om meer inzicht geven in hoe leerkrachtverwachtingen en overgangsadviezen tot stand komen en transities in het VO beïnvloeden. De bijdrage zal bestaan uit een presentatie van 20 minuten, gevolgd door 10 minuten voor interactie met het publiek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage sluit direct aan bij het congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’. Dit onderzoek richt zich op een cruciale transitie in de schoolloopbaan van leerlingen, namelijk de transitie van heterogene tweede klassen naar homogene derde klassen in het voortgezet onderwijs (VO). Deze transitie draagt bij aan een verdere vergroting van kansenongelijkheid. De studie laat zien hoe leerkrachtverwachtingen en overgangsadviezen samenhangen met leerlingkenmerken zoals SES, migratieachtergrond, geslacht, werkhouding en trackniveau. Daarmee wordt zichtbaar hoe leerkrachtverwachtingen en overgangsadviezen niet enkel worden bepaald door leerprestaties, maar ook door (combinaties van) leerlingkenmerken. Paperpresentatie (30 minuten)585Danny Wildeman, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.070vr 11:15 – 12:15 Uit eerder onderzoek blijkt dat het schooladvies een hoge voorspellende waarde heeft voor het onderwijsniveau van leerlingen drie jaar later (Dijks et al., 2020; Hebbink et al., 2022). Voor de meeste leerlingen hangt het schooladvies sterker samen met het bereikte onderwijsniveau dan het toetsadvies. Dit kan erop wijzen dat leerlingen doorgaans een passend schooladvies krijgen, maar kan ook duiden op een zekere mate van padafhankelijkheid binnen het voortgezet onderwijs (vo). In deze onderzoeken is het speciaal basisonderwijs (sbo) wel meegenomen als onderdeel van het primair onderwijs, maar niet afzonderlijk bestudeerd. Verschillen in leerlingpopulatie en werkwijze tussen het sbo en het reguliere basisonderwijs (bo) maken het aannemelijk dat bevindingen uit het bo niet te generaliseren zijn naar het sbo. Het sbo volgt dezelfde kerndoelen en referentieniveaus als het bo (Kaspers, 2021), maar kent een andere leerlingpopulatie, die wordt gekenmerkt door relatief veel leerlingen met milde leer- en gedragsproblemen en gemiddeld lagere IQ-scores (Bijstra et al., 2023). Daarnaast werkt het sbo met een ontwikkelingsperspectief waarin een verwacht uitstroomprofiel en uitstroomniveau zijn vastgelegd. Het onderwijs wordt hier veelal op afgestemd, waardoor mogelijk al sprake is van een zekere mate van selectie. Omdat het sbo een andere positie inneemt binnen het Nederlandse onderwijsstelsel is meer inzicht in de doorstroom van sbo-leerlingen naar het vo wenselijk. Dergelijke inzichten kunnen bijdragen aan de beoordeling in hoeverre sbo-leerlingen passende schooladviezen ontvangen en in hoeverre zij hierin verschillen van bo-leerlingen. In een reeds afgerond manuscript is op basis van populatiegegevens van DUO onderzocht wat de voorspellende waarde is van het schooladvies en het toetsadvies voor sbo- en bo-leerlingen. Deze bijdrage geeft een overzicht van de belangrijkste uitkomsten van deze studie en wordt afgesloten met een gezamenlijke reflectie met het publiek op de bevindingen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Paperpresentatie (30 minuten)798Marloes Van Roon, Tilburg University, Tilburg 3.072vr 11:15 – 12:15 Achtergrond Voor leren is het geheugen nodig, wat betekent dat het geheugen een centrale rol heeft in het onderwijs. Het geheugen refereert naar het proces waarin leerlingen, bewust en onbewust, informatie en vaardigheden onthouden (Zlotnik & Vansintjan, 2019). Leerkrachten vormen de leeromgeving van leerlingen, hetgeen leerkrachten de mogelijkheid geeft om het geheugen van hun leerlingen te ondersteunen. Er is echter weinig onderzoek naar hoe leerkrachten het geheugen van hun leerlingen in de klas aanspreken of ondersteunen, en waarom ze dat op die manier doen. We weten wel vanuit eerder onderzoek dat leerkrachten verschillende middelen kunnen inzetten om leerlingen beter te laten onthouden zoals herhaling, retrieval practice of interleaving (Bjork & Bjork, 2020). Daarnaast weten we dat de taal van leerkrachten de geheugenprestaties van leerlingen positief kan beïnvloeden. Naarmate leerkrachten meer specifieke taal gebruiken, namelijk veel (meta)cognitieve strategieën en geheugen verzoeken, presteren leerlingen beter op geheugentaken (Coffman et al., 2008, 2019, 2025; Grammer et al., 2013; Moely et al., 1992). Dezelfde studies laten echter ook zien dat leerkrachten deze taal zelden gebruiken. Relevantie Een verklaring voor het bovenstaande instructiegedrag zou kunnen liggen in de overtuigingen van leerkrachten over het geheugen. Overtuigingen hebben invloed op gedrag (Cervone & Little, 2019; Flint et al., 2024; Hattie, 2012), en kunnen daarom inzicht geven in hoe leerkrachten handelen en waarom. In deze studie willen we onderzoeken welke overtuigingen leerkrachten hebben, hoe ze het geheugen van hun leerlingen aanspreken en welke beelden of metaforen ze gebruiken om het geheugen uit te leggen. Doelstelling Het doel van de paperpresentatie is inzicht geven in de overtuigingen van leerkrachten over het geheugen en in hoe ze het geheugen conceptualiseren. We willen samen met het publiek de resultaten bediscussiëren en kijken welke vragen dit oproept. Uiteindelijk kan deze kennis bijdragen in de opleiding en professionalisering van leerkrachten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het geheugen is noodzakelijk om te leren, om een leven lang te kunnen ontwikkelen. We weten veel over het geheugen vanuit laboratoriumstudies met kinderen van verschillende leeftijden (Best & Folds-Bennet, 2021). Er is echter weinig onderzoek naar hoe leerkrachten het geheugen van leerlingen in de klas aanspreken of ondersteunen, en waarom ze dat op die manier doen. Daarom is het van belang om meer te weten te komen over de overtuigingen van leerkrachten met betrekking tot het geheugen. Deze overtuigingen hebben namelijk invloed op hun gedrag en daarmee op de vormgeving van de onderwijsomgeving. Paperpresentatie (30 minuten)771Gino Camp, Open Universiteit, Heerlen, Mieke Goos, UHasselt, Diepenbeek 3.072vr 11:15 – 12:15 Uit PISA en TIMSS blijkt dat de wiskundeprestaties van leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs zorgwekkend achteruitgaan, zowel internationaal als in Nederland/Vlaanderen (OECD, 2023; von Davier et al., 2024). Het succesvol implementeren van oefenstrategieën (d.w.z. manieren van oefenen na initiële instructie of zelfstudie) waarvan de effectiviteit wetenschappelijk bewezen is, zou kunnen helpen om deze zorgwekkende tendens tegen te gaan. Drie van de meest veelbelovende oefenstrategieën, volgens voorgaand onderzoek, zijn jezelf toetsen (‘retrieval practice’), gespreid oefenen (‘distributed practice’) en afwisselend oefenen (‘interleaved practice’; bv. Donoghue & Hattie, 2021). Als leerlingen zichzelf toetsen, halen zij eerder bestudeerde informatie actief op uit hun langetermijngeheugen in plaats van dat zij die informatie opnieuw bekijken, bijvoorbeeld door de informatie opnieuw te bestuderen. Het resulterende prestatievoordeel wordt het testing-effect genoemd. Als leerlingen gespreid oefenen, verdelen zij een vaste hoeveelheid oefentijd over meerdere oefensessies in plaats van dat zij die tijd in één enkele sessie concentreren. Het prestatievoordeel dat dit oplevert, wordt het spacing-effect genoemd. Als leerlingen afwisselend oefenen, wisselen zij opgaven die betrekking hebben op verschillende maar gerelateerde concepten/procedures, af in plaats van dat zij die opgaven groeperen. Het hieruit voortvloeiende prestatievoordeel wordt het interleaving-effect genoemd. Alle drie de oefenstrategieën worden beschouwd als zogenoemde ‘desirable difficulties’: uitdagingen die, mits succesvol overwonnen, het langetermijnleren bevorderen. Echter, er is weinig bekend over de effecten van deze oefenstrategieën op de leerprestaties van leerlingen in authentieke klaslokalen in het basis- en voortgezet onderwijs. Voorgaand onderzoek is namelijk vooral uitgevoerd in laboratoria of met studenten hoger onderwijs, waardoor het onduidelijk is of en in hoeverre de onderzoeksbevindingen vertaalbaar zijn naar de klaspraktijk in het basis- en voortgezet onderwijs. Deze studie had als doel dit na te gaan. Wat dialoog/interactie met het publiek betreft, voorzien we tijdens/na de presentatie ruimte voor vragen vanuit en discussie met het publiek. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Vrije vorm (60 minuten)411Ruth Wouters, UC Leuven-Limburg, Leuven, Ruth Wouters, UC Leuven-Limburg, Leuven 3.088vr 11:15 – 12:15 Boeken, scharen, pennenzakken, woordkaartjes, een wereldbol, rekendozen, tablets, wiebelkussens, knutselwerkjes, … materialen of onderwijsartefacten zijn alomtegenwoordig in onze klassen. Toch blijven materialen in onderzoek vaak onderbelicht en ondergeschikt aan menselijke cognitie en agency (Fenwick 2015). Er bestaan bovendien weinig methodologische kaders om hun rol in de klas te bestuderen (Röhl, 2012). Opvallend is daarnaast dat recente empirische studies over fysieke onderwijsmaterialen schaars zijn in vergelijking met onderzoek naar digitale leeromgevingen. Sociomateriële benaderingen dagen onderwijsonderzoek echter uit om de materialiteit van een klas ernstig te nemen. Een lopend etnografisch onderzoek (2023-2027) in een school voor leerlingen met leerstoornissen versterkte onze zoektocht naar een dergelijke sociomateriële, conceptuele en methodologische benadering van onderwijsartefacten. Eén van dergelijke (methodologische) mogelijkheden is het opstellen van objectbiografieën: de betekenissen onderzoeken en documenteren die artefacten krijgen via sociale interactie, en hoe die betekenissen evolueren naargelang context en gebruiker. Om beter zicht te krijgen op de variëteit, functies en interacties van onderwijsartefacten, werd een typologie ontwikkeld. Deze sluit aan bij (1) de 4E-cognition-theorie: leren is ‘embodied’, ‘embedded’, ‘enacted’ en’ extended’ (Newen et al., 2018), en (2) bij het concept ‘thinging’: denken vindt plaats met en door dingen (Malafouris, 2020). Waarnemen en leren ontstaat dus in voortdurende interactie met de materiële wereld. Artefacten zijn geen passieve representaties maar dragen actief bij aan begrip en zijn essentieel in het menszijn. Tijdens deze workshop verkennen we eerst het idee van onszelf als ‘homo faber’ via een aantal observaties en materiële ervaringen. Vervolgens stellen we de ontwikkelde typologie voor ter bespreking. Vanuit een interdisciplinair perspectief tussen archeologie en onderwijskunde, wordt gereflecteerd op de mogelijkheden en uitdagingen ervan. Meer achtergrond is te vinden in onze studie Wouters, R., & Vansteenhuyse, K. (2025). An archaeology of educational artefacts: revealing invisibilities of the obvious objects of teaching and learning. Ethnography and Education, 1–20. https://doi.org/10.1080/17457823.2025.2591769 Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Onderwijs voor transitie vraagt om onderzoek dat aandacht heeft voor de vaak genegeerde materiële dimensie van onderwijs. In deze workshop maken we dat concreet door het combineren van een sociomateriële en archeologische benadering. Dergelijk interdisciplinair onderwijsonderzoek kan leraren, onderzoekers en zelfs educatieve uitgevers een nieuw perspectief bieden op de dynamische relaties tussen leerlingen, leraren en onderwijsmaterialen. Posterpresentatie592Nardie Fanchamps, Zuyd Hogeschool, Heerlen 3.090vr 11:15 – 12:15 Interprofessionele samenwerking (IPC) wordt op grote schaal gepromoot als een strategie om de kwaliteit en integratie van de gezondheidszorg te verbeteren. Maar de impact van IPC blijft moeilijk te evalueren vanwege het multidimensionale en contextgebonden karakter ervan. Bestaande evaluatiemethoden zijn gefragmenteerd en geven vaak de voorkeur aan gestandaardiseerde kwantitatieve maatstaven of kwalitatieve inzichten die niet vergelijkbaar zijn. Daarom is er meer inzicht nodig in hoe de impact van IPC kan worden geëvalueerd. In deze studie werd daarom Group Concept Mapping toegepast, een gemengde onderzoeksmethode om de perspectieven van experts op de evaluatie van de impact van IPC in de gemeenschapszorg te onderzoeken. De bevindingen brachten drie belangrijke perspectieven aan het licht: toegevoegde waarde, methodologisch en conceptueel/organisatorisch. Hieruit bleek dat er behoefte is aan een evenwichtige aanpak die kwantitatieve indicatoren (bijv. patiëntresultaten, kosteneffectiviteit) integreert met kwalitatieve methoden (bijv. storytelling, reflexieve monitoring). Deskundigen benadrukten dat IPC-evaluatie zowel meetbaarheid als contextuele flexibiliteit in aanmerking moet nemen, zodat beoordelingskaders de complexiteit van IPC weergeven en tegelijkertijd praktisch toepasbaar blijven. Onze bevindingen onderstrepen de noodzaak van gestructureerde maar aanpasbare IPC-evaluatiemodellen die zowel resultaatgerichte beoordeling als diepgaand contextueel inzicht omvatten. Toekomstig onderzoek moet zich richten op de ontwikkeling van integratieve kaders die evidence-based evaluatie ondersteunen en tegelijkertijd rekening houden met het dynamische karakter van IPC in de praktijk. Geleerde lessen: • Interprofessioneel samenwerken (IPC)-effectevaluatie is afhankelijk van de context en vereist flexibele, aanpasbare methodologieën. • Er is een hybride aanpak nodig die kwantitatieve resultaten en kwalitatieve inzichten combineert. • Effectevaluatie moet worden ontworpen als een leermiddel en niet alleen als een maatstaf voor verantwoordingsplicht. • Door samen te werken met praktijkbeoefenaars blijft het evaluatiekader praktisch relevant. • GCM is een nuttige methode om de perspectieven van deskundigen te structureren, maar legt geen causale verbanden vast en moet worden aangevuld met empirische validatie. Aanbevelingen: • Ontwikkel hybride evaluatiemodellen die zowel kwantitatieve indicatoren (bijv. patiëntresultaten) als kwalitatieve leerinzichten integreren. • Integreer impactevaluatie in de werkprocessen van IPC-teams om continu professioneel leren en verbeteren te faciliteren. • Pas participatieve onderzoeksbenaderingen toe om samen met praktijkbeoefenaars evaluatiekaders te creëren. • Ontwikkel mechanismen om impactevaluatieprocessen te integreren in de besluitvorming en kwaliteitsverbetering van IPC-teams. • Valideer empirisch door experts afgeleide impactdimensies door middel van longitudinale studies en gemengde onderzoeksmethoden. • Zorg ervoor dat evaluatiemodellen niet alleen theoretisch robuust zijn, maar ook haalbaar in de praktijk door ze af te stemmen op de beschikbare middelen, tijdsbeperkingen en organisatorische prioriteiten. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Ons onderzoek richt zich op het belang van evenwichtig assessment en de uitdagingen bij het definiëren en meten van de impact van interprofessioneel samenwerken (IPC), waarbij wordt benadrukt dat er behoefte is aan een aanpak die evaluatie in evenwicht brengt met voortdurende professionele ontwikkeling. Dit om de parameters voor het evalueren van de impact van IPC en het belang daarvan te verduidelijken. Posterpresentatie913Frytskje Simonis, Hogeschool Windesheim, Almere 3.090vr 11:15 – 12:15 Integrale kindcentra (IKC’s) winnen als organisatievorm voor kinderopvang en onderwijs aan populariteit (Keuning et al., 2022). Dat is niet verwonderlijk, omdat zij mogelijk een antwoord bieden op maatschappelijke vraagstukken zoals kansen(on)gelijkheid en personeelstekorten in onderwijs en opvang (Van den Berg & Scheeren, 2018; Keuning et al., 2022). Overheden stimuleren de oprichting van IKC’s dan ook (Van Gennip & Wiersma, 2023). Tegelijkertijd blijven onderwijs en opvang vaak ‘gescheiden werelden’, waardoor kansen om bij te dragen aan maatschappelijke uitdagingen onbenut blijven (Van der Grinten et al., 2019; Verheijen-Tiemstra, 2024). In dit prjoect staat de volgende vraagstelling centraal: Hoe kunnen dialogische interventies, gebaseerd op de sociale identiteitstheorie, het proces van gezamenlijke visievorming voor IKC’s ondersteunen en zo bijdragen aan integrale samenwerking tussen onderwijs en opvang? Het onderzoeksproject combineert inzichten uit de organisatiewetenschappen, sociale psychologie en toegepaste taalwetenschap. Binnen de organisatiewetenschappen is het belang van een heldere visie aangetoond: een visie verbindt waarden en identiteiten van medewerkers aan de missie van de organisatie, geeft richting en draagt bij aan stabiliteit en effectiviteit (Collins & Porras, 2008). De sociale identiteitstheorie laat zien hoe groepslidmaatschap het denken en handelen beïnvloedt (Tajfel & Turner, 1979). Beeldvorming over elkaars identiteit speelt hierbij een belangrijke rol: hoe groepen elkaar zien, bepaalt hun onderlinge opstelling (Ellemers et al., 2004). Het expliciteren van deze beelden en het ontwikkelen van gezamenlijke taal in een proces van visievorming kan scheidslijnen verminderen en samenwerking versterken. Dialogische interventies uit de toegepaste taalwetenschappen bieden hierbij houvast (Wegerif, 2011). Dit phd-onderzoek bestaat uit drie interventiestudies waarin een gefaseerd proces van visievorming wordt doorlopen en een nul- en eindmeting met grootschalig vragenlijstonderzoek naar beeldvorming, identiteiten en integraliteit. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het onderzoek sluit goed aan bij het thema ‘Onderwijs in transitie’, omdat IKC-vorming zeer actueel is enveelbelovend voor het aanpakken van maatschappelijke vraagstukken. Een werkelijke integratie van onderwijs en kinderopvang is in de praktijk echter een flinke uitdaging. Inzichten uit wetenschappelijke disciplines die op enige afstand van het primair onderwijs staan kunnen, mits getoetst en vertaald naar de praktijk, handvatten voor deze integratie bieden. Posterpresentatie183Kim Vogelzang-Kingma, NHL Stenden, Leeuwarden 3.090vr 11:15 – 12:15 Om studenten op te leiden tot zelfbewuste professionals die interdisciplinair werken aan complexe maatschappelijke vraagstukken, is het essentieel dat docenten deze houding zelf belichamen. In open en collaboratieve onderwijsbenaderingen zoals Design-Based Education (DBE) werken docenten samen in dynamische contexten (Assen & van Diggelen, 2023). Effectieve co-creatie met studenten vraagt daarbij meer dan individuele expertise (Sawyer, 2017). Opvattingen over lesgeven, rollen en pedagogische verantwoordelijkheid zijn vaak impliciet en uiteenlopend (Thurlings & van Diggelen, 2021), wat afstemming en collectief handelen belemmert. Docententeams hebben daarom een gedeelde professionele basis nodig, in de literatuur aangeduid als collectieve (professionele) identiteit (Wenger, 1998; Snow, D. A., & Corrigall-Brown, C., 2015; Hökkä et al., 2017). Hoe deze identiteit zich ontwikkelt in co-creatieve onderwijspraktijken is echter nog onvoldoende onderzocht. Theoretisch draagt dit onderzoek bij aan het begrip van professionele identiteit als collectief en dynamisch proces, aanvullend op de dominante focus op individuele identiteit. Deze bijdrage verkent hoe collectieve identiteit zichtbaar en bespreekbaar kan worden gemaakt en versterkt in co-creatieve onderwijspraktijken binnen DBE en vergelijkbare contexten. Centraal staat hoe ‘wij-zijn’ binnen docententeams richting en houvast biedt in samenwerking met studenten. De bijdrage nodigt deelnemers uit om eigen ervaringen en ontwerpvragen rond co-creatie en professionele identiteit te delen en gezamenlijk te reflecteren. In dit PhD-project worden interventies ontwikkeld en getest om te onderzoeken hoe docententeams een gedeelde collectieve professionele identiteit ontwikkelen die co-creatie met studenten mogelijk maakt. De term ‘Wedentity’ fungeert daarbij als prikkelende werknaam, een vorm van “tussentaal” om gedeelde waarden, doelen en samenwerking binnen docententeams bespreekbaar te maken (Spanjersberg, 2010). Professionele collectieve identiteit wordt opgevat als zowel emergente uitkomst van gezamenlijke onderwijsontwikkeling als mechanisme dat verdere co-creatie faciliteert. Centrale onderzoeksvraag: Hoe, waarom en onder welke omstandigheden ontwikkelt zich een collectieve identiteit in docententeams die co-creatie met studenten in open, co-creatieve onderwijscontexten bevordert? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de impact van onderwijsonderzoek in het licht van Onderwijs voor Transitie, met aandacht voor de methodologische benadering die dit vraagt. Door ontwerpgericht onderzoek te combineren met Realist Evaluation wordt inzicht verkregen in werkzame mechanismen van collectieve professionele identiteit die co-creatie, samenwerking en innovatie in complexe onderwijspraktijken ondersteunen. In open onderwijscontexten fungeert collectieve identiteit als organiserend principe voor gezamenlijke betekenisgeving en handelen. Het onderzoek laat zien hoe transformatie ontstaat wanneer niet het individu, maar het collectief centraal wordt gesteld in het voorbereiden van studenten op maatschappelijke transities. Posterpresentatie104Ruth Schep, Erasmus Universiteit, Rottterdam 3.090vr 11:15 – 12:15 Studeren in het hoger onderwijs (HO) kenmerkt zich als een dynamische praktijk (Brooman & Darwent, 2014). Studenten moeten zich constant aanpassen aan veranderingen in hun leeromgeving, zoals wisselende vakken en steeds nieuwe samenstellingen van werkgroepen (Tomlinson & Jackson, 2021). Om grip te krijgen op deze voortdurend veranderende leeromgeving, zijn interacties met peers een docenten van groot belang (vgl. Jindale-Snape et al., 2020; van Lamoen et al., 2025). Ondanks het belang van student-peer- en student-docentinteracties in het HO, wordt het wetenschappelijk veld gekenmerkt door conceptuele en methodologische fragmentatie. Begrippen als interacties, relaties en netwerken worden vaak door elkaar gebruikt (Trauernicht et al., 2025). Deze conceptuele ambiguïteit werkt door in de gebruikte meetinstrumenten: er bestaan veel methoden voor het meten van interacties in het HO, maar veel van hen lijken te focussen op sociale en academische integratie in plaats van inhoud en kwaliteit van interacties, of kijken naar interacties op groepsniveau (vgl. Meeuwisse et al., 2010; van Herpen et al., 2020). Dit bemoeilijkt een systematische analyse van wat student–peer en student–docent interacties in het HO precies inhouden, en hoe deze samenhangen met het studiegedrag van studenten. Met deze systematische reviewstudie wordt beoogd helderheid te scheppen in deze conceptuele en methodologische ambiguïteit. Door alle studies gericht op student-peer- en/of student-docentinteracties in het HO van de afgelopen 15 jaar te analyseren, is het doel te achterhalen welke definities en meetinstrumenten gebruikt worden voor deze interacties. Met deze posterbijdrage worden de eerste bevindingen van de systematische reviewstudie besproken. Het publiek wordt hierbij uitgenodigd om mee te reflecteren op deze bevindingen, en over de conceptualisatie van student-peer- en student-docentinteracties in het HO. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze posterpresentatie en reviewstudie dragen bij aan een maatschappij in transitie door de ontwikkeling van studenten in het HO als doorlopend en dynamisch te beschouwen (Gravett & Winstone, 2021; van Herpen & De Coninck, 2025), waarbij interacties een prominente rol spelen om studenten te laten groeien tot professionals en wetenschappers die zich kunnen bewegen in de huidige maatschappij. Posterpresentatie853Lisa van der Sande, Hogeschool Windesheim, Almere 3.090vr 11:15 – 12:15 Aanleiding van het onderzoek Binnen het programma Taal in Almere werken professionals uit de kinderopvang en het onderwijs samen aan het versterken van de taalvaardigheid van kinderen en jongeren (Taal in Almere, z.d.). Een belangrijk onderdeel is het werken in lerende netwerken, waarin professionals gezamenlijk werken aan het vergroten van hun taalbewustzijn en taalprofessionaliteit (Bouzelmad & Runia, 2021). Deelnemers formuleren een gezamenlijk doel rond een specifiek taalthema, verkennen wat al bekend is over het thema en stellen op basis daarvan een plan van aanpak op. Dit plan wordt uitgevoerd en geëvalueerd, waarna de opgedane kennis en inzichten worden gedeeld met andere professionals. Het uiteindelijke doel is om hiermee de taalontwikkeling van kinderen en jongeren blijvend te stimuleren. Vraagstelling van het onderzoek waarop de bijdrage gebaseerd is Hoe dragen de lerende netwerken binnen het programma Taal in Almere bij aan de professionele groei van educatieve professionals op het gebied van taalbewustzijn en taalprofessionaliteit? Doelstelling van de bijdrage We hebben interviews afgenomen bij deelnemers van de lerende netwerken om hun professionele groei in kaart te brengen. De interviews worden geanalyseerd met behulp van het Interconnected Model of Professional Growth (Clarke& Hollingsworth, 2002). Dit model onderscheidt groei in vier domeinen: het externe domein (externe informatiebronnen), het persoonlijke domein (kennis, opvattingen en overtuigingen), het praktijkdomein (het handelen in de dagelijkse praktijk) en het domein van de consequenties (waargenomen effecten bij kinderen en jongeren of voor de organisatie). Tijdens de ORD worden de eerste resultaten gepresenteerd over hoe het werken in een lerend netwerk bijdraagt aan professionele groei. Dialoog/interactie met publiek We gaan graag met het publiek in gesprek over hoe het werken in een lerend netwerk kan bijdragen aan professionele groei en de voor- en nadelen van verschillende vormen van professionalisering. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie700Anne Kievitsbosch, Hanzehogeschool, Groningen 3.090vr 11:15 – 12:15 Binnen de Hanze wordt onderwijs steeds vaker vormgegeven binnen Innovatiewerkplaatsen (IWP’s): een organisatievorm waar verbinding tussen onderwijs, werkveld en onderzoek wordt gelegd. Hierbinnen werken studenten met verschillende stakeholders samen aan authentieke maatschappelijke/regionale vraagstukken (Cremers et al., 2016). Met het werken in IWP’s wordt beoogd onderwijs en arbeidsmarkt goed op elkaar aan te laten sluiten en om studenten beter voor te bereiden op toekomstig werk, bijvoorbeeld als het gaat om transitievaardigheden. In de praktijk blijkt synergie tussen onderwijs, bedrijfsleven en/of maatschappelijke partners niet altijd eenvoudig te ontstaan (Topsectoren, 2019). Hanze’s IWP’s kunnen worden gezien als hybride leer-werk-omgevingen, waarin een of meerdere leergemeenschappen als onderwijsvorm bestaan. In theorie is een leergemeenschap een groep mensen die samenwerkt aan een gezamenlijk vraagstuk/doel en van en met elkaar wil leren (Doppenberg & Van Kuijk, 2024; Hanze Leerconcept, z.d.). In de praktijk kunnen leergemeenschappen verschillende vormen aannemen: door groepssamenstelling (wie), het type vraagstuk (wat), de organisatie van de samenwerking alsook de facilitering van het leren (hoe). Hierdoor kunnen verschillende leerprocessen centraal staan en diverse leeropbrengsten gerealiseerd worden. Vanwege deze diversiteit in de praktijk is meer kennis en inzicht nodig in verschillende vormen van leergemeenschappen, leerprocessen en -opbrengsten. Daarom is het doel van dit onderzoek enerzijds het inventariseren van verschillende vormen van leergemeenschappen in IWP’s en anderzijds inzicht krijgen in beïnvloedende factoren van samenwerken en leren binnen leergemeenschappen. Onderzoeksvragen: Welke vormen van leergemeenschappen bestaan momenteel binnen IWP’s? Wie werkt met wie samen? Welke soort vraagstukken staan centraal? Hoe is de samenwerking georganiseerd en hoe wordt samen leren gefaciliteerd? In deze congresbijdrage bespreken we eerste uitkomsten van een mixed methods project met vragenlijsten en observaties bij coördinatoren en deelnemers van leergemeenschappen (studenten, docenten, onderzoekers, werkveldprofessionals). Uitkomsten kunnen inspireren tot verdere doorontwikkeling van leergemeenschappen als onderdeel van huidige transities in het hoger onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Leergemeenschappen binnen IWP’s en andere hybride leer-werk-omgevingen zijn een cruciaal onderdeel van de transitie in het hoger onderwijs. Juist het inspelen op samenwerking en mogelijk (multidisciplinair) leren op het snijvlak van onderwijs en werkveld zal de komende jaren alleen maar belangrijker worden. Dit onderzoek draagt hieraan bij door de huidige praktijk te laten zien en door factoren te identificeren die goed werken én die juist verdere aandacht nodig hebben. Zo kan samenwerken en samen leren in leergemeenschappen binnen IWP’s duurzaam ingericht worden met oog op het onderwijs van de toekomst (NKO, 2023). Posterpresentatie855Judith van Fraeijenhove, Amsterdam UMC, Amsterdam 3.094vr 11:15 – 12:15 De toenemende diversiteit in het onderwijs zorgt voor interacties met een diversiteit aan achtergronden en perspectieven. Dit kan leiden tot diversiteitsongemak tussen docenten en studenten, en studenten onderling. Wanneer dit ongemak resulteert in defensieve reacties of vermijding van ‘lastige’ thema’s of ontmoetingen, versterkt het bestaande normen en structuren en belemmert het de inclusiviteit van het hoger onderwijs. Het kan bovendien leiden tot studentuitval en negatieve beïnvloeding van prestaties, zelfredzaamheid en sense of beloning van studenten (Isik et al., 2021; Polhaus, 2012; Slootman, et al., fc). In plaats van dit ongemak te vermijden of ons ertegen te verzetten, moeten we het begrijpen en benutten als aanleiding voor zelfreflectie en openheid naar andere perspectieven. Hoe kunnen wij diversiteitsongemak inzetten in een maatschappij in transitie? Theorieën Diversiteitsongemak is een nieuw concept en wordt verder uitgewerkt in dit onderzoek, dat deel uitmaakt van het project DiDi (Diversity Discomfort). Verschillende theoretische kaders worden meegenomen om dit concept te benaderen: feministische theorieën, pedagogische en psychologische benaderingen, safe en brave spaces, pedagogie van ongemak en citizenship en multiperspectivity. Onderzoeksvraag Het belang en de ervaringen van gelijkwaardigheid, diversiteit, en inclusie binnen het hoger onderwijs is bekend. Het ongemak dat ontstaat bij ervaringen van diversiteit aan achtergronden en perspectieven in de klas wordt echter nog niet goed begrepen. Om diversiteitsongemak volledig te begrijpen, staan de ervaringen van docenten en studenten centraal. We onderzoeken: Wat zijn de verschillende triggers en manifestaties van diversiteitsongemak binnen de klas? Wat zijn de persoonlijke en collectieve implicaties van diversiteitsongemak? Hoe gaan studenten en docenten om met diversiteitsongemak binnen de klas? De opbrengsten van dit onderzoek worden ingezet voor het ontwikkelen van ontwerpprincipes en interventies om diversiteitsongemak te benutten als middel voor inclusie in het hoger onderwijs. Doel posterpresentatie Tijdens de posterpresentatie deel ik de onderzoeksopzet. Ik nodig deelnemers uit voor een discussie en input. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ In het Didi-project onderzoeken we in twee studies diversiteitsongemak binnen en buiten het klaslokaal in het hoger onderwijs. Eén studie richt zich op diversiteitsongemak in het klaslokaal, een tweede op docententeams. In de komende vijf jaar brengen we diversiteitsongemak in kaart en ontwikkelen we handvatten om dit ongemak constructief in te zetten in het hoger onderwijs. Dit sluit aan bij onderwijs voor transitie, dat zich niet alleen richt op cognitieve kennis, maar ook bijdraagt aan de persoonsvorming van studenten. Een open dialoog is hiervoor essentieel. Posterpresentatie534Patrick van der Veen, Hanzehogeschool, Groningen 3.094vr 11:15 – 12:15 Het praktijkonderwijs is een reguliere onderwijsroute binnen het Nederlandse onderwijssysteem voor een diverse groep leerlingen met cognitieve ondersteuningsbehoeften. De Staat van het Onderwijs 2025 signaleert een afnemende instroom, terwijl bijstellingen van schooladviezen richting deze route toenemen. Tegelijkertijd blijft het praktijkonderwijs in beleid en maatschappelijk discours relatief onzichtbaar en ondergewaardeerd (Inspectie van het Onderwijs, 2025). Deze beperkte zichtbaarheid en waardering vormt een relevante context waarbinnen verwachtingen, waardering en toegang tot leer- en stageplaatsen tot stand komen. Hoe leerlingen binnen deze context hun eigen competenties en positie ervaren, is echter nauwelijks onderzocht. Dit onderzoek richt zich daarom op de competentiebeleving van leerlingen uit het praktijkonderwijs. Dit onderzoek is gepositioneerd binnen het sociale model van inclusie, waarin uitsluiting wordt begrepen als het resultaat van sociale en institutionele processen (Mason & Rieser, 1994; Oliver, 1990). Binnen dit kader vormt competentiebeleving een centrale ervaringsdimensie. Vanuit de Self-Determination Theory wordt competentiebeleving opgevat als de mate waarin leerlingen zich effectief voelen in interactie met hun omgeving (Ryan & Deci, 2017). Deze ervaring is contextafhankelijk en ontwikkelt zich in wisselwerking met verwachtingen, ondersteuning en feedback (Veenker et al., 2017). Door het perspectief van leerlingen centraal te stellen, benadert dit onderzoek competentiebeleving niet uitsluitend als uitkomst van onderwijsinterventies, maar als ervaringsdimensie die betekenis krijgt binnen sociale en institutionele contexten. Daarmee draagt het onderzoek bij aan een beter begrip van hoe inclusie en uitsluiting in het praktijkonderwijs worden beleefd en geïnterpreteerd door degenen om wie het gaat. De centrale onderzoeksvraag luidt: Wat kenmerkt de competentiebeleving van leerlingen uit het praktijkonderwijs, en hoe hangt deze samen met ervaren verwachtingen, waardering en inclusie binnen en rondom deze onderwijsroute? Het doel van deze bijdrage is inzicht te bieden in hoe leerlingen zelf hun competenties en positie binnen het praktijkonderwijs ervaren, en welke onderwijs- en omgevingsfactoren zij daarin als ondersteunend of belemmerend worden ervaren. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het thema Onderwijs voor transitie benadrukt de rol van onderwijs in het ondersteunen van lerenden bij ontwikkeling en deelname aan een samenleving in verandering. Voor leerlingen in het praktijkonderwijs voltrekt deze transitie zich binnen een onderwijsroute die in onderzoek en beleid beperkt zichtbaar is, terwijl juist hier vraagstukken samenkomen rond participatie, arbeidsmarkttoegang en maatschappelijke betrokkenheid. Door het perspectief van leerlingen centraal te stellen, maakt dit onderzoek zichtbaar hoe onderwijspraktijken samenhangen met ervaren competentiebeleving, inclusie en positionering binnen deze transitiecontext. Posterpresentatie91Jantje Timmerman, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.094vr 11:15 – 12:15 Aanleiding en theoretisch kader We leven in een meertalige samenleving: in stedelijke gebieden spreekt meer dan 60% van de inwoners naast het Nederlands één of meerdere andere talen, en een derde van de werknemers gebruikt op de werkvloer meer dan één taal (Schmeets & Cornips, 2021; TNO, 2025). Deze diversiteit weerspiegelt zich in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), waar studentenpopulaties én werkplekken talig zeer divers zijn (Van Batenburg & Dale, 2024; Meier & Styger, 2025). Van mbo-opleidingen vraagt dit een transitie naar expliciete aandacht voor het ontwikkelen van meertalige competenties die studenten als toekomstig beroepsprofessional nodig hebben. Meertalige competenties omvatten het inzetten van het eigen talige repertoire, het overbruggen van taalbarrières, bemiddelen tussen sprekers en informatie toegankelijk maken (García, 2009; Council of Europe, 2020). Zowel studenten als professionals geven aan dat opleidingen onvoldoende aandacht hebben voor de ontwikkeling van deze competenties en hen onvoldoende voorbereiden op handelen in talig diverse beroepssituaties (Van Batenburg & Dale, 2024; Van Beuningen & Polišenská, 2024; Meier & Styger, 2025). Dit is urgent in sectoren zoals de zorg, waar misverstanden door taalverschillen het vaakst voorkomen (TNO, 2025). Hoewel onderzoek aantoont dat meertalig competente professionals effectieve communicatie en vertrouwen kunnen bevorderen (Brooks, 2025), blijkt in de praktijk dat zorgverleners vaak terugvallen op minder effectieve informele strategieën zoals familieleden als tolk en digitale vertaalhulpmiddelen (Hieke et al., 2025). Onderzoek naar hoe meertalige competenties zich daadwerkelijk manifesteren in zorgcommunicatie binnen specifieke lokale contexten is daarom nodig. Onderzoeksvraag Hoe en waarom zetten zorgprofessionals meertalige competenties in tijdens hun werk in verschillende beroepssituaties? Deze poster toont voorlopige interviewresultaten over het handelen van zorgprofessionals in meertalige beroepssituaties en vormt de basis voor een vervolgstudie naar het opleiden van mbo-studenten voor talig diverse beroepspraktijken. Besprekingsvraag: Welke inzichten geeft het handelen van professionals in meertalige beroepssituaties voor het opleiden van toekomstige professionals? Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie720Sarai Balkenende, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen 3.094vr 11:15 – 12:15 Leerlingen met Communicatief Meervoudige Beperkingen (CMB) ervaren dagelijks communicatieproblemen, veroorzaakt door twee of meer functiebeperkingen (Van Balkom, 2018). Ze kunnen bijvoorbeeld een combinatie ervaren van gehoorverlies, een verstandelijke beperking en een lichamelijke beperking. Vanwege deze beperkingen beschikken ze vaak niet over voldoende vaardigheden om zich uit te drukken en hun omgeving in verschillende contexten te begrijpen (Van Balkom, 2018). Aangezien communicatie met en door deze leerlingen niet vanzelfsprekend verloopt, is het voor leraren ingewikkeld om te toetsen of de leerling de lesstof begrijpt, of de opgestelde leerdoelen passend zijn voor de leerling en of de lesstof aansluit bij de onderwijsbehoeften (Van der Heijden & Toussaint, 2023). Er is in de literatuur weinig bekend over passende leerdoelen en onderwijsbehoeften van leerlingen met CMB en hoe het onderwijs hier op afgestemd wordt, zeker in vergelijking met de literatuur over andere groepen leerlingen in het speciaal onderwijs (bijvoorbeeld leerlingen met enkelvoudige ASS). Deze studie is een eerste stap om hier inzicht in te krijgen. Het huidige onderzoek draagt bij aan wetenschappelijke kennis over leerlingen met CMB en biedt inzichten voor het vervolgonderzoek. Met de inzichten van het huidige onderzoek, beogen de onderzoekers voor het vervolgonderzoek een Dynamisch Assessment te ontwikkelen om leraren te ondersteunen in het afstemmen van het onderwijs aan leerlingen met CMB. Daarnaast biedt het huidige onderzoek handvatten voor de praktijk met betrekking tot inzicht over de doelgroep en bevorderende en belemmerende factoren in het afstemmen van het onderwijs aan deze leerlingen. Welke leerdoelen en onderwijsbehoeften worden momenteel vastgesteld bij leerlingen met Communicatief Meervoudige Beperkingen (CMB) en hoe wordt het onderwijs hierop afgestemd? Feedback ontvangen en reflecteren op de methodologische keuzes en voorlopige resultaten, om de kwaliteit en de wetenschappelijke en praktische bruikbaarheid van het vervolgonderzoek te optimaliseren. Dialoog over interpretatie van de resultaten en implicaties voor assessment in speciaal onderwijs. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie543Femke Borst, Universiteit Utrecht, Utrecht 3.094vr 11:15 – 12:15 Leraren spelen een centrale rol in het leren en de motivatie van hun leerlingen door hun dagelijkse interacties in de klas. Volgens de Zelfdeterminatietheorie (ZDT) kunnen leraren de motivatie van leerlingen vergroten door behoefte-ondersteunend les te geven waarbij zij autonomie-ondersteuning en competentie-ondersteuning bieden (Ryan & Deci, 2020). Sommige praktijken van leraren daarentegen worden als behoefte-ondermijnend opgevat omdat ze de autonomie en competentie van hun leerlingen frustreren wat samenhangt met ongunstige leeruitkomsten (Howard et al., 2024). De ZDT stelt dat alle leerlingen baat hebben bij behoefte-ondersteunend lesgeven. Eerder onderzoek wijst echter uit dat leraren differentiëren in hun behoefte-ondersteuning voor verschillende leerlingen (Domen et al., 2020; Flunger et al., 2024). Zo geven leraren sommige leerlingen bijvoorbeeld minder autonomie omdat ze denken dat deze leerlingen niet om kunnen gaan met autonomie, waardoor ze onbedoeld de behoefte van hun leerlingen aan autonomie kunnen frustreren. Onderzoek naar attitudes van leraren ten opzichte van verschillende groepen leerlingen suggereert dat deze mogelijk een onderliggende rol spelen in hoe leraren differentiëren tussen verschillende groepen leerlingen (Denessen et al., 2022). Mogelijk kunnen negatievere attituden bij leraren ten aanzien van leerlingen met een lagere SES of gestigmatiseerde etnische achtergrond zich uiten in grotere verschillen in hun interacties met leerlingen van diverse achtergronden. In deze studie onderzoeken we in welke mate leraren verschillen in behoefte-ondersteunend en behoefte-ondermijnend lesgeven voor leerlingen met een lagere SES en/of gestigmatiseerde etnische achtergrond. Bovendien onderzoeken we of dit onderscheid groter is voor leraren met negatievere attitudes over leerlingen met een lagere SES en/of gestigmatiseerde etnische achtergrond. We gebruiken zowel impliciete als expliciete instrumenten voor het meten van lerarenattitudes, omdat bevindingen van eerdere onderzoeken niet eenduidig zijn (Denessen et al., 2022). Met deze studie beogen we inzicht te krijgen in hoe leraren differentiëren en welke onderliggende factoren daarbij een rol spelen om meer gelijke onderwijskansen te bevorderen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie918Thomas Vandendorpe, KU Leuven, Leuven 3.094vr 11:15 – 12:15 Achtergrond Verwachtingen van ouders en leerkrachten spelen een centrale rol in het leerproces van kinderen (Gentrup et al., 2020). Al van bij hun vroegste leerervaringen vormen nabije volwassenen zoals ouders en leerkrachten inschattingen over het cognitief en sociaal-emotioneel functioneren van een kind. Vanuit expectancy-based theorieën wordt verondersteld dat deze verwachtingen niet louter reflecties zijn van het huidige functioneren, maar ook actief bijdragen aan de verdere ontwikkeling van het kind (Johnston et al., 2022; Trang & Hansen, 2021). Ze kunnen immers richtinggevend zijn voor interacties, ondersteuning en leeropportuniteiten (Wang, Rubie-Davies & Meissel, 2018). Zowel ouder- als leerkrachtinschattingen kunnen aldus leertrajecten versterken of afremmen. Methode In deze studie werd in kaart gebracht hoe ouders en leerkrachten het cognitief en empathisch functioneren van ruim 2 000 vijfjarige kinderen inschatten. In dezelfde periode namen de kleuters deel aan de bevraagde constructen. Vervolgens werden de drie informatiebronnen – ouderinschattingen, leerkrachtinschattingen en directe meting – getrianguleerd. Deze multi-informantbenadering sluit aan bij hedendaagse inzichten in constructvaliditeit, maar laat ook toe om de mate en richting van discrepanties per kind en per cognitief domein te identificeren. In een volgende stap werd met regressieanalyses onderzocht welke kind-, ouder- en leerkrachtkenmerken samenhangen met systematische verschillen in inschatting, met specifieke aandacht voor factoren zoals sociaaleconomische status en gender. Samen bieden deze analyses een geïntegreerd beeld van vroege beoordelingsprocessen en de factoren die deze – mogelijk onbewust – structureren. Vraagstelling Deze bijdrage onderzoekt in welke mate de inschatting van ouders en leerkrachten rond de ontwikkeling van vijfjarige kinderen overeenstemt met resultaten van directe metingen, in welke richting mogelijke verschillen zich manifesteren en welke kind- en contextkenmerken samenhangen met discrepanties tussen beide perspectieven. Door deze vragen te combineren, beoogt de studie inzicht te bieden in vroege beoordelingsprocessen rond cognitieve vaardigheden en de mechanismen die deze processen beïnvloeden. Posterpresentatie359Leonie Brummer, Universiteit Utrecht, Utrecht, Renske de Kleijn, Umc Utrecht, Utrecht 3.096vr 11:15 – 12:15 Feedback is an indispensable aspect of higher education to foster learning (Winstone et al., 2017). It is common practice that teachers provide feedback on students’ products (e.g., essays, research papers). This feedback often aligns with learning objectives or assessment criteria, and is primarily dictated by the teacher. As a result, students have to (be able to) work with the feedback that is provided (feedback literacy; see e.g., Wu & Jiang, 2025); however, this feedback does not always end up implemented in students’ products. In other words, the feedback might not align with what students (think they) need and, as a result, learning fails to occur (De Kleijn, 2023). To optimize the learning process, the act of feedback-seeking (Crommelinck & Anseel, 2013) can support students and teachers. Feedback-seeking behaviour (FSB) encompasses strategies to seek, gather and implement feedback information on performance (see Crommelinck & Anseel, 2013; Sully de Luque et al., 2019).The act of feedback inquiry—directly asking for feedback—provides relevant insights into the learning processes of students. Whereas this feedback inquiry via a feedback request seems simple in nature, challenges arise in, for example, determining what students (think they) need, phrasing it correctly within a certain word limit, and/or pinpointing what exactly needs improvement. On top of that, existing research taps into the frequency of feedback inquiry as an indicator for success (see De Stobbeleir et al., 2020) rather than examining how students request feedback. This means that the phrasing of the feedback request denotes the learning process. Moreover, with feedback inquiry students might experience agency and/or responsibility (or ownership) over their own learning process (Little et al., 2024; Winstone et al., 2017; Ye et al., 2025), as they can determine what they (think they) need. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Student agency will continuously play a relevant role in higher education. By allowing students to phrase what feedback they want or need, they are responsible to monitor their understanding, process, and ability to implement that feedback. The implementation of feedback-seeking in educational contexts will also pave way for more research within this context, providing insight in learning processes. Posterpresentatie773Suzanne van Stratum, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.096vr 11:15 – 12:15 Aanleiding Hbo-studenten worstelen met schrijven, van projectverslagen tot afstudeerwerk. Dit belemmert hun studievoortgang en leidt ertoe dat hun schrijfvaardigheid onvoldoende aansluit bij verwachtingen van werkgevers. Losse taallessen zijn niet effectief; beroepsgerichte schrijfvaardigheid ontwikkelt zich vooral binnen vaklessen. Taalontwikkelend lesgeven (TOL), waarin vakinhoud en taalbewustzijn worden geïntegreerd, biedt perspectief (zoals Borst & De Glopper, 2025). In dit ontwerpgerichte promotieonderzoek staat de vraag centraal wat hbo-docenten nodig hebben om TOL in hun eigen onderwijs toe te passen. Het doel is een professionaliseringsprogramma te ontwerpen dat docenten in staat stelt hun studenten te ondersteunen in hun schrijfvaardigheidsontwikkeling. Achtergrond TOL is de hbo-variant van Taalgericht Vakonderwijs (Van Kruiningen, 2023), een didactische benadering die in het voortgezet onderwijs is ingeburgerd (Kuiper & Hajer, 2024). Bij beide benaderingen wordt tegelijk gewerkt aan de structurele verbinding tussen vak- én taaldoelen. Het leertheoretisch fundament hiervoor is sterk, maar de empirische basis in het hoger onderwijs blijft beperkt (Van Kruiningen et al., 2025). Er is vooral behoefte aan methodologisch stevige interventiestudies én aan evidence-based docentprofessionalisering rond TOL. Mijn onderzoek richt zich binnen TOL specifiek op vakgeïntegreerd schrijfonderwijs in het hbo. Vraagstelling Welke kenmerken moet een professionaliseringsprogramma hebben om hbo-vakdocenten in staat te stellen TOL effectief toe te passen en zo de schrijfvaardigheidsontwikkeling van studenten te stimuleren? Doelstelling rondetafelgesprek In de eerste fase heb ik literatuur verkend en de behoeften, overtuigingen en praktijkervaringen van docenten onderzocht via interviews en een vragenlijst. Op basis hiervan ontwerp ik een professionaliseringstraject. De uitwerking brengt fundamentele keuzes met zich mee. Bijvoorbeeld rond taalbewustwording versus concrete tools, curriculumontwikkeling in relatie tot draagvlak en haalbaarheid ten opzichte van ambitie. Tijdens het rondetafelgesprek wil ik deze keuzes en spanningen expliciteren en met deelnemers verkennen welke afwegingen cruciaal zijn voor duurzame docentprofessionalisering rond TOL om daarmee richting te geven aan effectieve en haalbare TOL-professionalisering in het hbo. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Maatschappelijke transities vragen van hbo-docenten dat zij blijven innoveren en meebewegen met de beroepspraktijk. In de praktijk blijkt het belang van een goede schrijfvaardigheid (Allen et al., 2016) en toekomstbestendig onderwijs moet aansluiten bij de actualiteit in het werkveld. Veel hbo-vakdocenten (geen taalspecialisten) onderschrijven het belang van schrijfvaardigheid, maar hebben onvoldoende didactische tools om daar vakgeïntegreerd aandacht aan te kunnen geven. Hoe ziet hbo-docentprofessionalisering eruit om dat te kunnen bereiken? Posterpresentatie636Guus Lambert, Zuyd Hogeschool, Heerlen 3.096vr 11:15 – 12:15 Docenten in het hoger onderwijs worden geacht leerervaringen te ontwerpen en verzorgen die bijdragen aan duurzaam leren. Dit vraagt naast vakinhoudelijke expertise ook algemene pedagogische kennis over hoe studenten leren in het hoger onderwijs. In onderwijsonderzoek wordt deze kennis opgevat als algemene didactische kennis (general pedagogical knowledge,), te onderscheiden van vakdidactische kennis (pedagogical content knowledge,) en toepasbaar over disciplines heen (e.g., Shulman, 1987; Guerriero, 2017; Ulferts, 2019). Deze meta-review richt zich op de praktijkgerichte cognitieve dimensie van algemene didactische kennis: kennis die docenten ondersteunt bij het ontwerpen, uitvoeren en consolideren van leerervaringen. Deze dimensie is geworteld in cognitieve leertheorieën, die hebben geleid tot instructieprincipes (e.g., Cognitive Load Theory (e.g., Sweller, 1988), Cognitive Theory of Multimedia Learning (e.g., Mayer, 2022), werk rond desirable difficulties en generative learning (Bjork & Bjork, 2011; Fiorella & Mayer, 2015), zoals split-attention, worked examples en retrieval practice. Tegelijkertijd is onduidelijk in hoeverre deze cognitief onderbouwde principes empirisch zijn onderzocht in authentieke hogeronderwijspraktijken. Bestaand bewijs is vaak gebaseerd op laboratoriumstudies of studies over meerdere onderwijsniveaus (e.g., Agarwal et al., 2021). Om deze lacune te adresseren is een meta-review uitgevoerd. Via een systematische zoekactie in Web of Science, PsycINFO en ERIC zijn meta-analyses en systematische reviews sinds 2009 geanalyseerd. Resultaten laten zien dat empirische onderbouwing ongelijk verdeeld is over cognitief onderbouwde instructiestrategieën. De sterkste evidentie betreft strategieën gericht op het consolideren van leren, met name retrieval practice, die ook expliciet in hogeronderwijssettings is onderzocht. Voor strategieën gericht op het ontwerpen en uitvoeren van leren is het bewijs overwegend positief, maar grotendeels afkomstig uit laboratorium-setting of niet-specifieke onderwijscontexten. Deze bevindingen wijzen erop dat algemene didactische kennis in het hoger onderwijs selectief, en niet uniform, evidence-based is. De studie onderstreept het belang van meer contextgevoelig onderzoek naar cognitief onderbouwde instructiestrategieën in authentieke hogeronderwijspraktijken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie406Benji van Beurden, Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 3.096vr 11:15 – 12:15 In deze postersessie staat centraal hoe docenten aan de universiteit inzicht krijgen in of studenten de beoogde begripsvoortgang doormaken tijdens hun lessen. Zo gebruiken veel docenten hun praktische en pedagogische kennis om studentvragen en -reacties op te merken en te interpreteren, om aan te voelen dat studenten ‘aan boord zijn’ en dat hun uitleg leidt tot begrip. In de literatuur wordt deze gespecialiseerde zienswijze aangeduid als teacher noticing (König et al., 2022). Wij presenteren een nieuw gestandaardiseerd onderzoeksinstrument om teacher noticing in kaart te brengen onder een specifieke groep, namelijk statistiekdocenten aan de universiteit. De sessie richt zich op drie kernaspecten van het instrument: (i) de overwegingen die hebben geleid tot de ontwikkeling ervan, (ii) de psychometrische kwaliteit en (iii) de inzichten die een afname oplevert voor de onderwijspraktijk en voor onderzoek naar teacher noticing. Zo gaan we in op de voor- en nadelen van bestaande gestandaardiseerde meetinstrumenten. Hierbij kijken we voornamelijk naar de validiteit en de haalbaarheid om data te verzamelen bij ca. 100 statistiekdocenten aan de universiteit. Ook brengen we de interne structuur van het meetinstrument in kaart en onderzoeken we of de associaties met verwante variabelen, zoals onderwijservaring en -kennis, overeenkomen met de theoretische en empirische verwachtingen uit eerder onderzoek (zie bijvoorbeeld Seidel & Stürmer, 2014; Blömeke et al., 2016). Ten slotte maken we de verzamelde data inzichtelijk met beschrijvende profielen en verklarende mechanismes. Hierbij kijken we mogelijk naar verschillen in praktijkervaring en pedagogische kennis, maar ook naar verschillen tussen disciplines. De bevindingen bediscussiëren we in het kader van docentontwikkeling en mogelijke onderwijsinnovaties in het hoger onderwijs. Zo verwachten we dat noticing verandert als docenten meer kennis en kunde opdoen (Blömeke et al., 2015) en dat noticing-patronen kansen blootleggen voor nieuwe teaching analytics (Ndukwe & Daniel, 2020). Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie872Maarten van der Velde, MemoryLab, Groningen 3.100vr 11:15 – 12:15 Adaptieve leersystemen zijn een effectieve manier om feitenkennis (zoals vocabulaire of topografie) te leren, omdat ze oefensessies kunnen afstemmen op de individuele leerling. Wanneer het oefenen bestaat uit het herhaald ophalen van feiten (retrieval practice), is het belangrijk dat moeilijke feiten eerder en vaker worden herhaald dan makkelijke feiten, zodat alle feiten even goed onthouden kunnen worden. Tijdens het oefenen kan uit de accuratesse en snelheid van de antwoorden worden afgeleid wat de vergeetsnelheid van elk feit is. Echter ontbreekt deze informatie nog wanneer een leerling feiten voor het eerst oefent, waardoor de oefening nog niet gepersonaliseerd kan worden: een zogeheten koude start. Tijdens een koude start kan nog onvoldoende onderscheid worden gemaakt tussen makkelijke en moeilijke feiten, wat het leren frustrerender en minder efficiënt kan maken: moeilijke feiten worden te weinig herhaald, waardoor de kans op fouten toeneemt, en makkelijke feiten worden juist te veel herhaald, wat tijdverlies oplevert. In dit onderzoek met het adaptieve leersysteem MemoryLab hebben we deze koude startsituatie vergeleken met een warme start. Bij een deel van de oefensessies startte het systeem met feit-specifieke voorspellingen van vergeetsnelheid, op basis van observaties bij eerdere leerlingen. Met andere woorden: het systeem “leerde van anderen” en voorspelde zo welke feiten waarschijnlijk uitdagend zouden zijn voor een nieuwe leerling. In een echte onderwijssetting (5–6 vwo vocabulaire Duits) hebben we gekeken naar het effect van een warme start op zowel prestaties tijdens het oefenen als op het tempo waarmee leerlingen de stof tot beheersing konden leren, iets dat in eerdere studies nog niet is onderzocht. De resultaten laten zien dat starten met voorspelde moeilijkheid beter differentieert tussen feiten, het aantal fouten op moeilijke feiten vermindert en dat leerlingen bij een warme start de feiten sneller beheersen. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op de doorwerking en impact van onderwijsonderzoek in de onderwijspraktijk, door een adaptief leersysteem te onderzoeken in een echte onderwijscontext. Dit werk draagt bij aan een effectieve, door onderzoek geïnformeerde inzet van educatieve technologie. Posterpresentatie39Marianne Wildeman, Lectoraat Beroepsonderwijs (HU), Practoraat Leven Lang Flex (mboRijnland), Utrecht, Leiden 3.100vr 11:15 – 12:15 Aanleiding Studenten van praktijkgerichte mbo-1 opleidingen hebben vaak een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt; ondanks een diploma vinden zij moeilijker werk en doen zij vaker een beroep op een uitkering. Dit belemmert een inclusieve arbeidsmarkt en heeft gevolgen voor de sociaaleconomische positie (Rijksoverheid, 2020). Mbo-instellingen verliezen na diplomering vaak zicht op de loopbaan van studenten, waardoor de overgang naar werk onvoldoende wordt ondersteund. Met de recente wet ‘Van school naar duurzaam werk’ krijgen mbo-instellingen meer mogelijkheden om mbo-1 studenten tot een jaar na diplomering aanvullende loopbaanbegeleiding te bieden (Staatsblad, 2025). Theoretisch kader en relevantie In dit Professional Doctorate (PD)-traject wordt in leerwerkpraktijken, ofwel hybride leeromgevingen (Timmerman et al., 2022), in co-creatie met partners uit onderwijs, werkveld en gemeenten gewerkt aan de ontwikkeling van een doorlopende leer- en loopbaanlijn. Door leren te situeren in de praktijk en gestructureerde loopbaanbegeleiding te bieden, kunnen loopbaancompetenties worden versterkt, zodat mbo-1 studenten beter toegerust zijn om duurzaam werk te vinden en te behouden. Het traject bouwt voort op kennis over het verbinden van leren en werken (Kyndt et al., 2021), het ontwerpen van leeromgevingen op de grens van school en werk (Zitter et al., 2016; Bouw et al., 2021), begeleiding in hybride leeromgevingen in het mbo (Khaled & Mazereeuw, 2022) en het duurzaam organiseren van waardig werk voor mensen met een kwetsbare arbeidsmarktpositie (o.a. De Bell & Dikkers, 2022). Vraagstelling Hoe kan een gezamenlijk door onderwijs, werkveld en gemeenten ontwikkelde doorlopende leer- en loopbaanlijn voor mbo-1 studenten, van instroom in de opleiding tot het eerste jaar op de arbeidsmarkt, bijdragen aan het vinden en behouden van duurzaam werk? Doelstelling Deze posterpresentatie deelt inzichten uit de verkennende fase van het PD-traject, vanuit mbo-1 studenten en actoren binnen de driehoek onderwijs–werkveld–gemeenten, en maakt bevorderende en belemmerende factoren voor de transitie naar duurzaam werk zichtbaar. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie64Mark Meeuwisse, Practoraat Leren in Hybride Leeromgevingen Scalda, Middelburg 3.100vr 11:15 – 12:15 Het Practoraat Leren in Hybride Leeromgevingen onderzoekt hoe de zelfregulerende vaardigheden van studenten binnen het cluster Dienstverlening, Veiligheid, Gastvrijheid en Groen (DVGG) van Scalda beter ondersteund kunnen worden. Zelfregulerend leren (ZRL) is een actueel thema in het mbo, maar onderzoek hiernaar is nog beperkt (Mejah & Grieder, 2024). Binnen DVGG werken 24 opleidingen (circa 950 studenten en 65 docenten) opleidingsoverstijgend samen, met flexibele leerroutes en keuze uit diverse leeromgevingen. Vanaf onderwijsperiode 2 kunnen studenten hun eigen rooster samenstellen. Hierdoor wordt er steeds meer een beroep gedaan op ZRL en de bijbehorende vaardigheden van studenten. Docenten erkennen het belang van het ondersteunen van ZRL, maar onderzoek laat zien dat het voor hen niet altijd duidelijk is wat ZRL precies inhoudt en hoe zij zelfregulerende vaardigheden van studenten doelgericht kunnen versterken (Dignath & Veenman, 2020). Dit benadrukt de noodzaak van een evidence-informed professionaliseringsaanpak binnen DVGG. Om inzicht te krijgen in de zelfregulerende vaardigheden van studenten is een gevalideerde vragenlijst ingezet (44 items, 10 categorieën; SRL-O; Broadbent et al., 2022). De vragenlijst is tekstueel aangepast aan het taalgebruik van mbo-studenten. Meer dan 700 studenten hebben de vragenlijst ingevuld; de resultaten laten een hoge self-efficacy en lage planvaardigheden zien. Dit patroon is voor vrijwel alle opleidingen vergelijkbaar. De inhoud van de professionalisering wordt gevoed door de resultaten van de vragenlijst en aangevuld met inzichten uit actuele literatuur. De posterpresentatie heeft als doel om (1) inzicht te geven in de onderzoeksopzet en de belangrijkste resultaten van het ZRL-onderzoek binnen DVGG, (2) te laten zien hoe deze resultaten worden vertaald naar gerichte docentprofessionalisering en (3) andere onderwijs professionals te inspireren om evidence-informed aan de slag te gaan met ZRL. De poster bevat interactieve QR-codes waarmee deelnemers aanvullende informatie uit het onderzoek kunnen ophalen. Dit nodigt uit tot een gezamenlijke dialoog. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Posterpresentatie547Miriam Mayer, Open Universiteit, Heerlen 3.100vr 11:15 – 12:15 Achtergrond De kwaliteit van de Nederlandse specialistische jeugdzorg moet beter. Jongeren en ouders ontvangen vaak geen passende hulp (Spijk-de Jonge et al., 2022). Tegelijkertijd nemen zorgvragen en complexiteit van casuïstiek toe. Het Nederlands Jeugdinstituut pleit daarom voor een transitie in professioneel handelen en kwaliteitsdenken, van strikt protocolmatig werken naar “samen lerend doen wat werkt”. Hierbij staan continu reflecteren en afstemmen centraal, en is leren integraal onderdeel van het dagelijks werk (Gorissen, 2017). Relevantie In de specialistische jeugdzorg is dergelijk leren echter beperkt ingebed en empirisch onderzocht (Goense et al., 2015). Werk-gerelateerd leren wordt voornamelijk benaderd als scholing en training buiten de werkcontext, waarvan de impact door bijvoorbeeld transferproblemen beperkt blijft (Eenshuistra et al., 2019). Theoretisch kader Mijn PhD-onderzoek focust daarom op werkplekleren, een onderbelichte vorm van werk-gerelateerd leren, waarbij leren en werken verweven zijn en die in verschillende mate georganiseerd en/of intentioneel kan zijn (Wijga & Kyndt, 2025). Volgens eerder onderzoek leren professionals, deels gezamenlijk, juist in en door hun dagelijks werk via handelen en reflecteren (Eraut, 2004; Decius, 2024; Harrison et al., 2024). Leren wordt daarin opgevat als continu, participatief en gesitueerd proces, gevormd door de wisselwerking tussen wat de werkcontext als leeromgeving biedt (affordances) en professionals die deze kunnen en willen benutten (Billett et al., 2014; Lave & Wenger, 1991). Aanpassingen in de werkcontext kunnen de kwaliteit van en motivatie voor werkplekleren bevorderen (Billet, 2004). Vraagstelling De eerste, verkennende fase van het PhD-onderzoek heeft daarom als vraagstelling: Wat zijn kenmerken van een werkcontext die professionals aanzet tot werkplekleren als onderdeel van het dagelijkse werk in wetenschappelijke literatuur en de praktijk van de specialistische jeugdzorg? Doelstelling bijdrage en interactie Deze poster presenteert de opzet en voorlopige resultaten van de eerste twee deelonderzoeken. Het publiek wordt middels enkele stellingen uitgenodigd tot dialoog over theoretische uitgangspunten, methodologische keuzes en kansrijke ontwerpprincipes. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Deze bijdrage richt zich op leren in de context van een beroepsgerichte transitie. De specialistische jeugdzorg illustreert hoe veranderende zorgvraag en -complexiteit het noodzakelijk maken dat professionals continu reflecteren en leren in het werk. Het onderzoek sluit aan bij de verschuiving in denken over professionaliteit en professionele autonomie. Werkplekleren ondersteunt daarmee niet alleen leren voor een specifieke transitie, maar functioneert zelf als transitiemechanisme omdat professionals actief bijdragen aan transities in hun beroep door zelf vormgever te worden van veranderingen. Dit PhD-onderzoek biedt inspiratie hoe onderwijsonderzoek in samenwerking met de beroepspraktijk kan bijdragen aan het versterken van leren voor transities. Paperpresentatie (30 minuten)908Trudy Krajenbrinks Mathematisch Instituut, Amstelveen, Peter Langeraks Mathematisch Instituut, Amstelveen 5.052vr 11:15 – 12:15 Veel leerlingen verlaten de basisschool met onvoldoende basisvaardigheden rekenen-wiskunde, zoals zichtbaar in de doorstroomtoets (Inspectie van het Onderwijs, 2025). Trendanalyses laten zien dat dit niveau al jaren te laag blijft (Langerak, 2025). In het voortgezet onderwijs is dit patroon opnieuw zichtbaar waarbij de achterstand vooral in het vmbo groot is (Inspectie van het Onderwijs, 2024). Ook PISA laat een dalende trend (steadily negative) zien onder vijftienjarigen (OECD, 2023), wat de inzet op het Masterplan Basisvaardigheden (Ministerie van Onderwijs, 2022) mede verklaart. Deze situatie is mogelijk te verklaren door een achievement gap tussen het behaalde reken-wiskundeniveau aan het eind van het basisonderwijs en de instapeisen van het voortgezet onderwijs. De onderzoeksvraag in deze pilotstudie luidt: In welke mate verbetert een 12-weekse rekeninterventie op een vmbo-t school de basisrekenvaardigheid, en wordt deze groei gemodereerd door kenmerken van de herkomstbasisschool (schoolweging en rekenen-wiskundeprestaties)? De interventie is uitgevoerd binnen de schoolbrede aanpak basisvaardigheden in het kader van het Masterplan Basisvaardigheden. Leerlingen maakten in schooljaar 2023/2024 drie keer een basisrekentoets (pre, mid, post). Cohort 2 maakte dezelfde rekentoets aan het eind van leerjaar 1 (zonder interventie) en fungeerde als historische controlegroep voor Cohort 1. Met linear mixed-effect models is onderzocht of de groei op de basisrekentoets wordt gemodereerd door 1) kenmerken van herkomstbasisscholen (schoolweging en aandeel 1F/1S), 2) geslacht van de leerlingen, en 3) interventiemoment (leerjaar 1 versus 2). Resultaten laten een substantiële verbetering op de basisrekentoets zien. Dit effect werd niet gemodereerd door interventiemoment, geslacht, of kenmerken van de herkomstbasisschool. Dit wijst erop dat een korte rekeninterventie in vmbo-t de basisrekenvaardigheden kan versterken, onafhankelijk van schoolweging of rekenprestaties van de herkomstbasisschool. Tijdens de presentatie bespreken we (a) de interpretatie van de afwezige moderatie door kenmerken van de herkomstbasisschool, (b) uitblijven van samenhang tussen startscores en kenmerken herkomstbasisschool, en (c) terugval van mid naar post-meting. Paperpresentatie (30 minuten)873Janneke Stuulen, Universiteit Utrecht, Utrecht 5.052vr 11:15 – 12:15 Schrijfvaardigheid is een essentiële voorwaarde voor schoolsucces en maatschappelijke participatie (Graham & Perin, 2018) en speelt een belangrijke rol in leren en denken (Flower & Hayes, 1981). Tegelijkertijd laten recente onderzoeken, zoals Peil.schrijfvaardigheid (Onderwijsinspectie, 2025), zien dat de schrijfvaardigheid van Nederlandse scholieren onder druk staat. Hoewel herschrijven op basis van peerfeedback wordt gezien als een aanpak om tekstkwaliteit te verbeteren (Stuulen et al, 2022), blijkt dat leerlingen ondersteuning nodig hebben bij het doelgericht verwerken van feedback om tot betekenisvolle revisie te komen (Stuulen et al, 2024). In deze studie onderzoeken wij de effecten van comparatieve peerfeedback en instructie over het geven en verwerken van feedback op tekstkwaliteit in de bovenbouw vwo. We maken gebruik van een switching replication design met twee condities (zie Figuur 1), die verschillen in het moment waarop instructie is aangeboden; in de ene conditie bij de eerste schrijfopdracht, in de andere conditie bij de tweede opdracht. De resultaten van multilevelanalyses laten zien dat herschrijven in beide condities leidt tot een significante verbetering van tekstkwaliteit (t (732.4) = 2.06, p = .04) zie Tabel 1). Er werden echter geen significante verschillen gevonden tussen de condities, zowel bij de eerste opdracht (t (735.9) = 1.36, p = .18), als bij de tweede opdracht (t (728,1) = .05, p = .96). Dit suggereert dat instructie op zichzelf geen additioneel effect heeft op de kwaliteit van herschreven teksten. Wel blijkt dat leerlingen die feedback actief verwerken, prioriteren en vertalen naar een kwalitatief hoogwaardig actieplan na instructie significant hogere tekstkwaliteitscores behalen dan leerlingen die de instructie niet effectief benutten tijdens het herschrijven (t (278.0) = 2.81, p = .03). De resultaten maken duidelijk dat betekenisvol herschrijven niet vanzelf ontstaat, maar afhankelijk is van de manier waarop leerlingen leren feedback doelgericht te gebruiken en verwerken. Accent op congresthema ‘Onderwijs voor Transitie’ Het is duidelijk dat leerlingen veel moeite hebben met schrijven, terwijl schrijfvaardigheid juist onmisbaar is om deel te nemen aan onderwijs en samenleving. Ons onderzoek laat zien hoe de manier waarop leerlingen feedback verwerken tijdens het herschrijven van teksten van invloed is op tekstkwaliteit. Doordat leerlingen comparatieve peerfeedback gebruiken, krijgen ze zicht op wat tekstkwaliteit inhoudt. De resultaten maken zichtbaar welke instructie en begeleiding nodig zijn om betekenisvol te reviseren. Daarmee biedt dit onderzoek praktische aanknopingspunten voor de inrichting van schrijfonderwijs binnen een alsmaar veranderende onderwijsomgeving.woensdag 1 jul 2026
14:15 – 15:45 Parallelsessie 1
Waar praktijk en onderzoek elkaar ontmoeten: Inzichten uit kennisnetwerken in de regio Utrecht
Inclusieve onderwijspraktijken in het hoger onderwijs. Onderwijs voor transitie naar een inclusieve samenleving.
THEMA-SPOTLIGHT: Innovatieve leerwerkomgevingen in beweging – hoe zet jij de volgende stap?
Scenario’s als middel om teacher agency en epistemic agency zichtbaar te maken
DIVISIE-SPOTLIGHT O&S: Burgerschapsonderwijs als transitiepraktijk: spanningen en dilemma’s
Ambitie voor transitie: conceptuele duidelijkheid voor ability grouping in het primair onderwijs.
OML&NCO: relatie tussen niet-cognitieve vaardigheden en onderwijsuitkomsten
Samenwerken rond complexe leerlingtrajecten: drempels, noden en kansen voor onderwijs–jeugdhulp.
De uitdagingen van RCT onderzoek in het onderwijs – blik op realiteit, uitvoerbaarheid en kwaliteit
Transnational Collaboration Accelerating Innovation in Higher Education and Professional Learning
Introductie van Wisselspoor: interactieve werksessie voor verbinding en actie rond onderwijsongelijkheid
THEMA-SPOTLIGHT: Grenzen aan openheid: onderwijsdilemma’s in een internationaal verbonden samenleving
Student en teacher agency voor onderwijsverbetering in een research-practice partnership
Leiderschap en Teamwerk: Over de rol van leiderschap bij samenwerking en teamleren in het onderwijs.
Samen met zij-instromers naar een agenda voor transitie in onderwijsteams
De inzet van Virtual Reality bij het opleiden en professionaliseren van leraren. Een hands-on workshop.
Begeleiding van studenten in leerwerkplaatsen: Een ontwerpgericht onderzoek om onderwijs voor studenten te verbeteren
Participatieve prioritering van patronen in het Professioneel Zelf bij deskundigheidsbevordering
Sense of Belonging in het hoger onderwijs: hoe systemen en interventies studentbinding en thuisgevoel versterken
Workshop Ontdek en versterk jouw Innoverend Vermogen als mbo-docent
De plek van agency en curriculumbekwaamheid in lerarenopleiding en beroep
Co-creatie in Actie: ‘ Students-as-Partners’ in transdisciplinaire samenwerkingen
Wat we (niet) weten over burgerschap. De stand van kennis voor schoolontwikkeling, beleid en wetenschap
Aanwezigheid in het Nederlandse middelbaar en hoger beroepsonderwijs
THEMA-SPOTLIGHT: Leren bijdragen aan een betere toekomst: vijf projecten over duurzaamheid, burgerschap, hoop en transformatie
Diversiteit en adaptiviteit: passende ondersteuning voor startende leraren
Interpersoonlijk leraargedrag en klasmanagement in onderzoek, lerarenopleiding en klaspraktijk
THEMA-SPOTLIGHT: Aanvangsbegeleiding herdacht: retentie van second-career teachers
Curriculum in transitie: theoretisch en empirisch onderzoek naar grondslagen en implementatie van kennisrijke curricula
16:15 – 17:15 Parallelsessie 2
Arbeidsmarktkansen van praktijkonderwijsleerlingen; beter dan verwacht!
Interesses in de wereld
Kritikos: een reflectieve AI-chatbot voor kritisch en verantwoord gebruik van generatieve AI in het hoger onderwijs
THEMA-SPOTLIGHT: Feedbackgeletterdheid van docenten versterken via e-learning
Impact in Kaart: een werkwijze om impact van activiteiten in kaart te brengen
Nieuwsgierigheid en leren in het vmbo: hoe kijken leerlingen daar zelf naar?
Effecten en implementatie van NELI in het speciaal (basis)onderwijs
Taal als (on)gelijkmaker? De rol van leerkrachtinteractievaardigheden in taal-denkgesprekken in het VSO
Bouwstenen voor digitale participatie: Een EDR‑studie naar sociale vaardigheden en mediawijsheid bij 6-7-jarigen
Het ontwerpen van een aanpak met meertalige, digitale prentenboeken in de vve
Van A naar B volgens de wetten van B.
Kwaliteitscriteria voor Design Based Research in hoger onderwijs.
Zelfevaluatie bij Design Based Education in het hoger onderwijs
Context en ondersteuning als katalysator voor learning analytics implementatie
Van gebruikers naar makers: studenten GenAI-vaardigheden bijbrengen door GenAI-docenten te ontwerpen en te valideren
Epistemic agency als vliegwiel voor student en teacher agency: naar een geïntegreerd agency‑model voor hoger onderwijs
Epistemic capability in participatief onderwijsonderzoek. Leren van spanningen en gelijkwaardigheid in PAO
Samen bouwen aan zelfregulerend leren van leerlingen
Zelfeffectiviteit bij het bevorderen van sociale participatie: psychometrische evaluatie van een vragenlijst
“Er was geen effect”. En wat nu met je RCT?
Evidence-informed onderwijs: naar een integraal model voor Vlaanderen en Brussel
From complaint to change: analysing patient complaints against residents to enhance postgraduate medical education.
Leren van zorgprofessionals in zorgnetwerken: een scoping review
Behandelen van chronische pijn door fysiotherapeuten: handelingsrepertoire op de werkvloer na professionalisering.
Leren voor een beroep in het mbo als langlopend proces: van analyse van een leermoment naar longitudinaal narratief
Hoe gelijk zijn gelijke kansen? Toetsaanpassingen binnen de Vlaamse toets leesbegrip
THEMA-SPOTLIGHT: Eerlijk onderwijs maak je samen: Een evaluatie van een beleidsspel voor gelijke onderwijskansen
Hoe draagt gespreid leiderschap bij aan teams in de context van curriculuminnovatie in het hoger onderwijs?
Spannend! Omgaan met polariteiten bij samenwerken aan innovaties: een gesprek over strategieën om spanningen te hanteren
Hoe geven lerarenopleidingen po, vo, mbo van Hogeschool X vorm aan burgerschap?
THEMA-SPOTLIGHT: Tijdelijke voorzieningen voor nieuwkomers: wat hebben we ervan geleerd?
Interessegericht onderwijs; zoek de verschillen
Tussen Fun en Frustratie: De waarde van falen in het onderwijs
Geïntegreerd onderwijs als hefboom voor laagpresterende leerlingen: meervoudige case study in het secundair onderwijs
Impact van onderwijsaanpassingen op begaafde leerlingen in het funderend onderwijs
Leren van inclusieve voorbeeld (basis)scholen: van praktijk naar bewijs
Het Didactisch Contract: van impliciet naar expliciet
Sociale relaties en voortijdig schoolverlaten in het mbo: vóór en tijdens COVID-19
De ontwikkeling van een docentprofessionaliseringstraject in co-creatie tussen expert-leraren en onderzoekers
Het bevorderen van adaptieve expertise bij docenten door middel van docent professionalisering
Het Dutch Enrichment Programme als brug: meertalig leren voor een betere doorstroom naar Nederlands onderwijs.
Leraar worden is méér dan leren lesgeven: betekenisvolle momenten in de transformatie van professionele identiteit
Professionaliseringsmiddelen in het po en vo: besteding, besluitvorming en effectiviteit
Burgerschapsonderwijs: conceptualisaties, pedagogieken, en schoolpraktijken
Het effect van het Life Sciences & Society programma op de professionele identiteitsvorming
Kansenongelijkheid in de klas: Differentiatie in behoefte-ondersteunend en -ondermijnend lesgeven
Onderwijsonderzoek door universitair docenten en het vertrouwen in hun eigen kunnen.
Psychologische basisbehoefteprofielen bij eerstejaars eerste generatiestudenten: hoe homogeen of divers is deze groep?
The effects of scaffolded and optional practice in an e-module on self-efficacy and study performance.
Strategische agenda OCW
Hoe weet je wat waar is? Epistemische dialoog in de wetenschapsklas voor weerbaarheid tegen desinformatie
Transdisciplinaire kennis in en over onderwijs: Een verhaal van collaboratieve etnografie en abductief redeneren.
donderdag 2 jul 2026
09:00 – 10:30 Parallelsessie 3
Beroepsonderwijs Utrecht: vraagstukken en aanpak in een regionaal ecosysteem
VOR-SPOTLIGHT: (Robuuste) kennisontwikkeling en benaderingen in onderwijsonderzoek
DIVISIE-SPOTLIGHT L&L: Zij-instromers als professionals met impact
Van arrangeren naar includeren: eerste resultaten van de monitor onderwijszorgarrangementen
Meebewegen met de wind: toetsbekwaamheid vanuit een situationeel perspectief
Opleiden voor transitie: sociale, emotionele en gedragsvaardigheden in hbo-curricula en de aansluiting met arbeidsmarkt
THEMA-SPOTLIGHT: Een creatieve reflectie op kenniscreatie, -deling en -gebruik in regionale kennisnetwerken
THEMA-SPOTLIGHT: Levensbeschouwelijk onderwijs in transitie: Burgerschap en het curriculum van Expertisecentrum LERVO
Bouwen aan inclusief onderwijs samen met ouders en onderwijs-zorg-professionals
De strategische rol van schoolleiders in het voortgezet onderwijs; een spanningsvolle sleutelrol?
Onderwijs anders organiseren: onderzoek naar werken in complementaire teams
Schoolfactoren en docentenbehoud: Een longitudinale kwalitatieve studie
Interprofessioneel opleiden in de wijk – kennis maken en bruggen bouwen in Utrecht
Innovatieve leerwerkomgevingen next level: MBO–HBO–WO in samenwerking
Grensoverbrugging en bruggenbouwers in werken over grenzen van (onderwijs)organisaties en professies: Kwestie van leren?
Samenwerking en reflectieve dialoog in docentprofessionalisering: verbinding én verdieping
Samen leren door co-interpreteren van data
Ontwerpgericht onderwijs: naar een metatheorie
Rondetafelgesprek over onderzoek naar innovatief vermogen onderwijsprofessionals
SoTL in beleid: hoe universiteiten praktijkgericht onderwijsonderzoek van docenten inbedden in het hoger onderwijs
Relationele seksuele vorming op islamitische basisschool: Normatieve professionals in onderwijspraktijk en -onderzoek.
Stuurkracht van teams versterken in onderwijsvernieuwing: de rol van organisatiecondities.
Spelen met impact: de impact van transdisciplinaire projecten duiden met een spel
Onderwijsonderzoek in het Nederlandse taalgebied: recente ‘published first’-publicaties
Perspectieven op een inclusieve basisschoolomgeving.
vanzelfsprekend werken vanuit een sociaal model perspectief.
School en omgeving: Opbrengstgericht onderzoek in de praktijk
Ruimte maken voor verschil: gedeeld eigenaarschap over controversiële dialogen in het hoger onderwijs
Van idee naar impactvolle verandering: Drie perspectieven op duurzame onderwijsinnovatie in hbo en wo
Strategisch HRM voor onderwijstransities: van beleid naar praktijk
Eerlijke transitie naar het hoger onderwijs: positionering, predictieve tools en kansengelijkheid
11:00 – 12:00 Parallelsessie 4
THEMA-SPOTLIGHT: Kijk op studentuitval in transitie: beleidsrepresentaties, praktijkperspectieven en een typologie van uitvallers
Tussen differentiatie en egalitarisme: Nederlandse onderwijshervormingen en hun beperkte effect op gelijke kansen
Balanceren tussen Leren en Beslissen. Dilemma’s bij de Implementatie van Lerend Kwalificeren.
Een zorgeloos pad? Uitval op het pad van vmbo naar de arbeidsmarkt in de sector zorg en welzijn
Klaar voor het nieuwe curriculum: Ontwerpprincipes voor een meertalige onderwijsbenadering in het vo
Purpose, Position, Potential. Over de rolontwikkeling van meertalige onderwijsassistenten in het vo-nieuwkomersonderwijs
Het meten van SES in grootschalig onderwijsonderzoek naar gelijke kansen
Veranderingen in het burgerschapsonderwijs: een gesprek over een onderzoek naar de toetsing van burgerschap in het mbo
Het profiel en de noden van kwetsbare studenten in het hoger onderwijs: Analyse vanuit het Study Demands-Resources model
Keuzebegeleiding in het hoger onderwijs: inzicht in autonomie- en competentie-bevorderende docentpraktijken
“Dit is een onderzoek door en voor ons barbaren!” Over kritisch auto-etnografisch onderwijsonderzoek.
Roltransities van docentonderzoekers in het hbo: leren onderzoeken en verbinden tussen onderwijs, onderzoek en praktijk
Een soepele start voor alle leerlingen in het vo, wat kun je als school doen?
THEMA-SPOTLIGHT: Schooldirecteuren als connectieve leiders: samenwerken met externe partijen door grenzen te overbruggen
Betekenisvolle ervaringen op de werkplek vastleggen met de ondersteuning van een app
Motivatie van beginnende pabo-studenten in Almere
Gezamenlijk complexe maatschappelijke vraagstukken aanpakken: Kennisintegratie in Transdisciplinair Onderwijs
Kijkkader voor discipline-overstijgend leren samenwerken, met taal en communicatieve competenties in de hoofdrol.
Kunnen leraren de leraar zijn, die ze willen zijn? – Eerste resultaten van professionele identiteitsontwikkeling
Longitudinale studie naar overtuigingen, attitude & engagement ten aanzien van onderwijsonderzoek van beginnende leraren
Bevlogen en betrokken leraren in een complexe basisschoolcontext: de rol van inclusief leiderschap
Interdisciplinair/interprofessioneel onderwijs en docentprofessionalisering: wat heeft de docent nodig?
Assessment van transdisciplinair leren: het waarom, wat en hoe heroverwogen
Evaluatie van richtlijnen voor holistische beoordelingsprocessen in het hoger onderwijs: inzichten uit focusgroepen
Een verkenning van leerlingperspectieven op meertaligheid, digitale technologie en taalleermotivatie in mvt-onderwijs
Spanningen en Uitdagingen die Docenten Ervaren Tijdens het Doceren van Cultuuronderwijs in de MVT vakken
Bruggen bouwen vanuit de basisschool: Hoe onderwijs en welzijn samenwerken om gezinnen te ondersteunen
Een brede basis in transitie; peilingsonderzoek naar Mens en natuur en Mens en maatschappij in het basisonderwijs
Het bevorderen van geloof in eigen kunnen van mbo-studenten via burgerschapsonderwijs: impact van een lesprogramma
Mogelijkheden voor beroepsidentiteitsontwikkeling in leeromgevingen in economische mbo-opleidingen.
Hybride leeromgevingen in transitie: welke instrumenten brengen de co-constructie tussen onderwijs en praktijk verder?
THEMA-SPOTLIGHT: Beroepscontextgedreven vakdidactiek met een eigen signatuur: een proces van co-creatie.
Mechanismen die zelfsturing ondersteunen in flexibele contexten in het hoger onderwijsM
Wat als je de aanwezigheidsplicht afschaft voor studenten?
Overstapcoaching in de overgang van v(s)o naar mbo: werkzame elementen en randvoorwaarden.
Van mbo naar hbo. Maatregelen voor versoepeling overgang mbo-hbo nader bekeken
Leren in Leergemeenschappen:
Welke methodologieën zijn er om samen leren boven water te halen?
Ontwerpen en faciliteren van verschillende typen leergemeenschappen: in gesprek over aandachtspunten en didactiek.
Bouwen aan binding: de beleving en impact van peer-to-peer support voor buddy’s, coachees en de hogeschool
De didactische laag: structuur, narratief en context bij het delen van studiematerialen in het hbo
Jeugdzorgprofessionals aan het werk. Welke kennis doet er toe?
Leren beter begrepen vóór het jeugdveld: review van interventies ter versterking van lerende organisaties
Meer dan inspiratie: een vergelijkende studie tussen rolmodellen als sociaal leerproces bij artsen en leraren
Pedagogical Content Knowledge van ervaren PO-leraren bij het bevorderen van historisch perspectief nemen bij leerlingen
Datageletterdheid bij leerkrachten meetbaar maken: Ontwikkeling en validering van een vignette-gebaseerd meetinstrument
From GenZ to GenAI: How Do Student Teachers and Their Teacher Educators Perceive and Use GenAI in Their Profession?
Kritische AI-geletterdheid voor kenniswerkers: voorlopige resultaten van een scoping review
Leeschallenges in het vmbo – de effecten van leeschallenges op leesbetrokkenheid en tekstbegrip van vmbo-leerlingen
Van hype naar praktijk: hoe ontwerpen we effectieve en verantwoorde GenAI-onderwijstools voor leren?
Video-gebaseerde sociale en epistemische netwerkanalyse naar sociale interactie in teamgesprekken over datageletterdheid
Dagelijkse technostress bij docenten: een interviewstudie
Interesseontwikkeling bij jongeren: evidentie voor vroege interessestructuur en implicaties voor studiekeuzebegeleiding
Opleiden voorbij de witte jas: ervaringen met de inzet van geneeskundestudenten als Medisch Maatje.
Percepties van mbo-studenten over de route naar het hoger onderwijs
Studentervaringen vanuit zelfdeterminatietheorie bij de inzet van een docentdashboard in het Hoger Onderwijs
Vertrouwen en verbinding: ervaringen van leerlingen, ouders en professionals met een maatwerkaanpak voor thuiszitters
Creativiteit in moment-tot-moment interacties tijdens wetenschapslessen in het kleuteronderwijs
Een laagje toevoegen aan het leren: Verschillen in AR/VR-competenties van bovenbouw-po en onderbouw-vo STEM-docenten
Het begrijpen en beoordelen van visuele expertise bij leerkrachten lager onderwijs bij data interpretatie
Invulling van teacher leadership bij de implementatie van digitale geletterdheid in zes VO scholen.
Naar een inclusieve BSO voor kinderen met extra ondersteuningsbehoeften: het perspectief van ouders en professionals
Netwerkscholen: een kwalitatief onderzoek naar het sociaal kapitaal van basisscholen in de context van het lerarentekort
Veerkrachtbevorderend handelen als pedagogisch antwoord op maatschappelijke transities in het basisonderwijs
Digitaal sterke leraren, digitaal sterke leerlingen? De rol van vakinhoudelijke kennis en onderwijsbenaderingen.
De student aan de ontwerptafel van curriculumvernieuwing. Wat vraagt het en wat levert het op?
Student voice in context: aanpakken en condities in het klaslokaal
Generatieve AI Tijdens het Oplossen van Informatieproblemen: Een Thematische Analyse van Beweegredenen van Studenten
Van leerdoel naar AI-toetsvraag: wat kan generatieve AI betekenen in het formuleren van toetsvragen
14:30 – 16:00 Parallelsessie 5
THEMA-SPOTLIGHT: Heterogeen onderwijs: ervaringen, uitkomsten, didactische aanpakken, differentiatie en determinatie
Erfelijkheid en sociale ongelijkheid in het onderwijs
Effectieve didactiek als gedeelde kern in onderwijspraktijk, lerarenopleiding en lesobservatie
De rol van cognitief talent in de leeromgeving: welzijn, relaties en oordeelsvorming
Blijvend betrokken en bevlogen: hoe leraren hun werk en werkomgeving ervaren
Kennisrijk onderwijs in een diverse samenleving: curriculum en klaspraktijken met het oog op eerlijke onderwijskansen
Van thuiszitten naar deelname: zicht op thuiszitters en de rol van digitaal afstandsonderwijs
Implementatie en effecten van boekenclubs in het VSO
Leerconcepties van leerlingen in de brugklas: een vragenlijstontwikkeling
Literatuurgeschiedenis met oog voor de ander. Literatuurhistorisch redeneren voor de vwo-bovenbouw.
Nieuwe kerndoelen: hoe digitaal geletterd moet een leraar zijn?
THEMA-SPOTLIGHT: Onderwijsontwerp voor transformatieve agency: praktijkdata als input voor toekomstbestendig curriculum
Professioneel oordeelsvermogen in GenAI-context: disposities als kern van lerarenprofessionaliteit
Samenwerken, samen leren: onderwijs in een diverse samenleving
Hoe denken leerlingen over statistische diagrammen? Inzicht in leerprocessen met oogbewegingsdata
THEMA-SPOTLIGHT: Het ontwerpen van transdisciplinair onderwijs: geen sinecure
Samenwerken aan een groter goed. Effectieve regionale sturingsnetwerken in het onderwijs.
Samenwerkend professionaliseren rondom externaliserend gedrag in de transitie naar inclusief onderwijs
Onderzoek vanuit het Centre for Teaching and Learning naar onderwijsverbetering in het hoger onderwijs
Leiderschap in transitie: naar een onderzoeksagenda
DIVISIE-SPOTLIGHT CU en ICT: AI in Education: Curriculum Innovation in Teaching and Learning
Ontwerpen voor zelfgestuurd en flexibel leren: samen aan de slag met het FLEXweb
Samenwerking tussen onderwijs en zorg
Professionele ontwikkeling van docenten binnen de dynamische context van het mbo
Opstaan tegen polarisatie: waardengericht op weg naar een inclusieve school
THEMA-SPOTLIGHT: AI-onderzoek in het onderwijs: de rol van co-creatie
THEMA-SPOTLIGHT: Onderzoek voor transitie – Herzien van oude problemen met nieuwe methodologieën
Het belang van filosofisch en historisch onderwijsonderzoek in tijden van transitie
16:30 – 17:30 Parallelsessie 6
De Human–AI Agency Rubric: een reflectief instrument voor mens-AI samenwerking in digitale informatievaardigheden
Hoe systeemautonomie samenhangt met de acceptatie van AI-ondersteuning bij leraren: een vignette-studie
De relatie tussen mate van integraal werken en professionals’ houding ten aanzien van interprofessionele samenwerking.
THEMA-SPOTLIGHT: Co-constructie op en over grenzen van praktijken in het beroepsonderwijs: de rol van grensgangers, -ruimtes en -objecten
Het lerarentekort: Hoe studenten en docenten aan de universiteit denken over werken in het voortgezet onderwijs
Kansen en uitdagingen voor het aantrekken en behouden van (meer) leraren van kleur in het primair onderwijs
Overdraagbare didactiek in Open Educational Resources
Toets, advies en kansen: onderzoek naar de totstandkoming van de schooladviezen in het po
THEMA-SPOTLIGHT: Kansrijk om de hoek. Sociale rechtvaardigheid in leerecosystemen: voorwaarden voor beleid en praktijk.
Een haalbaar en effectief tutorprogramma voor Rotterdamse leerlingen
Switch in het mbo
Gewenste moeilijkheden in het hoger onderwijs: bekendheid bij docenten en implicaties voor docentprofessionalisering
Verhaal achter Verhalen. Van professionele dialoog tot reflectie op professionele identiteit.
Kan co-leiderschap het schoolleiderschap in het basisonderwijs versterken? Perspectief van schoolbestuurders.
Welbevinden van schoolleiders onder druk? Op zoek naar oplossingen
Expertiseontwikkeling van vakdocenten in het bevorderen van oordeelsvorming bij leerlingen
Generatieve AI en het schoolvak Nederlands: Wat betekent dit voor docenten Nederlands?
Leren en onderwijzen van digitale informatievaardigheden in het AI-tijdperk: een systematische literatuurreview
Brugfunctionaris: een nieuwe functie in het basisonderwijs
Een start die het verschil maakt?! Een onderzoek naar wat werkt en op welke manier bij de Zuid-Limburgse Startklassen.
De perceptie van universitaire docenten over Scholarly Teaching: belemmerende en bevorderende factoren.
Wie leidt de verandering? Teacher leadership als hefboom voor schoolontwikkeling in school-universiteitspartnerschappen
Taalbewust opleiden voor een divers werkveld: praktijkgericht ontwerponderzoek binnen de ad PEP
Van Technasium tot tweetalig onderwijs: mesodifferentiatie in het onderwijsaanbod van Nederlandse VO-scholen
Vlaamse minimumdoelen en Nederlandse kerndoelen: rationales voor ex-ante normering van leerdoelen
Differentiatie in het hoger onderwijs: een evidence-informed professionalisering via een Learning Lab
Evidence-based scholing voor curriculum co-design met docenten, studenten en onderzoekers
“Ik wil wel lezen, maar ik doe het niet”: Zoektocht naar wat het lezen van studenten bevordert en ondermijnt.
Werken aan AI-geletterdheid in het hoger onderwijs
Workshop: De ‘ontwikkelplaat’ als reflectie- en professionaliseringsinstrument voor docent-onderzoekers in het mbo
Lesson Study als opleidingsdidactiek in de lerarenopleiding: een ontwerponderzoek
Stevig staan wanneer het erop aankomt. Professionalisering van (aanstaand) leerkrachten in lastige praktijksituaties
Hoge verwachtingengedrag in hoger onderwijs: een zelfperceptievragenlijst voor docenten
Professionalisering gericht op professionele dialoog en hoge verwachtingen: verklaringen, implicaties, en transfer
Everyday moments of self-directed learning: studentervaringen buiten docentbegeleide onderwijsactiviteiten
Wanneer is sturen op aanwezigheid verantwoord?
Over studiesucces, autonomie en het idee van een aanwezigheidsethos
Student agency in programmatisch toetsen: Een zoektocht naar leermogelijkheden
Zicht krijgen op docentontwikkeling in het formatief evalueren van onderzoekend vermogen: triangulatie van data
Familiescholen in ontwikkeling: werken aan kansengelijkheid en veranderingen in professioneel handelen
Kennis die ertoe doet: hoe Centres of Expertise inzichten vertalen naar onderwijs en maatschappelijke impact
CIMO als reflectietool voor praktijkgestuurde professionaliseringsinitiatieven.
Integratie van open leermateriaal in didactiek en curriculum in het funderend onderwijs
Leven lang ontwikkelen in gemeenten tijdens digitale transitie: ontwikkeling van een sleutelmethodologie
Ontwerpprincipes voor zelfregulerend leren in coachgesprekken: een evaluatiestudie in gepersonaliseerd onderwijs
Stimuleren van creativiteit bij leraren in opleiding
Strategieën voor de benutting van inzichten over beroepsgerichte didactiek in hybride leeromgevingen in het mbo
A ‘good’ feedback request: Exploring a comparative judgement methodology to assess the quality of feedback requests
Ondersteunen van peerfeedbackdialogen voor het bevorderen van zelfregulerend leren van vo-leerlingen
Praktische wijsheid van leraren in normatief complexe onderwijspraktijken
Sleutelmomenten in onderzoeksstages: wat leren (aanstaande) leraren van een natuurkundige stage in de lerarenopleiding?
Conceptualisering van interculturele feedbackgeletterdheid bij hbo-docenten: voorlopige inzichten uit een scoping review
De James Lind Alliance-aanpak in onderwijsonderzoek: een nieuwe manier om onderzoeksprioriteiten te kiezen
Onzichtbare barrières in de lerarenopleiding: een visuele studie naar marginalisatie
Schaduwonderwijs en kansengelijkheid: het concept en impact in de praktijk
THEMA-SPOTLIGHT: Partner Up! Werkzame principes van pedagogische partnerschappen in het hoger onderwijs
De Ontwerpwinkel: Ontwerpcompetenties van toekomstig pedagogen en masterleerkrachten basisonderwijs onder de loep
Meten en ontwikkelen van het onderzoekend vermogen van leraren
vrijdag 3 jul 2026
09:00 – 10:30 Parallelsessie 7
From Design Principles to Impact: Emerging Approaches to assess Impact of Centers for Teaching and Learning.
Studie-uitval verminderen: Pedagogisch-didactische uitdagingen en docenthandelen
Schoolleiderschap in een ingewikkelde maatschappelijke context: hoe om te gaan met spanningen en dilemma’s?
Kansengelijkheid of hokjesdenken? Validatie van een bespreekkader in het Gespecialiseerd Onderwijs
De Rol van Mentale Modellen in Docentprofessionalisering in het Voortgezet Onderwijs
Selectie in het hoger onderwijs: een genuanceerd inzicht in het gebruik van vwo-cijfers.
Van motivatie tot resultaat: toetsmotivatie, testangst en toetsresultaten bij de Vlaamse (wiskunde)toetsen
Denkgereedschappen voor het AI-tijdperk: fundamentele reflectie op AI door HBO-professionals
Ontwikkeling van vakdidactische kennis van student-leraren aardrijkskunde en geschiedenis
Waarom wil je dat weten? – Onderwijs(onderzoek) vanuit je bedoeling
Differentiatie vanuit het perspectief van leraren, leerlingen en externe observatoren
Voorbij het formele curriculum: interactieonderzoek naar percepties, subjectificatie en stilte in de klas
Diversity Discomfort (DiDi): een creatieve verkenning van ons eigen ongemak en de inzet daarvan in het onderwijs
Onderwijs voor transitie: wat vraagt inclusie van onderwijsonderzoek?
Burgerschap en identiteitsontwikkeling van leraren: een narratieve reis.
In beeld brengen van leeromgevingen in transitie: evidence-informed instrumentontwerp voor meer impact
Leesbevordering bij volwassen NT2-leerders: onderzoek naar leesmotivaties, onderwijspraktijk en leesinterventies
DIVISIE-SPOTLIGHT HO en LivB: Beroepen onder druk: wat AI vraagt van curricula, didactiek en onderwijsresearch
De kracht van docentstudiegroepen voor zelfregulerend leren
Schoolbreed, impactvol burgerschapsonderwijs; vier ontwerpgerichte onderzoeken in het funderend onderwijs
Perspectieven op agency van docenten en leerlingen in verschillende onderwijscontexten
Perspectieven op de rol van de leraar als ontwerper van toekomstgericht onderwijs
Lesgeven aan meertalige (nieuwkomers)leerlingen in het primair onderwijs
Veilig, verbonden en actief leren: klasmanagement, groepsdynamieken en bewegend leren.
11:15 – 12:15 Parallelsessie 8
De school als pedagogische tussenruimte: professionaliteit van docenten in een gepolariseerde samenleving
Kan je alles bespreken in de klas? Waardegeladen kritisch denken stimuleren tijdens (inter)levensbeschouwelijke dialoog
Hoe technologie regulatie van leren ondersteunt: een systematische review van ontwerp en effectiviteit van interventies
Ontwikkeling die uitblijft: metacognitieve en cognitieve leerstrategieën in het voortgezet onderwijs
Schoolbestuurders en schoolleiders over het functioneren van schoolbesturen: Bevindingen uit survey-onderzoek
Professionalisering van academische leerkrachten in het basisonderwijs.
Burgerschapsvormend handelen vanuit leerkrachtperspectief
Dialoog+ in de klas: effecten van een professionaliseringsinterventie bij controversiële maatschappelijke vraagstukken
Inzicht in studentmotivatie en beleefde scharnierpunten met behulp van de storyline methodologie
Onderzoek naar de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van de feedbackdashboard bij de Vlaamse Toetsen
“Het is nutteloos, te veel, en het boeit niemand”: Hoe geneeskundestudenten betekenis geven aan demotivatie
Componenten voor een flexibele zorgopleiding op basis van behoefteonderzoek onder studenten.
Het concept persoonsvorming in de praktijk
De impact van het smartphoneverbod op telefoongebruik, uitstelgedrag en mentaal welbevinden na schooltijd
Studentenstem als leidraad voor cursusevaluaties: de thermometer
Shall I stay or shall I go? Sense of belonging van academische leraren-in-opleiding tijdens hun stage
Wie leert van wie? Validering van rolmodellen als sociaal leermechanisme in professionele netwerken van leraren
Het verband tussen wekelijkse academische veerkracht en toetsresultaten bij bachelorstudenten
Waar leren onder druk staat: latente profielanalyse van academisch optimisme bij leraren naar onderwijsvorm en ervaring
THEMA-SPOTLIGHT: Wat maakt echt samen leren zo lastig? Collectief leren in labs en hubs tussen onderwijs, onderzoek en praktijk
Transformatief leren in kaart gebracht: ontwikkeling van een integraal analysemodel voor docentprofessionalisering.
Kunnen we “de blik” van een kleuterleerkracht professionaliseren?
Waar je wiegje staat, heeft invloed op de kans om te gaan studeren
Langetermijneffecten van voltijds begaafdheidsonderwijs op schoolloopbanen
Van signalering naar passend onderwijs: interventies en opbrengsten na universele screening cognitief talent in het PO
Leraren ervaren teamleren als systeem door zelf te modelleren
Ruimte om te handelen: Teacher Agency bij Ad PEP studenten in complexe klaspraktijken
Loopbaanontwikkeling, kwaliteitsverbetering en onderzoek – een sterke combinatie?
THEMA-SPOTLIGHT: Vormgeven aan LLO als continu proces van leren: een gelaagde regionale aanpak
Docenten Optimaal Voorbereiden Op het Nieuwe MVT Domein Cultuurbewustzijn
Percepties van leraren en leerlingen over leraar-leerlinginteractie gericht op self-efficacy in STEM in het VO
Toekomstmakers in actie: een hands-on sessie voor gezamenlijk leren, ontwerpen en grenzen overbruggen
De kunst van veranderen: de inzet van kunst werkvormen in veranderonderwijs voor technische studenten.
Gigamap van creatieve onderzoeksmethoden. Handelingsperspectief voor diepere kwesties in complexe systemen
Collectieve epistemic agency – Hoe ontwikkelen hbo-docententeams handelingskennis?
Professionalisering voor differentiatie door interprofessionele ontwikkelteams
Een Intersectionele Analyse van de Relatie tussen Leerlingkenmerken, Leerkrachtverwachtingen en Overgangsadviezen
Een vergelijkende analyse van de school- en toetsadviezen in het speciaal basisonderwijs en het regulier basisonderwijs
Hoe zien leerkrachten het geheugen? De conceptualisatie van het geheugen in relatie tot instructie, een interview studie
Jezelf toetsen, gespreid oefenen en afwisselend oefenen: Meta-analyse naar effecten in basis- en voortgezet onderwijs
Tussen archeologisch en onderwijsonderzoek: een typologie van onderwijsartefacten
Evalueren van de impact van interprofessionele samenwerking in de gemeenschap.
Ons Integrale Kindcentrum: onderzoek naar de kracht van gezamenlijke visievorming en gedeelde identiteit voor IKC’s
Professionele ‘Wedentity’
In gesprek over collectieve identiteit bij co-creatie in DBE
Student-Peer en Student-Docent Interacties in het Hoger Onderwijs: een Systematische Review
Taal in Almere: professionele groei van deelnemers in lerende netwerken.
Vormen en werkwijzen van leergemeenschappen binnen Innovatiewerkplaatsen (IWP’s): inzichten vanuit de Hanze
Het begrijpen en benutten van diversiteitsongemak in de klas ter bevordering van inclusie in het hoger onderwijs.
Leerlingperspectieven op competentiebeleving en sociale inclusie in het praktijkonderwijs
Meertalige beroepssituaties: hoe handelen zorgprofessionals?
Needs to be discovered: onderwijs afstemmen op leerlingen met communicatief meervoudige beperkingen
Verschillen in behoefte-ondersteunend lesgeven naar SES en etnische achtergrond: De rol van lerarenattitudes
Vroege cognitieve vaardigheden en empathie bij vijfjarigen: inschattingen versus metingen
Asking the ‘right’ question: The development of a coding scheme for feedback requests (for academic writing)
Elke hbo-docent ook een taalbewuste docent; dilemma’s rond vakgeïntegreerd schrijfonderwijs
Lesgeven met cognitie in gedachten: wat meta-review evidence zegt over lesgeven in het hoger onderwijs
Teacher noticing bij universitaire statistiekdocenten: Ontwikkeling en afname van een vignette-meetinstrument
Leren van anderen: starten met voorspelde moeilijkheid versnelt adaptief leren van feitenkennis
Mbo-niveau 1 studenten in een doorlopende leer- en loopbaanlijn van school naar duurzaam werk.
Ondersteunen van zelfregulerend leren in flexibele mbo-leerroutes: een evidence-informed professionaliseringstraject.
Verkennend onderzoek naar samen lerend werken in de specialistische jeugdzorg
Effectiviteit van reken-interventie in het vmbo: groei onafhankelijk van rekenprestaties en weging herkomstbasisschool
Krachtige peerfeedback bij schrijfonderwijs: de effecten van paarsgewijs vergelijken en herschrijven in 4vwo.